Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:6887

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
22-05-2018
Zaaknummer
UTR 15/6036 en UTR 16/2264
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MK. Weigering handhavend op te treden tegen het gebruik en het verrichten van activiteiten door een zeilmakerij op het perceel (zaak 15/6036) en een last onder dwangsom tot verwijdering van reclameborden (16/2264). Beroepen gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 15/6036 en UTR 16/2264

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 november 2017 in de zaak tussen

UTR 15/6036

1. [eiseres 1 ], en 2. [eiser 2 ], te [vestigings-/woonplaats] , eisers, (gemachtigde: mr. H.A. Samuels Brusse-van der Linden),

UTR 16/2264

3. [eiseres 3] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. J.J.M. van Lint),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montfoort, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] , werkzaam bij Omgevingsdienst regio Utrecht).

Procesverloop

UTR 15/6036

Bij besluit van 7 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers 1 en 2 om handhavend op te treden tegen het gebruik van en het verrichten van activiteiten op het perceel aan de [straatnaam] [nummer-/letteraanduiding] en [letteraanduiding] te [vestigingsplaats] door [eiseres 3] B.V. (hierna: eiseres 3) afgewezen.

Bij besluit van 13 oktober 2015 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eisers 1 en 2 gegrond verklaard, voor zover dat ziet op de afwijzing van het handhavingsverzoek met betrekking tot de reclameborden. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tevens heeft verweerder de proceskosten in bezwaar van € 980,- aan eisers 1 en 2 vergoed.

Eisers 1 en 2 hebben tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 25 mei 2016 door de enkelvoudige kamer van de rechtbank ter zitting behandeld. Eisers 1 en 2 hebben zich laten vertegenwoordigen door hun toenmalige gemachtigde, ir. [A] . Namens eiser 1 is tevens verschenen [B] (eigenaar [eiseres 1 ] ). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiseres 3 heeft als derde-partij aan deze beroepszaak deelgenomen. Namens eiseres 3 is verschenen [C] (eigenaar [eiseres 3] B.V.), bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld door [D] , [E] en diens partner. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank kennis genomen van de procedure geregistreerd onder zaaknummer UTR 16/2264. Gelet hierop heeft de rechtbank bij beslissing van 15 juni 2016 het onderzoek heropend en de procedure geregistreerd onder zaaknummer UTR 16/2264 gevoegd bij de lopende procedure UTR 15/6036. Daarbij heeft de rechtbank de verdere behandeling van de zaken verwezen naar de meervoudige kamer.

UTR 16/2264

Bij ongedateerd besluit (het dwangsombesluit), door eiseres 3 ontvangen in maart 2016, heeft verweerder eiseres 3 aangeschreven om het nabij de openbare weg opgerichte reclamebord en het nabij de opstallen geplaatste […] met reclameopdruk, gespannen in een metalen frame, blijvend te verwijderen binnen zes weken na verzending van dit besluit, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- ineens per overtreding.

Eiseres 3 heeft tegen het dwangsombesluit bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is door

verweerder naar de rechtbank doorgezonden om als beroepschrift te worden behandeld.

Beide zaken

Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 22 februari 2017. Namens eiseres 3 is verschenen [C] , bijgestaan door haar gemachtigde. Eisers 1 en 2 hebben in het beroep van eiseres 3 deelgenomen als derde-partijen. Zij hebben zich laten vertegenwoordigen door hun toenmalige gemachtigde, ir. [A] . Namens eiser 1 is [B] verschenen. Tevens is eiser 2 verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het onderzoek ter zitting is vervolgens geschorst om de uitkomst van de procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) inzake het besluit van

26 oktober 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "1e Herziening Buitengebied 2012" af te wachten. Op 24 mei 2017 heeft de Afdeling uitspraak gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1353).

Nadat partijen nog nadere stukken hebben ingezonden, is met toestemming van partijen verder onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Het onderzoek is vervolgens op

28 september 2017 gesloten.

