Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:6340

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
05-01-2018
Zaaknummer
C/16/450165 / KG ZA 17-848
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Rechtsmacht in kort geding bij schorsings- en ontslagbesluit bestuurder buitenlandse vennootschap. Aannemelijk dat bodemrechter de besluiten zal vernietigen vanwege gebreken aan de procedure en de inhoud van de besluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/450165 / KG ZA 17-848

Vonnis in kort geding van 20 december 2017

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. J. van de Riet te Utrecht,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de stichting

[gedaagde sub 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. H.H. Tan te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres sub 1] c.s. (afzonderlijk: [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] ) en [gedaagde sub 1] c.s. (afzonderlijk: [gedaagde sub 1] en de [gedaagde sub 2] ) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiseres sub 1] c.s.

  • -

    de pleitnota van [gedaagde sub 1] c.s..

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 1] is bestuurder en 100% aandeelhouder van 3 werkmaatschappijen: [bedrijfsnaam 1] B.V., [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] ), en de Poolse vennootschap [bedrijfsnaam 3] Sp. z o.o. (hierna: [bedrijfsnaam 3] ). [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] houden zich onder meer bezig met het produceren en bedrukken van paperclips.

2.2.

De aandelen van [gedaagde sub 1] worden gehouden door de [gedaagde sub 2] . De heer [A] (hierna: [A] ) en zijn echtgenote zijn de enige certificaathouders van de aandelen. [A] is de enige bestuurder van de [gedaagde sub 2] .

2.3.

[A] en diens zoon, [eiser sub 2] , waren beiden bestuurders van [gedaagde sub 1] , tot de schorsing van laatstgenoemde (zie hierna). Zij waren beiden ook bestuurder (“Management Board Member”) van [bedrijfsnaam 3] . [eiser sub 2] was de voorzitter van het bestuur van die vennootschap.

2.4.

Op 27 december 2016 hebben [gedaagde sub 1] , [eiser sub 2] , [A] en diens echtgenote een Letter Of Intent (intentieverklaring) getekend (hierna: de LOI) strekkende tot de overdracht van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] en andere vermogensbestanddelen van [gedaagde sub 1] aan een door [eiser sub 2] op te richten vennootschap. De LOI luidt - voor zover relevant - als volgt:

“Op 14 november 2016 is door [gedaagde sub 1] B.V., [eiser sub 2] , [A] en [B] [echtgenote van [A] ; toevoeging voorzieningenrechter] een intentieverklaring getekend voor de overdracht van aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V., [bedrijfsnaam 3] Sp. z.o.o. en andere

vermogensbestanddelen van [gedaagde sub 1] B.V. (…) zodanig dat vrijwel de gehele onderneming van [gedaagde sub 1] B.V. (“Onderneming’) overgaat.

De intentieverklaring van 14 november 2016 wordt hierbij gewijzigd op enkele punten (i.e. zekerheidsrechten en aflossing van een lening). Echter, ter bevordering van de leesbaarheid wordt de gehele tekst hierna nogmaals weergeven en vervangt de onderhavige intentieverklaring in geheel de intentieverklaring 14 november 2016.

OVERWEGINGEN

1. De Onderneming verkeert in zwaar weer.

2. [eiser sub 2] spant zicht tot het uiterste in de continuïteit van de Onderneming te waarborgen. Hiertoe zijn plannen ontwikkeld waaronder het aantrekken van investeringsgelden en de mogelijkheid tot het overnemen van een directe concurrent.

3. Er bestaat een kans om een bekende en betrokken derde te doen investeren in [gedaagde sub 1] B.V. en de groep waartoe de vennootschap behoort, welke investering initieel geschiedt door verstrekking door de betrokken derde van een in aandelen converteerbare geldlening (“Investering”), hetgeen een kans is die zich niet snel nogmaals zal voordoen.

4. Tevens is er een mogelijkheid geopend om een overname te doen van de onderneming van een directe concurrent van [gedaagde sub 1] B.V. en diens onderneming, te weten [bedrijfsnaam 6] (‘Overname”).

5. Deze Investering en de Overname zijn gewenst met het oog op de continuiteit van de onderneming van [gedaagde sub 1] B.V.

6. De investeerder heeft te kennen gegeven slechts te willen investeren als de onderneming van [gedaagde sub 1] B.V. geherstructureerd wordt en overigens is een herstructurering in het belang van [gedaagde sub 1] B.V., zijn onderneming en de partijen bij deze intentieverklaring.

7. Onderdelen van deze herstructurering zijn:

o [eiser sub 2] richt, als enig oprichter en aandeelhouder, een nieuwe vennootschap op, [eiseres sub 1] B.V., of een andere naam als nader te bepalen (“ [bedrijfsnaam 4] ”)

o [bedrijfsnaam 4] neemt de Onderneming over door overname van aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V., [bedrijfsnaam 3] Sp. z.o.o. en alle andere vermogensbestanddelen van [gedaagde sub 1] B.V. tenzij expliciet uitgesloten in deze intentieovereenkomst

o expliciet niet worden overgenomen de pensioenvoorziening op de balans van [gedaagde sub 1] B.V. en een of enkele nader te bepalen rekening courantverhoudingen.

8. Partijen bij deze intentieverklaring begrijpen de noodzaak om op korte termijn te handelen om voor alle betrokkenen een zo financieel gunstig mogelijke uitkomst van de situatie te kunnen bewerkstelligen.

9. [eiser sub 2] zal zich inspannen om zo spoedig mogelijk na het implementeren van de herstructurering, [bedrijfsnaam 3] Sp. z.o.o. te herfinancieren voor een bedrag van circa EUR 750.000 om de cash flow van de Onderneming te stimuleren (de “Herfinanciering”).

HOOFDPUNTEN VAN OVERDRACHT ONDERNEMING

Verkoper [gedaagde sub 1] B.V.

+ goedkeuring van:

1. [A]

2. [B]

Koper [bedrijfsnaam 4]

Verkoop en overdracht van Onderneming (van [gedaagde sub 1] B.V.),

waaronder:

1. alle aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V.

2. alle aandelen in [bedrijfsnaam 3] Sp. z.o.o.

3. alle andere vermogensbestanddelen van

[gedaagde sub 1] B.V., met

uitzondering van:

- de pensioenvoorziening op de

balans van [gedaagde sub 1]

B.V.

