Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:6550

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-12-2017
Datum publicatie
22-02-2018
Zaaknummer
5639962 UC EXPL 17-738
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtsmacht aansprakelijkheid Italiaanse curator voor betaling van facturen voor in Nederland verleende rechtsbijstand: Insolventieverordening of Brussel Ibis-verordening?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2018/160 met annotatie van prof. mr. P.M. Veder
INS-Updates.nl 2018-0073
INS-Updates.nl 2018-0074
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 5639962 UC EXPL 17-738 WV/1337

Vonnis van 27 december 2017

inzake

de naamloze vennootschap

[eiser] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. M.R. Ruygvoorn,

tegen:

1. de vennootschap naar Italiaans recht

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] , Italië,

gedaagde partij,

niet verschenen,

2. [curator],

in persoon en in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de Italiaanse eenmanszaak van [A] ,

verblijvende te [vestigingsplaats] , Italië,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. C. Pettinelli (advocaat te Rome, Italië).

Partijen zullen in het navolgende aangeduid worden als [eiser] , [gedaagde] en [curator] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord (memoria difensiva), inhoudende een incidentele vordering tot onbevoegdverklaring, tevens akte overlegging producties

- de conclusie van repliek, tevens incidentele conclusie van antwoord in het incident, tevens akte wijziging van eis

- de conclusie van dupliek (comparsa conclusionale)

- de akte uitlating producties van [eiser] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Medio 2012 heeft de eenmanszaak van de heer [A] , gevestigd te [vestigingsplaats] , Italië, [eiser] ingeschakeld om hem bij te staan in een geschil met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rederij de Rotterdam B.V. (gevestigd te Rotterdam) en hem te vertegenwoordigen in een procedure voor de rechtbank Rotterdam tegen deze vennootschap.

2.2.

Op 19 juni 2014 heeft de rechtbank van Velletri (Italië) de eenmanszaak van de heer [A] (hierna: de failliet) failliet verklaard, en [curator] benoemd tot curator in het faillissement (nr. 75/2014). [curator] is werkzaam bij het Italiaanse advocatenkantoor [gedaagde] .

2.3.

Bij e-mail van 23 oktober 2014 heeft [eiser] , in de persoon van bij haar werkzame advocaat mr. M.R. Ruygvoorn, [curator] verzocht om een opdracht van de zijde van de curator om namens deze de procedure van de failliet bij de rechtbank Rotterdam voort te zetten.

2.4.

Bij e-mail van 27 oktober 2014 heeft [curator] hierop gereageerd door aan [eiser] te vragen om de in die procedure geplande zitting te laten uitstellen in verband met het ontvangen van benodigde toestemming van de “giudice delegato” van de rechtbank Velletri die belast was met de afwikkeling van het faillissement (hierna: de rechter-commissaris).

2.5.

Op 28 oktober 2014 heeft [eiser] aan [curator] een e-mail gezonden met, voor zover relevant, de volgende inhoud:`

“(…)

In my opinion, we should inform the Court that we cannot agree to the suggestion by Mr. Van Oijen [advocaat wederpartij; toevoeging kantonrechter] to render a

judgement. However, I trust that you will understand that I can no longer act for [A] unless we have made a financial arrangement. To the effect please find attached a copy of the general conditions of my firm including the hourly rates of my colleague Mrs. [B] (with currently on maternity leave) and myself.

I kindly request you to inform me whether you are willing to absorb our fees. (…)”

Bij deze e-mail was een bestand met algemene voorwaarden gevoegd, die - voor zover relevant – luiden als volgt:

“(…)

2. All client assignments are deemed to have been given to [eiser] as an organisation, even in the event that it is the explicit or implicit intent that the assignment be performed by a specific person. (…)

7. (…)

The hourly rate of:

mr [C] , attorney at law is: € 300,00

ms [B] , attorney at law is: € 280,00

(…)

10. The relationship between [eiser] and its clients shall be governed by Dutch law. The District Court of Utrecht shell have exclusive jurisdiction over any dispute arising between [eiser] and a client.

(…)”

2.6.

Op deze e-mail heeft [curator] op 3 november 2014 als volgt gereageerd:

“It is not possible to satisfy your financial request without Italian bankruptcy Court’s prior approval. So It is necessary to know the exact amount of your fees. In any case your fees have a super-priority status and they are considered administrative expenses of the bankruptcy procedure.

In order to obtain the Court’s approval (also about your fees) I need a short report about the proceedings and its possible conclusion.”