Overwegingen

UTR 15/6036 (het beroep van eisers 1 en 2)

1. De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten.

Eiseres 3 exploiteert vanaf 2001 een [werkplaats] in gebouwen op het perceel [straatnaam] [nummer-/letteraanduiding] (het perceel). Eiser 2 is woonachtig op het nabij gelegen perceel aan de [straatnaam] [nummer-/letteraanduiding] te [woonplaats] . Het restaurant van eiser 1 is gelegen aan de [straatnaam] [nummeraanduiding] te [vestigingsplaats] . Op 10 februari 2015 hebben eisers 1 en 2 verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel door eiseres 3. Het schriftelijke handhavingsverzoek zag op het volgende: de verhardingen (aanleg en gebruik als parkeerterrein binnen en buiten het agrarisch bouwvlak), het buitenopslagterrein, het gebruik van het bijgebouw (oppervlakte van ca. 104 m²) bij de bedrijfswoning en de oprichting van reclame- en aanduidingsborden ten behoeve van eiseres 3. Eisers 1 en 2 stellen overlast te ondervinden van deze activiteiten. Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur van verweerder op 2 maart 2015 een controle uitgevoerd op het perceel. Tijdens deze controle is geconstateerd dat op het perceel een deel van het terrein was verhard met betonplaten. Verder is geconstateerd dat er op het perceel diverse reclame-uitingen waren geplaatst. Ook is waargenomen dat op het perceel een bouwwerk is geplaatst voor het opslaan van rollen […] . Bij het primaire besluit heeft verweerder eisers 1 en 2 meegedeeld niet handhavend op te treden. Naar aanleiding van het bezwaar van eisers 1 en 2 tegen het primaire besluit heeft verweerder het onder “Procesverloop” vermelde bestreden besluit 1 genomen.

2.1

Verweerder heeft tijdens de zitting van 25 mei 2016 gesteld dat eiser 2 eerder heeft verzocht om handhaving tegen het gebruik van het perceel door eiseres 3, welk verzoek is afgewezen. Bij besluit op bezwaar van 26 november 2013 heeft verweerder deze afwijzing gehandhaafd. Hiertegen heeft eiser 2 beroep ingesteld dat hij later heeft ingetrokken. Volgens verweerder betekent dit dat het besluit om niet handhavend op te treden formele rechtskracht heeft gekregen. Eiser 2 kan dan, behoudens nieuwe feiten en gewijzigde omstandigheden, niet opnieuw om handhaving verzoeken voor aspecten waarover een besluit is genomen dat al formele rechtskracht heeft verkregen. Dat is in strijd met de goede procesorde.

2.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit 1, conform het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften, geen toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de grond dat er sprake is van een herhaalde aanvraag, maar het handhavingsverzoek van eisers 1 en 2 inhoudelijk heeft beoordeeld nu met het ontwerp bestemmingsplan sprake is van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden. Het eerst ter zitting ingenomen standpunt dat de weigering om handhavend op te treden formele rechtskracht heeft gekregen, heeft verweerder niet nader onderbouwd. De stukken die zien op de besluitvorming met betrekking tot het eerder ingediende handhavingsverzoek ontbreken, zodat de rechtbank geen aanknopingspunten ziet om verweerder in zijn eerst ter zitting ingenomen standpunt te volgen. Dit betekent dat ook het beroep van eiser 2 inhoudelijk wordt besproken.

3.1

Eisers 1 en 2 stellen in beroep dat verweerder bij het bestreden besluit 1 in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Awb niet gelijktijdig met de constatering van de strijdigheid ten aanzien van de plaatsing van de reclameborden, een besluit tot handhaving heeft genomen.

