Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:6899

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-05-2017
Datum publicatie
04-06-2018
Zaaknummer
17/346 F
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid op grond van art 69 Fw. Schuldenaar kan ook voor persoonlijke belangen opkomen bij de rechter-commissaris. Gelijkstelling van artikel 8 EVRM met artikel 21 sub 3 Fw voor de toepassing van artikel 69 Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2018/69
INS-Updates.nl 2018-0253
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

locatie Utrecht

zaaknummer: 17/346 F

Beschikking van de enkelvoudige kamer van 3 mei 2017

Deze beschikking wordt gegeven naar aanleiding van het op 16 april 2018 ter griffie van deze rechtbank ingekomen beroepschrift ex artikel 67 lid 1 van de Faillissementswet (Fw) door:

de heer [appellant] ,

hierna te noemen appellant,

advocaat: mr. X.H.C Woodhouse,

in zijn (persoonlijke) faillissement.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij vonnis van deze rechtbank van 10 juli 2017 is het faillissement van appellant uitgesproken, met benoeming van mr. P.J. Neijt tot rechter-commissaris en

mr. M.H. de Vries tot curator.

1.2

Op 20 maart 2018 heeft appellant een aantal verzoeken gedaan aan de rechter-commissaris op grond van artikel 69 Faillissementswet (Fw). Het betreft een viertal verzoeken, die verder tezamen zullen worden aangeduid als ‘het verzoek’ (welke bestaat uit vier onderdelen).

1.3

Op 21 maart 2018 heeft de rechter-commissaris een tussenbeslissing genomen op het verzoek, en besloten dat het verzoek ontvankelijk is. Verder is besloten dat de curator 14 dagen de tijd heeft om te reageren op het verzoek, waarna er een datum zal worden bepaald voor een zitting waarop het verzoek verder zal worden behandeld.

1.4

Bij brief van 6 april 2018 heeft de curator gereageerd op het verzoek.

1.5

Bij brief van 9 april 2018 heeft appellant gereageerd op de reactie van de curator.

1.6

Bij beschikking van 10 april 2018 heeft de rechter-commissaris het verzoek afgewezen.

1.7

Op 11 april heeft de rechter-commissaris een brief gestuurd aan appellant met de mededeling dat hij geen kennis had genomen van de reactie van appellant van

9 april 2018 toen hij bovengenoemde beslissing nam. Om deze reden heeft hij de brief van 9 april 2018 van appellant aangemerkt als een nieuw verzoek, en dit (opnieuw) afgewezen.

1.8

Appellant heeft bij beroepschrift als voorzien in artikel 67 lid 1 Fw hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 10 april 2018.

1.9

Bij brief van 23 april 2018 heeft de curator in het faillissement van appellant, mr. M.H. de Vries, gereageerd op het beroepschrift.

1.10

De mondelinge behandeling van het beroepschrift heeft plaatsgevonden op

26 april 2018. Ter terechtzitting zijn appellant verschenen, mr. Woodhouse voornoemd, en de curator.

2 De feiten

2.1.

Het faillissement van appellant is uitgesproken op verzoek van twee schuldeisers, de gemeente Rotterdam en de vereniging Divosa, de landelijke vereniging van leidinggevenden van gemeentelijke diensten op het terrein van werk, inkomen en zorg (hierna: Divosa). Appellant is tegen zijn faillietverklaring in beroep gegaan, het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het vonnis van de faillietverklaring bekrachtigd op 16 november 2017.

2.2.

