Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:6654

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
10-01-2018
Zaaknummer
6426709 ME VERZ 17-212
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een werknemer sluit na een ontslag op staande voet een vaststellingsovereenkomst met zijn werkgever. Ze spreken daarin af dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd met wederzijds goedvinden. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer aan de vaststellingsovereenkomst is gebonden. De werknemer heeft de bedenktermijn van artikel 7:670b lid 2 BW laten verstrijken. Dat zijn wil bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst ontbrak dan wel dat er sprake was van een wilsgebrek (dwaling) wordt niet gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0090
AR 2018/182
JAR 2018/23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Beschikking van 22 december 2017

in de zaak met zaaknummer / rekestnummer 6426709 / ME VERZ 17-212 van

[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker, hierna ook te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde mr. C.A. Fokker,

en

de stichting
[verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster, hierna ook te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde mr. M.E. Stefels.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van [verzoeker] met producties, ter griffie ingekomen op 27 oktober 2017;

- het verweerschrift van [verweerster] met producties tevens houdende (voorwaardelijke) tegenverzoeken, ter griffie ingekomen op 27 november 2017;

- aanvullende door [verzoeker] ingediende producties;

- aanvullende door [verweerster] ingediende producties.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 december 2017, waarbij de gemachtigden van partijen gebruik hebben gemaakt van pleitaantekeningen. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] , geboren op [1953] , is sinds 1 februari 2007 in dienst van [verweerster] , laatstelijk als medewerker techniek. Het laatstverdiende loon van [verzoeker] beloopt € 2.566,28 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering.

2.2.

Op 11 augustus 2017 is [verzoeker] door [verweerster] tijdens een gesprek dat hij had met [A] (teamleider zorg) en [B] (P&O adviseur) op non-actief gesteld. Van het gesprek is door [verweerster] een verslag gemaakt waar, voor zover van belang, het navolgende in staat vermeld:

Wij hebben [voornaam van verzoeker] uitgenodigd om te vertellen dat we hem per direct op non-actief stellen.

[voornaam van A] en [voornaam van B] vertellen dat dit ernstig is en dat we het zorgvuldig willen doen en dat we niet zomaar

iemand op non actief stellen. Dat er dus wel iets aan de hand is.

We vragen [voornaam van verzoeker] of hij weet waar het over gaat, na een paar keer aangegeven te hebben dat [voornaam van verzoeker]

het niet weet verteld hij toch dat het waarschijnlijk over zijn gedrag gaat.

[voornaam van verzoeker] verteld: Ik loop altijd de dollen met de meiden ik ben heel joviaal en vind iedereen leuk,

misschien vindt niet iedereen dat leuk en heeft er iemand geklaagd.lk heb zeker geen bewoners

lastiggevallen.

[voornaam van verzoeker] vindt de procedure raar is het er niet mee eens en gaat onder protest naar huis zegt hij.

Nadat [voornaam van B] de brief heeft geprint en [voornaam van A] nog koffie heeft gehaald heeft [voornaam van verzoeker] nog eens nagedacht.

[voornaam van B] komt terug de kamer in en [voornaam van verzoeker] vraagt [voornaam van B] het wel op te schrijven.

[voornaam van verzoeker] verteld:

Het gaat zeker over [C] want ik zag je ( [voornaam van B] ) lopen met [C] en ze zag er triest uit. Ik heb ook met

haar gedold en er is wat gebeurd.

[voornaam van B] vraagt wanneer dat was [voornaam van verzoeker] verteld dat het afgelopen dinsdag was.

Hij verteld: Ze heeft me uitgedaagd en toen heb ik met haar getongd heb ik haar in haar kruis

gegrepen.

Ik weet dat het te ver is gegaan en het is mijn schuld. En dat is het enige wat ik kan bedenken.

[voornaam van A] vraagt of er nog meer is, [voornaam van verzoeker] verteld dat er al eerder iets was, ze zegt allemaal dingen tegen

me. Ze roept dan ik ben zo nat en toen heb ik haar ook gezoend. Maar ik ben er niet op geweest.