3.2

De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit 1 geen besluit bevat dat strekt tot bestuursrechtelijke handhaving met betrekking tot de plaatsing van de reclameborden. Een dergelijk besluit is slechts in het vooruitzicht gesteld. Dit strookt niet met artikel 7:11 van de Awb. Dit artikel brengt met zich dat als het bestuursorgaan op grond van de heroverweging van een besluit tot afwijzing van een verzoek om handhaving, alsnog tot het oordeel komt dat moet worden gehandhaafd, niet kan worden volstaan met een gegrondverklaring van het bezwaar en herroeping van het primaire besluit. Verweerder had gelijktijdig een nieuw besluit op het verzoek om handhaving met betrekking tot de plaatsing van de reclameborden moeten nemen. Dit heeft verweerder niet gedaan.

3.3

Verweerder heeft vervolgens wel het dwangsombesluit genomen, waarbij alsnog daadwerkelijk is overgegaan tot handhaving met betrekking tot het nabij de openbare weg opgerichte reclamebord en het nabij de opstallen geplaatste […] met reclameopdruk

(UTR 16/2264). Gelet hierop en met het oog op finale geschilbeslechting, zal de rechtbank het bestreden besluit 1 en het dwangsombesluit opvatten als samenstellende bestanddelen van de na heroverweging gegeven volledige beslissing op bezwaar. Beide besluiten zal de rechtbank dan ook aanmerken als één beslissing op bezwaar en hierna aanduiden als het bestreden

besluit 2. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of het bestreden besluit 2 in rechte in stand kan blijven. Daarbij geldt het volgende kader.

4.1

Bij besluit van 11 maart 2013 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" vastgesteld. Bij uitspraak van 17 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3390) heeft de Afdeling een aantal plandelen van dit bestemmingsplan vernietigd en de raad opgedragen om een nieuw besluit te nemen. In het specifieke geval van eiseres 3 heeft de Afdeling in rechtsoverweging 9.7 van die uitspraak overwogen dat het op de weg van de raad had gelegen om te overwegen of in het voorliggende plan een uitsterfregeling had kunnen worden opgenomen in plaats van in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" opgenomen persoonsgebonden gebruiksovergangsrecht. Een dergelijke uitsterfregeling kan bijvoorbeeld inhouden dat de [werkplaats] als zodanig wordt bestemd. De raad heeft hier uitvoering aan gegeven door een uitsterfregeling op te nemen in het nieuwe bestemmingsplan "1e Herziening Buitengebied 2012" (het nieuwe bestemmingsplan), vastgesteld op 26 oktober 2015.

4.2

Aan het perceel is blijkens het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", bezien in samenhang met het nieuwe bestemmingsplan, de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" toegekend, met de aanduiding bouwvlak. Op het oostelijke deel van het perceel, ter plaatse van het bestaande gebouw dat feitelijk in gebruik is voor de [werkplaats] , is in het nieuwe bestemmingsplan de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - uitsterfregeling" toegekend.

Artikel 4, lid 4.1, van de planregels luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

De voor "Agrarisch - Rivierzone" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. volwaardige veehouderijbedrijven, fruitteelt-, sierteelt- en tuinbouwbedrijven;

b. akkerbouwbedrijven en intensieve veehouderij, uitsluitend als nevenactiviteit;

c. volwaardige productiegerichte paardenhouderijen met de bijbehorende voorzieningen;

(…)

r. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - uitsterfregeling" geldt dat tevens het gebruik voor een [werkplaats] is toegestaan met in acht name van het bepaalde in artikel 4, lid 4.5.6 van de planregels;

s. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals verhardingen, laad- en losvoorzieningen, parkeervoorzieningen, groen, water en nutsvoorzieningen.

In artikel 4, lid 4.5.6, is het volgende bepaald:

In aanvulling op het bepaalde in artikel 4, lid 4.1, geldt ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - uitsterfregeling" het volgende:

a. deze gebouwen met een oppervlakte van 336 m² zijn in strijd met het bestemmingsplan in gebruik genomen als [werkplaats] ; uitsluitend dit gebruik mag worden voortgezet;

b. uitbreiding van de bestaande gebouwen ten behoeve van het gebruik als [werkplaats] is niet toegestaan;

c. indien het gebruik als [werkplaats] gedurende één jaar of langer is gestaakt, is dit gebruik voor [werkplaats] niet meer toegestaan.

