Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:6815

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-04-2017
Datum publicatie
13-02-2018
Zaaknummer
5615394
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht; ontslag op staande voet; bewijs dringende reden.

In de periode dat een groot kastekort is ontstaan heeft werknemer met een gokverslaving zeer omvangrijke contante stortingen op zijn bankrekening gedaan. Daarvoor heeft hij geen geloofwaardige verklaring gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 5615394 UE VERZ 16-764 RK/1069

Beschikking van 18 april 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoeker] ,

verzoekende en verwerende partij,

gemachtigde: mr. Y.A. Brunnekreef,

tegen:

de stichting

[verweerder] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [verweerder] ,

verwerende en verzoekende partij,

gemachtigde: mr. D.M. van Genderen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van [verzoeker] met producties 1 tot en met 7, ter griffie ingekomen op 29 december 2016, later aangevuld met producties 8 tot en met 10;

- het verweerschrift van [verweerder] tevens houdende een verzoekschrift ex artikel 7:686a lid 3 jo. art. 7:671b BW van 13 maart 2017 met producties 1 tot en met 15, later aangevuld tot met productie 24;

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 maart 2017. [verzoeker] is in persoon verschenen samen met zijn echtgenote, zus en schoonvader en bijgestaan door de gemachtigde. Namens [verweerder] zijn verschenen haar bestuurder [A] , het lid van de Raad van Toezicht mr. [B] en haar controller [C] . Door of namens partijen zijn de standpunten toegelicht en is antwoord gegeven op vragen. De gemachtigden hebben pleitnotities overgelegd. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] , geboren op [1975] , is sinds 1 februari 2009 in dienst van [verweerder] , laatstelijk als Manager zakelijk verhuur & horeca tegen een salaris van € 5.086,92 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO) Nederlandse Poppodia en - - Festivals van toepassing.

2.2.

In artikel 50 van deze CAO staat onder meer het volgende vermeld:

“Indien werknemer nevenwerkzaamheden verricht in dienstbetrekking of voor eigen rekening, zal hij dit schriftelijk bij werkgever melden indien zijn werkzaamheden bij werkgever en zijn nevenwerkzaamheden samen meer dan 40 uur gemiddeld per week bedragen.”

2.3.

[verzoeker] kwam gedurende het jaar 2015 vrijwel dagelijks in gokgelegenheden. Hij heeft een gokverslaving, waarvoor hij een behandeltraject heeft ondergaan.

2.4.

De heer [A] , algemeen directeur van [verweerder] , (hierna: [A] ) is in september 2015 door een raadslid van de gemeente Utrecht gebeld met de mededeling dat hij had gehoord dat een horecamanager van [verweerder] met groot geld speelde in het casino.

2.5.

Op 5 april 2016 heeft [verweerder] aangifte gedaan van verduistering in dienstbetrekking gedurende de periode van 2 januari 2015 tot 6 oktober 2015. In het proces-verbaal staat onder meer het volgende vermeld:

“Omstreeks 24 februari 2016 is er vastgesteld dat er een kasttekort is ontstaan in een van de kluizen in gebruik bij [verweerder] . Ons vestigingsadres is [adres] te [vestigingsplaats] . Het gaat echter om de kluizen in het muziekpaleis. Het bezoekadres hiervan is [adres] te [vestigingsplaats] .

Naar aanleiding hiervan is er een onderzoek gestart. Dit hebben wij uitbesteed aan accountantskantoor BDO. BDO heeft hierover een rapport uitgebracht en heeft toestemming gegeven om dit aan de politie te verstrekken.”

2.6.

[verweerder] heeft onderzoek laten verrichten door BDO Investigations, die op 20 juni 2016 een rapport heeft opgemaakt. In het rapport wordt vastgesteld dat in de periode tussen 2 januari 2015 en 28 september 2015 een kastekort is ontstaan van € 81.057,--. BDO beschrijft de 14 perioden waarin dat tekort verandert en analyseert de aanwezigheid van de mogelijk betrokken werknemers gedurende deze periodes. Vier van de 26 werknemers, waaronder [verzoeker] , waren gedurende alle 14 periodes aanwezig.