[voornaam van B] en [voornaam van A] overhandigen [voornaam van verzoeker] de brief, je hebt een weekeinde de tijd om er nog over na te

denken en maandag krijg je een uitnodiging voor een gesprek met [D] .

2.3.

Bij brief van 11 augustus 2017 heeft [verzoeker] tegen de non-actiefstelling geprotesteerd.

2.4.

Op 14 augustus 2017 heeft [verzoeker] een gesprek gevoerd met [B] en [D] (locatiemanager). Van het gesprek is een verslag gemaakt waar, voor zover van belang, het navolgende in staat vermeld:

[voornaam van B] begint het gesprek met het voorlezen van het verslag van afgelopen vrijdag 11 augustus waarin

de verklaring van [voornaam van verzoeker] . Na het lezen zegt [voornaam van verzoeker] dat het klopt en [voornaam van B] en [voornaam van verzoeker] ondertekenen het

verslag.

[voornaam van D] en [voornaam van B] vragen [voornaam van verzoeker] zijn verhaal nogmaals te doen.

Het is al een tijdje (paar maanden) aan de gang verteld [voornaam van verzoeker] , ze loopt te dollen,

Ze zegt dingen, is bezig met de thee en met de was, ze pakt me vast.

Ik ben niet degene die naar haar toegaat.

Wat gebeurde er op dinsdag 8 augustus [voornaam van verzoeker] verteld:

[C] liep koffie te schenken op de eerste etage, ik was daar ook moest daar iets doen. Toen waren we

in de kamer van een bewoner die op dat moment op de gang was en daar is het gebeurd. Ik heb haar

getongd en heb haar in haar kruis gegrepen. Daarna zijn we goed uit elkaar gegaan, er was verder

niets voorgevallen ze heeft geen signaal afgegeven dat het ongewenst was.

[voornaam van B] vraagt of er kans is dat er meer klachten komen van medewerkers over [voornaam van verzoeker] ?

[voornaam van verzoeker] zegt Nee, die kans is er niet, hij loopt te dollen met de meiden maar dat zijn alleen Hugs

(knuffels) meer niet!

[voornaam van verzoeker] begrijpt niet waarom ze nu zo bang is, hij wil graag met haar praten.

(…)

2.5.

Tijdens een gesprek op 28 augustus 2017 is [verzoeker] door [verweerster] op staande voet ontslagen. In de aan [verzoeker] verstrekte ontslagbrief staat vermeld:

Op vrijdag 11 augustus hebben wij u met ingang van direct op non-actief gesteld na een melding dat u bent overgegaan tot grensoverschrijdend gedrag.

Wij hebben hoor en wederhoor toegepast en inmiddels het onderzoek naar de toedracht afgerond.

Wij hebben u uitgenodigd voor een gesprek op 28 augustus 2017, zodat wij u persoonlijk kunnen meedelen welke consequenties de resultaten van het onderzoek hebben voor uw arbeidsovereenkomst.

Voor ons is van groot belang dat u tijdens werktijd en in onze werkomgeving bij een medewerkster van [verweerster] grensoverschrijdende seksuele handelingen heeft verricht. Betreffende medewerkster is hiervan zeer overstuur geraakt en heeft het voorval bij ons gemeld. Ze heeft daarbij aangegeven dat u

dit eerder bij haar heeft gedaan en dat zij uit angst en schaamte niet eerder aan de bel heeft durven trekken. U heeft erkend dat u grensoverschrijdende seksuele handelingen heeft verricht bij deze medewerkster. U geeft daarbij aan dat u daartoe door haar bent uitgedaagd.

Voor ons als werkgever is dit niet een relevant argument in dit verband. Ook als men daartoe zou worden uitgedaagd mogen wij van onze medewerkers verwachten dat zij zich onthouden van het verrichten van grensoverschrijdende handelingen. Wij menen dat hier sprake is van wangedrag. [verweerster] is als werkgever verantwoordelijk voor het bieden van een veilige werkomgeving aan haar medewerkers. Die veiligheid kunnen wij niet bieden als medewerkers -ongeacht of zij daartoe zijn uitgedaagd - overgaan tot grensoverschrijdend gedrag. Wij kunnen uw gedrag in geen geval tolereren.

