Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:6934

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-05-2017
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
16/652120-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake twee winkeldiefstallen in vereniging en beschadiging + tul

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling straf-, familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/652120-17; 02-821629-14 (vordering na voorwaardelijke veroordeling) (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 9 mei 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 april 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie en van hetgeen mr. J.W.D. Roozemond, advocaat te Utrecht, namens verdachte naar voren heeft gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 op 27 januari 2017 in Amersfoort, samen met een ander, een winkeldiefstal heeft gepleegd;

feit 2 op 27 januari 2017 in Amersfoort een jas heeft vernield/beschadigd/onbruikbaar gemaakt;

feit 3 op 1 december 2016 in Amersfoort, samen met een ander, een winkeldiefstal heeft gepleegd.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat onder feit 1 en 3 sprake is van medeplegen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde. Verdachte heeft het feit niet bekend en er is door [getuige 1] geen aangifte gedaan. Voorts kan niet bewezen worden dat verdachte het opzet had een jas te vernielen.

De raadsman heeft ook vrijspraak bepleit van het onder 3 tenlastegelegde. Uit de aangifte van de diefstal op 1 december 2016 volgt niet wat er is gebeurd, men vermoedt enkel dat er drie tassen zijn weggenomen. In het proces-verbaal van bevindingen spreekt de verbalisant over een man. Op de beelden ontbreekt een datum- en tijdregistratie, daardoor is niet uit te sluiten dat de beelden mogelijk door elkaar gehaald zijn met andere beelden en daarom geen betrekking hebben op 1 december 2016.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

feiten 1 en 2

Op 27 januari 2017 was [getuige 2], storemanager, in de winkel [naam winkel] aan de [vestigingsadres] in [vestigingsplaats] aanwezig samen met twee andere collega’s. Zij hoorde dat rond 12.03 uur de poortjes van de winkel afgingen. Zij zag een man met een grote tas de winkel uitlopen. Zij riep naar de man en de man begon te rennen. Zij is naar binnen gegaan om 112 te bellen. Zij zag dat haar collega’s achter de man aangingen. Later hoorde zij van haar collega’s dat de man drie tassen naar hen had gegooid. Van één van de collega’s die achter de man waren aangerend hoorde ze dat de man een geprepareerde tas bij zich had. Zij zag later dat de tassen die de man van zich af had gegooid uit hun winkel afkomstig waren. Zij verklaarde dat de tassen van het merk Michael Kors waren. Ook hoorde zij dat door de man een jas was vernield van een man die geholpen had bij de aanhouding.2

Verbalisant [verbalisant 1] kwam op 27 januari 2017 om 12.12 uur ter plaatse op de [vestigingsadres] te [vestigingsplaats] naar aanleiding van een melding dat er een winkeldief was aangehouden. Verbalisant hoorde dat [getuige 1] verklaarde dat hij twee dames in werktenue achter een man zag aanrennen en hoorde dat zij riepen dat de man moest worden tegengehouden. [getuige 1] verklaarde dat hij de man fysiek had tegengehouden en daarop vastgehouden in afwachting van de komst van de politie. [getuige 1] zei dat de man uit zijn greep probeerde te komen en dat daarbij zijn jas gescheurd was.

Verbalisant zag dat [getuige 1] zijn jas aan hem toonde en zag dat er een scheur aanwezig was in zijn jas ter hoogte van de rechter oksel. Verbalisant heeft van deze schade foto’s gemaakt en bij het proces-verbaal gevoegd.3

Verbalisant [verbalisant 2] bekeek de camerabeelden van [naam winkel] te [vestigingsplaats] en constateerde dat4 op 27 januari 2017 om 11.59 uur verdachte, die hij herkende van de foto van de gemaakte ID-staat, samen met een vrouw de winkel binnenkwam.5 Verbalisant zag dat verdachte samen met de vrouw bij het uitverkoopschap stond en de vrouw twee tasjes tegen haar buik aangedrukt hield. Voorts zag verbalisant dat de vrouw tweemaal een tasje in de geprepareerde tas van verdachte stopte.6

