Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:673

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
5316711 AC EXPL 16-3322
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

overeenkomst van geldlening of schenking? Stelplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1143

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 5294424 UC EXPL 16-11564 HvW/971

Vonnis van 15 februari 2017

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: Janssen & Janssen c.s., gerechtsdeurwaarder

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 24 augustus 2016

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

  • -

    de zitting van 6 december 2016, waarvan aantekeningen in het dossier zijn gevoegd

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is een ondernemer die exclusieve interieurs verkoopt. Zijn bedrijf heet [bedrijf 1] . Daarnaast bezit [eiser] met zijn echtgenote de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 2] B.V. (verder: [bedrijf 2] ). De voormalig accountant van [eiser] is de heer [A] (verder: [A] ). [A] en zijn echtgenote, mevrouw [B] (verder: [B] ), zijn (indirect) eigenaar van [bedrijf 3] B.V. (verder: [bedrijf 3] ). De zoon van [A] en [B] is [gedaagde] De vriendin van [gedaagde] heet [C] (verder: [C] ). Ergens in 2009 zijn [eiser] en [gedaagde] in gesprek geraakt over het opzetten van een internetonderneming in (goedkopere) meubels.

2.2.

Op 2 september 2009 heeft [gedaagde] een businessplan naar [eiser] toegestuurd. Daarin is onder meer het volgende vermeld:

- oprichting BV X

aandeelhouders: [bedrijf 2] , 50% en [bedrijf 3] , 50%

inbreng [bedrijf 2] : 9K

inbreng [bedrijf 3] : 9K, lening van [bedrijf 2] / [eiser] aan [gedaagde] , die er voor zorgt dat [bedrijf 3] 50% van het aandelenkapitaal stort in BV X

aangezien er meerdere aandeelhouders zijn, is [bedrijf 2] niet in beeld voor buitenstaanders (bv. via de KvK)

lening aan [gedaagde] wordt in nader overeen te komen delen afgelost zodra BV X over gaat tot winstuitkering; lening vervalt indien hier niet aan wordt voldaan

(…)

(…)

directeur: [C] (alleen op papier, zodat [gedaagde] niet in beeld is voor [bedrijf 5] ) (…)”

2.3.

Op 12 januari 2010 heeft [A] een e-mail naar [eiser] gestuurd met onder meer de volgende inhoud:

“De nieuwe B.V. is bijna opgericht, de notaris wacht nog op een bankverklaring. Deze verklaring kan de bank pas afgeven als er € 18.000 is gestort op de bankrekening van de nieuwe B.V.

De volgende acties uitvoeren:

- Vanuit [bedrijf 2] € 9.000 storten op rekeningnummer (…) t.n.v [bedrijf 4] B.V. met omschrijving storting aandelenkapitaal.

- Vanuit [bedrijf 2] € 9.000 overmaken aan jullie privé rekening en vervolgens van die privé rekening € 9.000 overmaken op rekeningnummer (…) t.n.v. [gedaagde] met omschrijving lening. [voornaam van gedaagde] zorgt dan voor de restant storting aandelenkapitaal.

Stukken om alles per volmacht af te handelen stuur ik je nog toe.”

2.4.

Op 18 januari 2010 is van vanuit [bedrijf 2] een bedrag van € 9.000,- overgemaakt naar de prive rekening van [eiser] , waarna [eiser] op 20 januari 2010 van deze privé rekening een bedrag van € 9.000,- heeft overgemaakt naar de rekening van [gedaagde] onder vermelding van “lening”.

2.5.

Op 21 januari 2010 is [bedrijf 4] B.V. (verder: [bedrijf 4] ) opgericht met een geplaatst aandelenkapitaal van € 18.000,-. Als bestuurder van [bedrijf 4] is [C] toen ingeschreven. Tijdens de aandeelhoudersvergadering van [bedrijf 4] van 18 november 2013 is met algemene stemmen besloten om [bedrijf 4] per 31 december 2013 te ontbinden. Deze vergadering is volgens de notulen bijgewoond door [eiser] in zijn functie van directeur van [bedrijf 2] (houdster van 900 aandelen) en [B] in haar functie van directeur van [bedrijf 3] (ook houdster van 900 aandelen). De notulen zijn ook door [eiser] en [B] ondertekend. Volgens het uittreksel uit het handelsregister is [bedrijf 4] ook conform dit besluit per 1 december 2013 ontbonden.

2.6.