Wij nemen u dit zeer kwalijk en wij zijn van mening dat u ons een dringende reden voor een

ontslag op staande voet heeft gegeven.

Wij geven u daarom per direct ontslag op staande voet.

2.6.

Tijdens het gesprek op 28 augustus 2017 heeft [verweerster] [verzoeker] de mogelijkheid geboden om het dienstverband via een vaststellingsovereenkomst te doen eindigen. Tijdens het gesprek heeft [verweerster] aan [verzoeker] een vaststellingsovereenkomst uitgereikt. In de overeenkomst staat, voor zover hier van belang, het navolgende:

ONDERGETEKENDEN:

1) [verweerster] (…) verder te noemen “werkgever” (…)

en

2) De heer [verzoeker] , hierna te noemen “werknemer” (…)

Sub 1) en 2) hierna gezamenlijk te noemen “partijen”

NEMEN HET NAVOLGENDE IN AANMERKING:

(…)

g. werknemer is geadviseerd en is in de gelegenheid geweest (juridisch) advies in te

winnen bij derden over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst;

(…)

KOMEN HET NAVOLGENDE OVEREEN:

1. De arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer eindigt met wederzijds goedvinden, met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn van 3 maanden, met ingang van 1 december 2017.

2. Tot het einde van de arbeidsovereenkomst behoudt werknemer aanspraak op zijn

salaris alsmede de vaste emolumenten alsmede het opgebouwde recht op eindejaarsuitkering. De nog niet genoten verlofuren en compensatie-uren worden bij het einde van de arbeidsovereenkomst uitbetaald.

3. Werknemer wordt tot einde overeenkomst vrijgesteld van werk met behoud van salaris.

(…)

13. Deze overeenkomst is een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW.

De artikelen 7:900 BW en 7:906 BW zijn derhalve van toepassing.

14. De werknemer heeft het recht om zich binnen 14 dagen te bedenken. Als werknemer

zich bedenkt, moet hij/zij dat binnen de termijn van 14 dagen schriftelijk aan de

werkgever laten weten. Hiervoor hoeft de werknemer geen reden op te geven.

(…)

2.7.

Op 31 augustus 2017 heeft [verzoeker] de vaststellingsovereenkomst getekend.

2.8.

Bij brief van 4 september 2017 heeft [verweerster] , voor zover van belang, het navolgende aan [verzoeker] geschreven:

Tijdens het gesprek dat wij met u voerden op 28 augustus 2017 hebben wij u de brief overhandigd, waarin we hebben bevestigd dat u op staande voet bent ontslagen. Vervolgens bespraken we de mogelijkheden om op een andere manier afscheid te nemen, met voor u minder vergaande consequenties.

Inmiddels heeft deze bespreking ertoe geleid dat u op 31 augustus 2017 een vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend. De afspraken die wij met u gemaakt hebben zijn in deze vaststellingsovereenkomst verwoord. Het is van belang, als u een WW-recht gaat claimen, dat u deze overeenkomst aan de afdeling WW kunt laten zien. De inhoud is neutraal opgesteld, om risico’s in de WW-sfeer zoveel mogelijk te beperken.

Het is om deze reden dat wij u met deze brief apart het volgende meedelen.

In de vaststellingsovereenkomst is voor u een bedenktermijn van 14 dagen opgenomen. We zijn

overeengekomen dat als deze termijn ongebruikt is verstreken, dus 14 dagen na 31 augustus 2017, [verweerster] het ontslag op staande voet intrekt. De afspraken in de vaststellingsovereenkomst zijn dan definitief.

(…)

2.9.

Op 28 september 2017 heeft [verzoeker] (op zijn verzoek) van [verweerster] de verslagen van de gesprekken van 11 en 14 augustus 2017 ontvangen.

2.10.

Bij brief van 20 oktober 2017 heeft de gemachtigde van [verzoeker] namens [verzoeker] aan [verweerster] geschreven dat de vaststellingsovereenkomst niet geldig tot stand is gekomen, althans dat deze vernietigbaar is en dat [verzoeker] de vernietiging ervan inroept. Tevens heeft zij [verweerster] gesommeerd het loon van [verzoeker] na 1 december 2017 door te betalen.