Ten aanzien van de verhardingen en buiten(opslag)terreinen

5.1

Eisers 1 en 2 voeren aan dat de verhardingen en de buitenterreinen op het perceel in strijd met het van toepassing zijnde planologisch kader worden gebruikt ten behoeve van de niet toegestane industriële bedrijfsmatige activiteiten van eiseres 3. Zowel het ontwerpbestemmingsplan als ook het inmiddels vastgestelde nieuwe bestemmingsplan

"1e Herziening Buitengebied 2012" staat uitsluitend het gebruik van de betreffende bebouwing ten behoeve van de [werkplaats] toe. Eisers betwisten dat middels de uitsterfregeling wordt voorzien in een nieuwe bestemming voor het gehele perceel. De uitsterfregeling legt uitsluitend het gebruik vast dat op basis van de beschermende werking van het overgangsrecht van het voorheen voor het perceel van toepassing zijnde bestemmingsplan "Buitengebied Montfoort, 1e herziening" uit 2009 is toegestaan. De uitsterfregeling ziet enkel op het gebruik dat aanwezig was op de peildatum, 25 februari 2010, van bestaande gebouwen tot een oppervlakte van maximaal 336 m². De uitsterfregeling is dus niet van toepassing op de buitenterreinen en verhardingen.

5.2

Ten aanzien van de verhardingen stelt verweerder, zoals ter zitting van 25 mei 2016 nader is toegelicht, zich primair op het standpunt dat er geen sprake is van strijdig gebruik. Er is in het bestemmingsplan geen aanlegvergunningenstelsel opgenomen dat de aanlegwerkzaamheden en de aanwezigheid van de verhardingen verbiedt. Het gebruik van de verhardingen is verdisconteerd in de bedrijfsvoering. Subsidiair heeft verweerder gesteld dat er concreet zicht op legalisatie bestaat gelet op onderdeel s van artikel 4, lid 4.1, van de planregels, nu de verhardingen (aanleg en gebruik) onder dit artikel ruimtelijk zijn ingepast in het nieuwe bestemmingsplan. Ook de buitenopslagterreinen vallen volgens verweerder onder onderdeel s van artikel 4, lid 4.1, nu de opslag eveneens deel uitmaakt van de bedrijfsvoering van eiseres 3.

5.3

De Afdeling heeft in rechtsoverweging 40.4 van haar uitspraak van 24 mei 2017 als volgt overwogen:

"Uit artikel 4, lid 4.5.6, van de planregels blijkt dat de uitsterfregeling voor de [werkplaats] alleen ziet op het gebruik van de bebouwing ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - uitsterfregeling". Het gebruik van de gronden van het buitenterrein voor activiteiten die gerelateerd zijn aan de [werkplaats] is niet toegelaten. In artikel 4, lid 4.1, onder s, van de planregels staat weliswaar dat de gronden met de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" mede zijn bestemd voor de "bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals verhardingen, laad- en losvoorzieningen, parkeervoorzieningen, groen, water en nutsvoorzieningen", maar dit heeft betrekking op een medegebruik dat gerelateerd is aan de agrarische bestemming."

5.4

Verder heeft de Afdeling onder rechtsoverweging 40.9 geoordeeld:

"De raad heeft het verzoek van [eiseres 3] B.V. om (ook) voor het buitenterrein te voorzien in een uitsterfregeling voor de [werkplaats] -activiteiten afgewezen met een beroep op het gemeentelijk beleid dat erop is gericht de vestiging of uitbreiding van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied tegen te gaan. De Afdeling heeft in haar uitspraak van

14 september 2014 geoordeeld dat dit beleid - in het algemeen - niet onredelijk is.