2.7.

[verzoeker] heeft op 19 augustus 2016 een eenmanszaak met de handelsnaam ‘ [eenmanszaak] ’ ingeschreven in het handelsregister. Hij heeft vanaf de zomer van 2016 voor eigen rekening een onderzoek gedaan naar commerciële daghoreca in de [naam] te [vestigingsplaats] .

2.8.

Op 11 oktober 2016 is [verzoeker] op bevel van de Officier van Justitie aangehouden op verdenking van verduistering van kasgeld. Op diezelfde dag is beslag gelegd op zijn auto en zijn woonhuis. [verzoeker] is vervolgens in verzekering gesteld, gedurende drie dagen verhoord en nadien weer vrij gelaten.

2.9.

In een verslag, opgesteld door [verweerder] , van een gesprek met een rechercheur van de Politie Utrecht staat onder meer het volgende vermeld:

“De heer [D] (verder [D] ) is op uitnodiging van de heer [A] (verder: [A] ) naar [verweerder] gekomen om informatie en uitleg te geven over het onderzoek naar de verduistering van kasgeld; de zaak waar [verweerder] op 5 april 2016 aangifte van deed.

(…)

• [D] vraagt de aanwezigen of het bedrag, dat wij als ontvreemd hebben opgegeven, € 81.057, wel klopt. De kasstortingen van [naam] in 2015 tellen namelijk op tot een bedrag van € 170.000.

• De andere deelnemers aan het gesprek bevestigen het vermiste bedrag van € 81.079.

• [D] vertelt dat [naam] als verklaring voor de herkomst van het kasgeld heeft verklaard, dat hij dit geld in het casino heeft gewonnen.

• [D] vertelt ook dat hij deze uitspraak van [naam] aan de bedrijfsleider van [naam] heeft voorgelegd en dat deze bedrijfsleider in lachen uitbarstte en zei: “Dergelijke bedragen konden bij [naam] niet worden gewonnen. [naam] keerde immers maximaal maar 20% van de totale inleg uit.”Daarbij worden winsten niet door de automaat uitgekeerd, maar moet de speler bij winst zich tot de kassa wenden en ontvangt hij na ondertekening van een kasbonnetje zijn winst in contanten uitgekeerd. (…)”

2.10.

[verzoeker] is uitgenodigd voor een gesprek met [verweerder] op 18 oktober 2016. In dit gesprek heeft [A] [verzoeker] geconfronteerd met de bevindingen van de politie en aangegeven dat als de bevindingen juist zijn dit reden is voor een ontslag op staande voet. [verzoeker] heeft ontkend dat hij geld heeft ontvreemd. [verweerder] heeft [verzoeker] geschorst en aanvullend onderzoek gedaan. Het aanvullende onderzoek is uitgevoerd met medewerking van BDO Investigations. Door meerdere werknemers van [verweerder] zijn verklaringen afgelegd.

2.11.

Op 31 oktober 2016 heeft [verweerder] [verzoeker] geconfronteerd met de uitkomsten van dit onderzoek. [verzoeker] heeft erkend dat hij regelmatig afwezig is geweest en ook dat hij regelmatig met grote bedragen heeft gegokt, maar heeft aangegeven dat hij geen toegang had tot de kluizen van [verweerder] en geen geld heeft verduisterd. [verweerder] heeft [verzoeker] tijdens dit gesprek op staande voet ontslagen op grond van de volgende redenen:

  1. het ontvreemden van aanzienlijke bedragen geld van [verweerder] , mogelijk tot een bedrag van € 81.000,--;

  2. het veelvuldig en zonder plausibele reden tijdens werktijd afwezig en/of onbereikbaar zijn voor werkgever, relaties en collega’s;

  3. het veelvuldig tijdens en/of buiten werktijd met grote bedragen gokken in een casino of andere gokgelegenheid;

  4. het zonder toestemming van [verweerder] verrichten en factureren van werkzaamheden voor tenminste één andere organisatie in dezelfde branche.


Het ontslag op staande voet is bij brief van diezelfde dag schriftelijk bevestigd.