2.11.

[verweerster] heeft tot 1 december 2017 loon aan [verzoeker] betaald.

3 De (voorwaardelijke) verzoeken van [verzoeker] en het verweer van [verweerster]

3.1.

Voor het geval heeft te gelden dat de arbeidsovereenkomst is voortgezet na

28 augustus 2017, verzoekt [verzoeker] dat de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerster] veroordeelt:

- tot betaling aan [verzoeker] van het geldende loon van € 2.566,28 bruto per maand vanaf

1 november 2017, telkens uiterlijk op de laatste dag van de betreffende maand, bij gebreke van tijdige betaling te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging, zulks tot de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

- om [verzoeker] binnen 2 dagen na betekening van de beschikking toe te laten tot zijn eigen werkzaamheden als medewerker techniek, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat [verweerster] daarmee in gebreke blijft;

- tot betaling aan [verzoeker] van de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[verzoeker] verzoekt, voor het geval heeft te gelden dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen geacht moet worden te zijn geëindigd door de opzegging van

28 augustus 2017, dat de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerster] veroordeelt tot betaling aan [verzoeker] van:

- een billijke vergoeding van € 10.000,00 bruto, althans een in goede justitie te

bepalen bedrag;

- een vergoeding voor de niet in acht genomen opzegtermijn van het netto-equivalent van

€ 8.968,10 bruto, zulks onder aftrek van de reeds aan [verzoeker] betaalde bedragen;

- een transitievergoeding van € 30.407,69 bruto;

- de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.3.

Aan zijn verzoeken legt [verzoeker] het navolgende ten grondslag. [verzoeker] stelt dat zijn wil nimmer gericht is geweest op het beëindigen van zijn arbeidsovereenkomst. Hij stelt dat hij onder ernstige druk stond toen hij de vaststellingsovereenkomst tekende. Dat maakt dat er geen geldige vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. Subsidiair stelt [verzoeker] dat de vaststellingsovereenkomst onder invloed van dwaling is gesloten en dat hij de overeenkomst derhalve op goede gronden heeft vernietigd. Hij heeft de overeenkomst getekend in de (onjuiste) veronderstelling dat het ontslag op staande voet onaantastbaar was. Bij een juiste voorstelling van zaken had hij de overeenkomst niet gesloten. Als de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst niet slaagt, is het volgens [verzoeker] onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om hem aan de in die overeenkomst gemaakte afspraken te houden.

Volgens [verzoeker] duurt de arbeidsovereenkomst nog altijd voort. Partijen hebben immers de afspraak gemaakt dat het ontslag op staande voet als ingetrokken moest worden beschouwd indien [verzoeker] geen gebruik zou maken van de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen bedenktermijn. Nu aan die voorwaarde is voldaan, geldt dat het ontslag op staande voet als ingetrokken moet worden beschouwd, aldus [verzoeker] . Zijn primaire standpunt houdt in dat hij recht heeft op doorbetaling van loon en wedertewerkstelling.

Voor het geval het ontslag op staande voet herleeft en de arbeidsovereenkomst tussen partijen geacht moet worden te zijn geëindigd door de opzegging van 28 augustus 2017, maakt [verzoeker] aanspraak op een billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW. Er was volgens hem geen dringende reden voor het ontslag. Er was geen sprake van ongewenste intimiteiten. Er heeft een seksuele escapade plaatsgevonden op basis van herhaalde uitnodigingen van zijn collega. Voorts stelt [verzoeker] dat de opgevoerde dringende reden niet volledig en niet onverwijld aan hem is medegedeeld. Tot slot maakt hij aanspraak op een transitievergoeding ex artikel 7:673 BW en een vergoeding gelijk aan het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren ex artikel 7:672 BW.

3.4.