2.7.

Bij beslissing van 11 november 2014 heeft de rechter-commissaris aan [curator] toestemming gegeven om de procedure bij de rechtbank Rotterdam voort te zetten en zich hierbij bij te laten staan door advocaat mr. Ruygvoorn van [eiser] . In het verzoek dat voorafgaat aan de beslissing worden de uurtarieven van mr. Ruygvoorn en “die van zijn medewerkster” genoemd die overeenkomen met de tarieven die zijn vermeld in de hiervoor genoemde algemene voorwaarden.

2.8.

Bij e-mail van 24 november 2014 heeft [eiser] aan [curator] een samenvatting gestuurd van een met haar gevoerd telefoongesprek:

“(…)

Secondly, we discussed my fees. You guaranteed that the (bankruptcy)Court in Rome will absorb my fees. The fee structure and all terms and conditions under which I will provide my services will be the same as those agreed upon earlier with Mr. [A] and will remain unchanged.

I will send monthly invoices. You indicated to me that you are willing to guarantee payment through the (bankruptcy)Court to me in writing and to further detail the payment procedures. To which address and for who’s attention should I sent my invoices?

Once I have received your for mentioned written confirmation regarding the payment of my fees, 1 will provide you with a summary of the proceedings and the status quo thereof.

I am looking forward to hearing from you at your earliest convenience, now the Court urges me to indicate whether 1 can still represent [A] in these proceedings.

(…)”

2.9.

Bij e-mail van 5 december 2014 heeft [curator] hierop als volgt gereageerd (vertaald uit het Italiaans door een tolk):

“(…)

Ik vraag u daarom voor de Rechtbank te verschijnen op bovengenoemde datum en om de schikking van bovengenoemd bedrag (of een hoger bedrag) voor te stellen om de zaak af te ronden. Ik wil graag benadrukken dat u geen lager bedrag moet accepteren of voorstellen.

Wat betreft de betaling van uw diensten; de Italiaanse wet maakt het niet mogelijk om over te gaan tot maandelijkse uitbetaling, de betalingen volgen op het moment dat de eerste gelden in de zaak binnenkomen. U krijgt van ons de garantie dat u niet hoeft te wachten tot het einde van de gehele procedure om uw geld te krijgen. In de tussentijd kunt u uw facturen opsturen opdat wij een goed beeld hebben van de kosten. Binnenkort zullen enkele betalingen worden geincasseeerd waarmee u zo spoedig mogelijk betaald zult worden. Het document dat we u in vertaling hebben

toegezonden waarin staat dat u officieel dhr. [A] vertegenwoordigt is de garantie van het Italiaanse hof dat u betaald zult worden. (…)”

2.10.

Bij verzoekschrift van 7 januari 2016 heeft [curator] bij de rechter-commissaris een verzoek ingediend om toestemming te verlenen om de facturen te vergoeden die [eiser] heeft verzonden met betrekking tot de werkzaamheden in de procedure bij de rechtbank Rotterdam.

2.11.

Bij verzoekschrift van 9 februari 2016 heeft [curator] dit verzoek nader gespecificeerd door de vergoeding te beperken tot een bedrag van € 8.226,00.

2.12.

Bij beslissing van 18 februari 2016 heeft de rechter-commissaris toestemming verleend om het onder 2.11 bedoelde bedrag aan [eiser] over te maken. Dit bedrag is uiteindelijk op 30 maart 2016 betaald vanaf de faillissementsrekening van de failliet.

2.13.

Bij brief van 15 april 2016 heeft [eiser] tegen deze gang van zaken bezwaar gemaakt bij [gedaagde] .

2.14.

Bij beslissing van 18 november 2016 heeft de rechter-commissaris aan [curator] toestemming verleend om aan de onderhavige procedure deel te nemen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat (na eiswijziging; zie hiervoor het onder 4.8 en 4.9 bepaalde) dat de kantonrechter:

- gedaagden hoofdelijk veroordeelt om aan [eiser] een bedrag te betalen van € 10.115,85, vermeerderd met wettelijke (handels-)rente,

- [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] een bedrag te betalen van € 2.844,00, vermeerderd met wettelijke (handels-)rente,

- gedaagden hoofdelijk veroordeelt om een [eiser] te betalen bedrag van € 876,16 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke rente,,

- gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente,

- [curator] veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 640,00 aan vertaalkosten, vermeerderd met wettelijke (handels) rente,

- een certificaat afgeeft als bedoeld in artikel 53 van de Brussel Ibis-Vo.

