Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:6745

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
29-01-2018
Zaaknummer
C/16/401510 / HA ZA 15-810
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

misbruik van omstandigheden, rechtsverwerking, kenbaarheid, verjaring, onrechtmatige daad

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/401510 / HA ZA 15-810

Vonnis van 20 september 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. G.T.J. Hoff,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente Stichtse Vecht,

gedaagde,

advocaat mr. M.R. van Zanten.

Partijen zullen hierna eiseres en gedaagde genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 18 september 2015, met producties 1 tot en met 21;

  • -

    de conclusie van antwoord van gedaagde van 18 november 2015, met producties 1 tot en met 39;

  • -

    de akte tot rectificatie van 2 december 2015 van gedaagde met productie 35;

  • -

    de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging van eis van eiseres van 2 maart 2016, met producties 22 tot en met 29;

  • -

    de conclusie van dupliek van gedaagde van 13 april 2016;

  • -

    de akte overlegging producties van eiseres van 13 oktober 2016 met producties 30 tot en met 34;

  • -

    de pleidooien op 27 oktober 2016 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Gedaagde is de broer van eiseres.

2.2.

Eiseres is gehuwd geweest – op huwelijkse voorwaarden - met de heer [A] (hierna: [A] ). Het huwelijk is op [2012] door echtscheiding ontbonden.

2.3.

In 2002 heeft eiseres € 400.000,- geleend aan gedaagde. In een brief van 8 oktober 2002 van eiseres aan gedaagde staat onder meer het volgende:

“op jouw verzoek leen ik jou een bedrag ad € 400.000,- voor 3 maanden, vanaf heden.

We hebben afgesproken, dat dit bedrag niet gecompenseerd kan worden en dat jij, zo gauw jij op een of andere wijze geld vrijkrijgt (…) vervroegd aflost (…).

Voor het geval er na 3 mnd. niet betaald is (…) gaat 8% per jaar in.”

2.4.

[A] handelde onder meer in vastgoed en aandelen. [A] deed zaken met de heer [B] en zijn familie (hierna: [B] c.s.) en had als gevolg daarvan een miljoenenschuld opgebouwd bij [B] c.s. Op 3 augustus 2008 heeft [A] eiseres een overeenkomst laten tekenen op grond waarvan eiseres zich verplichtte om uiterlijk op 30 januari 2010 een pakket aandelen ten bedrage van € 10 miljoen van [B] c.s. te kopen. Later is gebleken dat [B] en [A] wisten dat deze aandelen waardeloos waren. In mei 2010 is eiseres als gevolg van die overeenkomst succesvol door [B] c.s. aangesproken tot nakoming van die overeenkomst. Als gevolg daarvan werd zij gedwongen een groot deel van haar vermogen over te dragen aan [B] c.s., dan wel werd er beslag op gelegd door [B] c.s. of werden er zekerheidsrechten op verstrekt ten behoeve van [B] c.s. Bij vonnis van 11 februari 2015 heeft de rechtbank Oost-Brabant geoordeeld dat [B] c.s. onrechtmatig hebben gehandeld en dat eiseres niet gehouden kan worden aan de overeenkomsten en rechtshandelingen die zij is aangegaan met [B] c.s. en [B] c.s. veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan eiseres.

2.5.

[A] heeft zich in privé garant gesteld voor verplichtingen van een van zijn Duitse vennootschappen jegens aannemersbedrijf [bedrijfsnaam 1] (hierna: [bedrijfsnaam 1] ). [A] kwam zijn verplichtingen uit deze garantstelling niet na. Als gevolg hiervan heeft [bedrijfsnaam 1] in april 2010 executoriaal beslag laten leggen op de inboedel van de echtelijke woning van eiseres en [A] . De executoriale verkoop van de inboedel is voorkomen door in kort geding aan te tonen dat de inboedel eigendom was van eiseres en niet van [A] . Tegen dat kort geding vonnis van 19 juli 2010 heeft [bedrijfsnaam 1] hoger beroep ingesteld.

2.6.

Begin 2011 heeft een huiszoeking door de politie plaatsgevonden in de echtelijke woning van eiseres en [A] , waarbij [A] werd aangehouden om vervolgens drie dagen in voorlopige hechtenis door te brengen wegens vermeende betrokkenheid bij afpersing.

2.7.

Om zich tegen de executiemaatregelen van [bedrijfsnaam 1] te kunnen verweren, is [A] in 2011 een procedure tegen [bedrijfsnaam 1] begonnen in Duitsland (hierna: “de Gegenklage”). Voor de financiering van onder meer de advocaatkosten van deze procedure en een verplicht depot van € 150.000,- was een bedrag van € 250.000,- nodig. Daarnaast diende [A] € 50.000,- aan andere schuldeisers te voldoen. [A] heeft hiervoor op 28 april 2011 een overeenkomst van geldlening gesloten met gedaagde, op grond waarvan gedaagde € 300.000,- leende aan [A] .

2.8.

