Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:6826

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
02-03-2018
Zaaknummer
6058395 LC EXPL 17-2125
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Ongeval aan boord van een schip. Aribtrageclausule in een maatschapsovereenkomst. Artikel 625 lid 1 sub f Rv (exclusieve bevoegdheid rechtbank Rotterdam m.b.t. vorderingen betreffende schade veroorzaakt aan boord van een schip).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2018/46
PS-Updates.nl 2018-0204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Lelystad

Vonnis in het incident van 11 oktober 2017

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 6058395 / LC EXPL 17-2125 van

[eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in de hoofdzaak, gedaagde in het incident,

hierna [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] te noemen,
gemachtigde mr. P.B. Bodamèr,

tegen

1 [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde sub 2 in de hoofdzaak/eiseres sub 2 in het incident] BV,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident,

hierna afzonderlijk [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] en de reder en gezamenlijk [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] c.s. te noemen,
gemachtigde mr. M.M. van Leeuwen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 31 mei 2017;

- de incidentele conclusie houdende een exceptie van onbevoegdheid;

- de conclusie van antwoord in het incident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De vorderingen in de hoofdzaak

2.1.

[eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    voor recht verklaart dat ofwel [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] ofwel de reder (danwel hoofdelijk) aansprakelijk is/zijn voor de door [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het arbeidsongeval in Hansholm, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  • -

    [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] en de reder (hoofdelijk) veroordeelt, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] binnen 14 dagen na het vonnis van een voorschot op de uiteindelijk vast te stellen materiële en immateriële schade van

€ 10.000,00, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2017 tot aan de dag der algemene voldoening;

- [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] en de reder (hoofdelijk) veroordeelt, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten inclusief de nakosten.

2.2.

[eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] legt - kort gezegd - aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij op

18 februari 2013 met [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] namens de reder als eigenaar van het schip [naam] is overeengekomen zijn arbeid, kennis en vlijt als opvarende van het schip in een maatschap in te brengen. Tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden is hem op 12 mei 2013 in de haven van Hansholm op het schip een ongeval overkomen. [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] is ernstig gewond geraakt nadat hij met de mouw van zijn jas in de lier terecht gekomen waarmee hij kettingen vanuit het ruim naar het dek verplaatste. [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] houdt [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] c.s. primair op grond van artikel 7:658 lid 1 BW jo. artikel 8:753 lid 1 sub e BW aansprakelijk voor de daardoor ontstane schade. [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] betoogt daarbij dat de relatie tussen hem en [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] /de reder, hoewel er formeel een maatschapsovereenkomst is gesloten, als een arbeidsverhouding moet worden beschouwd. Voorts betoogt hij dat als geen arbeidsverhouding wordt aangenomen, aansprakelijkheid bestaat op grond van artikel 7:658 lid 4 BW. Subsidiair grondt [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] zijn vorderingen op artikel 6:173 BW en meer subsidiair op artikel 6:162 BW.

3 De vordering en het verweer in het incident

3.1.

In het incident vordert [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] c.s. dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak. [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] c.s. stelt dat in de maatschapsovereenkomst en de daarop van toepassing zijnde uniforme maatschaps-voorwaarden is bepaald dat alle geschillen die uit de maatschapsovereenkomst ontstaan, uitsluitend zullen worden beslecht door arbitrage. Zonder het arbitraal beding zou de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland overigens ook niet bevoegd zijn volgens [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] c.s. Hij wijst op artikel 625 lid 1 sub f Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) waarin is bepaald dat de rechtbank Rotterdam bij uitsluiting bevoegd is tot kennisneming van vorderingen betreffende schade veroorzaakt aan boord van een schip. Voorts voert hij aan dat als het gaat om een arbeidsovereenkomst, of een situatie die moet worden behandeld alsof het om een arbeidsovereenkomst gaat, de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam bij uitsluiting bevoegd is op grond van artikel 7:705 jo. 7:740 BW.

3.2.

[eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] voert verweer. Hij stelt dat geen van de door hem aangedragen grondslagen voor zijn vordering betrekking hebben op de in de maatschapsovereenkomst gemaakte afspraken. De overeenkomst ziet volgens [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] slechts op de beloning voor zijn werkzaamheden en voorziet in een regeling voor geschillen daaromtrent. [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] voert aan dat de overeenkomst niet mag leiden tot gevolgen die niet ter vrije bepaling van partijen staan. Als één van de grondslagen waarop hij zijn vordering baseert wel onder de omschrijving van het arbitraal beding valt, dan doet [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] een beroep op dwaling. Hij voert aan dat hij de maatschapsovereenkomst is aangegaan in de veronderstelling dat deze slechts toezag op de voorwaarden waaronder hij zijn werkzaamheden verrichtte.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt bij de beoordeling, voor zover relevant, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vast staat dat [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] met de reder een maatschapsovereenkomst heeft gesloten. Die overeenkomst bevat een arbitraal beding waar de reder zich primair op beroept. Dat [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] bij de maatschapsovereenkomst partij zou zijn heeft [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] niet gesteld en zulks is ook niet gebleken. Om die reden komt [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] dan ook geen beroep toe op het arbitraal beding.

het geschil tussen [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] en de reder

4.2.

