Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:6816

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
15-02-2018
Zaaknummer
UTR 16/5021-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak in een beroep over een afgewezen Wmo-aanvraag. Verweerder stelt dat er sprake is van gebruikelijke hulp die van eisers echtgenote mag worden verwacht. De rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid om onderzoek te doen of het redelijk is om die hulp van de echtgenote te verwachten. Bij dat onderzoek naar redelijkheid moet onder andere gekeken worden naar de intensiteit, duur en behoefte van de zorg, maar ook naar de capaciteiten en mogelijke overbelasting van de echtgenote. De rechtbank bepaalt dat verweerder vier weken de tijd heeft om onderzoek te verrichten en houdt iedere verdere beslissing aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/5021-T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.F. Vermaat),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein, verweerder

(gemachtigde: M. van der Wielen en J. Tittel).

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2016, verzonden op 10 februari 2016 (het primaire besluit), heeft verweerder onder meer eisers aanvraag voor een maatwerkvoorziening ‘ondersteuning zelfredzaamheid’ op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) met ingang van 1 mei 2016 afgewezen.

Bij besluit van 21 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is als gevolg van een dwarslaesie aan een rolstoel gebonden. Onder de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) was eiser tot 28 april 2015 onder meer geïndiceerd voor de zorgsoort ‘Begeleiding Individueel’ tot 1.9 uur per week. Eiser kocht deze zorg middels een persoonsgebonden budget (pgb) in bij zijn echtgenote. De AWBZ is per 1 januari 2015 vervallen.

2. Eiser heeft zich op 23 maart 2015 bij verweerder gemeld om voor soortgelijke individuele begeleiding als onder de AWBZ in aanmerking te komen. Naar aanleiding van de melding heeft de stichting Geynwijs, die namens verweerder Wmo-meldingen onderzoekt, op 2 april 2015 een huisbezoek afgelegd. Uit de weergave van het huisbezoek blijkt dat eiser begeleiding wenst bij:

  1. Het op elke zaterdag in- en uitstappen van zijn handbike.

  2. Het plaatsnemen in een aangepaste auto als hij op bezoek gaat bij familie en vrienden.

  3. Het om de 2 weken boodschappen doen en kleren kopen.

  4. Het toiletbezoek bij theater- en museumbezoek, ongeveer 12x per jaar.

  5. 12 treinreizen per jaar.

  6. Het pakken van spullen in het huis op boven of beneden gelegen verdiepingen, omdat eiser vanwege zijn zwakke schouder geen gebruik meer kan maken van de traplift.

  7. De afhankelijk voor de dagelijkse verzorging tijdens het herstellen van zijn doorligplekken.

  8. Het aanbrengen van elektrodepads om de doorbloeding te stimuleren in verband met zijn doorligplekken.

Verder blijkt uit het plan dat eisers echtgenote gezond en 57 jaar oud is, dertig uur per week werkt als verpleegkundige en een dag per week mantelzorg verleent aan haar ouders.

3. Eiser heeft op 6 juni 2015 op grond van de Wmo 2015 een aanvraag gedaan voor de maatwerkvoorziening Zelfredzaamheid (Begeleiding Individueel) voor 7 uur per week. Ter zitting heeft eiser gezegd dat zijn aanvraag ziet op 2 uur per week en dus 7 tot 8 uur per maand.

4. Naar aanleiding van de melding en de aanvraag heeft Geynwijs op 23 september 2015 het ‘WMO-plan’ (het plan) opgesteld. In het plan staat vermeld dat de activiteiten 1,2,4 en 6 gericht zijn op het helpen maken van transfers. Dergelijke transfers vallen onder persoonlijke verzorging, die op grond van eisers CIZ-indicatie door de Zorgverzekeringswet (Zvw) worden gefinancierd. Voorts staat in het plan dat de activiteiten 7 en 8 onder verpleging vallen, en dat die eveneens gefinancierd worden uit de Zvw. Ten slotte vermeldt het plan dat de activiteiten zoals beschreven onder 3,4 en 5 vallen onder algemeen gebruikelijk hulp.

5. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen en heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de activiteiten 1,6,7 en 8 onder persoonlijke verzorging en verpleging vallen, die op grond van eisers CIZ-indicatie worden gefinancierd vanuit de Zvw. Ten aanzien van de activiteiten 2 tot en met 5 heeft het college geoordeeld dat sprake is van gebruikelijke hulp die door eisers echtgenote kan worden verleend, nu niet gebleken is dat de draagkracht en belastbaarheid van de echtgenote in het geding zijn.

6. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat de activiteiten 1,6,7 en 8 vanwege eisers CIZ-indicatie onder de Zvw vallen, omdat het CIZ niet indiceert voor de Zvw. Voorts heeft eiser aangevoerd dat verweerder op grond van artikel 2.3.2, vierde lid, van de Wmo 2015 in overleg moet treden met de zorgverzekeraar om aan te tonen dat de Zvw voorziet, hetgeen niet is gebeurd. Verder heeft eiser aangevoerd dat bij een weigering van de gevraagde ondersteuning vanwege de aanwezigheid van gebruikelijke hulp, het aan verweerder is om aan te tonen dat de hulp niet alleen op grond van algemeen aanvaarde opvattingen als gebruikelijk kan worden gezien, maar tevens dat het in het voorliggende geval ook in redelijkheid van de huisgenoot kan worden gevergd. Verweerder heeft dat niet onderzocht. Voorts heeft eiser in zijn aanvullende beroepschrift van 4 mei 2017 aangevoerd dat het aan verweerder is om aannemelijk te maken dat het in het algemeen aanvaard wordt dat huisgenoten elkaar ondersteunen bij de hier aan de orde zijnde activiteiten. Tevens is verweerder voorbij gegaan aan het langdurigheidsaspect van de ondersteuningsbehoefte van eiser en aan de vraag of het inderdaad naar algemeen aanvaarde opvattingen zo is dat een partner altijd en overal steun en ondersteuning biedt bij de door verweerder genoemde activiteiten.

7. Op grond van artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 wordt onder gebruikelijke hulp verstaan ‘hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten’.

In artikel 2.3.2, vierde lid, onderdeel b. van de Wmo 2015, voor zover hier van belang, is bepaald dat het college de mogelijkheden van de cliënt onderzoekt om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien.

Op grond van artikel 2.3.2, vierde lid, onderdeel f. van de Wmo 2015, voor zover hier van belang, onderzoekt het college de mogelijkheid om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieder als bedoeld in de Zvw te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang.

In artikel 1.6 van de ‘Beleidsregels Wmo Nieuwegein’ (de Beleidsregels), voor zover hier van belang, staat vermeld dat wat onder gebruikelijke hulp valt, bepaald wordt door wat naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht. Wat daarbij in redelijkheid mag worden verwacht is mede afhankelijk van de intensiteit en verwachte duur van de ondersteuningsbehoefte. Bij die bepaling wordt de verkracht, de belastbaarheid en de deskundigheid van de huisgenoot meegenomen.

Op grond van paragraaf 2 van bijlage 1 bij de Beleidsregels wordt bij gebruikelijk hulp rekening gehouden met de individuele belastbaarheid van de huisgenoten. Verder wordt voor zover een partner overbelast is of dreigt te raken van hem of haar geen gebruikelijk hulp verwacht, totdat deze dreigende overbelasting is opgeheven.

8. De rechtbank stelt voorop dat eiser eerst ter zitting heeft gezegd dat hij inmiddels niet meer van plan is om de zorg door zijn echtgenote te laten verrichten. Gelet op de door de rechtbank te hanteren ‘ex-tunc’ toetsing, zal zij deze omstandigheid echter niet betrekken in deze beroepsprocedure.