3.2.

[gedaagde] is niet verschenen. [curator] heeft verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in het incident


Rechtsmacht

4.1.

In het incident vordert [curator] dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart. Volgens haar heeft de Nederlandse rechter geen rechtsmacht, nu de vorderingen zien op de betaling van honorarium dat is opgebouwd door de juridische dienstverlening binnen een faillissement, zodat op grond van artikel 3 jo 16 van de Insolventieverordening (Verordening EG) nr. 1346/2000) alleen de rechter van de lidstaat die het faillissement geopend heeft, zijnde de rechtbank van Velletri, Italië, bevoegd is van deze vordering kennis te nemen.

4.2.

[eiser] betwist de toepasselijkheid van de Insolventieverordening, en betoogt dat de Nederlandse rechter op grond van artikelen 7 en 25 van de Brussel Ibis-verordening (Verordening (EU) nr. 1215/2012) bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen.

4.3.

Over de vraag welke verordening van toepassing is bij een met een insolventieprocedure samenhangende zaak heeft het Hof van Justitie EU geoordeeld dat moet worden nagegaan of het recht of de verbintenis waarop de vordering is gebaseerd, voortvloeit uit gemeenschappelijke regels van het burgerlijk recht en het handelsrecht dan wel uit specifieke afwijkende regels voor insolventieprocedures (vgl. HvJ EU 4 september 2014, EU:C:2014:2145).

4.4.

De onderhavige vordering is gebaseerd op een gestelde verbintenis uit onrechtmatige daad alsmede op een verbintenis uit hoofde van een overeenkomst van opdracht van [curator] aan [eiser] , strekkende tot het verlenen van juridische bijstand bij het voortzetten van een, vóór het faillissement gestarte, procedure bij de rechtbank Rotterdam van de failliet tegen een Nederlandse vennootschap. Dergelijke verbintenissen vloeien voort uit het gewone handelsrecht, en niet uit specifieke afwijkende regels voor insolventieprocedures. Dit betekent dat de Insolventieverordening op de onderhavige zaak niet van toepassing is, en dat het geschil in beginsel valt onder de Brussel Ibis-verordening. De omstandigheid dat, zoals [curator] stelt, naar Italiaans recht de curator bij het uitvoeren van haar taken een openbaar ambtenaar is, maakt nog niet dat geen sprake is van een burgerlijke of handelszaak in de zin van deze verordening. Van het toepassingsgebied van de verordening is ook alleen uitgesloten de aansprakelijkheid van de staat wegens een handeling of nalaten in de uitoefening van het openbaar gezag (artikel1 lid 1 sub d), en daarvan is bij een curator geen sprake.

4.5.

Voor zover de vordering is gebaseerd op het bestaan van een overeenkomst van opdracht, geldt dat de Nederlandse rechter bevoegd is om daarvan kennis te nemen op de voet van artikel 7 lid 1 sub b van de Brussel Ibis-verordening, nu de diensten door [eiser] werden verstrekt in Nederland.

Voor zover de vordering is gebaseerd op onrechtmatige daad geldt naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie dat bij ‘plaats van het schadebrengende feit’ als bedoeld in artikel 7 sub 2 van de Brussel Ibis-verordening zowel gedoeld wordt op de plaats van de veroorzakende gebeurtenis als de plaats waar de schade is ingetreden. In het onderhavige geval is de gestelde schade, het niet vergoed krijgen van in Nederland verrichte handelingen voor rechtsbijstand, ingetreden in Nederland, zodat de Nederlandse rechter ook bevoegd is om van deze grondslag kennis te nemen.

4.6.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring moet worden afgewezen. [curator] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit incident worden veroordeeld, begroot op nihil.

in de hoofdzaak

Toepasselijk recht

4.7.

Nu de vordering een internationaal karakter draagt moet de kantonrechter beoordelen welk recht van toepassing is op het onderhavige geschil.