2.12.

Bij brief van 9 november 2016 heeft [verzoeker] geprotesteerd tegen deze opzegging.

2.13.

De hoofdagent van politie Utrecht [verbalisant] heeft nader naar strafbare feiten onderzoek gedaan en op 6 februari 2017 een proces-verbaal van relaas opgemaakt. Onder punt 17 van het relaas staat onder meer het volgende vermeld:

“In de periode tussen 12 oktober 2016 en 19 oktober 2016 werden meerdere medewerkers van de ‘goktent’ [naam] , gevestigd aan de [adres] te [vestigingsplaats] nader gehoord. Allen verklaarden, nadat zij de foto van de verdachte kregen getoond, de man op de foto herkenden als zijnde ene [verzoeker] die werkzaamheden verrichte voor Stichting [verweerder] .

Locatiemanager [E]
(…)

- Hij zich wist te herinneren dat [verzoeker] een ‘grote gokker’ was die wel eens € 1.000,00 per keer besteedde aan het gokken;
- Hij wist dat [verzoeker] wel eens geld won, maar niet meer precies hoeveel;
- Het hem onwaarschijnlijk leek dat [verzoeker] in 1,5 jaar tijd € 176.000,00 winst zou hebben gehad, want dan zou hij een truc hebben gehad of zo’n automaat hebben moeten manipuleren.(…)”

Kassier [F]
(…)
- Hij toen zag dat [verzoeker] redelijk speelde en daardoor wel eens bedrag tussen de € 1.000,00 en € 8.000,00 won;
- Het hem onwaarschijnlijk leek dat [verzoeker] in 1,5 jaar tijd € 176.000,00 winst zou hebben gehad;
- Deze man in zijn handen zou moeten knijpen als hij misschien in één jaar tijd € 10.000,00 gewonnen zou hebben.

Kassier [G]
(…)
- Zij wist dat [verzoeker] qua gokken niet specifiek succesvol was en geen extreem hoge bedragen winst had;

- Het haar onwaarschijnlijk leek dat [verzoeker] of überhaupt een klant, in 1,5 jaar tijd € 176.000,00 gewonnen had.

(…)”

In de samenvatting van het proces-verbaal staat onder meer het volgende vermeld:

“Op dinsdag 5 april 2016 werd er door Stichting [verweerder] aangifte gedaan van verduistering in dienstbetrekking. Binnen de periode tussen 2 januari 2015 en 6 oktober 2015 zou er een kastekort van € 81.057,00 zijn ontstaan.

Uit intern onderzoek, gedaan door accountantskantoor BDO zou blijken dat er 4 medewerkers op alle, voor het onderzoek relevante, momenten in dienst waren en dus in staat waren de verduistering in dienstbetrekking te plegen.
Een getuige verklaarde dat hij gezien had dat er een medewerker van stichting [verweerder] met duizenden Euro’s aan het gokken in een nabijgelegen filiaal van [naam] te [vestigingsplaats] . Uit onderzoek bleek dat deze speler één van de vier genoemde medewerkers was, die mogelijkheid had voornoemde verduistering te plegen. Voornoemde speler betrof [verzoeker] .

Binnen het onderzoek werden de bankafschriften van bankrekeningen op naam van [verzoeker] en diens partner gevorderd.

Uit de bankafschriften zou blijken dat [verzoeker] tijdens voornoemde periode:
- Een legaal inkomen had van € 44.849,05;
- Qua vaste lasten een kostenpost had van € 37.098,28;
- Bovenstaande gegevens zouden duiden op een vrij te besteden bedrag a € 7.750,77;
- De verdachte totaal € 129.030,00 aan contant geld opneemt, waarvan € 63.250,00 bij een filiaal van [naam] Utrecht;
- De verdachte totaal € 134.970,00 aan contant geld stort.