- een of enkele nader te bepalen

rekening courantverhoudingen

Wanneer de Investering en/of de Overname al

gerealiseerd zijn voor afronding van de

overname van de Onderneming, zullen alle

vermogensbestanddelen en andere zaken

gelieerd aan de Investering en/of de Overname

mee overgaan naar [bedrijfsnaam 4] .

Soort transactie Activa / passiva en aandelenoverdracht van

Nederlandse en Poolse aandelen

Totale koopprijs aandelen Voor de aandelen: EUR 300.000

(…)

Wijze van betaling koopprijs Gefaseerde betaling als volgt:

Aandelen Betaling koopsom voor de aandelen door
Koper ad EUR 300.000 (renteloos) in 10 jaar `

in gelijke delen, waarbij de eerste termijn

vrijvalt op 31 maart 2018.

(…)

Levering Ieder vermogensbestanddeel naar de eisen die

daarvoor bij Nederlands of Pools recht gesteld

worden.

Notaris t.a.v. overdracht [naam notariskantoor]

Nederlandse

vermogensbestanddelen

(…)

Datum levering 23 december 2016, of zoveel later als (i) door

alle partijen bij deze intentieovereenkomst te

bepalen of (ii) nodig is om aan de voorwaarden

in deze intentieovereenkomst te kunnen

voldoen.

(Opschortende) voorwaarden:

1. Oprichting van [bedrijfsnaam 4] door [eiser sub 2]

2. In kaart brengen van alle huidige vermogensbestanddelen van [gedaagde sub 1] B.V. alsmede een fiscale opinie van een terzakekundig fiscalist dat de fiscale eenheid zonder nadelige gevolgen voor [gedaagde sub 1] B.V. verbroken kan worden.

3. Het hypotheekrecht, als zekerheid voor de terugbetaling van de lening die door [A] en [B] aan [gedaagde sub 1] B.V. is verstrekt gevestigd, ten aanzien van het onroerend goed gelegen in Polen, dienstbaar aan de Onderneming ten behoeve van [A] en [B] blijft bestaan (als beschreven onder Wijze van aflossing Lening - hypotheekrecht”.
In een voorkomend geval, indien nodig voor de herfinanciering van de Onderneming bij één of meer banken, zullen [A] en [B] in constructief overleg treden om een rangwisseling van dit hypotheekrecht te bespreken en te bewerkstelligen indien acceptabel voor [A] en [B] .

4. Het vestigen van een eerste recht van pand op de aandelen in [bedrijfsnaam 4] voor zover de aandelen door [eiser sub 2] worden gehouden, welk recht wordt gevestigd ten behoeve van [A] en [B] , als zekerheid voor de (i) terugbetaling van de lening die door [A] en [B] aan [gedaagde sub 1] B.V. is verstrekt en zal worden overgenomen door [bedrijfsnaam 4] en (ii) betaling van de koopprijs ad EUR 300.000.

(…)

5. Alle zekerheden door [A] en [B] aan de Coöperatieve Rabobank in het kader van de financiering van [gedaagde sub 1] B.V. of de Onderneming komen te vervallen uiterlijk 1 januari 2019.

De verplichting tot het doen laten vervallen van de zekerheden uiterlijk 1 januari 2019 zal worden gezekerd door [bedrijfsnaam 4] en [eiser sub 2] ten behoeve van [A] en [B] . De juridisch vormgeving van deze zekerheid zal nog nader besproken worden. Wanneer de zekerheden voor alle

verplichtingen jegens de Coöperatieve Rabobank, niet uiterlijk 1 januari 2019 zijn

komen te vervallen, zullen [A] en [B] - voor zover rechtens mogelijk - pandrechten inroepen, zodanig dat het vervallen van de zekerheden alsnog zo snel mogelijk na 1 januari 2019 bewerkstelligd kan worden.

(…)

Ontbindende voorwaarden:

Indien volgt uit de analyse van een Pools juridisch adviseur van goede naam en faam dat het hypotheekrecht op het onroerend goed gelegen in Polen, dienstbaar aan de Onderneming, niet op eenzelfde wijze kan worden (her)gevestigd of zal voortbestaan (een en ander overeenkomstig het bepaalde in deze overeenkomst, zal geen uitvoering gegeven worden aan deze intentieovereenkomst en zal al het mogelijke gedaan worden om de partijen in dezelfde situatie te brengen als ware geen uitvoering gegeven aan deze intentieovereenkomst.

Andere voorwaarden

1. [A] en [B] werken mee om de herstructurering, de Overname en de Investering te bewerkstelligen (waaronder maar niet beperkt tot het medeondertekenen van een converteerbare

geldleningsovereenkomst, door middel waarvan de derde investeerder in de Onderneming investeert, het medewerken aan contractsovernames, het meewerken aan cessies van vorderingen etc).

2. Totdat [A] en [B] geen enkele zekerheid meer bieden aan één of meer banken ten behoeve van de Onderneming én [eiser sub 2] de totale koopprijs ad EUR 300.000 heeft voldaan en de Lening volledig is afgelost, zal [bedrijfsnaam 4] na het verkrijging van de Onderneming de aandelen in

[bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] Sp. z.o.o. (en/of diens belangrijke

vermogensbestanddelen) niet kunnen vervreemden, anders dan met goedkeuring van [A] en [B] .

Ter voorkoming van misverstanden, op de aandelen in [bedrijfsnaam 3] Sp. z.o.o. kan door [bedrijfsnaam 4] wel een tweede pandrecht worden gevestigd in het kader van de (her)financiering van de Onderneming.

Deze voorwaarde 2. zal dienen te worden uitgewerkt in een overeenkomst, waarbij een verbintenisrechtelijk vervreemdingsverbod zal komen te gelden.

3. Indien de Investering tot stand wordt gebracht, zal een additionele aflossing van EUR 20.000 plaatsvinden op lening verstrekt door [A] en [B] . Het aflossingsschema wijzigt daardoor in de zin dat deze extra aflossing wordt verrekend met de laatste vervaltermijnen van in totaal EUR 20.000 als opgenomen in het schema.

4. Zolang de koopprijs niet volledig is betaald en/of de Lening niet volledig is afgelost, ontvangt Verkoper ontvangt bedrijfsinformatie per kwartaal (P+L en balans) van [bedrijfsnaam 4] , [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] Sp. z.o.o. niet later dan 6 weken na einde kwartaal, alsmede de jaarverslagen van de voornoemde entiteiten niet later dan 3 maanden na afloop van het boekjaar.