Op 23 maart 2016 heeft [eiser] in een brief aan [gedaagde] verzocht een bedrag van € 9.000,- aan hem terug te betalen, te vermeerderen met rente. [gedaagde] heeft niet aan dit verzoek voldaan en heeft op 2 april 2016 onder meer het volgende aan [eiser] geschreven:

“Jij wilde […] opstarten en vroeg mij daaraan mee te willen doen. Ik heb je toen gemeld niet te willen investeren met geld maar wel arbeid te willen inbrengen en bij eerste winstgevendheid beloond te willen worden. Omdat jij bang was voor de reacties uit de branche met de zekere negatieve gevolgen voor [bedrijf 1] , wenste jij niet zichtbaar betrokken te zijn bij […] . Om jou “uit het beeld” te kunnen houden, is er gekozen voor de opzet een BV op te richten met naast jouw BV nog een andere BV als aandeelhouder. Alle oprichtingskosten zijn door jouw BV betaald. En er is de afspraak gemaakt dat ik de externe contacten van […] voor mijn rekening zou nemen. Jouw tweede investering van € 9.000 (..), is ook via mij gelopen vanwege jouw angst om gelinkt te worden te worden aan […] .”

2.7.

In reactie op de e-mail van [gedaagde] heeft [eiser] op 8 april 2016 onder meer het volgende aan [gedaagde] geschreven:

“Voor de goede orde, ik heb jou geld geleend dat aan jou ter vrije besteding heeft gestaan. Het is voor mij niet relevant hoe en wanneer je de geleende gelden hebt besteed. Thans wens ik slechts over te gaan tot afwikkeling (dus het terug ontvangen) van de verstrekte gelden. Onze eerdere gezamenlijke activiteiten, waaraan jij een grondslag ontleent om niet tot restitutie over te hoeven gaan, staan niet in enige (juridische) relatie tot deze kwestie. (…).”

2.8.

Op deze e-mail heeft [gedaagde] onder meer op 17 april 2016 als volgt gereageerd:

“Je geheugen blijkt nogal selectief te zijn, je liegt aantoonbaar en je hebt je administratie blijkbaar niet op orde. (…)

In de bijlage tref je mijn eerder genoemde email van 2 september 2009 aan. Plus de email aan jou van 12 januari 2010 met daarin de ook door jou uitgevoerde afspraken. (…)”

2.9.

[eiser] heeft op 20 april 2016 onder meer als volgt gereageerd:

“De door jou meegezonden bijlage en e-mailcorrespondentie in reactie op mijn laatste brief bevestigd slechts het bestaan van mijn vordering op jou. Zoals je weet is het vanaf het begin de bedoeling geweest (…) dat ik jou geld zou lenen zodat jij ondernemer zou kunnen worden.”

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om aan [eiser] te voldoen € 11.823,13 (bestaande uit € 9.000,- aan hoofdsom, € 1.824,88 aan rente tot 14 juli 2016 en € 998,25 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke over de hoofdsom vanaf 8 augustus 2016 tot de voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiser] dat hij aan [gedaagde] een bedrag heeft geleend van € 9.000,- en dat [gedaagde] dit door hem verschuldigde bedrag, ondanks sommaties, niet heeft terugbetaald.

3.3.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. [gedaagde] baseert zijn verweer - kort weergegeven - op het volgende. De afspraken zoals die over de lening van € 9.000,- zijn gemaakt, staan in het businessplan vermeld. Die afspraken hielden onder meer in dat pas afgelost hoefde te worden als [bedrijf 4] zou overgaan tot een winstuitkering. Nu nooit winst is uitgekeerd en dat in de toekomst ook niet zal gebeuren door de ontbinding van [bedrijf 4] , is de lening komen te vervallen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie

4.1.

[eiser] beroept zich op nakoming van een leningsovereenkomst. [gedaagde] betwist niet dat het bedrag van € 9.000,- oorspronkelijk ter lening aan hem is verstrekt, maar stelt - kort gezegd - dat er pas een terugbetalingsverplichting zou ontstaan als [bedrijf 4] tot winstuitkering aan haar aandeelhouders zou overgaan. Verder is volgens [gedaagde] afgesproken dat als niet aan die voorwaarde zou worden voldaan, de lening zou komen te vervallen. Deze afspraken zijn duidelijk omschreven in het businessplan, aldus [gedaagde] Deze stellingname van [gedaagde] komt er naar het oordeel van de kantonrechter in de kern op neer dat hij betwist dat er op dit moment nog een overeenkomst van geldlening bestaat en dat het aan hem ter beschikking gestelde bedrag van € 9.000,- verworden is tot een schenking. [bedrijf 4] is immers nooit tot een winstuitkering overgegaan en zal dat in de toekomst ook niet doen als gevolg van de ontbinding van deze vennootschap. Nu [gedaagde] - mede onder verwijzing naar het businessplan - gemotiveerd betwist dat de geldleningsovereenkomst nog bestaat, ligt het op de weg van [eiser] om feiten en omstandigheden te stellen die zijn andersluidende stelling ondersteunen. Aan die stelplicht heeft [eiser] niet voldaan en voor dat oordeel is het volgende redengevend.

4.2.