De Afdeling is evenwel van oordeel dat de raad, nu hij vanwege de werking van het overgangsrecht was genoodzaakt het bestaande gebruik van de bebouwing voor de [werkplaats] te respecteren, niet inzichtelijk heeft gemaakt welke gevolgen het onverkort toepassen van dit beleid heeft voor de bedrijfsvoering van [eiseres 3] B.V. De Afdeling wijst in dit verband in het bijzonder op hetgeen [eiseres 3] B.V. heeft gesteld over het volgens haar noodzakelijke gebruik van het buitenterrein voor het laden en lossen van goederen en het doormeten en controleren van de […] . Het staat niet bij voorbaat vast dat een reële exploitatie van de [werkplaats] mogelijk is, indien het gebruik van (een deel van) het buitenterrein voor deze activiteiten is uitgesloten. De raad dient nader te onderzoeken of deze activiteiten ook elders kunnen worden uitgevoerd, bijvoorbeeld binnen de daartoe bestemde bebouwing, zodat het gebruik van het buitenterrein in zoverre niet noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Indien de raad tot de conclusie komt dat het gebruik van het buitenterrein noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering, dan dient hij de planregeling voor het perceel [straatnaam] [nummer-/letteraanduiding] in zoverre te wijzigen. De raad kan in dat geval volstaan met een zo gering mogelijke verruiming van de gebruiksmogelijkheden voor het buitenterrein. Dit kan bijvoorbeeld inhouden dat slechts op een deel van het buitenterrein alleen die activiteiten zijn toegelaten die strikt noodzakelijk zijn voor een reële bedrijfsvoering."

5.5

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder bij brief van 7 juni 2017 de rechtbank te kennen gegeven dat namens de gemeenteraad een nader onderzoek zal gaan plaatsvinden inzake de noodzakelijkheid van het gebruik van het buitenterrein ten behoeve van een reële bedrijfsvoering van de [werkplaats] van eiseres 3, zoals het laden en lossen van goederen, het doormeten en controleren van de […] en ook het parkeren op het perceel. Ook zal het medegebruik door de [werkplaats] van de verhardingen worden betrokken in het nader te verrichten onderzoek, nu uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat artikel 4, lid 4.1, onder s, van de planregels betrekking heeft op een medegebruik dat gerelateerd is aan de agrarische bestemming.

5.6

Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2017, is de rechtbank van oordeel dat het bij het bestreden besluit 2 primair ingenomen standpunt van verweerder dat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan geen stand houdt. Hetzelfde geldt voor verweerders subsidiaire standpunt dat sprake was van concreet zicht op legalisatie. Verweerder heeft dit in zijn nadere reactie ook erkend. Daarmee staat vast dat het bestreden besluit 2 ondeugdelijk is gemotiveerd en moet worden vernietigd, voor zover daarbij is geweigerd handhavend op te treden tegen de verhardingen en buitenterreinen. De beroepsgronden van eisers 1 en 2 slagen in zoverre.

Ten aanzien van bebouwing

6.1

De rechtbank stelt voorop dat de uitsterfregeling voor de [werkplaats] alleen ziet op het gebruik van de bestaande bebouwing met een totale oppervlakte van 336 m². Op de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" en van het nieuwe bestemmingsplan is deze bebouwing met een rood vlak aangeduid. Tijdens de zitting van