Voor zover de vordering gegrond is op het bestaan van een overeenkomst van opdracht dient de bepaling van het toepasselijke recht plaats te vinden aan de hand van Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst ( Rome I-Vo), nu de betreffende overeenkomst gesloten is op/na 17 december 2009. In de algemene voorwaarden die volgens [eiser] op de overeenkomst van toepassing zijn, is een rechtskeuze voor Nederlands recht opgenomen, zodat op de voet van artikel 3 Rome I-Vo Nederlands recht van toepassing is. Mochten deze algemene voorwaarden niet zijn overeengekomen, dan geldt hetzelfde, nu een dergelijke overeenkomst op grond van artikel 4 lid 1 sub b Rome I-Vo wordt beheerst door het recht van het land waar de dienstverlener zijn gewone verblijfplaats heeft.
Voor zover de vordering is gegrond op onrechtmatige daad, is de Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen ( Rome II-Vo) van toepassing, nu de vordering betrekking heeft op een door deze verordening bestreken onderwerp en de gestelde schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden na inwerkingtreding van de verordening (11 januari 2009). Ingevolge artikel 4 Rome II-Vo is het recht van toepassing van het land waar de schade zich voordoet. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft de gestelde schade zich in het onderhavige geval voorgedaan in Nederland, zodat op de onderhavige vordering Nederlands recht van toepassing is.

Verzet eiswijziging

4.8.

[curator] heeft zich verzet tegen de door [eiser] gedane eiswijziging, omdat deze afwijkt van de oorspronkelijke eis, hetgeen volgens Italiaans procesrecht niet mag, en te kwader trouw is gedaan, nu daarmee alleen wordt gepoogd om haar kansloze zaak te redden.

4.9.

Anders dan [curator] tot uitgangspunt neemt, wordt de wijze van procederen bepaald door het nationale recht van de aangezochte rechter (vgl. artikelen 1 lid 3 van de Rome I-Vo en Rome II-Vo en artikel 10:3 Nederlands Burgerlijk Wetboek, hierna BW). Uitgangspunt van artikel 130 Nederlands Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is dat zolang de rechter geen eindvonnis heeft gewezen, de eisende partij bevoegd is haar eis te vermeerderen. Alleen indien de eiswijziging in strijd is met de eisen van een goede procesorde, kan deze buiten beschouwing worden gelaten. Het enkele feit dat een vordering eerder had kunnen worden ingesteld staat derhalve niet in de weg aan het honoreren van de eiswijziging. De wijziging is niet zodanig omvangrijk en staat ook naar haar inhoud niet zodanig los van de reeds ingediende vorderingen, dat [curator] zou worden geschaad in haar verdediging, indien de eiswijziging wordt toegelaten. De kantonrechter laat de eiswijziging dan ook toe.

Aansprakelijkheid [curator]

4.10.

[curator] heeft de dagvaarding - niet onbegrijpelijk - opgevat als uitgebracht aan haar in persoon én in haar hoedanigheid van curator van de failliet. [eiser] heeft tegen haar verschijnen mede in hoedanigheid van curator geen bezwaar gemaakt. In het navolgende zal derhalve haar aansprakelijkheid in beide hoedanigheden worden beoordeeld.

4.11.

Tussen partijen is in geschil of de opdracht tot het verlenen van juridische bijstand van de failliet in de Nederlandse procedure is verleend door [curator] zelf (standpunt [eiser] ), dan wel (standpunt [curator] ) door [curator] als vertegenwoordiger van de boedel van de failliet of door de rechter-commissaris in het faillissement.

4.12.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan deze kwestie evenwel in het midden blijven. Immers, ook indien aangenomen zou moeten worden dat het standpunt van [curator] op dit punt juist is, en [curator] dus op zijn minst heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de overeenkomst van opdracht, heeft [curator] als curator in strijd gehandeld met de zorgvuldigheid die haar in het maatschappelijk verkeer betaamt, en daarmee onrechtmatig. Deze onrechtmatigheid bestaat eruit dat zij heeft nagelaten [eiser] ervoor te waarschuwen dat de vergoeding die zij voor haar werkzaamheden uiteindelijk zou ontvangen, achteraf zou kunnen worden gematigd door de rechter-commissaris in faillissement, en dat zij, nadat de werkzaamheden door [eiser] waren uitgevoerd en gefactureerd, zelf dit verzoek tot matiging zou gaan indienen bij de rechter-commissaris.

4.13.

