Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:677

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-02-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
431381 / HA RK 17-18
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wrakingsverzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Utrecht

Zaaknummer/rekestnummer: 431381 / HA RK 17-18

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

1 februari 2017

op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) van:

de heer [verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

(verder te noemen: verzoeker).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het bij brief van 17 januari 2017 ingediende verzoek tot wraking;

  • -

    het verweer van mr. R.J. Praamstra;

  • -

    de brief van 21 januari 2017 van de zijde van verzoeker.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 24 januari 2017 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

Bij de mondelinge behandeling is verschenen:

-verzoeker.

1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. R.J. Praamstra als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met het zaaknummer UTR 16/5147 WOB. In die procedure is verzoeker in beroep gegaan tegen het besluit op bezwaar van 7 november 2016 van De Korpschef van Politie, Eenheid Limburg. Verweerder heeft daarop een verweerschrift ingediend opgesteld door mr A.IJ. Ruiter. Verzoeker heeft de rechtbank op 30 december 2016 een brief gezonden, waarin hij de rechtbank verzoekt gebruik te maken van haar bevoegdheid ex artikel 8:25 Awb om mr. Ruiter als vertegenwoordiger van de Korpschef van Politie te weigeren. Daarnaast heeft verzoeker de rechtbank verzocht ex artikel 162 Sv bij de officier van justitie aangifte te doen tegen mr. Ruiter en mevrouw [A] wegens (eenvoudige) belediging en/of smaad. Vervolgens heeft de rechtbank op 3 januari 2017 medegedeeld dat de zaak door een meervoudige kamer (waarvan de rechter voorzitter is) zal worden behandeld op de zitting van 3 februari 2017 om 10.00 uur in Utrecht. De rechter heeft verzoekers brief van 30 december 2016 bij brief van 16 januari 2017 beantwoord. De rechter heeft de verzoeken als bovenomschreven afgewezen. Verzoeker zag op grond van laatstgenoemde brief aanleiding onderliggend wrakingsverzoek in te dienen.

2.2.

Verzoeker heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. De beslissing van de rechter om geen gebruik te maken van haar bevoegdheid om de gemachtigde van verweerder te weigeren is gelet op de concrete feiten en omstandigheden van het geval zo onbegrijpelijk gemotiveerd dat deze beslissing volgens verzoeker slechts kan zijn ingegeven door vooringenomenheid van de rechter. Daarbij heeft verzoeker zich op het standpunt gesteld dat de rechter bij haar weigering ten onrechte twee brieven van 5 en 13 januari 2017 buiten beschouwing heeft gelaten.

Ten tweede is volgens verzoeker de rechter verplicht aangifte te doen op grond van artikel 162 Wetboek van Strafvordering (Sv). Door de beslissing om geen aangifte te doen is de rechter vooruit gelopen op de beslissing in raadkamer, althans die vrees bestaat bij verzoeker. Het zegt volgens verzoeker – nog voordat de inhoudelijke behandeling is aangevangen - iets over hoe de rechter denkt over het inhoudelijke betoog van verweerder omtrent misbruik van recht door verzoeker. Verzoeker stelt verder nog dat de rechter de beslissingen in deze ten onrechte naar zich toe heeft getrokken en geprobeerd heeft dit te verbergen door de term ‘de rechtbank’ te gebruiken. Voornoemde beslissingen hadden genomen moeten worden door alle rechters van de meervoudige kamer. Mocht dit anders zijn dan had het voor verzoeker expliciet kenbaar moeten zijn dat de voorzitter de beslissingen heeft genomen.

2.3.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie stelt zij zich ten aanzien van de eerste grond op het standpunt dat de omstandigheid dat een verweerder een juridisch standpunt inneemt, namelijk dat van de zijde van verzoeker sprake zou zijn van misbruik van recht, geen reden is om de vertegenwoordiger van verweerder te weigeren op grond van artikel 8:25 Awb. Evenmin vormt dit aanleiding om aangifte te doen. Of sprake is van misbruik van recht staat nog ter beoordeling van de rechtbank. De stelling dat uit de brief van 16 januari 2017 zou blijken van vooringenomen omtrent de juistheid van de door verweerder ingenomen standpunten, volgt de rechter niet. Bovendien kan verzoeker zelf ter zitting nog argumenten aandragen. Er wordt derhalve niet vooruitgelopen op een eindoordeel. De door verzoeker en verweerder ingenomen standpunten zullen uiteindelijk worden beoordeeld door de meervoudige kamer waarna deze zullen worden neergelegd en gemotiveerd in een beschikking.