De faillissementsaanvragers zijn in 2014 een civiele procedure gestart tegen appellant omdat er zonder opdracht en zonder hun toestemming aanzienlijke bedragen aan hun vermogen zijn onttrokken en bij de vennootschappen van appellant terecht zijn gekomen. Appellant werkte in de periode 2004 -2011 als ambtenaar bij de Gemeente Rotterdam en was ook budgethouder. Hij kon namens de gemeente facturen accorderen. In die periode heeft appellant enkele vennootschappen diverse (valse) facturen laten opstellen aan de gemeente Rotterdam en Divosa en deze facturen laten uitbetalen aan, uiteindelijk, zijn eigen vennootschappen [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] B.V. Appellant en zijn vennootschappen zijn veroordeeld tot betaling van (circa) € 1,6 miljoen aan de faillissementsaanvragers, eerst bij vonnis van 26 augustus 2015 van de rechtbank Rotterdam, welk vonnis later (grotendeels) bekrachtigd is op 4 april 2017 door het Gerechtshof Den Haag. Het Gerechtshof heeft overwogen dat appellant bovengenoemde gelden onrechtmatig heeft onttrokken.

2.3.

Aan het bovenstaande arrest ligt mede een onderzoek ten grondslag naar het handelen van appellant, verricht door KPMG. Appellant is een tuchtprocedure gestart tegen medewerkers van KPMG bij de Accountantskamer, omdat hij het niet eens is met de inhoud van de rapportage van het onderzoek. Wanneer hij in het gelijk wordt gesteld in deze procedure bij de Accountantskamer zal dit volgens appellant leiden tot het verkrijgen een schadevergoeding en het wegvallen van de vorderingen die aan het faillissement ten grondslag liggen. Appellant zal zich dan niet meer in een faillissementstoestand bevinden. De procedure bestaat uit drie clusters van klachten, waarvan alleen het eerste cluster nu anderhalf jaar in behandeling is. De Accountantskamer heeft telefonisch aan appellant laten weten binnen enkele weken uitspraak te zullen doen op het eerste cluster van klachten.

2.4.

Appellant is gehuwd in gemeenschap van goederen en is (gedeeld) eigenaar van een woning met een WOZ-waarde van € 422.000,00 en een hypotheekschuld van

€ 366.000,00.

3 Het verzoek en de beslissing van de rechter-commissaris

3.1.

Op 20 maart 2018 heeft appellant de rechter-commissaris (ex artikel 69 Fw) verzocht om:

- de ontbinding van [bedrijfsnaam 1] B.V. uit te stellen totdat er (primair verzocht) onherroepelijk beslist is op de klachten die hij heeft ingediend over KPMG bij de Accountantskamer;

- de voorgenomen verkoop van zijn woning uit te stellen totdat er beslist is in bovengenoemde procedure;

- de verkoop van de inboedel van zijn woning uit te stellen totdat er is beslist in bovengenoemde procedure;

- het maken van beeld- en geluidsopnamen van de voorgenomen taxatie van zijn woning niet aan te merken als het verhinderen van zijn taxatie.

3.2.

De rechter-commissaris heeft op 10 april 2018 geoordeeld dat appellant ontvankelijk is in zijn verzoeken, maar heeft de verzoeken op inhoudelijke gronden afgewezen. De rechter-commissaris heeft daartoe samengevat het volgende overwogen.

 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 mei 1985 (NJ 1985, 792) een uitzondering gemaakt op het uitgangspunt dat artikel 69 Fw niet is bedoeld om de in dat artikel genoemde belanghebbenden de mogelijkheid te geven op eenvoudige wijze een aan hen toekomend persoonlijk recht tegenover de boedel gelden te maken. De uitzondering is de schuldenaar zelf die zich beroept op artikel 21 onder 3e Fw of een daaraan gelijk te stellen wettelijke bepaling. Appellant dient te worden ontvangen in zijn verzoeken omdat ze betrekking hebben op de vereffening van zijn vermogen door de curator. Dit is een recht dat, mede in verband met artikel 1 van het eerste protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), voor de toepassing van artikel 69 Fw met een aan de schuldenaar persoonlijk toekomend recht moet worden gelijkgesteld.

 Het vonnis met betrekking tot de faillietverklaring en het arrest waarin de vorderingen van de faillissementsaanvragers zijn vastgesteld, zijn in kracht van gewijsde gegaan, over de omvang van de vorderingen kan geen discussie meer bestaan.

 Er bestaat onvoldoende aanleiding te veronderstellen dat appellant een vordering heeft op de faillissementsaanvragers, ook al zou bovengenoemde procedure slagen. Er is hoe dan ook sprake van een faillissementssituatie.