25 mei 2016 heeft de voormalige gemachtigde van eisers 1 en 2 te kennen gegeven dat ten aanzien van het rode vlak er geen geschil over bestaat dat die bebouwing onder de uitsterfregeling valt. Volgens de toenmalige gemachtigde zag het handhavingsverzoek van 10 februari 2015 ook op het gebouw (witte blok) dat in gebruik is als opslag en het gebouw naast het stuk dat wordt gebruikt voor vee, maar had hij dat verkeerd ingetekend op de bij het handhavingsverzoek bijgevoegde luchtfoto. De rechtbank stelt echter vast dat het handhavingsverzoek van 10 februari 2015 geen betrekking heeft op deze laatstgenoemde gebouwen, maar alleen op het gebruik van het gebouw van 104 m². Dit gebouw vormt samen met het naastgelegen gebouw van 232 m² de oppervlakte van 336 m² aan bebouwing. Tussen partijen staat niet ter discussie dat deze gebouwen in gebruik zijn als [werkplaats] en dat dit gebruik onder de werking van het overgangsrecht van het oude bestemmingsplan "Buitengebied Montfoort, 1e herziening" uit 2009 viel en in het nieuwe bestemmingsplan voor gebruik door eiseres 3 is bestemd middels de uitsterfregeling. Een beoordeling over het eerst in beroep gestelde strijdige gebruik van de overige gebouwen, valt dan ook buiten de omvang van het geding. De rechtbank gaat daarom voorbij aan deze beroepsgrond.

UTR 16/2264 (het beroep van eiseres 3)

Ten aanzien van het procesbelang

7.1

De rechtbank stelt vast dat eiseres 3 de reclame-uitingen waarop de last onder dwangsom ziet inmiddels heeft verwijderd en dat er geen dwangsommen zijn verbeurd. Verweerder heeft in het aanvullend verweerschrift gesteld dat eiseres 3 om die reden geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het dwangsombesluit (als onderdeel van het bestreden besluit 2).

7.2

De rechtbank is onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2004 (ECLI:NL:RVS:AR4294) van oordeel dat eiseres nog wel een rechtens te beschermen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De verwijdering van de reclameborden heeft plaatsgevonden onder druk van de aan haar opgelegde last onder dwangsom. De omstandigheid dat dit voor eiseres 3 belastend besluit het beoogde effect heeft gehad, tast het procesbelang van eiseres 3 bij een beoordeling van de bestreden rechtmatigheid van dat belastende besluit niet aan. Daarnaast heeft eiseres 3 te kennen gegeven dat zij de wens heeft om de reclameborden weer terug te plaatsen. De rechtbank zal hierna het beroep dan ook inhoudelijk beoordelen.

Ten aanzien van de reclame-uitingen

8.1

Eiseres 3 stelt in beroep dat verweerder het dwangsombesluit ten onrechte niet vooraf heeft laten gaan door een voornemen zoals bedoeld in artikel 4:8 van de Awb. Zij had de gelegenheid moeten krijgen om door middel van een zienswijze te reageren op dat voornemen. Het dwangsombesluit is hierom dan ook in strijd met artikel 4:8 van de Awb.

8.2

Zoals hiervoor is overwogen moet het dwangsombesluit worden aangemerkt als onderdeel van het bestreden besluit 2, waartegen niet opnieuw bezwaar kon worden gemaakt. Nu sprake is van een besluit op bezwaar, is niet artikel 4:8 van de Awb, maar artikel 7:2 van die wet van toepassing. Uit het verslag van de hoorzitting van 6 juli 2015 blijkt dat namens eiseres 3 de eigenaar en haar gemachtigde aanwezig waren bij de hoorzitting. Het betoog van eiseres dat zij (in strijd met artikel 7:2 van de Awb) niet is gehoord, mist derhalve feitelijke grondslag. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BK9882).

9.1

Verder stelt eiseres 3 dat op het dwangsombesluit een datum/verzenddatum ontbreekt, zodat dit besluit/onderdeel van het bestreden besluit 2 in strijd met de rechtszekerheid is genomen, te meer nu niet duidelijk is wanneer de begunstigingstermijn verloopt en wanneer de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel verloopt.

9.2

De rechtbank stelt vast dat het dwangsombesluit niet is voorzien van een (verzend)datum. Eiseres 3 heeft tijdens de zitting van 25 mei 2016 gesteld dat zij het dwangsombesluit ongeveer begin maart 2016 heeft ontvangen naar aanleiding waarvan zij heeft voldaan aan de haar opgelegde lasten. Om die reden heeft zij ook geen dwangsommen verbeurd. Verder heeft eiseres tijdig beroep ingesteld tegen het dwangsombesluit. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat eiseres 3 benadeeld is door het ontbreken van een verzenddatum. De rechtbank gaat hieraan dan ook, met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, voorbij.