De verdachte verklaarde tijdens zijn verhoor dat:
- Hij naast zijn loon geen andere inkomsten heeft;
- Hij geen contant geld van zichzelf of anderen in huis heeft;
- Hij ook niet over contant geld buiten zijn de salarissen van hem en zijn partner kan beschikken;
- Hij in het jaar 2015 veel gokte bij [naam] te [vestigingsplaats] ;
- Hij in 2015 meer was gaan gokken omdat het goed liep;
- Hij in de afgelopen 25 jaar meer had verloren dan gewonnen;
- Hij zijn gokwinsten weer stortte op één van zijn bankrekeningen;
- Al het gestorte contante geld afkomstig was van gokwinsten bij [naam] te [vestigingsplaats] .

(…)

Binnen het onderzoek is er onderzoek gedaan naar de gokwinsten bij [naam] te [vestigingsplaats] . Uit de gevorderde gegevens zou blijken dat er in de voornoemde periode voor een bedrag a € 66.505,60 aan de verdachte is uitgekeerd. Van alle door de speelautomaat zelf uitgekeerde betalingen is door [naam] te [vestigingsplaats] geen administratie/overzicht bijgehouden.

(…)

Lettende op bovenstaande gegevens is het aannemelijk dat de verdachte € 68.464,40 meer uitgaf dan dat er aan legale inkomsten waren te besteden. Voornoemd bedrag kan vanuit dit onderzoek niet nader worden verklaard.
(…)”

3 Het verzoek en verweer

3.1.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij voorlopige voorziening, [verweerder] te veroordelen tot wedertewerkstelling en loondoorbetaling. Voorts vordert hij in de hoofdzaak primair vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst, wedertewerkstelling en loondoorbetaling. Subsidiair en meer subsidiair vordert hij betaling van een billijke vergoeding van € 100.000,-- bruto, de gefixeerde schadevergoeding van € 12.620,88 bruto en de transitievergoeding van € 17.879,58 bruto met specificaties en kosten rechtens.

3.2.

[verzoeker] legt het volgende aan het verzoek ten grondslag. Hij stelt zich allereerst op het standpunt dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. Reeds begin 2016 is geconstateerd dat in de periode tussen 2 januari en 28 september 2015 een kasgeldtekort is ontstaan. Pas op 11 oktober 2016 is [verzoeker] door de politie aangehouden. Het onderzoek door BDO heeft extreem lang geduurd. Ook de periode tussen de aangifte en het ontslag op staande voet is erg lang geweest. Daarnaast stelt [verzoeker] zich op het standpunt dat het ontslag dient te worden vernietigd omdat er geen sprake is van een dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Hij betwist dat hij geld heeft ontvreemd dat aan [verweerder] toebehoort. De handelswijze van [verweerder] is ontoelaatbaar, omdat er geen informatie of onderbouwing is gegeven. In de ontslagbrief is een bedrag van € 81.077,-- aan kasgeldtekort genoemd, zonder dat dit nader is onderbouwd. Vervolgens is [verzoeker] niet geïnformeerd over het instellen van een forensisch onderzoek en is hij niet op de hoogte gesteld van de bevindingen of uitkomsten. Ook van de inhoud van de aangifte had hij geen kennis. Na zijn aanhouding op 11 oktober 2016 heeft hij ook niets meer gehoord en er is tot op heden geen strafrechtelijke vervolging ingesteld. [verzoeker] betwist daarnaast dat hij veelvuldig en zonder reden afwezig zou zijn geweest tijdens werktijd. Zijn werk heeft niet geleden onder het feit dat hij veel in een gokgelegenheid kwam. [verzoeker] heeft aangevoerd dat [A] op de hoogte was van zijn plannen om zijn eigen bedrijf te gaan starten en dat de werkzaamheden die hij elders voor eigen rekening heeft verricht tot een minimum beperkt zijn gebleven.

3.3.

[verweerder] heeft verweer gevoerd. Zij stelt zich op het standpunt dat het ontslag op staande voet wel aan de onverwijldheidseis voldoet. De periode waarin onverwijld moet worden gehandeld gaat pas in op het moment dat de werkgever op de hoogte raakt van het vermoeden van een dringende reden. Op 17 oktober 2016 is pas de mededeling van de recherche gedaan van de uitkomsten van het onderzoek naar de verduistering. Vervolgens is [verweerder] met de vereiste spoed te werk gegaan.
Daarnaast stelt [verweerder] zich op het standpunt dat er wel sprake is van een dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Op het verweer zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

Verzoek [verweerder]

3.4.

verzoekt de kantonrechter voorwaardelijk, voor het geval het op 31 oktober 2016 aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet wordt vernietigd, de arbeidsovereenkomst te ontbinden zonder toekenning van een transitievergoeding. Zij legt daaraan primair ten grondslag dat [verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld en subsidiair dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding.

