Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:6883

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
11-05-2018
Zaaknummer
16/659914-17 en 99/000718-43
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met een ander met geweld of bedreiging met geweld geld en een bankpas gestolen. Ook vordering tot herroeping van de VI aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/659914-17 en 99/000718-43 (vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 21 november 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1990] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

thans gedetineerd in de PI Nieuwegein, HvB Nieuwegein.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 november 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. G.P.N. Robben en van hetgeen verdachte en mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op of omstreeks 16 augustus 2017 in Utrecht samen met een ander met geweld of bedreiging met geweld geld en een bankpas heeft gestolen van [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] .

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte onder bedreiging van een mes geld en een bankpas heeft weggenomen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat verdachte weliswaar geld heeft weggenomen, maar dat dit niet onder bedreiging van een mes heeft plaatsgevonden. Hij refereert zich voor het overige deel van de tenlastelegging aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Op 16 augustus 2017 deed [slachtoffer 1] aangifte van diefstal onder bedreiging van geweld. Hij was die dag in de woning aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning), waar [slachtoffer 2] verbleef. [slachtoffer 1] zorgde voor de hulpbehoevende [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] belde [slachtoffer 1] als hij geld nodig heeft, dan gaat [slachtoffer 1] bij [slachtoffer 2] langs met eten en het geld of ik ontmoet een man bij de Damstraat te Utrecht. Ik geef vervolgens het geld en het eten aan deze man. Deze man belt mij ook wel eens met het telefoonnummer [telefoonnummer] .2

Op 16 augustus 2017 trof [slachtoffer 1] in de woning drie mannen aan, waaronder de man die hem belt met het voornoemde telefoonnummer, die hij verder MAN1 noemde. Hij zag dat MAN1 naar een kast liep en een groot mes van de kast afpakte. Hij zag dat dit mes een rood of oranjekleurig handvat had. Hij zag dat MAN1 naar hem wees met het mes, naar hem toe liep en op een afstand van ongeveer vijftig centimeter bleef staan.3 Hij hoorde MAN1 zeggen: “Ik snij je kop eraf. Ik rijt je open! Heb je geld bij je?”. Vervolgens pakte één van de andere twee mannen (door hem MAN3 genoemd) zijn pasjeshouder uit de broekzak van [slachtoffer 1] met daaruit zijn geld.4 [slachtoffer 1] had contant geld bij zich, bestaande uit negentien biljetten van 50 euro en één biljet van 200 euro.5

[slachtoffer 1] hoorde de MAN1 vervolgens zeggen “je pasje, je pasje, je pasje” en zag dat hij tijdens deze woorden het mes steeds heen en weer haalde richting hem. Een van de mannen pakte het pasje uit de handen van [slachtoffer 1] , waarna hij de man met het mes hoorde zeggen “wat is je pincode, je pincode nu!” en zag dat hij het mes wederom heen en weer haalde in zijn richting. [slachtoffer 1] gaf zijn pincode aan de man met het mes. Hierop zei MAN 1 tegen MAN3 dat hij moest gaan kijken wat erop stond. [slachtoffer 1] vertrok en ging in paniek naar zijn vriendin, die tegen [slachtoffer 1] zei dat hij aangifte moest doen.6

Toen [slachtoffer 1] bij de politie was, werd hij gebeld. Verbalisant [verbalisant 1] hoorde [slachtoffer 1] zeggen dat dit de man was die hem had beroofd. Hij zag dat [slachtoffer 1] zijn telefoon opnam en dat hij het gesprek over de speaker liet horen. Verbalisant hoorde het volgende:

[slachtoffer 1] : je gaat toch niet iemand zomaar neersteken dan

MAN: Niet zo neersteken. Ik had je hoofd eraf moeten snijden man.

[slachtoffer 1] : Ja maar waarom dan. Ik doe niks verkeerd.

