Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:6657

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-12-2017
Datum publicatie
14-10-2020
Zaaknummer
UTR 17/1253, UTR 17/1919 en UTR 17/2040
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

intrekking bijstand over 2 periodes vanwege 1. gezamenlijke huishouding met moeder van eisers kinderen en 2. woonplaats in een andere gemeente en afwijzing aanvraag bijstand vanwege niet verschijnen op uitnodigingen, beroepen ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Almere

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 17/1253, UTR 17/1919 en UTR 17/2040

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 december 2017 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: J.A. Flapper).

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eisers recht op bijstand over de periode van [datum 1] 2007 tot en met 31 juli 2014 en met ingang van 1 augustus 2015 ingetrokken.

Bij besluit van 16 februari 2017 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer UTR 17/1253.

Bij besluit van 8 december 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de ten onrechte betaalde bijstand tot een bedrag van € 93.972,70 teruggevorderd.

Bij afzonderlijk besluit van 8 december 2016 (het primaire besluit 3) heeft verweerder eisers recht op bijstand over de periode van 1 augustus 2015 tot en met 31 juli 2016 ingetrokken en de ten onrechte betaalde bijstand tot een bedrag van € 13.918,49 teruggevorderd.

Bij besluit van 5 april 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten 2 en 3 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 2 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer UTR 17/1919.

Bij besluit van 18 januari 2017 (het primaire besluit 4) heeft verweerder eisers aanvraag om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.

Bij besluit van 27 maart 2017 (het bestreden besluit 3) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 3 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer UTR 17/2040.

Verweerder heeft in alle zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Over het beroep met zaaknummer UTR 17/1253

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser ontving vanaf 17 januari 2005 een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb), dan wel de Pw naar de norm van een alleenstaande.

Eiser is vader van drie kinderen, van wie de jongste twee (geboren op [datum 1] 2007 en [datum 2] 2011) zijn geboren uit de relatie van eiser en zijn ex-partner, mevrouw [A] .

Eiser heeft in de periodes in geding in de Basisregistratie Personen ingeschreven gestaan op het adres [straatnaam 1] [nummeraanduiding 1] in [woonplaats] (het uitkeringsadres).

2. Verweerder heeft aan de intrekking van het recht op bijstand over de periode van [datum 1] 2007 tot en met 31 juli 2014 (periode 1) ten grondslag gelegd dat eiser met [A] een gezamenlijke huishouding voerde op het uitkeringsadres en hiervan bij verweerder geen melding heeft gedaan.

Aan de intrekking van het recht op bijstand vanaf 1 augustus 2015 (periode 2) heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser niet woonachtig is op het uitkeringsadres.

3. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wwb en de Pw wordt als gehuwd mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Op grond van het derde lid van dit artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wwb en de Pw is een onweerlegbaar rechtsvermoeden neergelegd inhoudende dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

4. Vaststaat dat uit de relatie van eiser en [A] twee kinderen zijn geboren. Het geschil over periode 1 spitst zich daarom toe op de vraag of eiser en [A] hun hoofdverblijf hebben gehad in dezelfde woning. Het antwoord op de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Eiser en [A] stonden in de te beoordelen periode op afzonderlijke adressen ingeschreven. Dat gegeven staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning op één van die adressen (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:556). Bij het aanhouden van afzonderlijke adressen zal aannemelijk moeten zijn dat hetzelfde adres als hoofdverblijf van beiden fungeert (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2589).

5. Over periode 1 overweegt de rechtbank dat deze periode, gelet op het navolgende, te onderscheiden is in twee periodes, te weten de periode van [datum 1] 2007 tot en met oktober 2012 en de periode van november 2012 tot en met 31 juli 2014.

6. Over de periode van [datum 1] 2007 tot en met oktober 2012 heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het adres van eiser als hoofdverblijf van eiser en [A] heeft gefungeerd. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Zowel eiser als [A] hebben over deze periode tijdens de verhoren op 7 september 2016 bij de sociale recherche nagenoeg hetzelfde verklaard. [A] heeft verklaard dat zij vanaf de geboorte van haar oudste kind hoofdzakelijk op het uitkeringsadres is gaan wonen en dat haar leven in Almere lag. Zij heeft verklaard dat deze periode duurde tot ongeveer een jaar na de geboorte van haar jongste kind. Eiser heeft hierover, geconfronteerd met de verklaringen van [A] , verklaard dat hij en [A] vanaf 2007 tot 2012 veel bij elkaar zijn geweest, dat [A] het merendeel van de tijd bij hem was, maar dat hij dat niet ziet als samenwonen.