Op 6 mei 2011 hebben eiseres en gedaagde een overeenkomst getekend waarin eiseres zich garant stelt voor het door gedaagde aan [A] uitgeleende bedrag in ruil voor een gedeelte van een door gedaagde bedongen winstdeling op [A] (hierna: “de Hoofdsomgarantie”). Eiseres stelt zekerheid voor die garantstelling met haar aandeel in de nalatenschap van de ouders van partijen. Daarnaast zijn in deze overeenkomst verschillende vorderingen van gedaagde op [A] en [bedrijfsnaam 4] . (hierna: [bedrijfsnaam 4] ) voor een koopsom van in totaal € 747.776,- overgedragen aan eiseres. In de overeenkomst staat verder vermeld dat die koopsom wordt verrekend met de vordering die eiseres heeft op gedaagde uit hoofde van de hiervoor onder 2.3. vermelde geldlening, en dat die vordering op 31 december 2010, inclusief rente, € 747.776,- bedraagt.

2.9.

Op 13 september 2011 is [A] in privé failliet gegaan. Op 27 september 2011 is een vennootschap van [A] ( [bedrijfsnaam 2] B.V.) failliet gegaan. Op 28 september 2011 is tussen eiseres en gedaagde een overeenkomst gesloten (hierna: “de Vaststellingsovereenkomst”). Op basis van deze (nadere) overeenkomst wint gedaagde vervolgens de door eiseres in de Hoofdsomgarantie gestelde zekerheden uit. In verband met het faillissement van [A] op 13 september 2011 stellen partijen in die overeenkomst vast dat [A] niet in staat zou zijn om de hoofdsom van € 300.000,- aan gedaagde terug te betalen, dat op 27 september 2011 [bedrijfsnaam 2] B.V. failliet was gegaan en dat naar verwachting op korte termijn nog meer faillissementen van de ondernemingen van [A] zouden volgen en dat eiseres en gedaagde daarom kwamen tot een versnelde afwikkeling van de Hoofdsomgarantie. In de Vaststellingsovereenkomst is bepaald dat vanuit de erfenis van de ouders van partijen een aantal roerende zaken die eiseres toekwamen en die een waarde hadden van € 245.162,50 aan gedaagde zouden worden afgegeven, waarna een vordering van gedaagde op eiseres resteerde van € 54.837,50.

3 Het geschil

3.1.

Eiseres vordert, na eiswijziging, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:

primair:

gedaagde te veroordelen om aan eiseres te voldoen € 747.776,-, vermeerderd met 8% contractuele rente vanaf 31 december 2010 tot 6 mei 2011, minus € 300.000,-, het restant vermeerderd met 8% contractuele rente vanaf 6 mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

subsidiair:

gedaagde te veroordelen tot terugbetaling aan eiseres van de lening uit 2002 ad
€ 400.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 november 2002 tot aan de dag der algehele voldoening;

primair en subsidiair:

o gedaagde te veroordelen tot betaling van schadevergoeding van € 83.162,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

o gedaagde te veroordelen tot betaling van schadevergoeding van € 11.250,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

o gedaagde te veroordelen tot afgifte van de in de dagvaarding in paragraaf 71 onder c tot en met h vermelde erfstukken binnen veertien dagen na vonnisdatum, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 1.000,- per dag dat hieraan geen volledige uitvoering wordt gegeven;

o gedaagde te veroordelen tot het voldoen van de kosten van dit geding, inclusief de nakosten, nasalaris en de explootkosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van eiseres, althans tot ontzegging van haar vorderingen, met veroordeling van eiseres in de proceskosten (de nakosten daaronder begrepen), vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW althans 6:119 BW over dit bedrag vanaf 14 dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.3.

Eiseres baseert haar primaire vorderingen op de stelling dat gedaagde bij de totstandkoming van de Hoofdsomgarantie en de Vaststellingsovereenkomst misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden van eiseres. Zij voert daartoe in de kern het volgende aan. Gedaagde heeft misbruik gemaakt van de situatie waarin eiseres buiten haar schuld is komen te verkeren. Voor het verstrekken van een acuut benodigde financiering van

€ 300.000,- in 2011 door gedaagde aan [A] , welke financiering niet ten goede kwam aan eiseres, had gedaagde twee eisen. Ten eerste eiste hij dat eiseres garant stond voor deze lening aan [A] . Ten tweede moest eiseres haar vordering op gedaagde van € 747.776,- (hoofdsom € 400.000,- plus 8% rente vanaf 2002) inruilen voor een aantal oninbare vorderingen van gedaagde op onder meer [A] . Gedaagde heeft tevens op grond van de afgedwongen garantie een deel van de aan eiseres toekomende erfenis van de ouders van partijen naar zich toegetrokken. Volgens eiseres wist gedaagde op het moment van sluiten van de Hoofdsomgarantie beter dan eiseres hoe haar financiële en juridische situatie was en dat de overeenkomsten die hij met haar sloot voor haar uitsluitend nadelige gevolgen hadden. Het handelen van gedaagde kwalificeert eiseres als een jegens haar gepleegde onrechtmatige daad. Zij heeft daar nadeel van ondervonden en daardoor schade geleden, die gedaagde dient te vergoeden, aldus eiseres.

3.4.

Gedaagde betwist dat de Hoofdsomgarantie door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Volgens gedaagde was de Hoofdsomgarantie niet nadelig voor eiseres, was hij daarnaast ook niet op de hoogte van de financiële en juridische situatie van eiseres zodat hij ook niet in staat was om daar misbruik van te maken en heeft eiseres hoe dan ook haar rechten verwerkt.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

rechtsverwerking

4.1.