MAN: Ik had je hoofd eraf moeten snijden jongen. Jij moet blij zijn.”7

Verbalisant hoorde de aangever zeggen dat de man belde met het telefoonnummer

[telefoonnummer] en even later belde de verbalisant met dat nummer. Hij hoorde dat zijn oproep beantwoord werd met: “met [verdachte] ”.8

Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] gingen naar de woning. Bij de woning aangekomen, troffen verbalisanten een man aan die voldeed aan het eerder opgegeven signalement van één van de verdachten.9 De man gaf op te zijn [verdachte] . Toen verbalisant [verbalisant 2] verdachte had verteld waar hij van verdacht werd, zei hij: “meneer, ik wil u wel vertellen hoe het in elkaar zit. Ik heb via Facebook gezien dat een buurman van ons werd verzorgd door een vreemde man. Ik heb ook gezien dat die man onze buurman oplicht. Ik heb toen die man verteld dat ik vanaf nu voor mijn buurman zou zorgen. Die man kwam vandaag. Ik heb hem op de bank gezet. Ik heb de bankpas van de buurman gevraagd. Hij zei dat die pas nog thuis was. Ik heb toen zijn pas gepakt en aan de man verteld dat hij de bankpas en ID-kaart van mijn buurman moest halen. Ik heb 1.100 euro van hem gekregen.” Op de opmerking van verbalisant [verbalisant 2] dat hij het raar vond dat iemand zomaar 1.100 euro af zou geven, reageerde verdachte met: “ja, ik ben wel een beetje agressief geworden”. In de fouillering van verdachte troffen verbalisanten onder andere drie bankbiljetten van 50 euro aan en een stortingsbewijs aan van de ING-bank. Verbalisant [verbalisant 2] zag dat op 16 augustus 2017 een storting van 400 euro was gedaan, waarbij als specificatie stond dat het ging om een bankbiljet van 200 euro en vier bankbiljetten van 50 euro.10

Bij de doorzoeking van de woning aan de [adres] , werd in de televisiekast op een Ziggo doos een mes aangetroffen met een roodkleurig handvat.11

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op 16 augustus 2017 inde woning was. Hij verklaarde dat hij € 1.150 euro die afkomstig was uit de zak van [slachtoffer 1] heeft aangepakt.

[A] was ook aanwezig in de woning en [slachtoffer 1] gaf zijn bankpas aan [A] . [A] is daarna met de pas gaan pinnen. Het mes met het rood/oranje handvat was in de woning. Verdachte verklaarde verder ten aanzien van het telefoongesprek dat door de politie was opgenomen dat hij die woorden heeft gezegd uit woede.12

Overweging:

Uit voornoemde bewijsmiddelen volgt dat dat verdachte samen met een ander onder bedreiging van een mes een geldbedrag van € 1.150,- en een bankpas heeft gestolen van [slachtoffer 1] .

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 16 augustus 2017 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld en een bankpas, toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij, verdachte en zijn mededader een mes aan die [slachtoffer 1] hebben getoond en voorgehouden en hierbij die [slachtoffer 1] de woorden hebben toegevoegd "Ik snij je kop eraf, ik rijt je open. Heb je geld bij je?" en "wat is je pincode, je pincode, nu!".

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest;

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende aangevoerd.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat qua straf voor de hoofdzaak kan worden volstaan met de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten. Op dit moment zit verdachte al te lang vast en komt artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering in beeld. Indien de rechtbank met mij van oordeel is dat dit het geval is, dan verzoek ik om een vervroegde uitspraak, in ieder geval ten aanzien van de voorlopige hechtenis.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan diefstal onder bedreiging van geweld. Door het slachtoffer een mes te tonen en hem verbaal te bedreigen heeft verdachte geld en een bankpas van het slachtoffer afhandig gemaakt. Door aldus te handelen heeft de verdachte geen enkel respect getoond voor het eigendom van het slachtoffer. Het is daarnaast een feit van algemene bekendheid dat een slachtoffer van een diefstal onder bedreiging van geweld nog geruime tijd de gevolgen daarvan, zoals gevoelens van angst en onveiligheid, kan ondervinden. Verdachte heeft aangevoerd dat hij vraagtekens had bij het morele handelen van het slachtoffer jegens de persoon die hij zou verzorgen en daarvan het geld beheerde, maar dat rechtvaardigt geenszins het handelen van verdachte. Het betreft een ernstig feit.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 oktober 2017, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor (onder meer) medeplichtigheid aan diefstal.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 3 november 2017, waarin de reclassering adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Mede omdat verdachte geen hulpvraag heeft en de reclassering onvoldoende aanknopingspunten heeft om tot een plan van aanpak te komen, acht de reclassering bijzondere voorwaarden niet geïndiceerd.