Over de stelling van eiser dat aan de verklaring van [A] geen of minder gewicht moet worden toegekend, omdat zij geweigerd heeft deze te ondertekenen, overweegt de rechtbank het volgende. Uit het op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van het verhoor op 7 september 2016 blijkt dat [A] de verklaring heeft doorgelezen, hierbij enkele woordelijke wijzigingen heeft laten aanbrengen, in de verklaringen heeft volhard, maar op advies van haar gemachtigde het proces-verbaal niet heeft ondertekend. Dit betekent niet dat om die reden de verklaring van [A] zonder meer aan de kant geschoven moet worden, dan wel dat daar minder gewicht aan toegekend zou moeten worden. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraak van de CRvB van 23 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1894). De rechtbank acht in dit kader ook van belang dat nergens uit blijkt dat [A] het niet eens was met de inhoud van de in het proces-verbaal neergelegde verklaringen. Ook is niet duidelijk waarom [A] , afgezien dat haar gemachtigde haar dit had geadviseerd, geweigerd heeft het proces-verbaal te ondertekenen. Nu de verklaringen van [A] bovendien worden ondersteund door andere bewijsmiddelen – zoals in het geval van deze periode de verklaring van eiser – en niet is gebleken dat [A] deze verklaring onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder de verklaring van [A] niet als bewijs heeft mogen gebruiken.

7. Over de periode van november 2012 tot en met 31 juli 2014 overweegt de rechtbank als volgt. Uit de verklaringen van [A] tijdens het verhoor op 7 september 2016 blijkt dat zij zich vanaf augustus 2015 meer op Lelystad is gaan concentreren, dat haar kinderen tot augustus 2015 in Almere op school en de opvang hebben gezeten en dat zij een jaar voorafgaand aan augustus 2015 dagelijks heen en weer heeft gereden tussen Almere en Lelystad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hieruit niet ten onrechte afgeleid dat [A] vóór augustus 2014 haar leven in Almere geconcentreerd had.

Verweerder heeft daarnaast het door de sociale recherche uitgevoerde buurtonderzoek aan de intrekking over deze periode ten grondslag gelegd. De sociale recherche heeft diverse getuigen, allen buurtbewoners die wonen in de buurt van het uitkeringsadres, gehoord.

Mevrouw [B] is gehoord op 12 september 2016. Zij heeft van 12 november 2013 tot 1 juli 2014 op [straatnaam 1] [nummeraanduiding 2] gewoond. Omdat deze getuige zoals zij heeft verklaard vanuit huis werkte, was zij in die periode voornamelijk thuis. Zij weet dat er op het uitkeringsadres een man, een vrouw, twee kinderen en drie honden woonden. [B] weet niet de namen van de buren, maar zij hebben zich wel voorgesteld als de bewoners van nummer [nummeraanduiding 1] toen [B] daar kwam wonen. Zij zag de buren zo goed als dagelijks op verschillende tijdstippen bij de woning. Geconfronteerd met de foto’s van eiser en [A] heeft [B] verklaard dat zij hen herkent als de bewoners van het uitkeringsadres.

Een anonieme getuige heeft op 14 september 2016 verklaard dat zij voor een periode van vier jaar tot juli/augustus 2014 in een woning nabij het uitkeringsadres heeft gewoond. Zij weet dat er op het uitkeringsadres een man, een vrouw en twee kinderen woonden met vier honden. De man werd [bijnaam van eiser] genoemd en de vrouw heet [voornaam van A] . Zij heeft de man en vrouw zo goed als dagelijks op het uitkeringsadres gezien. Geconfronteerd met de foto’s van eiser en [A] heeft de getuige verklaard dat zij hen herkent als de bewoners van het uitkeringsadres. Van buren die er nog wonen heeft de getuige gehoord dat de woning op het uitkeringsadres sinds een jaar leegstaat en dat de man alleen af en toe langskomt om de post te halen.