[eiser] heeft desgevraagd ter comparitie het volgende over het businessplan verklaard. Het plan waarop [gedaagde] zich beroept is nimmer door [eiser] geaccordeerd. Na 2 september 2009 zijn nog diverse andere versies van het businessplan heen en weer gemaild. Deze correspondentie is echter verloren gegaan als gevolg van een computerprobleem op de zaak. Bovendien zijn veel van de definitieve afspraken mondeling gemaakt. Onder meer tijdens een bespreking begin januari 2010. Deze afspraken hielden in dat een bedrag van € 9.000,- door [eiser] aan [gedaagde] zou worden geleend. [gedaagde] had namelijk geen geld, maar hij wilde wel meedoen in de nieuw op te richten B.V. Daarom is de afspraak gemaakt dat [gedaagde] 50% aandeelhouder zou worden en dat hij met geleende geld kon zorgdragen voor volstorting van zijn aandelenkapitaal.

4.3.

In het dossier bevinden zich geen stukken die deze stellingen van [eiser] ondersteunen. Integendeel, alles wijst erop dat uitvoering is gegeven aan de inhoud van het businessplan dat op 2 september 2009. De in het businessplan omschreven uitgangspunten voor de oprichting van BV X, die later [bedrijf 4] is gaan heten, zijn namelijk ook daadwerkelijk realiteit geworden. Immers:

  • -

    [bedrijf 2] is 50% aandeelhouder van [bedrijf 4] geworden

  • -

    Hiervoor heeft [bedrijf 2] een bedrag ingebracht van € 9.000,-

  • -

    [bedrijf 3] is de andere 50% van de aandelen in [bedrijf 4] gaan houden

  • -

    [bedrijf 3] heeft ook een bedrag van € 9.000,- ingebracht, welk bedrag door [eiser] is geleend aan [gedaagde] , waarna [gedaagde] ervoor heeft zorggedragen dat [bedrijf 3] dat bedrag in [bedrijf 4] stortte

  • -

    [C] , de vriendin van [gedaagde] , is op papier directeur van [bedrijf 4] geworden

Het feit dat [bedrijf 4] overeenkomstig de inhoud van het businessplan is opgericht, duidt erop dat de in dat plan omschreven afspraken tussen partijen als uitgangspunt zijn genomen, daaronder dus ook begrepen de afspraak dat de lening zou vervallen als [bedrijf 4] niet zou overgaan tot een winstuitkering.

4.4.

Een overeenkomst van geldlening waaruit anders afspraken blijken, bestaat niet. Evenmin zijn er stukken overgelegd die er op wijzen dat na 2 september 2009 de plannen zijn veranderd, bijvoorbeeld in die zin dat [gedaagde] graag in plaats van [bedrijf 3] mede-eigenaar van [bedrijf 4] wilde worden en dat het geld daarom zonder nadere ontbindende- of opschortende voorwaarden aan [gedaagde] is geleend. Verder geldt dat [gedaagde] geen aandeelhouder van [bedrijf 4] geworden en dat wist [eiser] ook. [eiser] heeft immers het besluit tot ontbinding van [bedrijf 4] mede ondertekend. De andere persoon die dit besluit van een handtekening heeft voorzien is mevrouw [B] in haar functie van directeur van de andere aandeelhouder, [bedrijf 3] . Ook dit een en ander duidt erop dat conform de in het businessplan omschreven afspraken is overgegaan tot oprichting van [bedrijf 4] .

4.5.

Verder maakt de kantonrechter uit de onder 2.6. tot en met 2.9. omschreven e-mailcorrespondentie op dat [eiser] wisselend heeft verklaard over de strekking van de lening en de afspraken die daarover zijn gemaakt in 2009/2010. In eerste instantie schrijft [eiser] immers dat die lening niets vandoen heeft met [bedrijf 4] en ter vrije besteding is verstrekt. Pas nadat [eiser] van [gedaagde] de beschikking heeft gekregen over het businessplan en de e-mail van [A] van 12 januari 2010 stelt [eiser] dat het geld aan [gedaagde] is geleend, zodat hij ondernemer en aandeelhouder kon worden van [bedrijf 4] , en dat kort voor 12 januari 2010 de oorspronkelijke in het businessplan omschreven afspraken en het doel daarvan zijn gewijzigd. Deze gang van zaken is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet goed te begrijpen. Deze toelichting had [eiser] overigens al in de dagvaarding kunnen geven, omdat het verweer van [gedaagde] hem op dat moment al bekend was. Door in de dagvaarding - kort gezegd - uitsluitend te stellen dat het verweer van [gedaagde] omvangrijk en grotendeels irrelevant is, zonder op dat verweer gemotiveerd in te gaan, heeft [eiser] niet voldaan aan zijn substantiëringsplicht. Ook deze omstandigheid betrekt de kantonrechter in zijn oordeel dat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. De verklaring van [eiser] en zijn vrouw van 2 augustus 2016, die als productie 1 bij dagvaarding is overgelegd, maakt dit alles niet anders.