Het meest verstrekkende verweer van gedaagde is zijn beroep op rechtsverwerking. De rechtbank zal eerst dat verweer behandelen. Volgens gedaagde heeft eiseres bij hem het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat zij geen vorderingen tegen hem zou instellen die te maken hebben met het afsluiten van de Hoofdsomgarantie en de Vaststellingsovereenkomst. Dit vertrouwen is gewekt doordat eiseres, nadat zij met de curatoren van [A] had gesproken, op 7 september 2012 aan gedaagde heeft medegedeeld dat zij het niet eens is met de Hoofdsomgarantie en de Vaststellingsovereenkomst. Desondanks heeft zij tot 13 mei 2015 niets gedaan om deze overeenkomsten aan te tasten. Zij heeft zelfs de mogelijkheid om de overeenkomsten aan te tasten bewust laten verjaren en dat heeft zij ook verklaard tegenover haar familieleden en is door haar advocaat bevestigd in een e-mail van 17 juli 2014 (productie 31 van gedaagde, pagina 5 onder 10). Daarin heeft de advocaat van eiseres aan een broer van partijen het volgende geschreven:

“Ik heb aangegeven dat [voornaam van eiseres] haar mogelijke rechtsvordering tot vernietiging van de overeenkomsten met [voornaam van gedaagde] uit 2011 op grond van een wilsgebrek bewust heeft laten verjaren, omdat zij niet wilde dat een stuitingsbriefje aanleiding zou zijn voor meer pijnpunten binnen de familie.

(…)

Wil jij dat hierover iets wordt vastgelegd of is de mededeling hiervoor voldoende? Overigens merk ik op dat de curatoren wel vragen hebben gesteld over de overeenkomsten met [voornaam van gedaagde] .”

Ten slotte heeft eiseres nog in augustus 2014 besloten tot afgifte van diverse kunstvoorwerpen aan gedaagde ter nakoming van de Vaststellingsovereenkomst, aldus nog steeds gedaagde. Op grond van het voorgaande stelt gedaagde dat hij er op mocht vertrouwen dat eventuele pijnpunten met eiseres onder geen enkele omstandigheid zouden leiden tot een gerechtelijke procedure.

4.2.

De rechtbank overweegt als volgt. Van rechtsverwerking is sprake indien een schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht (HR 7 juni 1991, NJ 1991, 708). Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres zich niet gedragen op een wijze die onverenigbaar is met het instellen van de onderhavige vordering jegens gedaagde. Zij heeft nimmer aan gedaagde kenbaar gemaakt dat zij geen vordering tegen hem zou instellen. Eiseres heeft slechts laten weten dat zij niet naast de curatoren van [A] , die op dat moment bezig waren met het instellen van een vordering tegen gedaagde met betrekking tot de Hoofdsomgarantie en de Vaststellingsovereenkomst, tegen gedaagde zou procederen over hetzelfde onderwerp. Deze uitspraak evenals de hiervoor weergegeven verklaringen van de advocaat van eiseres werden bovendien gedaan in correspondentie met de familie van partijen in het kader van een verzoek van eiseres om hulp om onder meer de rechtszaak tegen [B] c.s. te financieren. Uit die correspondentie volgt dat de familie als voorwaarde aan te verlenen hulp stelde dat eiseres noch de curatoren van [A] tegen gedaagde zouden procederen. Namens eiseres wordt geantwoord dat zij niet aan die voorwaarde kan voldoen omdat de curatoren vanwege de onevenwichtigheid van de overeenkomsten die gedaagde met eiseres is aangegaan niet bereid zijn om afstand te doen van een vordering jegens gedaagde. De advocaat van eiseres verklaart verder dat eiseres er voor heeft gekozen om geen stuitingsbrief te sturen om onrust in de familie te voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het voorgaande niet worden geconcludeerd dat eiseres in de toekomst ook van ieder ander rechtsmiddel zou afzien. Dat eiseres uitvoering heeft gegeven aan de vaststellingsovereenkomst maakt het voorgaande evenmin anders; zolang de overeenkomsten niet zijn vernietigd dient eiseres deze immers na te komen. Bovendien blijkt uit de door eiseres als bijlage 4 bij productie 23 overgelegde e-mails van gedaagde, dat zij deze goederen pas heeft afgegeven na herhaaldelijk aandringen van gedaagde. Het beroep op rechtsverwerking van gedaagde slaagt dan ook niet.

misbruik van omstandigheden; bijzondere omstandigheden

4.3.

Eiseres baseert haar vorderingen op misbruik van omstandigheden door gedaagde. Ingevolge artikel 3:44 lid 4 BW is misbruik van omstandigheden aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. De rechtbank zal eerst beoordelen of sprake is geweest van bijzondere omstandigheden waardoor eiseres bewogen is tot het aangaan van de Hoofsomgarantie en Vaststellingovereenkomst. Vervolgens zal worden beoordeeld of gedaagde de totstandkoming heeft bevorderd terwijl hetgeen hij wist of moest begrijpen hem daarvan had behoren te weerhouden.

4.4.