Op 15 september 2016 is mevrouw [C] , sinds juli 2012 bewoonster van [straatnaam 1] [nummeraanduiding 3] , door de sociale recherche gehoord. Deze getuige kan volgens haar verklaring alles zien vanuit haar woonkamer, van waaruit zij uitzicht heeft op de straat. Zij weet dat er tot de zomer 2015 op het uitkeringsadres een man, een vrouw en twee kinderen woonden. De man heeft zich voorgesteld toen [C] op de [straatnaam 1] kwam wonen en heeft gezegd dat hij er met zijn vrouw en kinderen woonde. De man, vrouw en kinderen zijn in 2015 verhuisd naar Lelystad en sindsdien staat de woning op het uitkeringsadres leeg. Zij heeft gezien dat de man, vrouw en kinderen zijn verhuisd, spullen uit de woning haalden en dit in een vrachtwagentje werd gezet. [C] herkent eiser en [A] als de bewoners van het uitkeringsadres. [C] zag de man en vrouw dagelijks in de periode dat ze op het uitkeringsadres woonden, ook in de weekenden. Dit duurde tot de vrouw de woning in Lelystad heeft gekregen, waarna ze zijn verhuisd.

Op 26 september 2016 zijn twee getuigen gehoord, die anoniem wensten te blijven. De eerste getuige verklaarde sinds vier jaar in het appartementencomplex aan de [straatnaam 1] nummers [nummeraanduiding 4] tot en met [nummeraanduiding 5] te wonen, dat de woning op het uitkeringsadres sinds anderhalf jaar leeg staat, dat de vorige bewoners een man, een vrouw en twee kinderen waren, dat zij ook drie of vier honden en een kat hadden, dat zij beide bewoners iedere dag van de week zag, dat zij de man en vrouw van de foto’s herkent als de bewoners van het uitkeringsadres, dat de man en vrouw zich hebben voorgesteld als de bewoners van het uitkeringsadres, dat de man en vrouw nu in Lelystad wonen, dat zij dat gehoord heeft toen de man en vrouw anderhalf jaar geleden aan het verhuizen waren en dat zij toen gezien heeft dat de man en vrouw spullen uit de woning haalden en in een vrachtwagen hebben ingeladen. De tweede getuige verklaarde dat zij sinds 2008 in het appartementencomplex aan de [straatnaam 1] nummers [nummeraanduiding 4] tot en met [nummeraanduiding 5] woont, dat er in 2008 een man, een vrouw en zoontje op het uitkeringsadres woonden, dat de man en vrouw nog een dochter hebben gekregen, dat de man [voornaam van eiser] heet en de vrouw [voornaam van A] , dat het gezin in de zomer van 2015 uit de woning is verhuisd, dat het gezin tot die tijd altijd samen in de woning heeft gewoond, dat het uitkeringsadres sindsdien leegstaat, dat de man af en toe nog zijn post komt halen, dat zij gehoord heeft dat de man en vrouw naar Lelystad zijn verhuisd, dat zij de man en vrouw vanaf 2008 tot de verhuizing eigenlijk dagelijks heeft gezien, dat de man en vrouw vier honden hebben en dat de man en vrouw allebei de woning betraden door gebruik te maken van een sleutel.

Ten slotte is op 26 september 2016 mevrouw [D] als getuige gehoord. Zij woont sinds 30 juni 2010 op de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 4] . Zij heeft verklaard dat de bewoners van het uitkeringsadres nu in Lelystad wonen en dat zij afgelopen jaar, in 2015, zijn verhuisd. Zij heeft gezien dat er spullen in een verhuiswagen werden geladen. De man heeft haar toen verteld dat zij in Lelystad woonden. [D] herkent eiser en [A] van de haar getoonde foto’s. Ze heeft verklaard dat de man en vrouw drie of vier honden hadden. Zij zag de man af en toe zijn post nog halen, nadat zij naar Lelystad zijn vertrokken. [D] zag de man en vrouw altijd, elke dag van de week.