4 De beoordeling

4.1.

Gelet op de in artikel 7:686a lid 4 BW genoemde vervaltermijn heeft [verzoeker] het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet tijdig ingediend.

4.2.

Kern van het geschil is de vraag of het op 31 oktober 2016 aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet vernietigd dient te worden.

4.3.

De werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij sprake is van een opzegging op grond van artikel 7:677 lid 1 BW. In dit artikel is bepaald dat ieder van de partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.

Onverwijld ontslag

4.4.

[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. Dit wordt door [verweerder] betwist. Voor het antwoord op de vraag of het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de feiten die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd bekend zijn geworden bij degene die bevoegd was het ontslag te verlenen.

4.5.

Indien een werkgever vermoedt dat sprake is van een dringende reden tot ontslag van een werknemer, maar hij eerst een onderzoek wil instellen naar de juistheid van dat vermoeden, dan dient hij daarbij met de grootst mogelijke voortvarendheid te handelen. Of de werkgever voldoende voortvarend heeft gehandeld, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij valt onder meer te denken aan de aard en omvang van een eventueel noodzakelijk onderzoek, de behoedzaamheid die bij het instellen van dat onderzoek geboden kan zijn om geen onrust in het bedrijf van de werkgever te wekken, het verzamelen van bewijsmateriaal, de eventuele noodzaak tot het inwinnen van (juridisch) advies, het horen van de werknemer en het plegen van intern overleg. Daarnaast moet de werkgever zorg in acht nemen om te vermijden dat de werknemer in zijn gerechtvaardigde belangen zou worden geschaad, indien het vermoeden onjuist blijkt. Waar het dus om gaat is dat de werkgever na het ontdekken van de als dringende reden gekwalificeerde feiten onverwijld ontslag verleent.

4.6.

De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] in dit geval heeft gehandeld zoals van haar verwacht kon worden. Weliswaar had [verweerder] eerder het vermoeden dat [verzoeker] mogelijk geld had gestolen of verduisterd, maar pas op 17 oktober 2016 werd dit vermoeden voor haar bevestigd door de uitkomst van onderzoeken. Het onderzoek van BDO heeft lang geduurd. Dat het onnodig lang heeft geduurd en dat [verweerder] meer had moeten doen om het onderzoek te bespoedigen is alleen gesteld, maar niet concreet onderbouwd. [verzoeker] heeft alleen concreet aangevoerd dat zijn naam al eerder in een proces-verbaal van verdenking van 21 juli 2016 is genoemd. [verweerder] heeft hiertegen in gebracht dat dit proces-verbaal niet in haar bezit is. Dat is aannemelijk. Bovendien moet in aanmerking worden genomen dat [verzoeker] op 21 juli 2016 nog niet verhoord was. De inhoud van het telefoontje van september 2015 was zo vaag dat [verweerder] toen, anders van [verzoeker] stelt, geen nader onderzoek naar de gedragingen van [verzoeker] heeft hoeven starten.

4.7.

Gelet op het voorgaande is het ontslag op staande voet onverwijld gegeven.

Dringende reden

4.8.

[verzoeker] heeft verder betwist dat sprake is van een dringende reden voor een ontslag op staande voet. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:667 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende redenen sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren ook in beschouwing te worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd, de aard en duur van het dienstverband, de wijze waarop de werknemer tijdens het dienstverband heeft gefunctioneerd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen in dit geval bij de werkgever.

4.9.