Eiseres heeft gesteld dat zij ten tijde van het afsluiten van de Hoofdsomgarantie door alle juridische en financiële verwikkelingen rondom [A] , waarin zij door schuldeisers werd betrokken, niet meer helder kon denken en dat zij alles zou doen om rust op het gebied van schuldeisers van haar man te kunnen creëren. De omstandigheden die daartoe hebben bijgedragen zijn volgens eiseres onder meer de hiervoor onder 2.4. weergegeven kwestie ten aanzien van [B] c.s., waardoor eiseres geen beschikking meer had over haar vermogen of over liquide middelen, de inval van de politie en arrestatie van [A] in de woning van haar gezin begin 2011, de dreigende aansprakelijkstelling van haar door [bedrijfsnaam 1] en het dreigende faillissement van [A] . Volgens [A] , zijn adviseurs en gedaagde zou met behulp van het door gedaagde te verstrekken bedrag de Gegenklage kunnen worden gefinancierd en zou een groot deel van de dreiging kunnen worden afgewend en een faillissement kunnen worden voorkomen. Niet betwist is dat voormelde omstandigheden en gebeurtenissen aan de orde waren of zich hadden voorgedaan ten tijde van het aangaan van de Hoofdsomgarantie. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende komen vast te staan dat eiseres in een positie zat waardoor in haar beleving een acute dreiging bestond voor het verlies van (een groot deel van) haar vermogen en het faillissement van haar echtgenoot. Gesteld noch gebleken is dat er in de periode van het sluiten van de Hoofdsomgarantie voor eiseres een andere oplossing voorhanden was om uit deze penibele situatie te komen dan door financiering van de Gegenklage. Eiseres bevond zich dan ook in een situatie waarin zij zich genoodzaakt voelde om de Hoofdsomgarantie te tekenen, omdat het alternatief - een faillissement van [A] en (de dreiging van) verhaal van zijn schuldeisers op haar vermogen - voor haar en haar gezin nog minder aantrekkelijk was. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat bij eiseres sprake was van een noodtoestand en dus van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW. Op de vraag of (ook) sprake was van een abnormale geestestoestand of onervarenheid, andere in artikel 3:44 BW genoemde voorbeelden van bijzondere omstandigheden, hoeft de rechtbank niet meer in te gaan. Dat geldt dan ook voor de discussie die partijen in dat kader hebben gevoerd over de rol van mr. [C] en de mate van ervarenheid van eiseres.

misbruik van omstandigheden; kenbaarheid en bevorderen

4.5.

Vervolgens is de vraag aan de orde of gedaagde de totstandkoming van de Hoofdsomgarantie heeft bevorderd terwijl hetgeen hij wist of moest begrijpen hem daarvan had behoren te weerhouden. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden vastgesteld dat gedaagde op de hoogte was van de slechte financiële situatie van eiseres en [A] . Alleen al het gegeven dat eiseres en [A] afhankelijk waren van hem om een bedrag van € 300.000,- te financieren moet voor gedaagde een sterke aanwijzing zijn geweest dat het financieel niet goed ging met eiseres, gelet op het vermogen dat eiseres voor de kwestie met [B] c.s. vrij tot haar beschikking had. Daar komt bij dat eiseres onbetwist heeft gesteld dat in januari 2011 nog een goede bekende van gedaagde zijn intrek had genomen in haar villa op Marbella, die zij als gevolg van de kwestie met [B] c.s. al eerder gedwongen aan [B] c.s. had moeten overdragen en dat gedaagde hiervan dus op de hoogte moet zijn geweest, ook omdat hijzelf een huis in de buurt bezit en gebruikt. Ten slotte volgt de wetenschap van gedaagde over de situatie van eiseres en [A] uit de considerans van de Hoofdsomgarantie. Daarin staat namelijk het volgende vermeld:

Overwegende dat:

  • -

    De echtgenoot van [eiseres] , alsmede aan hem verbonden vennootschappen in Nederland en in Duitsland, op dit moment in ernstige financiële moeilijkheden verkeren;

  • -

    (…)

  • -

    De diverse rechtszaken die [bedrijfsnaam 1] voert met de echtgenoot van [eiseres] en de aan hem verbonden vennootschappen mogelijk ook repercussies hebben voor [eiseres] zelf. Zo dreigt de inboedel van de echtelijke woning executoriaal verkocht te worden als een lopende rechtszaak bij het Gerechtshof Arnhem in het nadeel van [eiseres] zou aflopen. Anderzijds heeft [bedrijfsnaam 1] in het verleden aangegeven, dat zij niet zal nalaten om ook [eiseres] (maar dan in haar hoedanigheid van voormalig bestuurder van één van de contractspartijen van [bedrijfsnaam 1] ) aansprakelijk te stellen voor de in haar ogen geleden schade;

  • -

    Ook [eiseres] , dit nog daargelaten het feit dat zij waar mogelijk haar echtgenoot graag wil helpen bij het oplossen van diens zakelijke conflicten, er derhalve belang bij heeft dat [bedrijfsnaam 1] er niet in slaagt tot een hoger beloop dan dat waartoe zij gerechtigd is claims bij de echtgenoot van [eiseres] neer te leggen;

  • -

    De echtgenoot van [eiseres] de mogelijkheid heeft om de claims van [bedrijfsnaam 1] te beperken door in Duitsland juridische procedures tegen [bedrijfsnaam 1] te voeren;

  • -

    [eiseres] er belang bij heeft dat deze (kostbare) procedures ook daadwerkelijk kunnen worden gevoerd;

  • -

    [eiseres] op dit moment niet over de liquiditeiten beschikt om bedoelde procedures te doen voeren;

  • -

    [gedaagde] wel over deze liquiditeiten beschikt en bereid is om deze aan de echtgenoot van [eiseres] ter leen te verstrekken onder de voorwaarde dat [eiseres] hem een garantie verstrekt voor de hoofdsom van het aan de echtgenoot van [A] ter leen te verstrekken bedrag;

  • -

    (…)

4.6.