10.1

Verweerder heeft aan het dwangsombesluit ten grondslag gelegd dat de betreffende reclame-uitingen bouwwerken betreffen waarvoor een omgevingsvergunning nodig is.

Eiseres 3 voert in beroep aan dat het […] met reclameopdruk gespannen in een metalen frame nabij de opstallen al vóór het dwangsombesluit is verplaatst en bevestigd aan het gebouw waarin de [werkplaats] wordt uitgeoefend. Dit heeft eiseres 3 op basis van het advies van de buitengewoon opsporingsambtenaar gedaan, omdat het reclamebord aan het gebouw op grond van de provinciale Landschapsverordening wel is toegestaan. Volgens eiseres 3 is voor dit reclamebord geen omgevingsvergunning nodig en is dus niet in strijd met de Wabo gehandeld.

10.2

De rechtbank stelt vast dat de last onder dwangsom ziet op de verwijdering van het bord nabij de openbare weg en op het […] met reclameopdruk, gespannen in een metalen frame, nabij de opstallen. Voor zover eiseres 3 stelt dat het ook ziet op het (nieuw) geplaatste bord aan de gevel van het gebouw, volgt de rechtbank haar daarin niet. Verweerder heeft in het dwangsombesluit onder meer gerefereerd aan de controle op 2 maart 2015. Uit het zich in het dossier UTR 15/6036 bevindende proces-verbaal van bevindingen van de controle op 2 maart 2015 en de bijgevoegde foto’s blijkt dat het gaat om een reclamebord dat nabij de openbare weg is geplaatst en een reclamedoek op het perceel nabij de opstallen. Eiseres 3 heeft niet met stukken onderbouwd dat de last ook betrekking had op het (nieuw) geplaatste bord aan de gevel. Dit bord maakt dus geen onderdeel uit van de besluitvorming. Dit onderdeel van het beroep laat de rechtbank dan ook buiten beschouwing.

10.3

Verder stelt de rechtbank vast dat eiseres 3 in beroep geen gronden heeft aangevoerd tegen het deel van de opgelegde last dat betrekking heeft op verwijdering van het […] met reclameopdruk, gespannen in een metalen frame, nabij de opstallen, zodat dit - nog daargelaten dat dit inmiddels is verwijderd - geen verdere bespreking behoeft.

10.4

Ten aanzien van het bord nabij de openbare weg heeft eiseres 3 gesteld dat het een klein bord betreft dat vooral dient om bezoekers van de Bed & Breakfast aan de [straatnaam] [nummeraanduiding] en van de [werkplaats] behulpzaam te zijn en op de openbare weg adequaat en snel te informeren over de juiste inrit. Volgens eiseres 3 zou dit reclamebord met een eenvoudige aanpassing c.q. verlaging (tot maximaal 1 meter hoog), voldoen aan de categorie voor vrijstelling voor bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor op grond van artikel 2, aanhef en onder 21, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) geen omgevingsvergunning is vereist. Verder stelt eiseres 3 dat het reclamebord weliswaar zonder een omgevingsvergunning is geplaatst, maar na een aanvraag voor een omgevingsvergunning eenvoudig kan worden gelegaliseerd. Het reclamebord kan namelijk worden beschouwd als ‘overige straatmeubilair’ zoals bedoeld in artikel 40.2, onder e, van de regels van het nieuwe bestemmingsplan. Voor zover daarvan niet kan worden gesproken, geldt het bepaalde in artikel 40.2, onder h, van de planregels, waarbij voor ‘overige bouwwerken, geen gebouw zijnde’ een maximale bouwhoogte van 3 meter wordt voorgeschreven. Het reclamebord voldoet hieraan.