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 27 januari 2017 in Amersfoort op heterdaad was betrapt bij de diefstal van drie tassen.7 Verdachte heeft tegen de rechter-commissaris verklaard dat de scheur in de jas van de man misschien is gekomen doordat hij zich los wilde rukken.8

Bewijsoverwegingen

opzet beschadiging jas

Verdachte heeft, toen hij door [getuige 1] op straat werd aangehouden, geprobeerd los te komen, waardoor er een scheur in de jas van [getuige 1] is ontstaan. Verdachte heeft door zo te handelen de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij enige schade zou toebrengen aan de jas en/of kleding van die [getuige 1]. Gelet op de foto van de schade aan de jas, acht de rechtbank niet bewezen dat de jas zodanig is beschadigd dat deze niet meer door reparatie in de oude toestand kan worden hersteld en dat sprake is van vernieling.

De rechtbank acht, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 27 januari 2017 samen met een ander een winkeldiefstal heeft gepleegd en dat hij door zich te verzetten tegen zijn aanhouding de jas van [getuige 1] heeft beschadigd.

feit 3

Op 1 december 2016 was [getuige 2], storemanager, aan het werk in de winkel [naam winkel] aan de [vestigingsadres] in Amersfoort. Omstreeks 16.00 uur kwam zij erachter dat er drie tassen van het merk Lola Cruz waren weggenomen. Zij zag op de camerabeelden dat er om 12.30 uur een man en vrouw de winkel binnen kwamen en vervolgens in de winkel rondliepen.9 Om 12.36 uur pakte de vrouw drie tassen van het middenschap. Zij zag vervolgens dat er iets bij de genoemde man gebeurde en dat de man met een tas de winkel uitliep. De vrouw liep achter de man aan en verliet de winkel. De alarmpoortjes gingen niet af.10

[getuige 2] had op 27 januari 2017, namens [naam winkel], aangifte gedaan van winkeldiefstal. Later besefte zij dat zij de man en de vrouw eerder in de winkel had gezien en dat zij toen ook een diefstal hadden gepleegd. Dat was op 1 december 2016.11

Verbalisant [verbalisant 2] bekeek de camerabeelden van [naam winkel] te [vestigingsplaats] en constateerde dat12 op 1 december 2016 om 12.34 uur een vrouw door de winkel liep, zij hield een handtas tegen haar buik. Verbalisant herkende de vrouw als dezelfde vrouw die te zien was in de zaak 2017022736 (de rechtbank begrijpt dat hier het onder feit 1 ten laste gelegde wordt bedoeld). Om 12.35 uur liep een man met een tas achter de vrouw aan. Verbalisant herkende de man en de tas als dezelfde man en geprepareerde tas welke te zien waren in de zaak 2017022736.13 Verbalisant zag dat de vrouw met de man sprak en dat zij richting het middenschap van de afdeling liepen en daar in de buurt bleven. Vervolgens zag verbalisant dat een persoon een tas van het middenschap pakte. Kort daarvoor was nog te zien dat de man en vrouw daar nog liepen.14 Verbalisant zag dat door de personen die de tas hebben gepakt gerommeld wordt rondom het schap. Op een gegeven moment ziet verbalisant dat er een gedeelte van een vierkante tas in beeld komt op het schap. Verbalisant zag even later dat de vrouw een tas uit het schap pakte en, met de tas tegen haar buik gedrukt, wegloopt richting de uitgang van de winkel.15

Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op 1 december 2016 in de winkel van [naam winkel] was.16

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft aangevoerd dat, nu op de beelden een datum- en tijdregistratie ontbreekt, daardoor niet is uit te sluiten dat de beelden door elkaar gehaald zijn met andere beelden en daarom geen betrekking hebben op 1 december 2016. De rechtbank verwerpt dit verweer.