Gelet op het verweer van de reder dient te worden beoordeeld of het geschil in de hoofdzaak tussen [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] en de reder valt onder de reikwijdte van het in artikel K van de maatschapsovereenkomst genoemde arbitraal beding. Indien het geschil valt onder de werking van dit arbitraal beding, dient de kantonrechter zich op grond van artikel 1022 Rv onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van de vorderingen van [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] jegens de reder.

4.3.

Het arbitraal beding luidt als volgt:

“Alle geschillen welke mochten ontstaan uit deze overeenkomst, zullen uitsluitend worden beslecht door arbitrage, overeenkomstig het Arbitragereglement van de Federatie van Visserijverenigingen. (……).

4.4.

De beantwoording van de vraag of het geschil in de hoofdzaak tussen [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] en de reder valt onder de reikwijdte van het in de maatschapsovereenkomst opgenomen arbitraal beding is een kwestie van uitleg.

4.5.

De zaak heeft internationale aspecten nu het ongeval ter zake waarvan [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] zijn vorderingen heeft ingesteld is voorgevallen in Denemarken, terwijl hij aldaar werkzaamheden verrichte. Hoewel partijen daaromtrent niets hebben gesteld gaat de kantonrechter er vanuit dat partijen gekozen hebben voor toepasselijkheid van het Nederlands recht. De arbitrale bedingen zullen dan ook aan de hand van het Nederlandse recht worden uitgelegd.

4.6.

Bij de beantwoording van de vraag hoe het arbitraal beding moet worden uitgelegd, stelt de kantonrechter voorop dat het voor de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Daarbij zijn telkens van beslissende betekenis alle concrete omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Dit betekent onder meer dat de uitleg van een schriftelijk contract niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift echter vaak wel van groot belang.

4.7.

Vaststaat dat op de maatschapsovereenkomst de uniforme maatschapsvoorwaarden van toepassing zijn. Ook daarin is een arbitraal beding opgenomen. Dit beding heeft dezelfde inhoud als het in de maatschapsovereenkomst opgenomen arbitraal beding, maar het is iets uitgebreider geformuleerd. Dit beding luidt: “Alle geschillen welke mochten ontstaan naar aanleiding van deze overeenkomst dan wel van nadere overeenkomsten die daarvan het gevolg mochten zijn, zullen met uitsluiting van de gewone rechter worden beslecht door arbitrage overeenkomstig het Arbitrage-Reglement van de Federatie van Visserijverenigingen.”

Mede gelet op dat iets ruimer geformuleerde beding brengt een redelijke uitleg van het arbitraal beding met zich dat alle geschillen die verband houden met de maatschapsovereenkomst onder de werking van dat beding vallen. Slechts geschillen die geen verband houden met de maatschapsovereenkomst vallen daar niet onder.

Anders dan [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] heeft bepleit, kan voorts niet gezegd worden dat de in de maatschapsovereenkomst opgenomen afspraken slechts zien op de beloning van de werkzaamheden die [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] op het vissersschip verricht. De maatschapsovereenkomst betreft een samenwerkingsovereenkomst. Hierbij heeft de reder zich verplicht het vissersvaartuig ter beschikking te stellen en heeft [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] zich verplicht tot de inbreng van arbeid, kennis en vlijt. Verder zijn in die overeenkomst naast de beloningsbepalingen bepalingen over de vertegenwoordiging van de maatschap, een bepaling over een verzekeringsplicht tegen arbeidsongeschiktheid en een bepaling over de leiding op het vissersschip opgenomen. Bovendien maken de uniforme maatschapsvoorwaarden deel uit van de maatschapsovereenkomst. Deze bevatten bepalingen over nog andere zaken, zoals een bepaling over het onderhoud van het vaartuig. Kortom, naar het oordeel van de kantonrechter behelst de maatschapsovereenkomst niet enkel beloningsafspraken, maar ziet deze overeenkomst op tal van aspecten aangaande de samenwerking tussen [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] en de reder. [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] mocht dan ook niet verwachten dat het arbitraal beding in de maatschapsovereenkomst slechts ziet op de beloningsafspraken. Een redelijke uitleg brengt met zich dat alle geschillen die verband houden met de tussen [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] en de reder overeengekomen samenwerking onder de reikwijdte daarvan vallen. Ook het onderhavige geschil valt onder werking van het arbitraal beding. De kern van het geschil tussen [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] en de reder is immers of de reder aansprakelijk is voor de door [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval wat [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] is overkomen op het schip van de reder, terwijl hij daar in het kader van de overeengekomen samenwerking zijn werkzaamheden uitvoerde. Dat [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] voor zijn vordering verschillende grondslagen heeft aangedragen, doet aan de gelding van het arbitraal beding voorts niets aan af.