Verweerder heeft verder gewezen op de gegevens van de energieleverancier, waaruit blijkt dat het energieverbruik op het uitkeringsadres in de periode van 13 februari 2012 tot 9 februari 2015 overeen komt met het gemiddeld jaarverbruik van een vierpersoonshuishouden, terwijl alleen eiser op het uitkeringsadres stond ingeschreven. Het waterverbruik op het uitkeringsadres is in de periode van 1 september 2007 tot 12 juli 2014 hoger dan het gemiddeld jaarverbruik voor een vijfpersoonshuishouden.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder heeft zich, gelet op wat onder 7. is overwogen, in het bestreden besluit 1 terecht op het standpunt gesteld dat in periode 1 sprake is geweest van gezamenlijk hoofdverblijf van eiser en [A] op het uitkeringsadres en derhalve van een gezamenlijke huishouding. Eisers betoog dat niet valt in te zien waarom verweerder over periode 1 tot het oordeel komt dat het zwaartepunt van het maatschappelijk leven van [A] in Almere ligt, terwijl dit voor de periode van 1 augustus 2014 tot 1 augustus 2015 niet wordt aangenomen, kan eiser niet baten. Verweerder heeft ter zitting verwezen naar de verklaring van [A] tijdens het verhoor op 7 september 2016, waar zij heeft verklaard een jaar voorafgaand aan augustus 2015 dagelijks heen en weer te hebben gereden tussen Almere en Lelystad. Verder heeft verweerder gewezen op de bankafschriften, waaruit volgens verweerder blijkt dat in de periode van 1 augustus 2014 tot 1 augustus 2015 ongeveer evenveel pinbetalingen in Lelystad als Almere hebben plaatsgevonden. Niet ten onrechte heeft verweerder over deze periode, anders dan over periode 1, geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat het zwaartepunt van het maatschappelijk leven van [A] in Almere ligt.

9. Eiser heeft van het gezamenlijk hoofdverblijf geen melding gemaakt bij verweerder en dus de op hem rustende inlichtingenplicht van artikel 17 van de Wwb en de Pw geschonden. Naar het oordeel van rechtbank heeft verweerder terecht het recht op bijstand ingetrokken over de periode van [datum 1] 2007 tot en met 31 juli 2014. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd doet hier niet aan af.

10. Over periode 2 heeft eiser aangevoerd dat hij extra zorg voor de kinderen op zich heeft moeten nemen vanwege de gezondheidsproblematiek van [A] . [A] heeft geen gebruik gemaakt van de woonruimte van eiser. Het onderzoek heeft zich vrijwel uitsluitend gericht op de woning van [A] in Lelystad, waardoor niet tot nauwelijks onderzoek is verricht naar het gebruik van de woning van eiser. Daarom bestaat onvoldoende grond om aan te nemen dat eiser zijn hoofdverblijf heeft verplaatst naar Lelystad en om die reden niet langer in aanmerking komt voor bijstand.

Dat [A] zou hebben verklaard dat eiser vanaf augustus 2015 vaker bij haar verblijft en zelfs al zou hiermee worden gedoeld op alle dagen van de week, dan maakt dit volgens eiser evenmin dat hij niet tevens op het uitkeringsadres verblijft. Eiser heeft voorts kenbaar gemaakt dat hij al anderhalf jaar een serieuze relatie heeft met zijn vriendin, niet zijnde [A] . Het is voor eiser, vanwege de persoonlijke situatie van zijn vriendin, niet mogelijk hier details over te geven. Verweerder heeft hieraan in het bestreden besluit geen aandacht geschonken, terwijl deze relatie grotendeels samenvalt met periode 2. Als eiser niet op het uitkeringsadres verblijft, hetgeen onvoldoende is onderzocht, houdt dit niet automatisch in dat hij bij [A] verblijft en dan daar zijn hoofdverblijf heeft.

11. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB loopt de te beoordelen periode van de intrekking van bijstand tot en met de datum van het primaire besluit indien geen einddatum bij de intrekking is genoemd. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 1 augustus 2015 tot en met 11 oktober 2016.

12. De rechtbank overweegt dat verweerder zich met betrekking tot deze periode terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet woont op het uitkeringsadres. Hieraan heeft verweerder onder meer de verklaring van [A] tijdens het verhoor van 7 september 2016 ten grondslag gelegd. [A] heeft daar in eerste instantie verklaard dat eiser vanaf augustus 2015 wekelijks langskwam voor een periode van twee of drie dagen en dat eiser vanaf mei 2016 altijd bij [A] was als zij moest werken. [A] werkt van 09.00 tot 14.00 uur op wisselende dagen. Als zij dagen achter elkaar werkt, blijft eiser slapen. [A] heeft verklaard dat zij de laatste tijd vier dagen werkt en dan is eiser al die dagen bij haar, maar ook als ze niet werkt is eiser bij haar. Later in het verhoor heeft [A] verklaard dat eiser sinds augustus 2015 eigenlijk alle dagen van de week bij haar is en één keer per week de post gaat ophalen in Almere. De woning in Almere is nog wel gemeubileerd en er ligt wat kleding en administratie, maar eiser heeft zijn leven bij haar. De drie honden van eiser wonen bij [A] , alle benodigdheden van de honden zijn bij haar, zij betaalt het hondenvoer en de dierenarts. Eiser ontvangt bezoek van familie bij [A] . Eiser doet niets meer in de woning in Almere. Zijn medicatie ligt bij [A] . Kleding van eiser wordt door [A] gewassen en zij bergt het op in de kast in hun slaapkamer.