[verweerster] voert verweer tegen de verzoeken van [verzoeker] . [verweerster] betwist dat de wil van [verzoeker] tot het aangaan van de vaststellingsovereenkomst ontbrak en betoogt verder dat zij ervan uit mocht gaan dat zijn wil op vrijwillige beëindiging van de arbeids- overeenkomst was gericht. Volgens [verweerster] dient ook het beroep op dwaling te worden verworpen. [verzoeker] is dan ook aan de vaststellingsovereenkomst gebonden, aldus [verweerster] . Indien wordt geoordeeld dat het beroep op vernietiging van de vaststellingsovereenkomst slaagt, stelt [verweerster] zich op het standpunt dat het ontslag op staande voet van

28 augustus 2017 rechtsgeldig is geweest en dat om die reden de verzoeken van [verzoeker] niet voor toewijzing in aanmerking komen.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt bij de beoordeling, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De voorwaardelijke tegenverzoeken van [verweerster] en het verweer van [verzoeker]

4.1.

[verweerster] verzoekt de kantonrechter (samengevat) indien en voor zover de kantonrechter oordeelt dat het beroep op vernietiging van de vaststellingsovereenkomst slaagt, voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst definitief op 28 augustus 2017 is geëindigd en [verzoeker] te veroordelen om aan haar te betalen het bedrag aan salaris over drie maanden ofwel € 7.888,89 bruto totaal, vermeerderd met de daarover te berekenen rente vanaf datum opeisbaarheid.

4.2.

[verweerster] verzoekt de kantonrechter (samengevat) voor het geval de vaststellingsovereenkomst als vernietigd wordt beschouwd en het ontslag op staande

voet als ingetrokken moet worden beschouwd dan wel door de kantonrechter wordt

vernietigd, om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

de arbeidsovereenkomst tussen partijen op een zo kort mogelijke termijn te ontbinden,

zonder toekenning van de wettelijke transitievergoeding;

subsidiair:

de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op grond van verstoorde verhoudingen;

en zowel primair als subsidiair:

- voor recht te verklaren dat de salarisbetalingen door [verweerster] aan [verzoeker] over de periode van 28 augustus 2017 tot 20 oktober 2017 onverschuldigd zijn betaald;

- [verzoeker] te veroordelen om aan haar te betalen het bedrag aan salaris over de periode van 28 augustus 2017 tot 20 oktober 2017, ofwel totaal € 4.652,42 bruto, vermeerderd met de daarover te berekenen rente vanaf datum opeisbaarheid, dan wel dit bedrag voorwaardelijk (deels) te verrekenen met bedragen die [verweerster] mogelijk aan [verzoeker] verschuldigd is.

4.3.

[verweerster] legt aan haar (voorwaardelijke) verzoeken ten grondslag dat indien de

de kantonrechter oordeelt dat het beroep op vernietiging van de vaststellingsovereenkomst slaagt, de arbeidsovereenkomst is geëindigd door het ontslag op staande voet van

28 augustus 2017. Dat betekent dat voor de salarisbetalingen over de maanden september 2017 tot en met november 2017 geen grondslag meer bestaat en dat [verzoeker] het salaris dient terug te betalen.

Voor het geval het ontslag op staande voet als ingetrokken wordt beschouwd dan wel dat de kantonrechter deze opzegging vernietigt, verzoekt [verweerster] de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Zij stelt zich op het standpunt dat [verzoeker] over de periode van

28 augustus 2017 tot 20 oktober 2017 geen recht heeft op loon. Hij heeft in die maanden niet gewerkt en tot 20 oktober 2017 geen werk aangeboden of zich anderszins beschikbaar gesteld.

4.4.

[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat de verzoeken van [verweerster] moeten worden afgewezen. Als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst toch ontbindt, verzoekt [verzoeker] om ontbinding per 1 april 2018, hem een transitievergoeding van € 30.407,69 bruto toe te kennen en [verweerster] te veroordelen tot doorbetaling van zijn salaris tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Voor terugbetaling van gedane salarisbetalingen bestaat volgens [verzoeker] geen grond.

4.5.