OVERIG ALGEMEEN

1. De in deze intentieverklaring genoemde voorwaarden zullen als basis en richtlijn dienen voor verdere onderhandelingen met betrekking tot de voorgenomen transactie. Overeenstemming over de voorgenomen transactie zal pas zijn bereikt bij de totstandkoming van een definitieve koopovereenkomst en bijbehorende

overeenkomsten en afspraken tussen partijen.

2. In aanvulling op de hiervoor genoemde kosten van de levering zal iedere partij haar eigen kosten, gemaakt in verband met de voorgenomen transactie, zelf dragen.

3. Het zal partijen niet zijn toegestaan enig recht of verplichting uit hoofde van deze intentieverklaring aan derden over te dragen zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de andere partij.

4. Deze intentieverklaring wordt beheerst door Nederlands recht. Alle geschillen die tussen partijen mochten ontstaan of zich voordoen naar aanleiding van of in verband met deze intentieverklaring zullen in eerste instantie worden voorgelegd aan de bevoegde rechter te Amsterdam.

(…)”

2.5.

Bij besluit van 1 november 2017 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van [gedaagde sub 1] [eiser sub 2] geschorst als bestuurder van [gedaagde sub 1] .

2.6.

Bij besluit van 16 november 2017 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van [gedaagde sub 1] [eiser sub 2] ontslagen als bestuurder van [gedaagde sub 1] . Dit besluit luidt - voor zover relevant - als volgt:

“(…)

Bij besluit van de vergadering van aandeelhouders van 1 november 2017 is de heer [eiser sub 2] met onmiddellijke ingang geschorst als bestuurder van de vennootschap. De reden van de schorsing was dat de heer [eiser sub 2] van de Vennootschap onder meer de aandelen in een van de dochtermaatschappijen van de Vennootschap wenst te verwerven. De gesprekken tussen de Voorzitter en de heer [eiser sub 2] hierover liepen moeizaam, hetgeen mede zou kunnen samenhangen met het tegenstrijdig belang dat de heer [eiser sub 2] als bestuurder van de Vennootschap en kandidaat koper heeft. De heer [eiser sub 2] is als bestuurder van de vennootschap geschorst, opdat de mogelijke verkoop van activa aan de heer [eiser sub 2] in onafhankelijkheid kan worden afgewogen.

De heer [eiser sub 2] is per e-mail van 3 november 2017 niet alleen uitgenodigd voor deze vergadering van aandeelhouders, maar ook is aan hem medegedeeld dat hij zijn visie op de schorsing zal kunnen geven. Van de reden van de schorsing, het tegenstrijdig belang, is de heer [eiser sub 2] ook op de hoogte gebracht.

De heer [eiser sub 2] heeft zijn visie op de schorsing niet gedeeld. De vergadering van aandeelhouders ziet geen aanleiding de schorsing te heroverwegen.

Het ontslag van de heer [eiser sub 2] als bestuurder van de Vennootschap stond aanvankelijk slechts op de agenda in verband met zijn mogelijk tegenstrijdig belang in verband met de overname van de activa van de Vennootschap. Na de schorsing heeft de heer [eiser sub 2] de Voorzitter echter zeer veel berichten gestuurd met onder meer onaanvaardbare verwensingen en bedreigingen. Een gedeelte van deze berichten is ter vergadering besproken en aan deze notulen gehecht. Daarnaast is gebleken dat de heer [eiser sub 2] zonder medeweten van de Voorzitter een managementovereenkomst tussen de Vennootschap en hemzelf en een managementovereenkomst tussen […] en hemzelf heeft opgemaakt en deze overeenkomsten valselijk namens de Voorzitter heeft ondertekend. Ook deze overeenkomsten zijn aan deze notulen gehecht. Tot slot is gebleken dat de heer [eiser sub 2] zonder recht of titel op machines/activa van dochtermaatschappijen van de Vennootschap bordjes heeft aangebracht met de aanduiding dat de rechtspersoon [bedrijfsnaam 7] eigenaar van die machines/activa zou zijn. De foto’s hiervan zijn tevens aan deze notulen gehecht.

Deze feiten vormen zowel tezamen als ieder voor zich grond voor een direct ontslag van de heer [eiser sub 2] als bestuurder van de Vennootschap. De heer [eiser sub 2] is enkele dagen voorafgaande aan deze vergadering in staat gesteld te reageren op het voornemen hem als bestuurder te ontslaan vanwege de genoemde berichten aan de Voorzitter, maar heeft daarop gereageerd met nog meer berichten met onaanvaardbare verwensingen en bedreigingen.

De Voorzitter stelt vast dat bovengenoemde punten zowel afzonderlijk als tezamen voldoende gronden voor ontslag opleveren.

De Voorzitter meldt dat de heer [eiser sub 2] heeft aangegeven zich tegen zijn schorsing/ontslag te verzetten. Hij is niet aanwezig om zich over het voornemen tot ontslag uit te laten. (…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres sub 1] c.s. vordert samengevat - het volgende:

I. primair: dat [gedaagde sub 1] c.s. veroordeeld wordt tot het verrichten van alle handelingen die nodig zijn voor de overdracht van de aandelen van [gedaagde sub 1] in [bedrijfsnaam 3] aan [eiseres sub 1] en het vervolgens vestigen van een pandrecht op die aandelen, bij gebreke waarvan het vonnis in de plaats treedt van een in wettige vorm opgemaakte akte van [gedaagde sub 1] c.s.,

II. subsidiair: dat [gedaagde sub 1] en voor zover nodig de [gedaagde sub 2] veroordeeld worden tot dooronderhandelen teneinde binnen 2 weken alle handelingen verricht te hebben die nodig zijn voor de overdracht van de aandelen in [bedrijfsnaam 3] aan [eiseres sub 1] en het vervolgens vestigen van een pandrecht op die aandelen,

III. subsidiair: dat [gedaagde sub 1] en voor zover nodig de [gedaagde sub 2] verboden wordt om met derden te onderhandelen en te contracteren over de onderwerpen die geregeld zijn in de LOI, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

IV. dat de besluiten tot schorsing en ontslag van [eiser sub 2] als bestuurder van [gedaagde sub 1] en [bedrijfsnaam 3] voor onbepaalde tijd worden geschorst, althans tot het moment van overdracht van de aandelen,

V. dat [gedaagde sub 1] veroordeeld wordt om in de Nederlandse en Poolse handelsregisters in te schrijven en ingeschreven te laten dat [eiser sub 2] onafgebroken bestuurder van [gedaagde sub 1] en [bedrijfsnaam 3] is gebleven, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

VI. dat [gedaagde sub 1] c.s. veroordeeld wordt te gehengen en te gedogen dat [eiser sub 2] zijn functie als bestuurder van [gedaagde sub 1] en [bedrijfsnaam 3] ongehinderd zal kunnen uitoefenen,

VII. dat [gedaagde sub 1] veroordeeld wordt om de blokkade van de zakelijke creditcard en intrekking van de zakelijke bankmachtigingen in te trekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

VIII. dat [gedaagde sub 1] veroordeeld wordt om aan [eiser sub 2] een bedrag te betalen van € 30.000 uit hoofde van een rekening-courantschuld, en een bedrag van € 15.000 uit hoofde van een voorschot op de maandelijkse vergoedingsaanspraken wegens zijn werkzaamheden als bestuurder van [gedaagde sub 1] en [bedrijfsnaam 3] ,

IX. dat [gedaagde sub 1] c.s. veroordeeld wordt in de kosten van de procedure.

3.2.