 De curator heeft bij het verrichten van zijn taak grote beleidsvrijheid en er is geen rechtsregel dat er een volgorde moet worden aangehouden bij het vereffenen van verschillende vermogensbestandsdelen.

 Het bestaan van een vordering op KPMG en de omvang daarvan is zeer onzeker. Ook zal het tijdrovend en kostbaar zijn om een eventuele vordering op KPMG vast te stellen. De curator heeft onder deze omstandigheden terecht het belang van de gezamenlijke schuldeisers laten prevaleren.

 Buiten faillissement van appellant hadden schuldeisers ook executiemaatregelen kunnen nemen jegens appellant. Ook dan zouden schuldeisers niet gedwongen kunnen worden de procedure tegen KPMG af te wachten.

 Er is geen blijk van een redelijk belang bij het maken van beeld- en geluidsopnamen van de taxatie. Als appellant meent dat er fouten zijn gemaakt, moet hij een contra-expertise uitvoeren. De curator en taxateur hoeven niet te accepteren dat er opnamen worden gemaakt terwijl zij hun werk doen.

4 Het beroepschrift

Het beroepschrift omvat de volgende grieven.

4.1.

Grief 1. De beschikking is in strijd met de goede procesorde tot stand gekomen. De curator heeft niet tijdig gereageerd op de tussenbeslissing van de rechter-commissaris, de reactie van appellant op de reactie van de curator (repliek) is niet meegenomen in de beslissing van de rechter-commissaris, en er heeft geen mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden, in tegenstelling tot wat de rechter-commissaris aankondigde in zijn tussenbeslissing.

4.2.

Grief 2. De overweging van de rechter-commissaris: “Ook los van het rapport van KPMG staat vast dat u valsheid in geschrifte heeft gepleegd” is onjuist en getuigt van vooringenomenheid van de rechter-commissaris tegen appellant. Hierover kan alleen een strafrechter oordelen.

4.3.

Grief 3. Het klopt niet dat de rechter-commissaris heeft gezegd dat er onvoldoende aanleiding bestaat om te veronderstellen dat appellant vorderingen heeft op zijn faillissementsaanvragers en dat dat, ook al zou appellant in de procedure tegen KPMG in het gelijk worden gesteld, niet zonder meer betekent dat zijn faillissementsaanvragers daarvoor aansprakelijk zijn. Ook is het onjuist dat de rechter-commissaris overwoog dat het vaststellen van een vordering op KPMG tijdrovend en kostbaar zal zijn. De Accountantskamer heeft laten weten binnen enkele weken uitspraak te doen. De twee faillissementsaanvragers zijn de enige schuldeisers van appellant. Daarom klopt het ook niet dat de rechter-commissaris oordeelde dat het belang van de gezamenlijke schuldeisers moet prevaleren boven het belang van appellant. Ook is het onjuist dat schuldeisers buiten het faillissement van appellant ook de mogelijkheid zouden hebben om zijn huis te verkopen. Appellant zou dan een executie kort geding zijn gestart om dat te verhinderen.

4.4.

Grief 4. Het klopt niet dat appellant geen redelijk belang zou hebben bij het maken van opnamen van de taxatie van zijn woning. Appellant wil alles filmen voor een documentaire die hij maakt over het onrecht wat hem wordt aangedaan. De taxateur wordt onherkenbaar in beeld gebracht.

5 De reactie van de curator

5.1.

De curator heeft op het aanvankelijke verzoek ex artikel 69 Fw gereageerd, en heeft eveneens gereageerd op het beroepschrift van appellant. Naar mening van de curator is het verzoek niet-ontvankelijk ten aanzien van de eerste drie onderdelen, omdat de procedure van artikel 69 Fw. niet is bedoeld om persoonlijke rechten tegenover de boedel geldend te maken. De uitzondering die de Hoge Raad heeft gemaakt in haar arrest van 10 mei 1985 slaat alleen op rechten op gelden als bedoeld in artikel 21 sub 3 Fw (wettelijke onderhoudsplicht). Daarnaast vindt de curator dat het laatste verzoek over de beeld- en geluidsopnamen buiten het bereik van art 69 Fw valt.