De brieven van 5 en 13 januari 2017 zijn niet meegenomen in de brief van 16 januari 2017. Hiervan had de rechter op dat moment nog geen kennis genomen, omdat deze nog ter verwerking op de griffie lagen. Van vooringenomenheid is volgens de rechter ook op dit punt geen sprake. Tot slot voert de rechter aan dat zij bevoegd is op brieven te reageren en dat met de aanduiding ‘de rechtbank’ niet is bedoeld te verbergen dat de beslissing door haar alleen is genomen.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 8:15 Awb bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

3.4.

De wrakingskamer oordeelt als volgt.

De brief van de rechter van 16 januari 2017, waarop het wrakingsverzoek is gegrond, bevat twee beslissingen. Deze beslissingen zijn een antwoord op de brief van verzoeker van

30 december 2016.

Dat de brieven van 5 januari 2017 en 13 januari 2017 bij dat antwoord niet zijn meegenomen wordt verklaard door het feit dat de rechter ten tijde van het schrijven van de brief van 16 januari 2017 nog niet over die brieven beschikte. Reeds hierom kan naar het oordeel van de wrakingskamer aan het niet meenemen van die brieven niet de conclusie worden verbonden dat de rechter niet onpartijdig zou zijn, noch kan daarop een objectief te rechtvaardigen vrees daarvoor worden gebaseerd.

De beslissing van de rechter ex artikel 8:25 Awb om de gemachtigde niet te weigeren is een procesbeslissing die slechts een grond kan opleveren voor gegrondverklaring van een verzoek tot wraking indien die beslissing of de motivering daarvan dusdanig onbegrijpelijk is, dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter partijdig is dan wel jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert. Dat daarvan sprake is althans dat daarvoor op goede gronden een vrees bestaat, blijkt naar het oordeel van de wrakingskamer niet uit hetgeen verzoeker heeft aangevoerd.

De grond dat sprake is van vooringenomenheid omdat de rechter niet, ondanks dat zij hierom door verzoeker is verzocht, aangifte heeft gedaan jegens verweerder slaagt evenmin. Voor zover verzoeker van mening is dat er strafbare feiten zijn gepleegd, ligt het in de eerste plaats op zijn weg om daarvan aangifte te doen. Op grond van artikel 161 Sv is verzoeker daartoe bevoegd. Voor zover verzoeker doelt op de verplichte aangifte ex artikel 162 Sv, gaat verzoeker eraan voorbij dat degene die daartoe verplicht is zelf dient te beoordelen of zich een geval voordoet als bedoeld in dat artikel. De aangifteverplichting als bedoeld in dit artikel bestaat alleen indien de aangifteplichtige weet dat een misdrijf zich heeft voorgedaan en in de redelijke veronderstelling verkeert dat dit misdrijf kan worden gekwalificeerd als een misdrijf dat valt onder de reikwijdte van voormeld artikel. Dat volgens verzoeker sprake is van door verweerder gepleegde strafbare feiten is een conclusie van verzoeker, die niet kan dienen als grondslag voor een redelijke veronderstelling bij de aangifteplichtige dat hier sprake is van een misdrijf dat valt onder de reikwijdte van artikel 162 Sv.

Met betrekking tot de stelling van verzoeker dat de rechter ten onrechte de beslissing naar zich heeft toe getrokken, oordeelt de wrakingskamer als volgt. Dat de voorzitter brieven beantwoordt, waarbij de aanduiding ‘de rechtbank’ wordt gebruikt, is een gangbare praktijk die op zichzelf niet leidt tot de conclusie dat sprake is van vooringenomenheid c.q. partijdigheid. Dat daardoor volgens verzoeker de suggestie wordt gewekt dat de beslissing is genomen door de voltallige meervoudige kamer leidt op zichzelf evenmin tot die conclusie. Daarbij is mede van belang dat de genomen beslissing(en) kunnen worden heroverwogen door de meervoudige kamer. Zowel verzoeker als verweerder zijn nog in de gelegenheid om standpunten naar voren te brengen bij de inhoudelijke behandeling van de zaak.

Gelet op al het bovenstaande zal het verzoek ongegrond worden verklaard.

3.5.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling bestuursrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer UTR 16/5147 WOB dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, en mr. M.J. Slootweg en mr. R.M. Berendsen als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. I.L. Leijten-Puister, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2017.

Deze beslissing is bij afwezigheid van de griffier alleen door de voorzitter ondertekend.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.