Op de stellingen van partijen wordt bij de beoordeling, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

Uit artikel 7:686a lid 2 BW kan worden afgeleid dat voor de verzoeken met betrekking tot wedertewerkstelling en betaling van loon de dagvaardingsprocedure gevolgd had moeten worden nu deze verzoeken geen grondslag vinden in hetgeen in, bij of krachtens afdeling 9 van titel 7.10 BW is bepaald. In artikel 7:686a lid 3 BW is bepaald dat in gedingen die op het in, bij of krachtens die afdeling bepaalde zijn gebaseerd, daarmee verband houdende andere vorderingen kunnen worden ingediend met een verzoekschrift. Het doel van deze bepaling is dat met elkaar samenhangende geschilpunten in één gerechtelijke procedure kunnen worden beslecht. Het gaat daarbij in beginsel om alle mogelijke vorderingen die bij de beëindiging van een arbeidsovereenkomst of het herstel daarvan kunnen worden ingediend (Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 37). De wetgever wilde niet alleen een dubbele rechtsgang voorkomen, maar wilde ook onnodige belasting van het gerechtelijk apparaat voorkomen, door één (verzoekschrift)procedure mogelijk te maken, in plaats van twee procedures. Hoewel bepleit zou kunnen worden dat de verzoeken van [verzoeker] met betrekking tot wedertewerkstelling en betaling van loon geen direct verband houden met de beëindiging van het dienstverband of het herstel daarvan in de hiervoor bedoelde zin, geldt dat voor alle verzoeken van [verzoeker] de vraag dient te worden beantwoord of er tussen partijen een rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst tot beëindiging van het dienstverband tot stand is gekomen en zo ja, of [verzoeker] die vaststellingsovereenkomst met succes heeft vernietigd. Als komt vast te staan dat er een rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst tot beëindiging van het dienstverband tot stand is gekomen en deze overeenkomst op onterechte gronden is vernietigd, staan de daarin gemaakte afspraken aan toewijzing van alle verzoeken van [verzoeker] in de weg. De kantonrechter is daarom van oordeel dat er sprake is van zodanige samenhang tussen de ingestelde verzoeken dat het gelet daarop niet nodig en ook niet wenselijk is dat er twee verschillende procedures worden gevolgd. Zij zal in deze procedure dan ook beslissen op alle door [verzoeker] ingestelde verzoeken en allereerst de hiervoor genoemde vraag dan wel vragen beantwoorden.

5.2.

Overwogen wordt dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Voor een geldig aanbod evenals voor een geldige aanvaarding - beide eenzijdig gerichte rechtshandelingen - is op grond van artikel 3:33 BW vereist dat de wil en de verklaring van degene die aanbiedt en van degene die aanvaardt met elkaar overeenstemmen.

5.3.

De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] zijn stelling dat zijn wil niet met zijn verklaring ter zake van de vrijwillige beëindiging van zijn dienstverband overeenstemde, onvoldoende heeft onderbouwd. Het kan zo zijn dat [verzoeker] onder druk stond in de situatie waarin hij was terechtgekomen, maar er zijn door hem geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat zijn wil op het moment van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst niet op beëindiging van de arbeidsovereenkomst was gericht.

[verzoeker] heeft juist ter zitting uiteengezet dat hij de mogelijkheid tot het sluiten van een vaststellingsovereenkomst met zijn vrouw heeft besproken, dat het sluiten van de vaststellingsovereenkomst hen toen de beste optie leek en dat hij dit vervolgens ook heeft gedaan door deze te ondertekenen. De kantonrechter weegt daarbij mee dat er tussen het aanbieden van de vaststellingsovereenkomst en het ondertekenen ervan, drie werkdagen waren verstreken.

5.4.

Ter zake van de stelling van [verzoeker] dat hij de overeenkomst onder invloed van dwaling heeft gesloten en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou hebben gesloten, wordt het navolgende overwogen. Met een beroep op dwaling dient ingeval van een vaststellingsovereenkomst terughoudend te worden omgegaan. Partijen kunnen geen beroep doen op dwaling terzake van hetgeen waarover werd getwist of waarover onzekerheid bestond (HR 15 november 1985, NJ 1986, 228). Blijkt evenwel een misvatting te bestaan ten aanzien van hetgeen partijen als zeker en onbetwist aan hun overeenkomst ten grondslag hebben gelegd, dan is een beroep op dwaling mogelijk wel gerechtvaardigd. Daarbij kan worden gedacht aan wederzijdse dwaling of het schenden van een mededelingsplicht.