4.8.

[eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] heeft nog opgeworpen dat de overeenkomst niet mag leiden tot gevolgen die niet ter vrije bepaling staan. Waarom dat laatste hier het geval zou zijn, is gesteld noch gebleken. Voor zover [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] heeft bedoeld te stellen dat hij door het arbitraal beding wordt afgehouden van de burgerlijke rechter en dat dit beding daarom in strijd is met het bepaalde in artikel 1020 lid 3 Rv., wordt die stelling niet gevolgd, óók niet als de overeenkomst tussen partijen als een arbeidsovereenkomst gekwalificeerd zou moeten worden. Ook in arbeidsgeschillen is in het algemeen arbitrage mogelijk. Niet is in te zien waarom dat in casu anders zou zijn.

4.9.

Het beroep op dwaling van [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] wordt gepasseerd nu daarvoor onvoldoende gesteld is. Anders dan [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] meent, brengt het enkele feit dat hij van een onjuiste veronderstelling is uitgegaan nog niet met zich dat hij zich met vrucht kan beroepen op dwaling.

4.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter zich onbevoegd zal verklaren om kennis te nemen van het geschil tussen [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] en de reder.

het geschil tussen [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] en [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident]

4.11.

Vanwege de internationale aspecten in deze zaak, moet allereerst worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis te nemen. Dat is het geval: het geschil betreft een handelszaak als bedoeld in artikel 1 van de Verordening (EG) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX II-Vo). Nu [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] woonplaats heeft in Nederland is ingevolge artikel 4 EEX II-Vo de Nederlandse rechter bevoegd.

4.12.

Zoals reeds is overwogen in rechtsoverweging 4.1. is niet gesteld en is ook niet gebleken dat [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] bij de maatschapsovereenkomst partij zou zijn. Hij heeft gesteld dat hij de maatschapsovereenkomst heeft gesloten met [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] namens [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak/eiseres sub 2 in het incident] B.V. Volgens hem heeft [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] namens [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak/eiseres sub 2 in het incident] B.V. als eigenaar van de [naam] [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] aangenomen om op dat schip aan de visvangst deel te nemen. In die overeenkomst wordt ook [gedaagde sub 2 in de hoofdzaak/eiseres sub 2 in het incident] B.V. en niet tevens [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] als contractant vermeld. Een en ander in aanmerking nemende, wordt ervan uitgegaan dat er geen contractuele grondslag is voor de vorderingen van [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] op [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] . [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] is hooguit (mogelijk) aansprakelijk op grond van de artikelen 6:162 BW en 6:173 BW. Op grond van artikel 625 lid 1 sub f Rv is echter de rechtbank Rotterdam bij uitsluiting bevoegd, omdat de zaak ziet op schade veroorzaakt aan boord van een schip.

4.13.

Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, verwijzen naar de rechtbank Rotterdam. Op de voortzetting van de procedure bij de rechtbank Rotterdam is het bepaalde in de artikelen 71, 73 en 74 Rv van toepassing. Met inachtneming van hetgeen daarin is bepaald zal de kantonrechter beslissen op de wijze als in het dictum vermeld.

de proceskosten

4.14.

Gelet op de uitkomst zal [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] worden veroordeeld in de proceskosten van dit incident.

5 De beslissing

De kantonrechter

in het incident

5.1.

verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen van [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] jegens [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] c.s. kennis te nemen;

5.2.

veroordeelt [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] in de kosten van dit incident, tot op deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] c.s. begroot op € 200,00 aan gemachtigdensalaris;

5.3.

verklaart voormelde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

5.4.

verwijst de zaak tussen [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] en [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] , in de stand waarin deze zich bevindt, ter verdere behandeling naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de afdeling Privaatrecht van de rechtbank Rotterdam;

5.5.

deelt mede dat partijen in het vervolg van deze procedure alleen kunnen procederen bij advocaat;

5.6.

bepaalt dat iedere partij het recht heeft de andere partij bij exploot op te roepen tegen de dag waarop zij de zaak ter rolle wil doen dienen;

5.7.

wijst partijen erop dat de kamer voor andere zaken dan kantonzaken zal beslissen over de proceskosten in deze procedure, waaronder het door de kantonrechter berekende griffierecht van € 78,00 voor [eiser in de hoofdzaak/gedaagde in het incident] ;

5.8.

wijst [gedaagde sub 1 in de hoofdzaak/eiser sub 1 in het incident] er op dat hij na verwijzing griffierecht verschuldigd is, dat dit griffierecht kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat het griffierecht binnen 4 weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie zijn gestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C.M. Manders en in het openbaar uitgesproken op

11 oktober 2017.