[verweerder] heeft vier redenen aan het ontslag ten grondslag gelegd en heeft in de ontslagbrief vermeld dat elke reden afzonderlijk ook een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Dit betekent dat niet het gehele genoemde feitencomplex behoeft komen vast te staan. Een strafrechtelijke procedure heeft nog niet plaats gevonden. Vooropgesteld wordt dat een strafrechtelijke veroordeling geen vereiste is om te oordelen dat sprake is van een dringende reden voor ontslag. Dat is vaste jurisprudentie (zie ook ECLI:NL:GHARL:2013:7544). De feiten die voor een werkgever aanleiding zijn voor een ontslag op staande voet kunnen zowel door de strafrechter als door de civiele rechter worden beoordeeld. Beide procedures zijn onafhankelijk van elkaar en kennen ieder eigen beoordelingscriteria. Als in deze procedure voldoende komt vast te staan dat sprake is van een van de genoemde ontslagredenen kan dit voldoende zijn voor het oordeel dat er sprake is geweest van een dringende reden voor ontslag op staande voet.

4.10.

Als eerste reden is aan het ontslag ten grondslag gelegd dat [verzoeker] aanzienlijke bedragen geld van [verweerder] , mogelijk tot een bedrag van € 81.000,--, heeft ontvreemd. Weliswaar staat het precieze bedrag dat ontvreemd is niet vast, maar wel is zeer aannemelijk geworden dat er bij [verweerder] een kastekort is ontstaan van aanzienlijke omvang. De procedure die is gevolgd voor het vaststellen van dit kastekort is heel grondig en zorgvuldig geweest. Vervolgens heeft [verweerder] als goed werkgever gehandeld door aangifte te doen. Uit het proces-verbaal van relaas zoals dat door de politie is opgesteld kan worden afgeleid dat er in de periode tussen 2 januari 2015 en 6 oktober 2015 een bijzonder omvangrijk contant geldbedrag - namelijk een totaal bedrag van € 134.970,00-- door [verzoeker] op zijn bankrekening is gestort. De omvang van de stortingen is door [verzoeker] niet gemotiveerd betwist. Hij heeft immers geen stukken overgelegd waaruit zou blijken dat de omvang niet juist zou zijn, zodat de kantonrechter hiervan uit zal gaan. Deze som geld kan niet worden verklaard vanuit de inkomens- en vermogenspositie van [verzoeker] . [verzoeker] heeft geen geloofwaardige verklaring gegeven hoe hij aan deze grote sommen geld is gekomen. Hij heeft zich op gokwinsten beroepen, maar door medewerkers van het casino waar hij pleegde te gokken is verklaard dat het winnen van dergelijk grote bedragen niet aan de orde is in het casino. Later heeft [verzoeker] ook nog aangevoerd dat hij niet alleen individueel speelde maar ook gezamenlijk in een groep en dat bonnen dus ook op andere namen werden gezet, maar hij heeft dit niet nader geconcretiseerd, zodat ook niet aannemelijk wordt geacht dat dit de verklaring is voor de grote contante stortingen.

4.11.

Als derde reden heeft [verweerder] aan het ontslag ten grondslag gelegd dat [verzoeker] veelvuldig in en/of buiten werktijd gokte in een gokgelegenheid. De kantonrechter overweegt hierover het volgende. Vast staat dat [verzoeker] een gokverslaving heeft, waarvoor hij een behandeltraject ondergaat of heeft ondergaan. Eveneens staat vast dat [verzoeker] veelvuldig heeft gegokt met grote bedragen en dat hij dit ook onder werktijd heeft gedaan. Dit heeft hij niet als zodanig betwist. Het gokken kan in dit geval niet alleen als een privé aangelegenheid worden gezien, [verzoeker] oefende immers een verantwoordelijke leidinggevende functie uit uit hoofde waarvan hij ook betrokken was bij kasstromen. Daarbij past niet dat hij bijna dagelijks te vinden was in een casino en met grote geldbedragen gokte. [verweerder] heeft terecht aangevoerd dat zij van een werknemer in de positie van [verzoeker] mocht verlangen dat het gedrag in eigen tijd geen serieuze twijfel rechtvaardigde over integriteit en betrouwbaarheid. Dat van een gokverslaving sprake was kan in dit geval niet in zijn voordeel worden uitgelegd.