Verder heeft verweerder waarnemingen in de periode van 10 tot en met 19 november 2015 verricht bij zowel het uitkeringsadres als de woning van [A] op het adres [straatnaam 2] [nummeraanduiding 6] - [nummeraanduiding 7] te [plaatsnaam] . Bij de 17 waarnemingen die in die periode bij de woning van [A] zijn gedaan is alle keren de Volvo van eiser waargenomen en 16 keer eisers Audi TT. De auto van [A] is eveneens 16 keer waargenomen. Bij de 10 waarnemingen die bij het uitkeringsadres zijn gedaan is nimmer één van de voertuigen van eiser of [A] waargenomen.

De beroepsgrond van eiser dat deze waarnemingen dermate ingrijpend en intensief waren dat sprake was van stelselmatige observaties, waarvoor een bevel van de Officier van Justitie had moeten worden afgegeven, faalt, zie de uitspraak van de CRvB van 15 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2807. De waarnemingen vallen naar het oordeel van de rechtbank binnen de bij artikel 53a, zesde lid, van de Pw voorgeschreven onderzoeksbevoegdheid van verweerder. Anders dan eiser stelt is derhalve geen sprake van stelselmatige observaties, waarvoor toestemming van de Officier van Justitie vereist is en is evenmin sprake van schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De beroepsgrond dat de bevindingen uit de waarnemingen en de daarop volgende observaties op onrechtmatige wijze zijn verkregen en derhalve niet bij de beoordeling mogen worden betrokken slaagt dan ook niet. Over de stelling van eiser dat de verkeerde woning in Lelystad is waargenomen, overweegt de rechtbank dat blijkens de rapportages waarnemingen de waarnemingen zich hebben gericht op de auto’s van eiser en [A] en niet op de woning van [A] . Verweerder heeft de waarnemingen, voor zover zij betrekking hebben op de auto’s, aan het bestreden besluit 1 ten grondslag kunnen leggen.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de reden waarom de Volvo bij de woning van [A] is gezien, was gelegen in de omstandigheid dat de Volvo kapot was, nu dit op geen enkele wijze is onderbouwd. Hierbij acht de rechtbank tevens van belang dat eiser tijdens het verhoor op 7 september 2016 heeft verklaard dat de Volvo geparkeerd staat voor de woning waar hij aanwezig is. Aan de bewijzen die eiser heeft overgelegd van de verkoop van de Volvo op 7 juli 2016 en de verkoop van de Audi op 29 april 2016, kan in het kader van de waarnemingen geen waarde worden gehecht, nu deze verkoopdata na de periode liggen waarin de waarnemingen hebben plaatsgevonden.

In de periode van 12 tot en met 19 april 2016 hebben met toestemming van de Officier van Justitie stelselmatige observaties plaatsgevonden. Daaruit is gebleken dat eiser en [A] in de periode van 13 tot en met 18 april 2016 dagelijks werden waargenomen bij de woning van [A] en dat zij afzonderlijk en met een eigen sleutel de woning betraden. In de periode van 10 tot en met 17 mei 2016 hebben eveneens stelselmatige observaties plaatsgevonden waaruit gebleken is dat eiser en [A] in de periode van 10 tot en met 16 mei 2016 dagelijks werden waargenomen bij de woning van [A] en dat zij afzonderlijk en met een eigen sleutel de woning betraden.