De rechtbank is van oordeel dat de camerabeelden zoals door verbalisant [verbalisant 2] zijn beschreven betrekking hebben op de door verbalisant beschreven datum en tijdstippen. Uit het proces-verbaal van verbalisant volgt dat de betreffende bestanden zijn opgeslagen onder dag, datum en tijd van de opname. Voorts volgt uit het verhoor van aangeefster [getuige 2] dat zij de beelden, welke betrekking hebben op 1 december 2016 tussen de tijdstippen 12.30 uur en 12.36 uur, bekeken heeft en deze beelden aan de politie heeft overhandigd.

Op de beelden van [naam winkel] van 1 december 2016 zijn verdachte en een vrouw te zien. Zij hebben in de winkel contact met elkaar en bevinden zich bij het middenschap waar de weggenomen tassen stonden. Het betreft dezelfde vrouw waarmee verdachte bij dezelfde winkel van [naam winkel] op 27 januari 2017 op soortgelijke wijze drie tassen heeft weggenomen. Verdachte was op 27 januari 2017 in het bezit van een geprepareerde tas. Op de beelden van 1 december 2016 is te zien dat verdachte in het bezit is van een soortgelijke tas. Te zien is dat er een tas wordt gepakt van het middenschap en dat er wordt gerommeld bij het middenschap, waarbij ook een vierkante tas in beeld komt.

Uit de beschrijving van de beelden van 1 december 2016 door de verbalisant en de daarbij gevoegde beelden blijkt niet dat er ook andere personen in de winkel te zien zijn. Vervolgens is door de storemanager van [naam winkel] geconstateerd dat drie tassen waren weggenomen.

De rechtbank acht, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden en de overeenkomsten tussen de diefstallen gepleegd op 1 december 2016 en 27 januari 2017, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 1 december 2016 samen met een ander een winkeldiefstal heeft gepleegd.

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1

op 27 januari 2017 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen drie tassen (van het merk Michael Kors) toebehorende aan [naam winkel];

feit 2

op 27 januari 2017 te Amersfoort opzettelijk en wederrechtelijk een jas toebehorende aan [getuige 1] heeft beschadigd, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk zich met kracht te verzetten toen die [getuige 1] hem, verdachte, had vastgepakt teneinde hem over te dragen aan de politie;

feit 3

op 01 december 2016 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen drie tassen (van het merk Lola Cruz) toebehorende aan [naam winkel].

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1 en feit 3 telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 2 opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 8 weken, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangegeven dat verdachte bezig is werk te zoeken en hulp zoekt om van zijn schulden af te komen. De verdediging heeft verzocht de op te leggen straf, inclusief de ten uitvoer te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf, gelijk te stellen aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een deels voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met een ander tweemaal schuldig gemaakt aan winkeldiefstal, waarbij verdachte gebruik heeft gemaakt van een geprepareerde tas. Beide diefstallen vonden in een korte periode plaats bij dezelfde winkel. Voorts heeft verdachte zich bij zijn aanhouding op 27 januari 2017 verzet en daarbij een jas van een ander beschadigd. Dergelijke feiten zorgen voor financiële schade en overlast bij de slachtoffers. Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij eerder, onder andere voor soortgelijke feiten, is veroordeelde tot een forse, deels voorwaardelijke, gevangenisstraf en taakstraffen. Verdachte liep voor één van deze veroordelingen in een proeftijd. Dit alles heeft verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt geboden. De rechtbank heeft daarbij gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die als vertrekpunt bij een eenvoudige winkeldiefstal met recidive uitgaan van een geldboete van € 200,00 en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een reclasseringsadvies van de Reclassering Nederland van 10 april 2017. De reclassering concludeert dat er bij verdachte al jaren sprake lijkt te zijn van problematische leefgebieden, zoals huisvesting, financiën, alcoholgebruik, gedrag, vaardigheden, denkpatronen en zijn houding.