De rechtbank is van oordeel dat gedaagde de totstandkoming van de Hoofsomgarantie met de daarin weergegeven voorwaarden heeft bevorderd. Dit volgt uit de door gedaagde als productie 21 overgelegde e-mailwisseling tussen hem en mr. [C] van 12 april 2011 en de daarop volgende e-mail van gedaagde aan mr. [C] die door eiseres als productie 10 is overgelegd. In de eerstgenoemde e-mailwisseling schrijft mr. [C] om 13.41 uur aan eiseres en gedaagde onder meer het volgende:

“Los van de vraag of het vorenstaande nu een goede samenvatting is van de voorstellen die nu op tafel liggen is mijn vraag of het niet efficiënter is om de hoofdsomgarantie vorm te geven in de vorm van een gedeeltelijke aflossing door [voornaam van gedaagde] van zijn schuld aan [voornaam van eiseres] . Dat voorkomt immers een hoop gedoe rondom het stellen van zekerheid via het erfdeel. De transactie zou dan hierop neer komen dat [voornaam van gedaagde] een bedrag van € 225.000 aflost van zijn schuld aan [voornaam van eiseres] en dat zij dit geld aanwendt voor de financiering van de procedure tegen [bedrijfsnaam 1] .

(…)

Waarom doen we het niet aldus, dat [voornaam van gedaagde] conform het eerdere plan € 225.000 leent aan [voornaam van A] . [voornaam van eiseres] en [voornaam van gedaagde] komen in dit kader overeen, (i) dat dit bedrag een aflossing vormt op de vordering die [voornaam van eiseres] op [voornaam van gedaagde] heeft, (ii) dat de eerste € 225.000 van de winstuitkering die [voornaam van gedaagde] van [voornaam van A] bedingt toekomt aan [voornaam van eiseres] , (iii) dat de volgende € 100.000 van die winstuitkering (namelijk het bedrag aan NL proceskosten dat [voornaam van eiseres] zich bespaart) toekomt aan [voornaam van gedaagde] ter gedeeltelijke compensatie van het verlies dat hij mogelijk leidt op zijn vordering op [voornaam van A] en (iv) dat de rest van de winstuitkering een ‘oorlogskas’ is voor [voornaam van eiseres] en haar gezin?”.

Vervolgens schrijft mr. [C] om 16:46 uur aan gedaagde:

“ [voornaam van gedaagde] , ik zag dat je belde maar kan op dit moment niet terugbellen. Misschien wel relevant om je alvast te laten weten dat [voornaam van eiseres] het in grote lijnen eens is met mijn suggestie. Slinger anders jouw reactie in een paar woorden op de mail: die kan ik in het ziekenhuis wel lezen op mijn telefoon.”

Waarna gedaagde om 17:09 uur antwoordt:

“Ben het totaal niet eens hierover. Laten we even overleggen”.

Om 18.44 uur stuurt gedaagde vervolgens een e-mail aan mr. [C] (productie 10 bij dagvaarding) waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“Mijn excuses dat ik je lastig val nu het met je moeder niet goed lijkt te gaan. Echter we beginnen in Duitsland wel erg grote haast te krijgen. Daarom mijn verzoek om vast te beginnen met het contract tussen [voornaam van eiseres] en mijzelf en een contract tussen [voornaam van A] en mij voor de “overdracht/winstdeling van de opbrengsten” uit het Duitse proces tegen [bedrijfsnaam 1] enerzijds en [bedrijfsnaam 3] anderzijds.”

Uit het voorgaande volgt dat gedaagde een voorstel van de zijde van eiseres om het te financieren bedrag te verrekenen met de openstaande vordering van de hand wijst en dat hij vervolgens mr. [C] verzoekt om alvast een contract op te stellen, waarbij hij vermeld dat “we” - waaronder dus ook gedaagde dient te worden verstaan - erg grote haast beginnen te krijgen.

4.7.

Ten slotte dient beoordeeld te worden of hetgeen gedaagde wist hem had moeten weerhouden van het bevorderen van het aangaan van de Hoofdsomgarantie door eiseres. Eiseres stelt dat het verstrekken van de financiering van € 300.000,00 voor de Gegenklage door gedaagde aan [A] en haar garantstelling daarvoor wel een door haar gewenst element van de overeenkomst is. Zij stelt zich echter op het standpunt dat zij hiervoor garant had kunnen staan door middel van haar vordering op gedaagde, althans dat de betaling van gedaagde aan [A] daarmee verrekend had kunnen worden. Garantstelling met het erfdeel van haar ouders was dan ook niet noodzakelijk. Volgens eiseres is de overdracht van de vorderingen die gedaagde had op [A] en op [bedrijfsnaam 4] tegen verrekening van zijn schuld aan eiseres het andere element in de Hoofdsomgarantie dat door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. De vorderingen van gedaagde op [A] en [bedrijfsnaam 4] hadden aanzienlijk minder waarde tot geen waarde in tegenstelling tot de harde vordering die eiseres op gedaagde had uit hoofde van de geldlening uit 2002.