9. Gelet op het verhandelde ter zitting is niet langer in geschil dat de activiteiten die zien op eisers decubituspreventie (activiteit 8) onder de reikwijdte van de Zvw vallen. Ter zitting heeft eiser tevens toegelicht dat het doel van zijn aanvraag is om individuele begeleiding bij de activiteiten buitenshuis te bewerkstelligen. De rechtbank begrijpt dit zo dat de aanvraag van eiser niet meer ziet op het verkrijgen van de maatwerkvoorziening Zelfredzaamheid (Begeleiding Individueel) voor activiteiten binnenshuis. Gelet hierop zal de rechtbank de activiteiten 7 en 8 niet in haar inhoudelijke overwegingen betrekken.

10. In geschil is of verweerder op juiste gronden eisers aanvraag om de maatwerkvoorziening Zelfredzaamheid (Begeleiding Individueel) heeft afgewezen omdat de activiteiten 1 en 6 onder de Zvw vallen en bij de activiteiten 2 tot en met 5 sprake is van gebruikelijke hulp die in redelijkheid van eisers echtgenote mag worden verwacht.

11. De beroepsgrond dat verweerder op grond van artikel 2.3.2, vierde lid, onderdeel f. van de Wmo 2015 de afbakening ten opzichte van de Zvw dient te onderzoeken, slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. De afstemming in dit artikel ziet er immers op dat verweerder zijn dienstverlening afstemt met voorzieningen die eiser mogelijk al ontvangt op basis van de Zvw. Nu verweerder de aanvraag om een maatwerkvoorziening heeft afgewezen is er echter geen sprake van een dienstverlening door verweerder. Dit betekent dat artikel 2.3.2, vierde lid, onderdeel f. van de Wmo 2015 niet van toepassing is. Voorts constateert de rechtbank dat eiser zijn stelling dat de activiteiten 1 en 6 niet vanuit de Zvw worden vergoed niet heeft onderbouwd.

12. De rechtbank overweegt voorts dat, gelet op artikel 1.6 van de Beleidsregels, de vraag wat onder gebruikelijke hulp valt, bepaald wordt door wat naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht. Wat daarbij in redelijkheid mag worden verwacht, is mede afhankelijk van de intensiteit en verwachte duur van de ondersteuningsbehoefte van eiser waarbij tevens de veerkracht, belastbaarheid en de deskundigheid van eisers echtgenote moet worden meegenomen. Dit betekent dat om tot het oordeel te kunnen komen dat er sprake is van gebruikelijke hulp die in redelijkheid van eisers echtgenote mag worden verwacht, er door verweerder onderzoek moet zijn verricht naar deze aspecten. Voorts blijkt uit paragraaf 2 van bijlage 1 van de Beleidsregels dat tevens dreigende overbelasting van eisers echtgenote dient te worden onderzocht.

13. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder een dergelijk onderzoek heeft verricht. De enkele vaststelling door Geynwijs dat geen sprake is van overbelasting bij de echtgenote is ontoereikend, nu eiser ter zitting onweersproken heeft gesteld dat zijn echtgenote niet gevraagd is om deel te nemen aan het keukentafelgesprek en verder tijdens het huisbezoek niet is bevraagd. Dit betekent dat aan het bestreden besluit op dit punt een gebrek kleeft.

14. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en verweerder in het kader van een bestuurlijke lus in de gelegenheid te stellen om het gebrek te herstellen.

15. Hiertoe stelt de rechtbank verweerder in de gelegenheid om het onderzoek te verrichten zoals vermeldt onder 12. Na het verrichten van dat onderzoek zal verweerder een zorgvuldige afweging moeten maken of er sprake is van gebruikelijke hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen en in redelijkheid van eisers echtgenote mag worden verwacht.

16. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.

17. Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk meedelen aan de rechtbank. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beide gevallen en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

18. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Thijssen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.