5.2.

Wanneer het verzoek ontvankelijk zou zijn, zou het moeten worden afgewezen volgens de curator, want:

- De Faillissementswet biedt geen grond voor aanhouding, aanhouding is in strijd met de taak van de curator en het boedelbelang;

- De uitspraak van de Accountantskamer zal er niet toe leiden dat de vorderingen van de faillissementsaanvragers niet bestaan;

- De uitspraak van de Accountantskamer zal er niet toe leiden dat het faillissementsvonnis (en de bekrachtiging hiervan) zal worden herroepen;

- Appellant maakt misbruik van zijn bevoegdheid op grond van artikel 69 Fw., omdat hij het als een extra beroepsmogelijkheid gebruikt tegen zijn faillissement en tegen het vonnis waarin hij is veroordeeld tot betaling aan de faillissementsaanvragers.

5.3.

Bij brief van 23 april 2018 heeft de curator gereageerd op het beroepschrift, welke eveneens strekt tot afwijzing van het beroep van appellant en tot afwijzing van het aanvankelijke verzoek ex artikel 69 Fw.

5.4.

Ten aanzien van grief 1 betwist de curator dat hij te laat heeft gereageerd op het aanvankelijke verzoek van appellant. Hij heeft tijdig uitstel gevraagd en gekregen voor een iets latere reactie. De rechter-commissaris heeft de repliek van appellant niet meegenomen in zijn beslissing, maar heeft het beschouwd als een nieuw verzoek, dat vervolgens is afgewezen. Over de mondelinge behandeling van het verzoek die niet heeft plaatsgevonden, merkt de curator op dat de rechter-commissaris hiervoor vast een gegronde reden had.

5.5.

Met betrekking tot grief 2 overweegt de curator dat de juistheid of onjuistheid van de overweging van de rechter-commissaris geen grondslag kan zijn voor vernietiging of toewijzing van het verzoek van appellant. Over de genoemde ‘valsheid in geschrifte’ merkt de curator op dat hij ervan uitgaat dat de rechter-commissaris heeft bedoeld te oordelen dat ook los van het rapport van KPMG vast staat dat appellant onrechtmatig heeft gehandeld.

5.6.

Over grief 3 merkt de curator het volgende op. De arresten met betrekking tot de vorderingen van de gemeente Rotterdam en Divosa en de faillietverklaring van appellant zullen niet worden aangetast, ook al zou de Accountantskamer uitspraak doen in het voordeel van appellant. Er bestaan geen gronden voor herroeping van beide uitspraken. Een uitspraak van de Accountantskamer zal het rapport van KPMG niet kunnen aantasten. En al zou er een vordering op KPMG bestaan, dan leidt dit niet tot de situatie waarin, ondanks een faillietverklaring, het bestaan van schulden onzeker is omdat die door verrekening teniet zijn gegaan. Wanneer de curator zou moeten overgaan tot het incasseren van een eventuele vordering op KPMG zal dat leiden tot een toename van de faillissementskosten, ter bestrijding van deze kosten zal de activa van appellant te gelde dienen te worden gemaakt. Bovendien wordt tot op heden alleen op het eerste cluster van klachten van appellant een uitspraak van de Accountantskamer verwacht. De zaak is al anderhalf jaar aanhangig en heeft alleen betrekking op het eerste cluster van klachten, terwijl appellant drie clusters van klachten heeft ingediend. Het verzoek tot aanhouding van de vereffening ziet dan ook op een onaanvaardbaar lange periode.

Daarnaast heeft appellant meerdere schuldeisers dan alleen de gemeente Rotterdam en Divosa, er zijn nog vijf andere schuldeisers voor een totaal schuldbedrag van

€ 2.122,95, waardoor het wel klopt dat de rechter-commissaris oordeelde dat het belang van de gezamenlijke schuldeisers moet prevaleren boven dat van appellant.