[eiser] wist weliswaar dat zij zou worden betaald uit gelden die binnen zouden komen in het faillissement, maar zij hoefde er - gelet op de mededelingen die [curator] aan haar heeft gedaan - geen rekening mee te houden dat achteraf tot matiging van de vergoeding zou worden overgegaan. In dit kader wijst de kantonrechter in het bijzonder op het feit dat [curator] :

  • -

    in reactie op de e-mail van [eiser] van 28 oktober 2014 (productie 2 van [eiser] ), waarin deze vraagt of [curator] bereid is om haar fees te accepteren die zijn vermeld in de bijgevoegde algemene voorwaarden, reageert door mede te delen dat de fees van [eiser] superpreferent zouden zijn (productie B van [curator] );

  • -

    in haar e-mail van 5 december 2014 (productie 5 van [eiser] ) aangeeft dat het niet mogelijk is over te gaan tot maandelijkse uitbetaling, maar dat de betalingen volgen op het moment dat de eerste gelden in de zaak binnenkomen, en dat zij garandeerde dat [eiser] niet zou hoeven wachten tot het einde van de gehele procedure om haar geld te krijgen. Verzocht werd om in de tussentijd de facturen naar haar op te sturen zodat “wij een goed beeld hebben van de kosten”. Het bij die mail gevoegde document, dat de garantie zou vormen van de rechter-commissaris dat [eiser] betaald zou worden, is kennelijk de beslissing van de rechter-commissaris van 11 november 2014, strekkende tot het verlenen van toestemming aan de curator om de procedure in Nederland voort te zetten en zich hierbij bij te laten staan door [eiser] . In het bijbehorende verzoek wordt gerept over een uurtarief van € 300,00 en € 280,00 per uur voor 2 advocaten van [eiser] , maar in de beslissing van de rechter-commissaris wordt op geen enkele wijze gerept over de onaanvaardbaarheid van dat tarief.

  • -

    nadat de werkzaamheden van [eiser] in de Nederlandse procedure waren voltooid, heeft [curator] zelf aan de rechter-commissaris een verzoek gedaan tot matiging van de aan [eiser] uit te keren vergoeding tot een bedrag van € 8.226,00, en wel vanwege de beperkte aard van de door [eiser] verrichte werkzaamheden, de in Italië geldende tarieven en het feit dat een deel van de facturen zag op de periode dat er nog geen sprake was van een door de rechter vastgesteld faillissement (productie 9 van [curator] ).

4.14.

[curator] moest er vanuit gaan dat [eiser] niet bekend was met de wijze waarop in een Italiaans faillissement werd omgegaan met het vergoeden van kosten van rechtsbijstand van een in het buitenland ingeschakelde advocaat, en zij had er in het kader van de discussie over de vergoeding voor moeten waarschuwen dat het mogelijk was dat de vergoeding achteraf werd gematigd. Aan het eind van de rit heeft zij zelf een verzoek tot matiging van de aan [eiser] toekomende vergoeding bij de rechter-commissaris ingediend. De kantonrechter begrijpt dat het verzoek van 15 november 2016 (onderdeel van productie 2 van [curator] ) volgde op een verzoek van de rechter-commissaris om een gemotiveerd voorstel te doen over het resterende aan [eiser] toekomende bedrag, maar niet valt in te zien waarom [curator] er, gelet op het door haar bij [eiser] opgewekte vertrouwen, niet voor had kunnen kiezen om een verzoek om matiging achterwege te laten. [curator] is dan ook als curator aansprakelijk voor de dientengevolge door [eiser] geleden schade.

4.15.

[curator] is naar het oordeel van de kantonrechter ook persoonlijk aansprakelijk, aangezien haar ten aanzien van haar handelen persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoorde zij redelijkerwijze het onjuiste van haar handelen in te zien (HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU4204).

4.16.

[curator] is dus in beide hoedanigheden aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade, die in beginsel moet worden begroot op de facturen die niet uit de boedel van het faillissement zijn vergoed. De stelling van [curator] dat [eiser] zich had kunnen verzetten tegen de beslissing van de rechter-commissaris om haar vergoeding te matigen, brengt niet mee dat [curator] voor deze schade niet aansprakelijk is, maar hooguit dat [eiser] haar schade mogelijk had kunnen beperken. [curator] heeft evenwel onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat een dergelijk verzet mogelijk en effectief zou zijn geweest. Hetzelfde geldt voor de door [curator] geopperde mogelijkheid om alsnog aan de rechter-commissaris om aanvullende vergoeding te vragen van haar ( [eiser] ’s) kosten.

4.17.