[gedaagde sub 1] c.s. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Rechtsmacht

4.1.

Nu een deel van de vorderingen ziet op handelingen die zijn verricht dan wel moeten worden verricht met betrekking tot een in Polen gevestigde vennootschap, [bedrijfsnaam 3] , rijst de vraag of de Nederlandse voorzieningenrechter bevoegd is om van die vorderingen kennis te nemen.

4.2.

Voor zover het gaat om de vordering tot overdracht van de aandelen van [gedaagde sub 1] in de Poolse vennootschap, is de voorzieningenrechter van oordeel dat die rechtsmacht voortvloeit uit de forumkeuze die is opgenomen in artikel 4 van de LOI (artikel 25 EU-verordening 1215/2012 (hierna: Brussel Ibis-Vo).

De vordering tot schorsing van het schorsings- en ontslagbesluit van [eiser sub 2] als bestuurder van [bedrijfsnaam 3] betreft geen definitieve beslissing over de geldigheid van deze besluiten als bedoeld in artikel 24 lid 2 van de Brussel Ibis-verordening (vgl. Hof van Justitie 12 juli 2012 ECLI:EU:C:2012:445, r.o. 49), zodat deze bepaling niet aan de rechtsmacht van de voorzieningenrechter op de voet van artikel 35 van deze verordening in de weg staat. Aan het vereiste van een reële band van deze vordering met Nederland is voldaan, nu de besluiten (zouden) zijn genomen door een in Nederland gevestigde aandeelhouder en zien op een in Nederland woonachtige bestuurder.

4.3.

De voorzieningenrechter is echter niet bevoegd om kennis te nemen van de vordering tot inschrijving in het Poolse handelsregister van [eiser sub 2] als bestuurder van [bedrijfsnaam 3] . Immers, dit betreft wel een definitieve beslissing over de geldigheid van een inschrijving in een openbaar register als bedoeld in artikel 24 lid 3 van de Brussel Ibis-Vo. In zoverre zal de voorzieningenrechter dan ook zich dan ook onbevoegd verklaren.

Nakoming LOI

4.4.

De kern van het geschil tussen partijen betreft het antwoord op de vraag of de LOI een rechtens afdwingbare overeenkomst is. [eiseres sub 1] c.s. betoogt van wel, en beroept zich daarop ter onderbouwing van zijn primaire vordering (onder I). [gedaagde sub 1] c.s. stelt van niet, en vindt dat het haar is toegestaan om (in verband met de schulden van de vennootschap) tot verkoop van het bedrijfspand van [bedrijfsnaam 3] aan een derde over te gaan.

4.5.

Of sprake is van een rechtens afdwingbare overeenkomst moet worden beoordeeld aan de hand van wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs hebben afgeleid en mochten afleiden.

4.6.

De voorzieningenrechter constateert dat de LOI ziet op een beoogde overname van de onderneming van [gedaagde sub 1] door een door [eiser sub 2] op te richten onderneming. In de LOI is omschreven op welke onderdelen van de onderneming de overdracht ziet (alle vermogensbestanddelen, waaronder de aandelen in haar dochtermaatschappijen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] , en met uitsluiting van de pensioenvoorziening en enkele rekening-courantverhoudingen) en welke koopprijs daarvoor moet worden betaald (€ 300.000). Voorts zijn diverse (opschortende en ontbindende) voorwaarden vermeld die het moment zouden bepalen waarop levering van de onderneming zou plaatsvinden.

4.7.

Naar het oordeel van voorzieningenrechter is hiermee voldaan aan de essentialia voor het bestaan van een (in beginsel rechtens afdwingbare) koopovereenkomst.

4.8.

Daar staat tegenover dat partijen in artikel 1 van de LOI (p. 9) expliciet hebben bepaald dat overeenstemming over de voorgenomen transactie pas zou worden bereikt “bij de totstandkoming van een definitieve koopovereenkomst en bijbehorende overeenkomsten en afspraken tussen partijen”. Een dergelijke clausule is evenwel niet alles bepalend, en de werking daarvan is afhankelijk van verklaringen en gedragingen van partijen nadien.

4.9.

In dit verband acht de voorzieningenrechter van belang dat partijen op de volgende punten reeds uitvoering hebben gegeven aan de afspraken die in de LOI zijn opgenomen:

  • -

    [eiser sub 2] heeft de in de LOI bedoelde onderneming, [eiseres sub 1] , opgericht;

  • -

    in december 2016 is een geldleningovereenkomst tot stand gekomen tussen [gedaagde sub 1] en een derde, [bedrijfsnaam 5] B.V., ter verstrekking van een geldlening van € 150.000, die mede is ondertekend door [A] en zijn echtgenote, welke lening was bedoeld voor verbetering van de cashflow van de onderneming van [gedaagde sub 1] na overname door [eiseres sub 1] ,

  • -

    vaststaat dat [eiseres sub 1] de rechtspositie van [gedaagde sub 1] uit hoofde van deze geldlening na haar oprichting heeft overgenomen, waardoor op dit moment op [eiseres sub 1] de verplichting rust tot het betalen van aflossing en rente, terwijl de geldsom is verstrekt aan [gedaagde sub 1] en aan deze vennootschap ter beschikking staat,

  • -

    van de hiervoor bedoelde geldsom heeft een extra aflossing van € 20.000 plaatsgevonden op de lening die is verstrekt aan [gedaagde sub 1] door [A] en zijn echtgenote, zoals bepaald in voorwaarde 3 op pagina 8 van de LOI,