4.12.

Daarmee zijn de eerste reden (het ontvreemden van aanzienlijke bedragen van [verweerder] , mogelijk tot een bedrag van € 81.000,--) en de derde reden (het veelvuldig tijdens en/na werktijd met grote bedragen gokken in een casino of andere gelegenheid) voldoende aannemelijk geworden. Daarnaast is aan het ontslag ten grondslag gelegd dat [verzoeker] veelvuldig en zonder reden veel afwezig en onbereikbaar is geweest voor zijn werkgever en collega’s. Dat er twijfel over zijn aanwezigheid is gerezen, is in ieder geval duidelijk geworden uit de verklaringen die diverse collega’s hierover hebben afgelegd, waarin zij zeggen dat [verzoeker] vaak moeilijk bereikbaar was en weinig zichtbaar. [verzoeker] heeft hierover weliswaar gezegd dat het juist de bedoeling was dat de afstand tot een aantal medewerkers groter was dan voor de fusie omdat er meer afstand moest zijn met de operatie, maar daarmee heeft hij de twijfel over zijn aanwezigheid niet weggenomen. Hij heeft hiermee immers niet betwist dat hij afwezig was.

4.13.

Aannemelijk is bovendien geworden dat [verzoeker] niet open is geweest over de werkzaamheden die hij heeft verricht in [vestigingsplaats] , hetgeen als vierde grond aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd. Hij heeft niet gemotiveerd betwist dat hij [A] alleen heeft verteld over zijn plannen, maar niet concreet is geweest over de werkzaamheden die hij reeds verrichtte. Op basis van artikel 50 van de geldende CAO dienen nevenwerkzaamheden altijd schriftelijk gemeld te worden.

4.14.

De feiten zoals hiervoor beschreven, zijn naar het oordeel van de kantonrechter zo ernstig van aard dat zij kwalificeren als een dringende reden voor het gegeven ontslag op staande voet. De persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] staan aan een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet in de gegeven omstandigheden niet in de weg. Van een buitenproportionele ernstige sanctie is evenmin sprake. De handelwijze van [verzoeker] wordt aangemerkt als een zodanig ernstige schending van de op hem rustende verplichting zich jegens [verweerder] als goed werknemer te gedragen en daarmee als een dermate ernstige inbreuk op het vertrouwen dat [verweerder] in hem moest kunnen stellen, dat van haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.15.

Het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet zal dus worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de door [verzoeker] verzochte wedertewerkstelling, loonvordering en de daaraan gekoppelde nevenvorderingen. De kantonrechter zal het verzoek om een transitievergoeding afwijzen, nu deze niet is verschuldigd indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer (artikel 7:673 lid 7 aanhef en onder c BW).

Proceskosten
4.16. [verzoeker] zal, nu hij zowel in het incident als in de hoofdzaak in het ongelijk wordt gesteld, worden veroordeeld tot betaling van de kosten. Dienaangaande wordt overwogen dat zowel in de door [verweerder] ingediende processtukken als tijdens de behandeling ter zitting geen (afzonderlijk) verweer tegen de verzochte voorziening is gevoerd, zodat de kosten in het incident worden begroot op nihil. De kosten in de hoofdzaak worden aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 600,00.

Verzoek [verweerder]

4.17.

Omdat het ontslag op staande voet stand houdt, is de voorwaarde waaronder [verweerder] het verzoek tot ontbinding heeft gedaan niet in vervulling gegaan. Dat verzoek hoeft dus niet beoordeeld te worden. De kantonrechter ziet geen aanleiding een veroordeling in de proceskosten met betrekking tot het verzoek uit te spreken.

5 De beslissing

De kantonrechter:

In het incident:

5.1.

wijst het verzoek af;

5.2.

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil;

In de hoofdzaak:

5.3.

wijst de verzoeken van [verzoeker] af;

5.4.

stelt vast dat het verzoek van [verweerder] niet beoordeeld hoeft te worden;

5.5.

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten voor de behandeling van zijn verzoeken, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 600,00.

5.6.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2017.