4.8.

Gedaagde heeft ten eerste betwist dat sprake was van een opeisbare vordering van eiseres op hem. De rechtbank zal in het hiernavolgende eerst op dit geschilpunt ingaan.

4.9.

Vaststaat dat eiseres in 2002 een bedrag van € 400.000,- aan gedaagde heeft geleend. Volgens eiseres had gedaagde geld nodig, omdat hij een woning aan het bouwen was, waarbij de kosten uit de hand liepen, terwijl de koper van zijn oude huis, dat huis niet afnam. Daarnaast had gedaagde grote verliezen geleden op een aantal beleggingen aldus eiseres. Eiseres heeft vervolgens de voorwaarden voor de geldlening in de onder 2.3. vermelde brief opgenomen en deze aan gedaagde verstuurd (productie 5 bij dagvaarding). In deze brief is onder meer opgenomen dat indien de lening na drie maanden niet zou zijn terugbetaald, een rente van 8% per jaar is verschuldigd.

4.10.

Gedaagde heeft de stellingen van eiseres over de aanleiding voor de leningovereenkomst betwist. Volgens hem heeft de lening van 8 oktober 2002 niets te maken met de vermogenspositie van gedaagde. In 2002 was gedaagde voldoende vermogend en beschikte hij over voldoende liquide middelen. De lening was alleen bedoeld als compensatie voor het feit dat [A] al enkele jaren tekortschoot in zijn verplichtingen tegenover gedaagde. De opeisbaarheid van de lening is volgens gedaagde gekoppeld aan de terugbetalingsverplichting van [A] . Omdat [A] nooit heeft terugbetaald, is de lening nooit opeisbaar geworden en is het volgens gedaagde volstrekt logisch dat de terugbetaling van de lening door gedaagde nooit onderwerp van gesprek is geweest. Daarbij stelt gedaagde dat eiseres zelf in paragraaf 14 en 86 van de dagvaarding heeft gesteld dat zij tot 2011 nooit om aflossing van de geldlening heeft verzocht. Gedaagde betwist de stelling van eiseres dat haar vordering op gedaagde uit hoofde van de lening opeisbaar is geworden op 8 januari 2003 (drie maanden na 8 oktober 2002). Met een beroep op artikel 3:307 BW stelt gedaagde dat als de lening opeisbaar was op 8 januari 2003 de vordering tot nakoming van de lening bovendien is verjaard op 9 januari 2008. Van enige stuitingshandeling is geen sprake geweest, aldus gedaagde.

4.11.

Eiseres heeft betwist dat zij gedaagde het bedrag van € 400.000,- heeft geleend ter compensatie voor een schuld van [A] aan gedaagde. Gedaagde heeft deze stelling volgens eiseres ook niet onderbouwd. Onder verwijzing naar de brief van 8 oktober 2002, heeft eiseres gesteld dat gedaagde het geleende bedrag zal moeten aflossen zodra hij over liquide middelen zou beschikken en dat eiseres het bedrag slechts leende omdat gedaagde en eiseres onderling een vertrouwensbasis van het eerste uur hadden. Verder verwijst eiseres naar de omschrijving in de betalingsopdracht van de € 400.000,- aan de bank van 8 november 2011 (productie 25 van eiseres), waarvan eiseres onweersproken heeft gesteld dat deze ook voor gedaagde zichtbaar is geweest. Daarin staat vermeld:

“Loan conform tel. conv. & Letter Oct 8, 2002”.

4.12.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de opeisbaarheid van de lening als volgt. De rechtbank stelt vast dat in de Hoofdsomgarantie niets vermeld wordt over de door gedaagde gestelde aanvullende voorwaarden, maar dat alleen wordt vermeld dat gedaagde per 31 december 2010 € 747.776,- aan eiseres verschuldigd is. Nu gedaagde zijn stellingen ten aanzien van de nadere voorwaarden aan de opeisbaarheid van de geldlening op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd, worden deze stellingen, gelet op voormelde betwisting en inhoud van de Hoofdsomgarantie, verworpen. Gelet op het feit dat in de betalingsopdracht aan de bank wordt verwezen naar de brief van 8 oktober 2002, het feit dat in de Hoofdsomgarantie, zonder enig voorbehoud, het uitstaande bedrag van de lening staat weergegeven conform de voorwaarden in de brief van 8 oktober 2002 en bij gebrek aan een onderbouwde betwisting stelt de rechtbank vast dat de lening is aangegaan conform de voorwaarden zoals opgenomen in de brief van 8 oktober 2002. Daarmee komt vast te staan dat eiseres in 2002 een bedrag aan gedaagde heeft uitgeleend tegen 8% rente, zonder nadere voorwaarden aan de opeisbaarheid.

4.13.

Ten aanzien van het beroep op verjaring van gedaagde overweegt de rechtbank als volgt. Het eerste lid van artikel 3:307 BW bepaalt dat een vordering tot nakoming van een verbintenis uit een overeenkomst tot een geven of doen verjaart door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat in geval van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd de bedoelde termijn pas loopt vanaf het moment dat de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan.

4.14.