  • -

    [A] heeft bij e-mail van 6 september 2017 (productie 18 pagina 1 van [eiseres sub 1] c.s.) aan [eiser sub 2] het volgende verklaard: “Met een druk op de knop kan [C] [notaris; toevoeging voorzieningenrechter] van de LOI een definitief contact maken met de juiste juridische titulatuur erin. We zien hem gaarne tegemoet via [D] [advocaat [gedaagde sub 1] ; toevoeging voorzieningenrechter]”,

  • -

    door de in de LOI aangewezen notaris ( [E] , van het zelfde kantoor als [C] ) is op 27 september 2017 op basis van de LOI een concept-overeenkomst opgesteld tot overdracht van de aandelen van [gedaagde sub 1] in [bedrijfsnaam 3] aan [eiseres sub 1] (productie 12 van [eiseres sub 1] c.s.),

  • -

    door deze notaris is op dezelfde datum op basis van de LOI ook een concept-akte van verpanding van de aandelen van [eiseres sub 1] in [bedrijfsnaam 3] opgesteld (productie 13 van [eiseres sub 1] c.s.).

4.10.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiseres sub 1] c.s. op basis van de hiervoor vermelde verklaringen en uitvoeringshandelingen het vertrouwen mogen hebben dat sprake was van een definitieve overeenkomst tot overname van de onderneming van [gedaagde sub 1] , en dat de onder 4.8 bedoelde clausule haar werking had verloren.

4.11.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de LOI (thans) moet worden aangemerkt als een rechtens afdwingbare koopovereenkomst, zodat [eiseres sub 1] c.s. daarvan nakoming kan vorderen.

4.12.

Of er op dit moment een aanspraak bestaat op levering van de aandelen en overige vermogensbestanddelen van [gedaagde sub 1] is echter afhankelijk van de vraag of is voldaan aan de daarvoor in de LOI gestelde voorwaarden. Daarover is in de LOI bepaald dat levering zal plaatsvinden op “23 december 2016 of zoveel later als […] nodig is om aan de voorwaarden in deze intentieovereenkomst te kunnen voldoen”. In de LOI zijn in dit kader de volgende voorwaarden opgenomen die de voorzieningenrechter in het navolgende zal nalopen:

opschortende voorwaarden (p. 6/7):

  1. de hier bedoelde onderneming is opgericht (namelijk [eiseres sub 1] );

  2. niet betwist is dat de vermogensbestanddelen van [gedaagde sub 1] in kaart zijn gebracht en dat er een fiscale opinie is uitgebracht over eventuele nadelige gevolgen van verbreking van de fiscale eenheid voor [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] c.s. betoogt dat twee onderwerpen in die fiscale opinie niet worden behandeld, namelijk het risico dat de fiscus de verkoop van de onderneming als paulianeus zal vernietigen, en het risico dat de fiscus alsnog over zal gaan tot heffing van loon- of inkomstenbelasting over de pensioenreserve in [bedrijfsnaam 1] BV. Voor deze onderwerpen geldt naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter dat [gedaagde sub 1] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze gevolgen betreffen van het verbreken van de fiscale eenheid tussen [gedaagde sub 1] en de over te dragen werkmaatschappijen. Het eerste onderwerp betreft de vernietigbaarheid van de rechtshandeling zelf, en bij het tweede onderwerp is de relatie tussen het risico op een andere behandeling van de pensioenreserve en de verbreking van de fiscale eenheid als zodanig niet duidelijk gemaakt. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat de in dit kader uitgebrachte fiscale opinie niet voldoet aan hetgeen daarover in de LOI als voorwaarde is opgenomen;

  3. de voorwaarde dat het in deze voorwaarde bedoelde hypotheekrecht blijft bestaan, behoeft geen uitvoering, zodat deze voorwaarde niet in de weg staat aan levering van de onderneming;

  4. voor het vestigen van het hier bedoelde pandrecht ligt een concept-pandakte gereed (productie 13 van [eiseres sub 1] c.s.);

  5. voor het vervallen van de door [A] en zijn echtgenote aan de Rabobank verstrekte zekerheden per 1 januari 2019 is geen uitvoering vereist voorafgaande aan de levering. Wanneer die zekerheden niet vervallen, kunnen - zoals in de LOI bepaald - [A] en zijn echtgenote een nog te vestigen pandrecht inroepen;

ontbindende voorwaarde (p. 7):

dat het hypotheekrecht op het onroerend goed van [bedrijfsnaam 3] in Polen niet kan worden hergevestigd of voortbestaan, is door [gedaagde sub 1] c.s. niet gesteld, zodat niet geoordeeld kan worden dat deze ontbindende voorwaarde zich voordoet;

andere voorwaarden (p. 7/8):

  1. de medewerkingsverplichting van [A] en zijn echtgenote behoeft geen nadere uitvoering voorafgaand aan de levering;

  2. hetzelfde geldt voor het hier bedoelde vervreemdingsverbod;

  3. vaststaat dat de hier bedoelde additionele aflossing van € 20.000 heeft plaatsgevonden;

  4. de verplichting tot verstrekking van bedrijfsinformatie gaat pas in na overdracht van de onderneming, en staat derhalve evenmin aan levering in de weg.

4.13.

[gedaagde sub 1] c.s. stelt dat nog niet is voldaan aan de voorwaarde:

  • -

    dat de over te dragen onderneming in Polen van herfinanciering is voorzien; volgens haar kan hieraan ook niet meer worden voldaan vanwege een schuld aan het Poolse staatsorgaan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van taken op het gebied van sociale zaken, en

  • -

    dat verbetering van continuïteit heeft plaatsgevonden; daaraan is volgens haar niet voldaan, omdat de aankoop van concurrent [bedrijfsnaam 6] uiteindelijk geen doorgang heeft gevonden.

4.14.

De voorzieningenrechter kan uit de LOI niet afleiden dat dit voorwaarden zijn die partijen hebben beoogd te stellen aan de overdracht van de onderneming. Uit overweging 6 van de LOI lijkt eerder te volgen dat het de bedoeling was van partijen om eerst de onderneming van [gedaagde sub 1] te herstructureren voordat tot herfinanciering en verbetering van de continuïteit zou worden overgegaan.

4.15.

Uit het voorgaande volgt dat aan de in de LOI opgenomen voorwaarden is voldaan, zodat levering van de onderneming door [gedaagde sub 1] aan [eiseres sub 1] kan plaatsvinden.

De daartoe strekkende vordering is derhalve in beginsel toewijsbaar.

4.16.