Daarbij merkt de kantonrechter wel op, dat toewijzing van de facturen alleen mogelijk is voor zover deze zien op werkzaamheden die zijn verricht nadat [curator] [eiser] had verzocht om juridische bijstand bij het voortzetten van de Nederlandse procedure. Indien [eiser] haar bijstand alleen had willen voortzetten onder de voorwaarde dat ook de voordien verschuldigde en nog niet betaalde facturen zouden worden betaald, had zij dat moeten bedingen. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. In de e-mails die [eiser] over de voortzetting van haar werkzaamheden heeft verzonden, heeft zij het telkens over nog te verrichten werkzaamheden (zie de e-mail van 24 november 2014, weergegeven onder 2.8).

4.18.

[curator] heeft zich tegen de omvang van de facturen verweerd met de stelling dat er geen akkoord is bereikt over het uurtarief en dat [eiser] haar taak niet goed heeft vervuld, maar dat baat haar niet. Immers, uit de overgelegde stukken blijkt niet dat zij op enig moment heeft geprotesteerd tegen het door [eiser] in de e-mail van 28 oktober 2014 aangekondigde uurtarief. De stelling dat [eiser] haar taak niet goed heeft vervuld, kan alleen gevolgen hebben voor de toewijsbaarheid van de vordering van [eiser] , indien dit wordt gedaan in de vorm van een verrekeningsverweer en met vermelding van de concrete schade die ten gevolge daarvan door [curator] of de boedel is geleden. Dit heeft zij evenwel niet gedaan.

4.19.

Het voorgaande betekent dat de vordering voor toewijzing vatbaar is ten aanzien van [curator] , met uitzondering van de facturen met nummers 403446 en 404654. Op het gevorderde bedrag zullen deze facturen ten bedrage van € 2.655,00 en € 189,00 in mindering worden gebracht. Nu de onderliggende overeenkomst een handelsovereenkomst betreft, is als schade de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW toewijsbaar die [eiser] in rekening had kunnen brengen, indien de rechter-commissaris niet tot matiging van de vergoeding was overgegaan.

Aansprakelijkheid [gedaagde]

4.20.

De kantonrechter constateert dat [gedaagde] niet is verschenen. Weliswaar is (blijkens de betekeningsstukken) de ontvangst van de dagvaarding door deze gedaagde geweigerd vanwege het ontbreken van een vertaling in de correcte taal, maar uit het verschijnen van [curator] , die bij [gedaagde] werkzaam is, moet worden afgeleid dat [gedaagde] met de onderhavige procedure bekend is. Gelet hierop moet geoordeeld worden dat aan de formaliteiten voor het verlenen van verstek ten aanzien van deze [gedaagde] is voldaan.

4.21.

De vordering ten aanzien van [gedaagde] komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens voor zover deze in de procedure tegen [curator] is afgewezen, en zal dan ook op dezelfde wijze worden toegewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.22.

[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden.

Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief dat hoort bij de toewijsbaar geoordeelde hoofdsom. Nu dat het gevolg is van een niet voorzienbare omstandigheid, zal de kantonrechter de vergoeding niet afwijzen, maar de vergoeding toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij (de omvang van) de toewijsbaar geoordeelde hoofdsom.

Proceskosten en nakosten

4.23.

Gedaagden moeten als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 155,50

- griffierecht € 470,00

- salaris gemachtigde € 625,00 (2,5 punten x tarief € 250,00)

Totaal € 1.250,50

4.24.

De vordering tot vergoeding van de vertaalkosten is niet toewijsbaar, nu deze kosten niet vallen onder de proceskosten als bedoeld in de artikelen 237 e.v. Rv (Hoge Raad 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5668) en daarvoor geen andere rechtsgrond is aangevoerd.

4.25.

De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze als weergegeven in het dictum.

4.26.

Het verzoek om afgifte van een certificaat als bedoeld in artikel 53 verordening is toewijsbaar, zodat gelijktijdig met dit vonnis een certificaat zal worden afgegeven.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in het incident

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [curator] in de kosten in het incident, begroot op € 0,00,

in de hoofdzaak

5.3.

verleent verstek tegen [gedaagde] ,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] en [curator] , zowel in hoedanigheid van curator als in persoon, hoofdelijk, in die zin dat indien de ene partij betaalt de ander daarvan zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen:

  • -

    een bedrag van € 7.271,85, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf de vervaldata van de onderliggende facturen tot de dag van betaling,

  • -

    een bedrag van € 738,59 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van betaling,

  • -

    de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.250,50, waarin begrepen € 625,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van betaling,

  • -

    onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoen, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

o € 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

o te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen, kantonrechter, bijgestaan door mr. W.A. Visser als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 27 december 2017.