In het kader van detentie kan een re-integratieplan opgesteld worden en zou tijdens een eventueel Penitentiair Programma (PP) uitvoering gegeven kunnen worden aan een reclasseringstoezicht.

Gelet op de ernst van het feit en op voormelde persoonlijke omstandigheden van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf op zijn plaats is, zij het voor kortere duur dan door de officier van justitie gevorderd. De officier van justitie heeft bij de toelichting op zijn strafeis ter zitting aangegeven dat hij aansluiting heeft gezocht bij de richtlijnen van het openbaar ministerie zoals die gelden voor een woningoverval en dat hij daarbij rekening heeft gehouden met de omstandigheden van het geval. De rechtbank ziet aanleiding om van de eis van de officier van justitie af te wijken, omdat er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een situatie die vergelijkbaar is met een woningoverval.

De rechtbank zal verdachte derhalve veroordelen tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

9 BENADEELDE PARTIJ

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] moet worden toegewezen, met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, danwel dat de vordering afgewezen moet worden, nu niet duidelijk is van wie het geld is. [slachtoffer 1] lijkt slechts houder te zijn van het geld en niet de eigenaar.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden.

Dat [slachtoffer 1] slechts houder zou zijn het geldbedrag, is op geen enkele wijze nader onderbouwd en voor dit civiele onderdeel in het strafproces is dat vereist. De rechtbank zal daarom aan het standpunt van de verdediging voorbij gaan.

De rechtbank waardeert deze schade op € 1.150,- en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 16 augustus 2017 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.150,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 16 augustus 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 23 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 HERROEPING VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING

10.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling gevorderd 99/000718-43.Verdachte is op 3 november 2014 bij arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden te Arnhem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van deze straf is op 9 mei 2017 voorwaardelijke invrijheidstelling verleend. Deze beslissing is op 23 mei 2017 aan verdachte betekend. De duur van de voorwaardelijke invrijheidstelling bedraagt 237 dagen.

10.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de VI door te laten lopen en derhalve de vordering af te wijzen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht slechts een gedeelte van de vordering toe te wijzen. De reden hiervoor dient volgens de raadsman te worden gezocht in de aard van het feit, te weten een uit de hand gelopen emotionele discussie. Een volledige herroeping is derhalve niet passend.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij onherroepelijk geworden arrest van de meervoudige kamer het hof Arnhem-Leeuwarden van 3 november 2014 (parketnummer 21/001474-14) is verdachte - veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek. De voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend per 24 mei 2017. Daarbij is als algemene voorwaarde opgelegd dat hij zich niet schuldig maakt aan het plegen van een strafbaar feit gedurende een proeftijd van 365 dagen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich tijdens de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling worden toegewezen, te weten 237 dagen.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van acht maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van twee maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Vordering voorwaardelijke invrijheidstelling

- wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling met parketnummer 99/000718-43 geheel toe en gelast de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor 237 dagen;

Benadeelde partij

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 1.150,-;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 1.150,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2017 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 23 dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. van den Brink, voorzitter, mrs. A.C. van den Boogaard en O.P. van Tricht, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Mikolajczyk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 november 2017.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 augustus 2017 te Utrecht,

althans in het arrondissement Midden-Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld en/of een bankpas, althans enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, aan die [slachtoffer 1] heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of (hierbij) die [slachtoffer 1] de woorden heeft/hebben toegevoegd "Ik snij je kop eraf, ik rijt je open. Heb je geld bij je?" en/of "wat is je pincode, je pincode, nu!", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 17 augustus 2017, genummerd PL0900-2017251598, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 141. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina 7.

3 een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina 8.

4 een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina 8 en 9.

5 een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina 12.

6 een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina 9.

7 een proces-verbaal van bevindingen door [verbalisant 1] , pagina 16.

8 een proces-verbaal van bevindingen door [verbalisant 1] , pagina 17.

9 een proces-verbaal van bevindingen door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , pagina 13.

10 een proces-verbaal van bevindingen door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , pagina 14.

11 een proces-verbaal van bevindingen door [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , pagina 22.

12 De verklaring verdachte ter zitting d.d. 7 november 2017.