De voorzieningenrechter merkt wel op dat de vordering van [eiseres sub 1] c.s. ziet op overdracht van alleen de aandelen van [gedaagde sub 1] in [bedrijfsnaam 3] , terwijl in de LOI is overeengekomen om tevens dochtermaatschappij [bedrijfsnaam 2] over te dragen. Ter zitting heeft [eiseres sub 1] c.s. evenwel aangegeven dat hij ook bereid is om mee te werken aan gelijktijdige overdracht van laatstgenoemde werkmaatschappij. De voorzieningenrechter zal de vordering onder die voorwaarde toewijzen, nu niet valt uit te sluiten dat een overdracht van alleen de aandelen van [gedaagde sub 1] in [bedrijfsnaam 3] als paulianeus (als bedoeld in artikel 3:45 BW) zou kunnen worden aangemerkt. Immers, vaststaat dat [bedrijfsnaam 2] (die in het concern degene was die de opdracht gaf aan [bedrijfsnaam 3] tot productie van de bestelde paperclips) uit hoofde van deze opdrachten nog een aanzienlijke BTW-schuld heeft aan de fiscus (volgens het als productie 7 door [gedaagde sub 1] c.s. overgelegde, en door [eiseres sub 1] c.s. onvoldoende weersproken overzicht per oktober 2017: € 310.000), terwijl haar vermogenspositie € 500.000 negatief is. [bedrijfsnaam 3] is vanwege de waarde van haar bedrijfspand een onderneming met een positieve vermogenspositie (1,1 miljoen). Overdracht van alleen de aandelen van [gedaagde sub 1] in [bedrijfsnaam 3] zou de fiscus ernstig kunnen benadelen in de verhaalbaarheid van haar vordering. In zo’n geval is de kans op vernietiging van de overdracht zodanig dat van [gedaagde sub 1] c.s. niet kan worden gevergd dat zij haar medewerking verleend aan overdracht van alleen [bedrijfsnaam 3] aan [eiseres sub 1] .

4.17.

De voorzieningenrechter volgt [gedaagde sub 1] c.s. niet in haar stelling dat dit zou gelden voor de gehele transactie, omdat na overdracht voor [gedaagde sub 1] slechts een vordering tot betaling van de koopsom in termijnen zou resteren. Niet gesteld of gebleken is dat de koopsom die [eiseres sub 1] betaalt voor de vermogensbestanddelen van [gedaagde sub 1] , waaronder de aandelen in haar werkmaatschappijen, geen reële koopsom zou zijn, zodat de fiscus zich bij niet-betaling van de belastingschuld daarop kan verhalen. Indien het feit dat de betaling in termijnen plaatsvindt, al paulianeus zou zijn, kan de fiscus tot vernietiging van de overdracht overgaan en vervolgens rechtstreeks verhaal nemen op de overwaarde van het bedrijfspand van [bedrijfsnaam 3] . Die dreiging zal voldoende zijn om [eiseres sub 1] te bewegen af te zien van haar recht om de koopsom in termijnen te betalen, en deze alsnog in een keer te voldoen.

4.18.

Hetzelfde geldt voor de stelling van [gedaagde sub 1] dat de overdracht van activa van [bedrijfsnaam 2] aan [bedrijfsnaam 3] (waarbij kennelijk wordt gedoeld op de rechten uit hoofde van intellectuele eigendom die [bedrijfsnaam 2] heeft met betrekking tot het produceren van paperclips) paulianeus is. Zoals [eiser sub 2] onweersproken heeft verklaard, is voor deze overdracht betaald (door de koopsom in mindering te brengen op de crediteurenpositie). Voor zover deze overdracht toch paulianeus zou zijn, verandert er voor [gedaagde sub 1] niets, indien de fiscus tot vernietiging van deze rechtshandeling zou overgaan. Immers, indien de aandelen in [naam] tegelijkertijd met die in [bedrijfsnaam 3] worden overgedragen aan [eiseres sub 1] , zoals blijkens het voorgaande de voorwaarde is waaronder de vordering wordt toegewezen, kan deze overdracht eenvoudig worden teruggedraaid, waarna alsnog verhaal op de IE-rechten kan plaatsvinden.

4.19.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering tot overdracht van de aandelen in [bedrijfsnaam 3] zal worden toegewezen onder de voorwaarde dat gelijktijdig ook de aandelen in [naam] worden overgedragen. Wel zal een ruimere termijn dan gevorderd worden gegeven om aan het gevorderde te voldoen. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen op de wijze als in het dictum is vermeld.

Rechtsgeldigheid schorsings- en ontslagbesluiten

4.20.

Beoordeeld dient te worden of in zodanige mate aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de schorsings- en ontslagbesluiten ten aanzien van [eiser sub 2] niet rechtsgeldig tot stand gekomen zijn, dat in het kader van dit kort geding schorsing van deze besluiten dient plaats te vinden. In dit kader zal (zowel de Poolse als de Nederlandse) bodemrechter belang hechten aan zowel een procedureel juiste gang van zaken voorafgaande aan de besluitvorming als de aanwezigheid van een voldoende inhoudelijke grond om tot schorsing en ontslag over te gaan.

4.21.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat [gedaagde sub 1] c.s. weliswaar stelt dat er schorsings- en ontslagbesluiten zijn genomen ten aanzien van [eiser sub 2] zowel als bestuurder van [gedaagde sub 1] alsook als bestuurder van [bedrijfsnaam 3] , maar zij heeft in dit kader alleen een beroep gedaan op de notulen van de vergadering van 1 november 2017 die door haar zijn overgelegd als productie 2, en de notulen van de vergadering van 16 november 2017, die door [eiseres sub 1] c.s. zijn overgelegd als productie 7. Deze besluiten zien alleen op de schorsing en het ontslag van [eiser sub 2] als bestuurder van [gedaagde sub 1] , en niet op die als bestuurder van [bedrijfsnaam 3] . Gelet hierop kan er niet van worden uitgegaan dat de algemene vergadering van aandeelhouders van [bedrijfsnaam 3] überhaupt een besluit tot schorsing en ontslag heeft genomen van [eiser sub 2] als bestuurder van deze vennootschap.

4.22.