Tot slot is er naar verwachting een aanzienlijke overwaarde (€ 140.000,00) te realiseren bij de verkoop van de woning van appellant, dus er kan geen sprake zijn van misbruik van recht vanwege een onvoldoende verkoopopbrengst.

5.7.

Ten aanzien van grief 4 meent de curator dat de behartiging van de belangen van de gezamenlijke crediteuren door de curator wordt geschaad door de filmactiviteiten van appellant. Dat appellant zijn recht probeert te halen via een documentaire kan naar de opvatting van de curator daarvoor geen rechtvaardiging vormen.

6 De beoordeling van het beroepschrift

De ontvankelijkheid

6.1.

Allereerst dient te worden beslist of appellant ontvangen dient te worden in zijn beroep en de verzoeken die er aan ten grondslag liggen. Hoewel het beroepschrift bij de rechtbank is binnengekomen op maandag 16 april 2018 en de beschikking van de rechter-commissaris dateert van 10 april 2018 (dus zes dagen eerder), is appellant op grond van artikel 1 van de Algemene Termijnenwet tijdig met zijn beroep en dus ontvankelijk.

6.2.

Daarnaast dient beoordeeld te worden of appellant ontvankelijk is in zijn verzoeken ex artikel 69 Fw. Het uitgangspunt van artikel 69 Fw. is dat ieder der schuldeisers, de commissie uit hun midden benoemd, en ook de gefailleerde tegen elke handeling van de curator kunnen opkomen bij de rechter-commissaris. Deze procedure is bedoeld om degenen die in het artikel zijn genoemd invloed toe te kennen op het beheer over de failliete boedel en om, zo zij menen dat bij dat beheer fouten worden gemaakt, deze te doen herstellen of te voorkomen. Volgens vaste jurisprudentie is het niet de bedoeling dat de procedure van artikel 69 Fw. wordt aangewend om persoonlijke rechten van de verzoeker tegenover de boedel geldend te maken. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 mei 1985 een uitzondering gemaakt en geoordeeld dat artikel 69 Fw. door de failliet wel kan worden aangewend om tegenover de boedel rechten geldend te maken op gelden als bedoeld in artikel 21 onder 3e Fw (levensonderhoud) of uit hoofde van andere wettelijke bepalingen, die met die bepaling moeten worden gelijkgesteld. De rechter-commissaris heeft geoordeeld dat artikel 1 van het eerste protocol bij het EVRM (recht op eigendom), voor de toepassing van artikel 69 Fw. met een aan de schuldenaar persoonlijk toekomend recht gelijk gesteld dient te worden en heeft de door de Hoge Raad gemaakte uitzondering in die zin verder ingevuld.

6.3.

Wanneer de redenering van de rechter-commissaris wordt gevolgd en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM voor de toepassing van artikel 69 Fw. gelijk gesteld moet worden met een recht als bedoeld in artikel 21 onder 3e Fw , is de rechtsgang op grond van dit artikel opengesteld voor iedereen die failliet is verklaard zolang het verzoek aan de rechter-commissaris betrekking heeft op een eigendomsrecht dat tot de boedel behoort. Nu het faillissement met wat uitzonderingen het gehele vermogen van de failliet omvat en de taak van een curator is de failliete boedel te beheren en te vereffenen, zullen verzoeken van de failliet vrijwel zonder uitzondering betrekking hebben het vermogen van de failliet en dus onder artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM vallen. Dit strookt niet met de achtergrond van de beperking die op artikel 69 Fw is aangebracht, namelijk dat het artikel erop is gericht het beleid van de curator – feitelijk ten behoeve van crediteuren en de failliet – aan de orde te stellen en niet omdat dat beleid specifiek voor de betreffende verzoeker negatieve gevolgen zou kunnen hebben. Artikel 1 van het Eerste Protocol is te ruim om met artikel 21 onder 3e Fw gelijk te kunnen worden gesteld. Daarmee komt een efficiënt beheer en een efficiënte afwikkeling van de boedel te zeer onder druk te staan. Terzijde merkt de rechtbank daarbij op dat het eenieder vrij staat om zich met een verzoek tot de rechter-commissaris te wenden ook als dat niet binnen de reikwijdte van artikel 69 Fw valt. Voor verzoeken die niet binnen de reikwijdte van artikel 69 Fw vallen, geldt dan dat het aan de rechter-commissaris is om te bepalen of er reden is om ambtshalve op te treden naar aanleiding van dit verzoek uit hoofde van zijn rol als toezichthouder. De verzoeker heeft dan niet de bescherming van de in artikel 69 Fw vastgelegde procedure en de rechtsmiddelen tegen de beslissing van de rechter-commissaris.