Uit de brief van 8 oktober 2002 en het bericht van gedaagde aan de bank van 6 oktober 2002 (productie 18 bij dagvaarding) blijkt dat het de bedoeling van gedaagde was om het bedrag slechts voor een beperkt aantal maanden aan gedaagde uit te lenen. Voor het geval gedaagde het bedrag niet tijdig zou aflossen is echter ook bepaald dat een rente van 8% per jaar zou gelden. Daaruit leidt de rechtbank af dat de verbintenis tot terugbetaling van het geleende bedrag door gedaagde een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd is, waarvoor de verjaringstermijn begint te lopen op het moment dat de schuldeiser heeft meegedeeld tot opeising over te gaan. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres vóór 2011 nooit tot opeising is overgegaan. De rechtbank stelt dan ook vast dat de vordering van eiseres op gedaagde uit hoofde van de geldlening ten tijde van het sluiten van de Hoofdsomgarantie nog niet was verjaard.

4.15.

Gedaagde heeft verder betwist dat de vorderingen op [A] en [bedrijfsnaam 4] veel minder waard waren dan de vordering die eiseres op gedaagde had, voor zover deze opeisbaar zou zijn. De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de hiervoor onder 4.5. weergegeven considerans van de Hoofdsomgarantie volgt dat voor alle betrokkenen duidelijk was dat [A] en zijn vennootschappen in financiële moeilijkheden zaten. Daartegenover staat dat de betrokken advocaten van [A] en mr. [C] ervan uitgingen dat de rechtszaak tegen [bedrijfsnaam 1] in Duitsland tot een verbetering van de positie van [A] zou kunnen leiden, doordat de vorderingen van [bedrijfsnaam 1] zouden worden verworpen en eventueel een tegenvordering (de eerdergenoemde Gegenklage) zou slagen. Daarnaast zou [A] mogelijk geld kunnen genereren uit de opbrengst van activiteiten in Zwitserland. Mr. [C] heeft ook nog verklaard dat een akkoord met alle schuldeisers van [A] heel dichtbij is geweest. Dit alles maakt echter niet dat op het moment van het aangaan van de Hoofdsomgarantie niet voorzienbaar was dat de vordering van eiseres op gedaagde een beduidend hogere waarde had dan de vorderingen die gedaagde aan eiseres zou overdragen. Gesteld noch gebleken is namelijk dat gedaagde niet in staat zou zijn om zijn schuld aan eiseres te voldoen, terwijl vaststaat dat [A] afhankelijk was van de uitkomsten van een rechtszaak in Duitsland en een nog te verrichten transactie in Zwitserland om een faillissement af te wenden, waarna het vervolgens de vraag zou zijn of hij in staat zou zijn om zijn vorderingen te voldoen. Dat al duidelijk was dat de vermogenspositie van [A] zodanig zou verbeteren dat hij zijn schulden volledig kon gaan voldoen, heeft gedaagde onvoldoende onderbouwd. Daarentegen ging ook gedaagde er kennelijk van uit dat dit niet het geval zou zijn, zo volgt uit zijn eerdergenoemde e-mail van 12 april 2011 (18.44 uur), waarin staat:

“Ik hoef aan het geheel niet te verdienen maar wil wel op het echtpaar [eiseres] op nul komen te staan en niet te blijven zitten met een oninbare vordering op [voornaam van A] (totaal ca. EUR 700.000 exclusief Neu Issenburg transactie) voor alle hulp die ik hen de afgelopen 10 jaar heb gegeven.”

Gelet op het voorgaande dient te worden vastgesteld dat de vorderingen op [A] die gedaagde met de Hoofdsomgarantie heeft overgedragen aan eiseres op dat moment een veel lagere waarde vertegenwoordigden dan het deel van de vordering van eiseres op gedaagde dat daarmee is verrekend. Ook de werkelijke waarde van de vordering op [bedrijfsnaam 4] (met een nominale waarde van in totaal € 275.000,-) was ten tijde van het aangaan van de Hoofdsomgarantie hoogst onzeker. Uit door eiseres opgevraagde informatie bij [bedrijfsnaam 4] blijkt onweersproken dat [bedrijfsnaam 4] op 22 maart 2016 heeft verklaard dat zij niet bij machte is geweest om leningen terug te betalen en dat er geen zicht op is wanneer dit wel het geval is. In de leningovereenkomsten is geen rente overeengekomen en is ten aanzien van de terugbetalingsverplichting slechts opgenomen dat dit “as soon as possible” is, zodat eiseres terecht stelt dat betaling moeilijk of niet afdwingbaar is. Bovendien heeft eiseres op basis van de jaarcijfers van 2011 tot en met 2015 – die gedaagde als aandeelhouder van het bedrijf in zijn bezit had – onweersproken gesteld dat het bedrijf in 2011 verlieslatend was en dat nog steeds is.

4.16.

Uit het voorgaande volgt dat gedaagde wist van de slechte financiële situatie van [A] en [bedrijfsnaam 4] en daardoor wist hij dat er een gerede kans bestond dat de vorderingen die hij op [A] en [bedrijfsnaam 4] had en die hij met de Hoofdsomgarantie aan eiseres leverde waardeloos zouden blijken te zijn. Nu vaststaat dat hij daarentegen een opeisbare schuld aan eiseres had, zoals hiervoor overwogen onder 4.8. tot en met 4.14., moet het voor gedaagde duidelijk zijn geweest dat de overdracht en de verrekening van zijn vorderingen op [A] met zijn schuld aan eiseres, voor eiseres bijzonder nadelig waren en bovendien niet noodzakelijk nu gedaagde ook had kunnen volstaan met het verrekenen van het door hem te verstrekken bedrag met zijn openstaande schuld aan eiseres, zoals ook aan hem is voorgesteld. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de Hoofdsomgarantie tot stand is gekomen doordat gedaagde misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden waarin eiseres zich bevond.

onrechtmatige daad

4.17.