10.5

De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure alleen ter toetsing voorligt het reclamebord zoals dat er stond ten tijde van het opleggen van de last. Verweerder had niet hoeven te onderzoeken in hoeverre de opgelegde last tot verwijdering van dit reclamebord aanpassing behoeft in die zin dat ook aan de last wordt voldaan indien het reclamebord wordt teruggebracht tot een vergunningvrije hoogte van 1 meter. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de beoordeling of er dan sprake zou zijn is van een vergunningvrij bouwwerk zoals bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 21, van bijlage II bij het Bor. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het reclamebord zoals dat stond nabij de openbare weg kan worden aangemerkt als een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning was vereist. Vast staat dat het reclamebord is aangebracht zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning. Verweerder was dan ook bevoegd tot handhavend optreden.

10.6

Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

10.7

Ten aanzien van legalisatie heeft verweerder zich bij het dwangsombesluit op het standpunt gesteld dat die mogelijkheid er niet is, nu de in het nieuwe bestemmingsplan opgenomen uitsterfregeling enkel ziet op het gebruik van de gebouwen als [werkplaats] en niet op de buitenterreinen. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder in zijn nadere reactie van 7 juni 2017 thans van mening is dat in het kader van het nader te verrichten onderzoek naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2017 ook onderzocht dient te worden in hoeverre het voor de exploitatie van de [werkplaats] noodzakelijk is dat een bouwwerk (met reclame/aanduiding bord) ten behoeve van het bedrijf op het buitenterrein kan worden gerealiseerd. Gelet hierop heeft verweerder het eerdere standpunt dat hij niet bereid is mee te werken aan het legaliseren van de reclame-uitingen, (vooralsnog) verlaten. Daarmee staat vast dat het dwangsombesluit ook op dit punt ondeugdelijk is gemotiveerd. Het beroep van eiseres 3 tegen het dwangsombesluit/bestreden besluit 2 is gegrond.

Beide zaken

11. Gelet op wat hiervoor in rechtsoverweging 5.6 en 10.7 is overwogen, concludeert de rechtbank dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit 2, voor zover betrekking hebbend op de punten verhardingen, buitenterreinen en de betrokken reclame-uitingen. Het beroep van eisers 1 en 2 en van eiseres 3 is gegrond. Het bestreden besluit 2 dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

12. Gelet op de omvang en mogelijke duur van het door verweerder te verrichten onderzoek naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2017, ziet de rechtbank geen ruimte om uit oogpunt van finale geschilbeslechting zelf in de zaak te voorzien, noch enige aanleiding om gebruik te maken van de haar in artikel 8:51a van de Awb gegeven bevoegdheid tot het doen van een tussenuitspraak. De rechtbank draagt verweerder daarom op om een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen.

13. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eisers 1 en 2 en eiseres 3 in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. De proceskosten van eisers 1 en 2 zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.237,50 als kosten van verleende rechtsbijstand

(1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de eerste zitting en 0,5 punt voor het bijwonen van de tweede zitting, met een waarde per punt van € 495,-).

De proceskosten van eiseres 3 zijn eveneens begroot op € 1.237,50 als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de eerste zitting en 0,5 punt voor het bijwonen van de tweede zitting, met een waarde per punt van € 495,-).

14. Tevens dient verweerder het door eisers 1 en 2 en door eiseres 3 betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep van eisers 1 en 2 geregistreerd onder UTR 15/6036 gegrond;

- verklaart het beroep van eiseres 3 geregistreerd onder UTR 16/2264 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit 2, voor zover betrekking hebbend op de punten

verhardingen, buitenterreinen en de betrokken reclame-uitingen;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers 1 en 2 tot een bedrag van

€ 1.237,50;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres 3 tot een bedrag van € 1.237,50;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331,- aan eisers 1 en 2 te vergoeden;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan eiseres 3 te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzitter, en mr. R.C. Stijnen en

mr. ing. B. Rademaker, leden, in aanwezigheid van mr. A. Azmi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.