6.4.

De enige onderdelen van het verzoek die naar oordeel van de rechtbank wel ontvankelijk zijn, zijn de verzoeken om de voorgenomen verkoop van de woning en de inboedel van appellant uit te stellen tot er beslist is in de procedure bij de Accountantskamer. In artikel 8 EVRM is het recht op respect voor iemands woning opgenomen. Deze bepaling is voor de toepassing van artikel 69 Fw gelijk te stellen aan de bepaling in artikel 21 onder 3e Fw, nu het evenals artikel 21 onder 3e Fw betrekking heeft op een primaire levensvoorwaarde die bescherming verdient in het kader van artikel 69 Fw. Dat geldt eveneens voor de inboedel voor zover noodzakelijk om de woning ook daadwerkelijk te kunnen bewonen.

6.5.

De overige onderdelen van het verzoek, uitstel van de ontbinding van [bedrijfsnaam 1] B.V. en het maken van beeld- en geluidsopnamen tijdens taxatie niet aanmerken als verhindering van de taxatie, vallen niet onder deze uitzonderingsgrond waarvoor een beroep kan worden gedaan op artikel 69 Fw.

6.6.

Ten aanzien van het laatste onderdeel van het verzoek heeft de curator overigens ter zitting aangegeven om te onderzoeken of een ter plaatse kundige makelaar die geen bezwaar heeft tegen het maken van beeld- en geluidsopnamen van appellant en die de instemming heeft van de hypotheekhouder, de woning van appellant wil taxeren.

Inhoudelijke beoordeling van de grieven

6.7.

De rechtbank zal overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de grieven van appellant, voor zover deze betrekking hebben op de verzoeken om de verkoop van de woning en de inboedel van appellant uit te stellen, totdat er beslist is in de procedure bij de Accountantskamer.

6.8.

Ten aanzien van grief 1 (handelen in strijd met de goede procesorde) overweegt de rechtbank dat voorop staat dat de procesorde in een procedure ex artikel 69 Fw wordt bepaald door de rechter-commissaris. De Faillissementswet bepaalt hierover alleen dat de rechter-commissaris beslist, na de curator gehoord te hebben en binnen drie dagen. De bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn niet van toepassing. Wel is uiteraard het beginsel van hoor en wederhoor relevant, nu dit een algemeen beginsel van goede procesorde is dat een rechter toepast.

Uit de aard van een procedure op grond van artikel 69 Fw volgt dat het een procedure is met een korte doorlooptijd. Daarbij past niet dat er ruimte is voor een repliek van de verzoeker (en dus in het kader van hoor en wederhoor weer een dupliek van de curator). De rechter-commissaris heeft appellant daarvoor ook geen gelegenheid geboden en hoefde deze reactie dus niet te betrekken bij zijn beslissing. Appellant was niet meer aan het woord. De rechter-commissaris heeft op deze brief wel een beslissing genomen, namelijk op 11 april 2018, welke beslissing hier verder niet aan de orde is.

In zijn eerste brief naar aanleiding van het verzoek van appellant heeft de rechter-commissaris bepaald dat er een mondelinge behandeling zou plaatsvinden. Kennelijk heeft hij daar vervolgens vanaf gezien, hetgeen hem in beginsel vrij stond. Gezien zijn eerdere mededeling over hoe hij de procedure verder zou inrichten, had de beslissing om daarop terug te komen, moeten worden vermeld in zijn beslissing en van enige motivering moeten zijn voorzien. Nu in het kader van deze beroepsprocedure appellant is gehoord, kan dat niet leiden tot vernietiging van de beslissing van de rechter-commissaris.