Verdachte belooft elke keer beterschap, maar valt telkens terug in oud (delict)gedrag. Verdachte heeft een beperkt zelf-inzicht en probleembesef en ziet niet in waarom hij hulp nodig zou hebben. Verdachte is daarom weinig toegankelijk voor behandeling en begeleiding. Het recidivegevaar wordt ingeschat als hoog.

De reclassering adviseert aan verdachte een onvoorwaardelijke straf op te leggen. Toezicht op bijzondere voorwaarden, waarbij directe interventies en behandelingen niet zijn geïndiceerd.

De rechtbank ziet redenen om, in het nadeel van verdachte, af te wijken van voornoemde oriëntatiepunten. Deze redenen liggen in de mate van professionaliteit door het gebruik van een geprepareerde tas, de relatief korte periode waarbinnen de feiten zijn gepleegd en het samenwerkingsverband met de medeverdachte. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 8 weken, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden is.

9 DE VORDERING VAN DE BENADEELDE PARTIJ

[naam winkel] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van

€ 449,85, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen met daarbij de gevorderde wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in de vordering. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de vordering onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd is. Niet duidelijk is om welke tassen het gaat en derhalve op welk feit de vordering betrekking heeft.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de vordering, gelet op de aard, ernst en omstandigheden van het feit en de in de vordering gegeven toelichting, voldoende onderbouwd.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 3 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op

€ 449,85 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 december 2016.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De rechtbank zal in het belang van voornoemde benadeelde partij als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opleggen, omdat de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert en verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die het bewezen geachte feit heeft toegebracht.

De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

10 VORDERING TENUITVOERLEGGING

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering na voorwaardelijk veroordeling in zijn geheel toe te wijzen.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de tijd die verdachte voor de hoofdzaak in voorlopige hechtenis heeft gezeten, te verrekenen met de ten uitvoer te leggen straf. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de proeftijd te verlengen.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 oktober 2015 (parketnummer 02-821629-14) is verdachte een gevangenisstraf opgelegd van 170 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Om die reden zal deze straf alsnog ten uitvoer gelegd worden. Er zijn de rechtbank geen bijzondere omstandigheden gebleken die een andere beslissing rechtvaardigen.

12 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14g, 24c, 36f, 47, 57, 310, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 en feit 3 telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 2 opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 weken;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 2 weken, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam winkel] van € 449,85 bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 1 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [naam winkel] aan de Staat

€ 449,85 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2016 tot de dag van de algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 8 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde heeft vergoed;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 02-821629-14

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bij vonnis van 15 oktober 2015 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzitter, en mrs. A.C van den Boogaard en H.F. Koenis, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 mei 2017.

Mr. S.C.A. van Kuijeren is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 27 januari 2017 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen drie tassen (van het merk Michael Kors), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam winkel], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 27 januari 2017 te Amersfoort opzettelijk en wederrechtelijk een jas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [getuige 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk zich met kracht te verzetten toen die Tolenaar hem, verdachte, had vastgepakt teneinde hem over te dragen aan de politie;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 01 december 2016 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen drie tassen (van het merk Lola Cruz), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam winkel], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s).

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 29 januari 2017, genummerd PL0900-2017029864, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 49. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte [getuige 2], namens [naam winkel], pagina 6.

3 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 9, inclusief de fotobijlage op pagina 10.

4 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 17.

5 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 18.

6 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 19 en 20.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 46.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 30 januari 2017, opgemaakt door de rechter-commissaris.

9 Een geschrift, te weten een proces-verbaal van aangifte van [getuige 2], namens [naam winkel], pagina 22.

10 Een geschrift, te weten een proces-verbaal van aangifte van [getuige 2], namens [naam winkel], pagina 23.

11 Proces-verbaal van aangifte [getuige 2], namens [naam winkel], pagina 7.

12 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 26.

13 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 27.

14 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 28.

15 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 29.

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 30 januari 2017, opgemaakt door de rechter-commissaris.