Het door gedaagde gepleegde misbruik van omstandigheden levert een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW jegens eiseres op. Door misbruik te maken van de omstandigheden waarin eiseres verkeerde heeft gedaagde gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Uit het voorgaande vloeit eveneens voort dat deze onrechtmatige daad toerekenbaar is aan gedaagde, omdat deze te wijten is aan zijn schuld. De benarde positie van eiseres (zie onder 4.4.) en het door haar te ondervinden nadeel waren immers voor gedaagde kenbaar en hij heeft de totstandkoming van de overeenkomst desondanks bevorderd (zie hiervoor onder 4.5. en verder). Gedaagde is dan ook gehouden de schade die eiseres daardoor heeft geleden aan haar te vergoeden.

schade en causaal verband

4.18.

De schade die door eiseres is geleden, wordt door de rechtbank als volgt begroot. De rechtbank volgt de redenering van eiseres dat indien gedaagde niet zijn aanvullende voorwaarden aan het verstrekken van de financiering van de Gegenklage had verbonden, zij de Gegenklage zelf had gefinancierd nadat gedaagde zijn schuld aan haar gedeeltelijk

(€ 300.000,00) had afgelost. Eiseres zou dan een verlies hebben geleden van € 300.000,-, maar dan had zij nog wel het restant van haar vordering op gedaagde gehad, te verhogen met 8 % contractuele rente en zij was dan niet gehouden geweest om de in de Vaststellingsovereenkomst vastgelegde betalingen te verrichten en/of goederen over te dragen. Door toewijzing van het primair door eiseres gevorderde wordt zij weer in die toestand gebracht. De rechtbank zal dan ook overgaan tot toewijzing van de vordering, inclusief de contractuele rente als component van de begrote schade, met uitzondering van de door eiseres gevorderde dwangsom nu gesteld noch gebleken is dat er enige aanleiding bestaat om aan te nemen dat gedaagde zonder dwangsom niet tot overdracht van de gevorderde stukken zal overgaan indien hij daartoe veroordeeld wordt. Het voorgaande betekent onder meer dat gedaagde over de periode tot 6 mei 2011 8% rente is verschuldigd over € 747.776,00 en over de periode na 6 mei 2011 8% rente over € 447.776,00. De rechtbank stelt vast dat het verschuldigde bedrag per 1 januari 2012 dan ook € 491.817,25 bedraagt (747.776 – 300.000 + 44.041,25) en zal dat bedrag, vanaf die datum te verhogen met 8% rente per jaar, toewijzen.

4.19.

Doordat de vorderingen op [bedrijfsnaam 4] aan eiseres zijn overgedragen heeft zij nog steeds recht op de eventuele aflossingen daarop. Deze aflossingen zouden dan in beginsel in mindering komen op de door eiseres geleden schade. Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op de vermogenspositie van [bedrijfsnaam 4] en de voorwaarden van de lening in ieder geval worden vastgesteld dat het niet waarschijnlijk is dat deze vorderingen (volledig) worden terugbetaald. Daarnaast staat vast dat [bedrijfsnaam 4] geen rente verschuldigd is. Nu de vordering van eiseres op gedaagde wel opeisbaar was en daarvoor bovendien een rente van 8% is overeengekomen, ziet de rechtbank geen aanleiding om ten aanzien van de vordering op [bedrijfsnaam 4] een bedrag in mindering te brengen op de door eiseres te ontvangen schadevergoeding. De rechtbank gaat ervan uit dat eiseres daarvoor in de plaats, mocht zij enige betaling van [bedrijfsnaam 4] ontvangen, dit verrekent met de vordering op gedaagde of, indien gedaagde volledig aan zijn verplichting tot schadevergoeding heeft voldaan, dat eiseres de vorderingen op [bedrijfsnaam 4] op verzoek van gedaagde aan hem overdraagt of de betalingen van [bedrijfsnaam 4] aan gedaagde doet toekomen.

proceskostenveroordeling

4.20.

Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eiseres worden begroot op:

- dagvaarding € 94,19

- griffierecht 1.533,00

- salaris advocaat 7.740,00 (3,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 9.367,19

4.21.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt gedaagde:

  1. om aan eiseres te voldoen € 491.817,25 te vermeerderen met 8% contractuele rente vanaf 1 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

  2. om aan eiseres te voldoen € 83.162,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

  3. om aan eiseres te voldoen € 11.250,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

  4. tot afgifte van de in de dagvaarding in paragraaf 71 onder c tot en met h vermelde erfstukken binnen veertien dagen na vonnisdatum,

5.2.

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op € 9.367,19, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt gedaagde in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mrs. D. Wachter, voorzitter, S.H.M. van der Heiden en
A.R. Scharrenborg, allen rechters, bijgestaan door mr. A. Sie, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2017.

Mr. D. Wachter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Dit vonnis is ondertekend door mr. S.H.M. van der Heiden en de griffier.