6.9.

Ten aanzien van grief 2 (de rechter-commissaris gebruikt ten onrechte de formulering valsheid in geschrifte in relatie tot het handelen van appellant) leest de rechtbank deze opmerking in het licht van wat daarna volgt in zijn beschikking, namelijk dat appellant namens de Gemeente Rotterdam facturen aan hemzelf of aan hem gelieerde partijen heeft laten voldoen. Dat is beoordeeld als onrechtmatig. Dat de rechter-commissaris daarbij valsheid in geschrifte heeft vermeld is dan ook niet het strafrechtelijk kwalificeren van deze handelwijze zoals appellant kennelijk leest. Ook deze grief slaagt niet.

6.10.

Ten aanzien van grief 3 (het klopt niet dat er onvoldoende aanleiding bestaat om te veronderstellen dat appellant vorderingen heeft op de faillissementsaanvragers) sluit de rechtbank zich aan bij wat de rechter-commissaris daarover heeft overwogen en maakt die motivering tot de zijne. De curator heeft een grote mate van beleidsvrijheid. Met de rechter-commissaris is ook de rechtbank van oordeel dat het bestaan van een vordering op KPMG zeer onzeker is en dat het vaststellen ervan tijdrovend en kostbaar zal zijn. Volgens appellant zal de Accountantskamer op korte termijn uitspraak doen over het eerste cluster van klachten dat hij heeft ingediend. De stukken waar appellant in die verband een groot belang aan hecht (verslagen van bepaalde overleggen indertijd) zijn echter gevoegd bij het tweede cluster van klachten. Ter zitting is ook gebleken dat appellant niet duidelijk heeft kunnen maken hoe het gegrond verklaren van het eerste cluster van klachten door de Accountantskamer ertoe kan leiden dat verkoop van de woning en de inboedel niet nodig zou kunnen zijn. Zelfs als de rechtbank er veronderstellenderwijs vanuit zou gaan dat appellant gelijk zou krijgen, is het gezien de opstelling van zowel KPMG als de faillissementsaanvragers uitgesloten dat zij grote sommen aan schadevergoeding gaan betalen en/of hun vorderingen alsnog op nihil stellen, zonder grote inspanningen van de curator. Nu de tot op heden gemaakte kosten het actief al overschrijden en de woning en inboedel belangrijke activa zijn die voor de boedel nog een saldo zullen opleveren, zullen deze hoe dan ook moeten worden verkocht om te voorzien in de kosten die dan zouden moeten worden gemaakt. Dit betekent dat ook deze grief niet kan slagen.

6.11.

Grief 4 behoeft geen verdere bespreking. De rechtbank verwijst naar hetgeen is overwogen onder 6.5 en 6.6.

6.12.

Derhalve zal de rechtbank de bestreden beslissing van de rechter-commissaris van 10 april 2018 vernietigen voor zover deze betrekking heeft op de ontbinding van [bedrijfsnaam 1] B.V. en het maken van beeld- en geluidsopnamen vernietigen, en voor het overige bevestigen.

7 Beslissing

De rechtbank:

vernietigt de beschikking van de rechter-commissaris van 10 april 2018 voor zover deze betrekking heeft op het verzoek tot uitstel van de ontbinding van [bedrijfsnaam 1] B.V. en het verzoek om het maken van beeld- en geluidsopnamen bij de taxatie van zijn woning toe te staan, en verklaart appellant ten aanzien van deze verzoeken niet ontvankelijk,

bevestigt de beslissing van de rechter-commissaris van 10 april 2018 voor zover deze betrekking heeft op het verzoek tot uitstel van de verkoop van de woning en de inboedel en wijst deze verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.T. van Rens, rechter, en mr. drs. W.M.A Roseboom, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2018.