5.5.

De stelling van [verzoeker] dat hij, door toedoen van [verweerster] , in de veronderstelling was dat het ontslag op staande voet onaantastbaar was en dat hem over zijn rechtspositie niets is uitgelegd, wordt verworpen. In dit verband acht de kantonrechter relevant dat [verweerster] ter zitting heeft verklaard dat zij [verzoeker] tijdens het gesprek op 28 augustus 2017 heeft voorgehouden dat hij over het ontslag op staande voet kon procederen en dat [verzoeker] dit als zodanig niet heeft weersproken. Anders dan [verzoeker] stelt, heeft [verweerster] [verzoeker] ook wel degelijk duidelijk gemaakt wat hem werd verweten. De aanleiding voor het ontslag op staande voet blijkt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende uit de brief van

28 augustus 2017. [verzoeker] heeft verder ter zitting zelf erkend dat [verweerster] hem tijdens het betreffende gesprek heeft geïnformeerd over de WW-risico’s bij een ontslag op staande voet, dat de vaststellingsovereenkomst een alternatief was voor het ontslag op staande voet en dat hem is voorgehouden dat hij na het sluiten van die overeenkomst nog twee weken de tijd had om er op terug te komen. Voorts is hem door [verweerster] voorgehouden dat hij juridisch advies kon inwinnen over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dat sprake was van een onjuiste voorstelling van zaken zoals door [verzoeker] is gesteld wordt dan ook niet gevolgd.

5.6.

Gelet op het voorgaande concludeert de kantonrechter dat sprake is van een rechtsgeldig tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst en dat de ingeroepen vernietiging wegens dwaling geen doel treft.

5.7.

Vaststaat dat [verzoeker] de vaststellingsovereenkomst niet binnen de in de wet geregelde bedenktermijn van twee weken (artikel 7:670b lid 2 BW) heeft ontbonden. Dat een beroep op de bedenktermijn werd verhinderd omdat [verzoeker] pas op 28 september 2017 de verslagen van de gesprekken heeft ontvangen, wordt door de kantonrechter verworpen. Zoals hiervoor is overwogen was het voor [verzoeker] voldoende duidelijk waar [verweerster] het ontslag op staande voet op had gebaseerd. Het betoog van [verzoeker] dat hij niet aan de beëindigingsovereenkomst kan worden gehouden omdat dat in de gegeven omstandigheden in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid, wordt door de kantonrechter ook gepasseerd. Niet kan worden ingezien dat [verzoeker] , zoals hij stelt, de mogelijkheid zou zijn ontnomen om een procedure te starten ex artikel 7:681 BW. Deze mogelijkheid kwam hem toe, maar hij heeft er vervolgens zelf voor gekozen om de vaststellingsovereenkomst te sluiten. Dat hij de bedenktermijn, die is bedoeld om eventueel terug te komen op die beslissing, heeft laten verstrijken komt voor zijn rekening. Voor zover de consequenties van het een en ander voor [verzoeker] niet duidelijk zijn geweest, had het op zijn gelegen om daarover juridisch advies in te winnen. Daarvoor is de bedenktermijn (mede) bedoeld en bovendien is hem geadviseerd om juridisch advies in te winnen bij derden over de vaststellingsovereenkomst.

5.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vaststellingsovereenkomst onverkort van toepassing is en dat de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] krachtens de vaststellingsovereenkomst met ingang van 1 december 2017 is geëindigd. Dit betekent dat de verzoeken van [verzoeker] niet voor toewijzing in aanmerking komen.

5.9.

Nu aan de voorwaarden waaronder [verweerster] haar verzoeken heeft ingesteld, niet is voldaan, wordt aan haar verzoeken niet toegekomen.

5.10.

Hetgeen partijen verder naar voren hebben gebracht, behoeft geen bespreking meer.

5.11.

[verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de verzoeken van [verzoeker] af;

6.2.

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van [verweerster] tot op heden begroot op € 600,00 aan gemachtigdensalaris;

6.3.

verklaart voormelde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2017.