Verweerder heeft verder aan de intrekking over periode 2 ten grondslag gelegd dat er op 7 september 2016 een huisbezoek bij [A] heeft plaatsgevonden. Hierbij zijn verschillende spullen van eiser aangetroffen in de woning van [A] , zoals eisers drie honden, recente post, oudere post en medicatie in de woonkamer, jassen en een paar laarzen in de hal, kleding en ondergoed van eiser in kledingkast in de slaapkamer en verschillende verzorgingsproducten voor heren en was in de wasmand in de badkamer. Eiser heeft deze bevindingen niet betwist, maar heeft aangevoerd dat hij vanwege de gezondheidssituatie van [A] vaker in haar woning verblijft. De rechtbank overweegt hierover dat de reden waarom eiser in de woning van [A] verblijft niet relevant is voor de vraag waar hij zijn feitelijk hoofdverblijf had, nu dit wordt vastgesteld aan de hand van de feitelijke omstandigheden. Eisers stelling dat [A] toestemming heeft gegeven voor het huisbezoek, omdat de situatie dreigend op haar overkwam, vindt geen steun in enig bewijsstuk.

Ten slotte heeft verweerder aan zijn standpunt ten grondslag gelegd dat het waterverbruik op het uitkeringsadres in periode 2 beneden het gemiddeld verbruik van een eenpersoonshuishouden ligt. Uit informatie van Vitens met betrekking tot het uitkeringsadres over de periode van 7 juli 2015 tot 13 juli 2016 blijkt een waterverbruik van 4m³. Het gemiddeld waterverbruik van een eenpersoonshuishouden is blijkens de website van het Nibud 46 m³ per jaar.

13. Alle bevindingen in samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser in periode 2 niet zijn hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres. Dat geen huisbezoek op het uitkeringsadres heeft plaatsgevonden, maakt dat niet anders, nu het door verweerder verrichte onderzoek voldoende grondslag biedt om te oordelen dat eiser zijn hoofdverblijf had in de woning van [A] te Lelystad. De enkele, niet nader onderbouwde stelling van eiser dat hij in periode 2 niet zijn hoofdverblijf had bij [A] , omdat hij een relatie zou had met een andere vrouw dan [A] , kan hem niet baten. Dit doet immers niet af aan de feitelijke bevindingen die door de sociale recherche zijn gedaan, waaruit naar voren is gekomen dat eiser zijn hoofdverblijf had bij [A] . Daarnaast zegt de enkele omstandigheid dat eiser een relatie zou hebben met iemand anders dan [A] niets over het feitelijk hoofdverblijf van eiser. De rechtbank oordeelt gelet op alle bevindingen die verweerder aan het bestreden besluit 1 ten grondslag heeft gelegd dat eiser niet heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenplicht, nu hij geen melding heeft gemaakt van het feit dat hij zijn hoofdverblijf heeft verplaatst. Verweerder heeft het recht op bijstand over periode 2 dan ook terecht ingetrokken.

14. Concluderend komt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit 1 in rechte stand kan houden.

15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Over het beroep met zaaknummer UTR 17/1919

16. Verweerder heeft de ten onrechte betaalde bijstand over de periodes waarover het recht op bijstand is ingetrokken teruggevorderd. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is volgens verweerder geen sprake.

17. Eiser heeft aangevoerd dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan verweerder had moeten afzien van terugvordering, nu sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die leiden tot onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van de terugvordering. Eiser heeft in dat verband gewezen op zijn financiële situatie, zijn gezondheidssituatie en het feit dat hij in 2003 een hartinfarct heeft gehad. Er is door verweerder geen individuele afweging gemaakt. Verweerder acht deze afweging klaarblijkelijk niet noodzakelijk door het toetsingsmoment te verplaatsen naar het moment dat tot invordering wordt overgegaan.

18. Artikel 58, eerste lid, van de Pw bepaalt, voor zover thans van belang, dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvordert voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw.

Het achtste lid van dit artikel bepaalt dat het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

19. Uit vaste jurisprudentie van de CRvB volgt dat dringende redenen om van terugvordering af te zien als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Pw slechts kunnen zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering van een betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken. De rechtbank wijst op de uitspraak van de CRvB van 9 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1811).

20. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen dringende redenen heeft hoeven zien om af te zien van terugvordering. De door eiser genoemde financiële gevolgen zijn inherent aan de terugvordering, maar zijn niet zodanig bijzonder en uitzonderlijk dat verweerder daarom van terugvordering had moeten afzien. Hierbij acht de rechtbank mede van belang dat de financiële gevolgen van het bestreden besluit 2 zich in het algemeen pas voordoen indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft eiser als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de CRvB van 17 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3562. De door eiser gestelde gezondheidssituatie is niet met stukken onderbouwd, zodat verweerder ook hierin geen dringende redenen heeft hoeven zien om af te zien van terugvordering.

21. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Over het beroep met zaaknummer UTR 17/2040

22. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser zijn medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Pw heeft geschonden. Eiser is bij brieven, bezorgd op 11 januari 2017 om 15.45 uur, 13 januari 2017 om 17.00 uur en 16 januari 2017 om 15.45 uur, uitgenodigd voor een gesprek met de inkomensconsulent op respectievelijk 13 januari 2017, 16 januari 2017 en 18 januari 2017. Eiser is op geen van deze gesprekken verschenen. Door niet te verschijnen heeft eiser de bij verweerder bestaande onduidelijkheid over zijn woon- en leefsituatie niet weggenomen, zodat verweerder het recht op bijstand niet heeft kunnen vaststellen.

23. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet de medewerkingsverplichting heeft geschonden. Eiser heeft op 18 oktober 2016 onderhavige aanvraag ingediend. Na maanden wachten kon hij niet weten dat verweerder hem plotseling in januari 2017 zou uitnodigen voor een gesprek. Blijkens het bestreden besluit 3 heeft eiser bij de aanvraag alle schriftelijke stukken aangeleverd. Eiser zat al maanden zonder inkomsten en verbleef en verblijft wisselend bij zijn broer of kennissen, die in ieder geval zorgen voor een maaltijd. Verder blijkt duidelijk dat eiser zijn brievenbus heeft geleegd op 16 januari 2017. Eiser heeft daarna direct telefonisch contact opgenomen en aangeboden om langs te komen, dan wel om een nieuwe afspraak te maken. Zijn verzoeken werden echter afgewezen.

De brief is op 13 januari 2017 omstreeks 17.25 uur bezorgd. De rapporteur had die ochtend vastgesteld dat de post nog in de brievenbus lag, terwijl deze ten tijde van de bezorging was geleegd. De brievenbus is in de algemene ruimte en eiser loopt niet telkens nar beneden om in de brievenbus te kijken.

Hoewel verweerder zegt rekening te houden met een brievenbus in de centrale ruimte, gaat verweerder voorbij aan de omstandigheid dat eiser vanwege het gebrek aan financiële middelen telkens moest uitwijken naar familie en vrienden. Hiervoor is aandacht gevraagd en door eiser is expliciet geprobeerd om een afspraak te maken. Eiser ziet niet in hoe verweerder kon blijven weigeren om telefonisch een afspraak te maken. Verweerder heeft hiervoor in het bestreden besluit geen deugdelijke onderbouwing of verklaring gegeven, maar heeft het ook niet weersproken.

Verweerder merkt in het bestreden besluit op dat de aanvraag niet meer buiten behandeling gesteld kon worden en dat een inhoudelijke behandeling diende plaats te vinden. Een dergelijke beoordeling blijkt echter niet uit het primaire besluit.

24. De rechtbank overweegt dat verweerder, gelet op de eerdere intrekking van het recht op bijstand, zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat twijfel bestond aan de woon- en leefsituatie van eiser, waarvoor nader onderzoek nodig was. In dat kader heeft verweerder eiser meerdere malen uitgenodigd om op gesprek te verschijnen. De rechtbank is van oordeel dat eiser door niet te verschijnen op de afspraken heeft eiser niet heeft voldaan aan de medewerkingsverplichting die op grond van artikel 17 van de Pw voor hem geldt. Het betoog van eiser over de redenen waarom hij niet op de afspraken is verschenen, kan niet slagen. De door verweerder gehanteerde termijnen van tenminste anderhalve dag tussen het bezorgen van de uitnodiging en het gesprek zijn niet zodanig kort dat het voor eiser onmogelijk was om daarop adequaat te reageren. Het is de verantwoordelijkheid van eiser, die geacht wordt op het uitkeringsadres zijn feitelijk verblijf te hebben, om (tijdig) kennis te nemen van aan zijn adres gerichte poststukken. De enkele omstandigheid dat eiser misschien niet elke dag thuis is, ontslaat hem niet van de verplichting om tijdig kennis te nemen van zijn post en daarop te reageren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, omdat eiser niet op de gesprekken is verschenen. Reeds hierom heeft verweerder de aanvraag kunnen afwijzen. De beroepsgrond slaagt niet.

25. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 december 2017.

griffier rechter

is verhinderd te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.