Als het gaat om de procedurele gang van zaken ten aanzien van de door de ava van [gedaagde sub 1] genomen besluiten geldt op basis van artikel 14 lid 3 van de statuten van [gedaagde sub 1] dat een voor schorsing of ontslag voorgedragen persoon in de gelegenheid moet worden gesteld zich te verantwoorden of te verdedigen bij de vergadering van de algemene vergadering van aandeelhouders waar dit ter besluitvorming voorligt.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft niet betwist dat [eiser sub 2] niet is opgeroepen voor de algemene vergadering van aandeelhouders van 1 november 2017 waar het besluit tot schorsing van haar is genomen. In zoverre lijdt dit besluit derhalve aan een procedureel gebrek. Dat [eiser sub 2] na het nemen van het schorsingsbesluit alsnog in de gelegenheid gesteld is om zich daarover uit te laten, neemt dit gebrek niet weg.

4.23.

Ter zake van het voorgenomen ontslag heeft wel een oproeping van [eiser sub 2] plaatsgevonden (zie productie 3 van [gedaagde sub 1] c.s.), maar deze oproep ziet alleen op het voorgenomen ontslag van [eiser sub 2] als bestuurder van [gedaagde sub 1] (en niet op [bedrijfsnaam 3] ). Daarbij komt dat in deze oproeping niet alle gronden zijn genoemd die uiteindelijk tot dit ontslagbesluit hebben geleid. Alleen wordt gerefereerd aan het bestaan van een “mogelijk tegenstrijdig belang” tussen [eiser sub 2] als koper en bestuurder van [gedaagde sub 1] (eerste ontslaggrond van het ontslagbesluit; zie 2.6). In de e-mail van 13 november 2017 (laatste twee pagina’s van productie 18 van [eiseres sub 1] c.s.) wordt nog gewezen op berichten van [eiser sub 2] aan [A] waarmee “iedere fatsoensnorm” zouden zijn overschreden (tweede ontslaggrond), maar geen melding wordt gemaakt van een managementovereenkomst die door [eiser sub 2] valselijk namens [A] zou zijn ondertekend (derde ontslaggrond), noch over het aanbrengen van bordjes op machines van [bedrijfsnaam 3] met een aanduiding van een andere vennootschap “ [bedrijfsnaam 7] ” als eigenaar (vierde ontslaggrond).

4.24.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter brengt de in de statuten opgenomen eis om een bestuurder in de gelegenheid te stellen zich te verantwoorden of te verdedigen ter zake van een voorgenomen schorsing of ontslag mee dat hij ook voorafgaand aan de vergadering op de hoogte wordt gebracht van de gronden op basis waarvan de algemene vergadering van aandeelhouders dit voornemen heeft. Immers, pas dan kan de bestuurder een afgewogen besluit nemen in hoeverre het zinvol is om een verdediging te voeren. Dit geldt ook in het onderhavige geval, nu het gestelde tegenstrijdig belang van [eiser sub 2] door de ava al voldoende werd geacht om hem als bestuurder schorsen, en hij het verzenden van de betreffende berichten niet betwistte. Ten aanzien van de overige twee gronden had hij wel een verdediging, zoals hierna zal blijken, en had hij de gelegenheid moeten krijgen om die te voeren.

4.25.

Ook inhoudelijk gezien valt er op de besluiten het nodige aan te merken:

  • -

    een tegenstrijdig belang tussen de hoedanigheid van bestuurder en beoogd koper van een vennootschap doet zich in een familiebedrijf als het onderhavige wel meer voor, en is als zodanig niet zwaarwegend genoeg om tot schorsing of ontslag over te gaan. Bovendien bestond dit tegenstrijdig belang al bij het sluiten van de LOI, en was het toen kennelijk geen aanleiding om de LOI niet aan te gaan of [eiser sub 2] te laten terugtreden. De vermelde concrete uitingsvorm van dit “mogelijke tegenstrijdig belang”, zoals ten grondslag lag aan het schorsingsbesluit en het ontslagbesluit, betrof het moeizaam verlopen van de gesprekken tussen [eiser sub 2] en [A] . Dat is evenwel naar het oordeel van voorzieningenrechter onvoldoende om een tegenstrijdig belang aan te nemen, laat staan om aan te nemen dat dit moeizaam verlopen van de gesprekken een gevolg is van een tegenstrijdig belang. Ter zitting heeft [gedaagde sub 1] c.s. hieraan nog toegevoegd dat het tegenstrijdig belang zou blijken uit het feit dat [eiser sub 2] kosten van zijn adviseurs wel liet betalen door [gedaagde sub 1] , en die van [A] niet, maar deze omstandigheid is niet aan het schorsingsbesluit en het ontslagbesluit ten grondslag gelegd. Ook het sturen van een sommatiebrief aan [gedaagde sub 1] (om de koopovereenkomst na te komen) en het niet delen van twijfel van een notaris over het al dan niet paulianeuze karakter van de verkoop is niet aan de besluiten ten grondslag gelegd. Daarnaast is het ook als zodanig materieel gezien onvoldoende om een tegenstrijdig belang aan te nemen.

  • -

    De bedoelde verwensingen en bedreigingen door [eiser sub 2] aan het adres van [A] beginnen, zo leidt de voorzieningenrechter af uit de bijlage bij de notulen van de vergadering van 16 november 2017, na de schorsing van [eiser sub 2] als bestuurder, zonder dat deze voorafgaand is gehoord, en zonder (zo blijkt uit het voorgaande) deugdelijke grond. Daarnaast worden deze onvriendelijke berichten gevoed door het feit dat [A] en zijn echtgenote de na jaren onderhandelen tot stand gekomen LOI niet meer willen nakomen, maar in plaats daarvan het bedrijfspand van [bedrijfsnaam 3] in Polen willen verkopen, waarmee zij, zoals blijkt uit het voorgaande, handelen in strijd met de LOI. Daarmee is - hoewel de gebruikte taal niet aanvaardbaar is - begrijpelijk waarom [eiser sub 2] boos is op zijn ouders, en in het bijzonder zijn vader. Daarbij komt dat bij een familiebedrijf als het onderhavige familieleden meer moeten accepteren dan eigenaars van een bedrijf waarbij betrokkenen alleen een zakelijke verhouding met elkaar hebben. Mede gelet op het feit dat [eiser sub 2] 20 jaar lang het familiebedrijf heeft geleid zonder feitelijke betrokkenheid van [A] , rechtvaardigden deze uitingen van boosheid geen ontslag.
    Ten aanzien van het e-mailbericht van 23 november 2017, dat [gedaagde sub 1] c.s. als productie 14 heeft overgelegd, aan werknemer [F] , geldt dat dit bericht niet aan het ontslagbesluit ten grondslag ligt, en dus in zoverre het besluit niet kan rechtvaardigen. Daarbij geldt ook hier dat oorzaak en gevolg niet met elkaar verward moeten worden: het e-mailbericht van 23 november 2017 met verwensingen aan het adres van [F] volgde op het (zoals blijkt uit het voorgaande) onterechte ontslagbesluit en het kiezen door [F] van de kant van [A] . Een kat in het nauw kan dan rare sprongen maken.