4.6.

Ten slotte heeft [eiser] gesteld dat hij het geld aan [gedaagde] heeft geleend omdat laatstgenoemde geen geld had. De juistheid van deze stelling blijkt nergens uit en is overigens ook gemotiveerd door [gedaagde] betwist. Door [gedaagde] is namelijk een uitdraai van zijn IB-aangifte 2010 overgelegd, waaruit blijkt dat hij begin 2010 tenminste beschikte over een bedrag van € 61.000,- aan bank-, spaartegoeden, vorderingen en contant geld.

4.7.

Concluderend brengt al hetgeen hiervoor is overwogen mee dat [eiser] ter onderbouwing van zijn vordering van € 9.000,-, vermeerderd met rente, althans ter weerlegging van het door [gedaagde] gevoerde verweer daartegen, onvoldoende heeft gesteld. Daarom bestaat er aan de zijde van [gedaagde] geen terugbetalingsverplichting (het oorspronkelijk uitgeleende bedrag is namelijk een schenking geworden). Dit leidt tot het oordeel de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

4.8.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op nihil.

5 Het geschil in reconventie

5.1.

[gedaagde] vordert om [eiser] te veroordelen om een bedrag voldoen € 15.700,- aan [gedaagde] te voldoen, te vermeerderen met proceskosten en kosten juridische bijstand. Ter onderbouwing van die vordering stelt [gedaagde] het volgende. [eiser] heeft geheel in eigen belang [bedrijf 4] ontbonden. Daardoor is [gedaagde] de mogelijkheid ontnomen om terug te verdienen wat hij aan tijd in het reilen en zeilen van [bedrijf 4] heeft gestoken. Bij benadering heeft [gedaagde] gedurende de periode 2009-2013 onbezoldigd 525 uur voor [bedrijf 4] gewerkt. Bij een uurtarief van € 30,- komt dit neer op een bedrag van € 15.750,- aan gederfde inkomsten.

5.2.

[eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Als verweer stelt [eiser] - kort weergegeven - dat [bedrijf 4] niet op zijn initiatief maar op instigatie van [gedaagde] is ontbonden. Dus [gedaagde] zelf is er debet aan dat hij geen geld heeft verdiend. Daarnaast heeft [gedaagde] op geen enkele wijze onderbouwd dat hij in totaal 525 uur voor [bedrijf 4] heeft gewerkt en is ook het uurtarief van € 30,- allerminst redelijk.

5.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In reconventie

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

De vordering in reconventie wordt afgewezen. Daarvoor is redengevend dat [A] namens zijn zoon ter comparitie heeft verklaard dat hij begrijpt dat [eiser] de stekker uit [bedrijf 4] heeft getrokken. Er waren namelijk allerlei advocaten en collega bedrijven van [eiser] die bezwaar maakten tegen het bestaan van de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 4] . De kantonrechter begrijpt uit deze stellingen dat volgens [gedaagde] het [eiser] te heet onder de voeten werd en dat hij daarom wilde stoppen. Als ervan wordt uitgegaan dat deze stellingen juist zijn, dan kan het [eiser] niet worden verweten dat hij met [bedrijf 4] is gestopt. Vanaf het begin was immers al duidelijk dat [eiser] problemen (met advocaten) zou kunnen krijgen als zij erachter kwamen dat [eiser] een van de eigenaren van [bedrijf 4] was. Daarom is ook de constructie bedacht om [eiser] als aandeelhouder onzichtbaar te laten zijn, zoals ook in het businessplan is omschreven. Bij die stand van zaken kan niet worden gezegd dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld, ervan uitgaande dat [gedaagde] deze rechtsgrond aan zijn stellingen in reconventie heeft willen verbinden. En als de stellingen van [gedaagde] niet juist zijn en hijzelf een einde heeft gemaakt aan het bestaan van [bedrijf 4] , zoals [eiser] stelt, dan is zijn vordering in reconventie evenmin toewijsbaar. In die situatie is het immers niet de schuld van [eiser] dat [gedaagde] de mogelijkheid is ontnomen om terug te verdienen wat hij aan tijd in het reilen en zeilen van [bedrijf 4] heeft gestoken.

6.2.

In het licht van het feit dat de vordering in reconventie direct voortvloeit uit het gestelde in conventie en de in conventie door [eiser] ingestelde vordering wordt afgewezen, ziet de kantonrechter aanleiding om de kosten in reconventie te compenseren.

De beslissing

De kantonrechter:

In conventie:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil.

In reconventie:

wijst de vordering af;

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.H. van Driel van Wageningen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2017

JvdB/4223