Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:6282

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-10-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 986
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking van recht op bijstand en terugvordering ten onrechte verstrekte bijstand, wegens niet bijstandbehoeftige omstandigheden, vrije beschikking over bankrekening ouders. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/986

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. Bredius),

en

Dagelijks Bestuur Werk en Inkomen Lekstroom, verweerder

(gemachtigde: mr. D.G. Berkenbosch).

Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres met ingang van 9 januari 2015 ingetrokken.

Bij besluit van 26 oktober 2016, verzonden op 1 november 2016, (het primaire besluit 2) heeft verweerder de ten onrechte aan eiseres verstrekte bijstand over de periode van 9 januari 2015 tot en met 31 augustus 2016 ter hoogte van een bedrag van € 22.034,57 teruggevorderd.

Bij besluit van 9 november 2016, verzonden op 11 november 2016, (het primaire besluit 3) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 5.290,- zijnde 50% van het

benadelingsbedrag.

Bij besluit van 15 februari 2017 heeft verweerder de terugvordering gebruteerd en het restbedrag vastgesteld op € 9.693,50 bruto.

Bij besluit van 16 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het boetebedrag vastgesteld op € 5.281,50 en de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres ontvangt vanaf 14 mei 2013 bijstand naar de norm van een alleenstaande. Uit een onderzoek door verweerder naar bankafschriften is gebleken dat eiseres en haar zus beschikken over zogeheten ‘gemachtigde bankpassen’ van de bankrekening die op naam staat van hun ouders. Tevens heeft verweerder vastgesteld dat er sprake is van contante stortingen en opnames van die rekening door eiseres. Eiseres heeft van zowel de beschikking van de bankpas als van het gebruik van de rekening geen melding gemaakt. Dit heeft geleid tot de besluitvorming zoals hiervoor weergegeven onder ‘procesverloop’.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder - kort weergegeven - ten grondslag gelegd dat uit het pingedrag van eiseres blijkt dat zij feitelijk kon beschikken over de bankrekening die op naam staat van haar ouders. Eiseres heeft niet onderbouwd dat zij alleen gebruik maakt van de rekening ten behoeve van haar moeder en zelf slechts de beschikking heeft over een vrij bedrag van maximaal € 5.000,-. Hoewel verweerder aannemelijk acht dat een deel van de betalingen ten behoeve van de moeder van eiseres is geweest, kan voor het resterende deel niet worden vastgesteld dat deze bedragen álle ten behoeve van de moeder zijn geweest. Dat eiseres heeft gesteld jaarlijks een schenking te krijgen van € 5.000,- acht verweerder niet relevant, aangezien eiseres over het volledige tegoed over de bankrekening kon beschikken. Nu op 9 januari 2015 het saldo van die rekening € 19.981,30 bedroeg, verkeerde eiseres niet in bijstandsbehoeftige omstandigheden en is het recht op bijstand terecht ingetrokken en teruggevorderd.
Bij het bepalen van het boetebedrag is verweerder uitgegaan van privébetalingen en dus van een benadelingsbedrag van € 10.563,01 en een ‘gewone verwijtbaarheid’ met betrekking tot het schenden van de inlichtingenverplichting. Het boetebedrag is daarom uiteindelijk vastgesteld op € 5.281,50, zijnde 50% van het benadelingsbedrag.

3. In beroep heeft eiseres – kort weergegeven- aangevoerd de rekening niet op haar naam staat en dus niet kan worden gesteld dat zij vrijelijk over de rekening kon beschikken. Voor zover dat anders is, kon eiseres slechts vrijelijk beschikken over de gift van € 5.000,-. Voor het overige was eiseres alleen bevoegd om over de rekening te beschikken voor zover dat zag op uitgaven ten behoeve van haar moeder. Uit het pingedrag blijkt ook dat alleen de gekochte goederen, etenswaren en opnames bedoeld zijn voor eiseres haar moeder. Nu een intrekking van bijstand een voor eiseres belastend besluit is, ligt het op de weg van verweerder om aan te tonen dat dit onjuist is. Tevens heeft eiseres aangevoerd dat zij verweerder ook niet had hoeven inlichten over het gebruik van de pas, de opnames ten gunste van haar moeder en de opnames die eiseres heeft gedaan in verband met de gift. Bovendien was de jaarlijkse gift ook bekend bij verweerder. Met betrekking tot de terugvordering heeft eiseres aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met het beleid van verweerder rondom giften en dus dat er een bedrag van € 600,- in mindering moet worden gebracht. Ten slotte heeft eiseres tegen de boete aangevoerd dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid, omdat het een vast gegeven is dat er voor dementerende moeders bestedingen worden gedaan.

4. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat eiseres op grond van een machtiging beschikte over een bankpas waarmee zij gebruik kon maken van de op naam van haar ouders gestelde bankrekening. De rechtbank is van oordeel dat eiseres over het tegoed op de bankrekening op naam van de ouders kon beschikken en wijst in dit verband op de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 31 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:998) en van 7 september 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BN7848).

5. Eiseres heeft daarbij niet aangetoond dat aan het gebruik van de bankpas restricties waren verbonden, bijvoorbeeld in de vorm van een maximumopname per maand of tot een maximum van de gift van € 5.000,- per jaar. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd toegelicht dat er ook geen sprake was van een bewindvoerder aan wie eiseres toestemming moest vragen om geld van de rekening op te kunnen nemen. Ook heeft eiseres niet onderbouwd dat de helft van het bedrag op de rekening van haar ouders uitsluitend aan haar zus toebehoorde zoals ter zitting is betoogd. De enkele omstandigheid dat eiseres haar zus óók over een bankpas beschikte is daartoe onvoldoende. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het gehele tegoed op de rekening juridisch gezien een bestanddeel vormt van het vermogen waarover eiseres beschikte of redelijkerwijs de beschikking kon krijgen. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor het gevoel van eiseres dat zij restricties hanteerde bij het gebruik van de rekening, maakt dit juridisch gezien echter niet dat eiseres niet over het gehele bedrag op die rekening heeft kunnen beschikken.

6. De rechtbank is voorts van oordeel dat eiseres - gelet op het beleid van verweerder met betrekking tot giften - jaarlijks melding had moeten maken van het moment waarop zij de gift ontving en op welke wijze zij die van de bankrekening opnam. Op grond van het beleid van verweerder moet immers steeds individueel worden beoordeeld of een gift buiten beschouwing kan worden gelaten en tevens moet worden bezien of een gift leidt tot een bestedingsniveau dat niet meer in overeenstemming is met hetgeen op bijstandsniveau gebruikelijk is (bijvoorbeeld een maandelijkse gift). Bovendien maakt de gift ook niet dat eiseres niet meer de beschikking had over de volledige middelen op de bankrekening op naam van haar ouders, zoals onder 5. is overwogen.

7. De rechtbank is voorts van oordeel dat het voor eiseres redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat het bezit van de bankpas én het gebruik van de bankrekening een omstandigheid is die van invloed kan zijn voor het recht op bijstand. Door aan verweerder geen melding te maken van de bankpas en het gebruik van de rekening is de rechtbank van oordeel dat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Voorts had eiseres ook melding moeten maken van de door haar ontvangen giften.

8. Omdat het saldo op de rekening waarover eiseres feitelijk kon beschikken gedurende de gehele intrekkingsperiode aanzienlijk hoger lag dan het vrij te laten vermogen, heeft verweerder als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht ten onrechte bijstand aan eiseres verleend. Eiseres had immers in haar levensonderhoud kunnen voorzien via de bankrekening die op naam van haar ouders stond. Omdat het recht op bijstand in beginsel slechts alleen bestaat voor zover eiseres niet over voldoende middelen beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien heeft verweerder het recht op bijstand terecht ingetrokken.

9. Gelet op artikel 58, eerste lid, van de Pw bestaat er bij het bepalen van de hoogte van de terugvordering geen ruimte voor een verrekening van het terugvorderingsbedrag met het beleid van verweerder met betrekking tot giften. Verweerder dient immers het bedrag terug te vorderen dat hij ten onrechte aan bijstand heeft verleend.

10. Ten slotte overweegt de rechtbank dat verweerder bij het bepalen van het boetebedrag terecht is uitgegaan van een normale verwijtbaarheid. De omstandigheid dat het een vast gegeven is dat er voor dementerende ouders bestedingen worden gedaan maakt niet dat het eiseres in mindere mate kan worden verweten geen melding te hebben gemaakt van het bezit van een bankpas en het feitelijk kunnen beschikken over de middelen ter hoogte van om en nabij € 20.000,-. Hoewel de persoonlijke omstandigheden van eiseres zeker niet makkelijk waren ziet de rechtbank ook daarin onvoldoende aanleiding om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. Buys, rechter, in aanwezigheid van
mr. P. Thijssen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2017.

de griffier is niet in staat deze rechter

uitspraak mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.