  • -

    [eiser sub 2] betwist niet dat hij de handtekening van zijn vader op de managementovereenkomst heeft vervalst, maar stelt dat dit al 20 jaar gebruikelijk was in de onderneming. [A] heeft dit betwist, maar stelt niet hoe het kan dat in een onderneming waarbij kennelijk de bestuurders alleen gezamenlijk bevoegd zijn om bepaalde rechtshandelingen te verrichten, nooit om zijn handtekening is gevraagd. Vooralsnog gaat de voorzieningenrechter dan ook uit van de juistheid van de stelling van [eiser sub 2] op dit punt.

  • -

    Ten aanzien van het verwijt dat er bordjes op de machines van [bedrijfsnaam 3] zijn aangebracht waaruit zou blijken dat de rechtspersoon [bedrijfsnaam 7] de eigenaar zou zijn, geldt dat in het kader van dit kort geding niet duidelijk is geworden hoe dit feitelijk en rechtens zit. [eiser sub 2] heeft in dit kader een op zichzelf begrijpelijke verklaring gegeven, namelijk dat de machines zouden dienen als zekerheid voor een door [bedrijfsnaam 7] verstrekte geldlening. Of het aanbrengen van bordjes naar Pools recht ook gevolgen heeft voor de eigendom daarvan, is gesteld noch gebleken.

4.26.

Uit het voorgaande volgt dat het bestaan van schorsings- en ontslagbesluiten ten aanzien van [bedrijfsnaam 3] niet is komen vast te staan en dat er zodanige formele en materiële gebreken kleven aan de ten aanzien van [eiser sub 2] als bestuurder van [gedaagde sub 1] genomen schorsings- en het ontslagbesluiten dat aannemelijk is dat de bodemrechter deze besluiten zal vernietigen. Dit betekent dat de vordering tot schorsing van deze besluiten voor toewijzing in aanmerking komt. Hetzelfde geldt voor de daaraan gelieerde vorderingen die ertoe strekken om [eiser sub 2] weer in staat te stellen te handelen als bestuurder van [gedaagde sub 1] en [bedrijfsnaam 3] .

Geldvordering

4.27.

De voorzieningenrechter begrijpt dat de geldvordering mede verband houdt met het feit dat - zoals [eiser sub 2] ter zitting onweersproken heeft gesteld - hij sinds zijn ontslag als bestuurder geen managementvergoeding meer ontvangt. Nu mag worden aangenomen dat [eiser sub 2] met deze vergoeding in zijn levensonderhoud voorziet, is de vordering in zoverre voldoende spoedeisend. Dat de managementvergoeding € 15.000 per maand bedraagt, wordt bevestigd door het door [gedaagde sub 1] c.s. overgelegde overzicht (productie 15), zodat de vordering in zoverre (over 1 maand) zal worden toegewezen. Voor het overige heeft [eiser sub 2] zijn geldvordering onvoldoende onderbouwd om deze in kort geding te kunnen toewijzen.

Proceskosten

4.28.

[gedaagde sub 1] c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres sub 1] c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 80,42

- griffierecht 1.924,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 2.820,42

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering tot inschrijving van [eiser sub 2] als bestuurder van [bedrijfsnaam 3] in het Poolse handelsregister en tot handhaving van die inschrijving,

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s., onder de voorwaarde dat daarbij gelijktijdig ook de aandelen in [naam] aan [eiseres sub 1] in eigendom worden overgedragen, om binnen 2 maanden na heden alle noodzakelijke handelingen te verrichten die nodig zijn om:

- de aandelen in [bedrijfsnaam 3] in eigendom over te dragen aan [eiseres sub 1] , één en ander conform de afspraken zoals neergelegd in de LOI en de concept-koopovereenkomst (productie 12 van [eiseres sub 1] c.s.),

- het pandrecht te vestigen op de aandelen van [eiseres sub 1] in [bedrijfsnaam 3] conform de afspraken zoals neergelegd in de LOI en de concept-pandakte (productie 13 van [eiseres sub 1] c.s.),

5.3.

bepaalt dat, indien [gedaagde sub 1] c.s. niet aan het onder 5.2 bepaalde voldoet, dit vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van [gedaagde sub 1] c.s. voor elke rechtshandeling die nodig is om de onder 5.2 bedoelde leveringen van aandelen en vestiging van pandrecht te bewerkstelligen,

5.4.

verstaat dat er geen besluit tot schorsing en ontslag van [eiser sub 2] als bestuurder van [bedrijfsnaam 3] is genomen,

5.5.

schorst de besluiten strekkende tot schorsing en ontslag van [eiser sub 2] als bestuurder van [gedaagde sub 1] , tot het moment dat de aandelen van [gedaagde sub 1] in [bedrijfsnaam 3] en [naam] zijn overgedragen aan [eiseres sub 1] ,

5.6.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis in het Nederlandse handelsregister in te laten schrijven en ingeschreven te laten dat [eiser sub 2] onafgebroken bestuurder is gebleven van [gedaagde sub 1] , alsmede om de blokkade van de zakelijke creditcard en intrekking van de zakelijke bankmachtigingen ongedaan te maken,

5.7.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. om met onmiddellijke ingang toe te laten dat [eiser sub 2] zijn functie als bestuurder van [gedaagde sub 1] en [bedrijfsnaam 3] ongehinderd zal kunnen uitoefenen,

5.8.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en de [gedaagde sub 2] om aan [eiseres sub 1] c.s. een dwangsom te betalen van € 1.000,00 per dag dat zij nalatig zijn om aan de voor hen geldende veroordelingen onder 5.6 en 5.7 te voldoen, totdat een maximum van € 100.000,00 zal zijn bereikt,

5.9.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eiser sub 2] te betalen een bedrag van € 15.000,00 (vijftienduizend euro) door overmaking van dit bedrag, binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis, op bankrekening [rekeningnummer] t.n.v. [naam stichting] te [vestigingsplaats] ,

5.10.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres sub 1] c.s. tot op heden begroot op € 2.820,42,

5.11.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.12.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2017.1

1 type: WV/4208 coll: RS/4234