Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:6278

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
16/661746-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 71-jarige man uit Soest heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeluk in 2015 op de Bunschoterstraat. De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt de man tot een maximale werkstraf van 240 uur en een rijontzegging van 1 jaar.

De man reed met een constante snelheid richting het kruispunt waar hij door het rode stoplicht reed. Een man in een scootmobiel kwam daardoor met hem in botsing en overleed aan de gevolgen. De rechtbank oordeelt op basis van twee getuigenverklaringen en het technisch onderzoek dat het verkeerslicht op rood stond.

De 71-jarige bestuurder heeft zich schuldig gemaakt aan dood door schuld. De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat het gedrag van de man als ‘aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag’ is aan te merken. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen in vergelijkbare zaken. De straf is gelijk aan de eis van de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/661746-15 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 19 december 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1946] te [geboorteplaats]

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20 april 2017, 4 mei 2017 en 5 december 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. N.M. van Collenburg en van hetgeen verdachte en mr. F. Schneider, advocaat te Amsterdam, alsmede de nabestaanden naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair

op 7 oktober 2015 te Amersfoort als bestuurder van een personenauto rijdend op de Bunschoterstraat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt doordat hij niet is gestopt voor een rood stoplicht en vervolgens met onverminderde snelheid in botsing is gekomen met de bestuurder van een scootmobiel, waardoor deze bestuurder werd gedood;

subsidiair

op 7 oktober 2015 te Amersfoort als bestuurder van een personenauto op de Bunschoterstraat gevaar heeft veroorzaakt en het verkeer heeft gehinderd, doordat hij niet is gestopt voor een rood stoplicht en vervolgens met onverminderde snelheid in botsing is gekomen met de bestuurder van een scootmobiel.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat op basis van het dossier bewezen kan worden dat verdachte door rood licht heeft gereden, dat het slachtoffer groen licht had op het moment dat hij overstak en dat er vervolgens een aanrijding heeft plaatsgevonden waarbij het slachtoffer om het leven is gekomen. Uit het onderzoek dat door de politie is verricht, is gebleken dat er vóór de verstoring in de verkeersregelinstallatie slechts één roodlicht negatie is geweest, zodat op basis van de analyse van die verkeersregelinstallatie ervan moet worden uitgegaan dat verdachte bij rood licht en het slachtoffer bij groen licht de stopstreep passeerden en het kruispunt opreden. Dat verdachte door rood licht reed, wordt bevestigd door twee getuigen. De officier van justitie is van mening dat er meerdere momenten van onoplettendheid aan het ongeval vooraf zijn gegaan waardoor er sprake is van aanmerkelijke schuld.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe onder meer aangevoerd dat op basis van het technisch onderzoek niet vast te stellen is dat verdachte door rood licht is gereden, hetgeen door verdachte ook wordt ontkend. Het aanvullend onderzoek dat in opdracht van de rechtbank is uitgevoerd naar de onduidelijkheden in de verkeersongevallenanalyse, die de raadsman heeft gesignaleerd bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting van 4 mei 2017 (verwezen wordt naar het proces-verbaal van die zitting), heeft volgens de raadsman niet de vereiste duidelijkheid geboden dat verdachte rood licht heeft genegeerd. Aangezien uit de verschillende deskundigenrapportages niet duidelijk blijkt dat de verkeersregelinstallatie de Atoomtijd hanteert én niet is onderzocht of de dashcam van de tegemoetkomende auto een tijdsaanduiding voerde gelijk aan de Atoomtijd, kunnen de tijden die staan genoemd in de verkeersongevallenanalyse, het proces-verbaal van onderzoek verkeersregelinstallatie en het aanvullend proces-verbaal niet als uitgangspunt worden genomen voor de beoordeling van de vraag of verdachte door rood licht is gereden. De verklaring van verdachte dat hij niet door rood is gereden, wordt gesteund door die van zijn echtgenote, afgelegd kort na het ongeval, en door het tijdstip dat te zien is op het beeld van de dashcam dat volgens de verkeersongevallenanalyse het moment van het ongeval weergeeft. Als dat tijdstip wordt gelegd naast de tijdstippen vermeld in de logfiles van de verkeersregelinstallatie, dan zou verdachte door groen licht moeten hebben gereden. De getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , die beiden zowel destijds bij de politie, als – na verwijzing – bij de oudste rechter als gedelegeerd rechter-commissaris, hebben verklaard dat zij hebben gezien dat verdachte ruim door rood licht reed, dienen van het bewijs te worden uitgesloten nu de verschillen in hun verklaringen maken dat aan hun waarnemingen moet worden getwijfeld. De raadsman is dan ook van mening dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de ten laste gelegde gedragingen heeft begaan.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Bewijsmiddelen 1

Op 7 oktober 2015 omstreeks 16:06 uur, kreeg verbalisant [verbalisant 1] de opdracht om met verbalisant [verbalisant 2] te gaan naar de kruising Maatweg en Bunschoterstraat te Amersfoort. Daar zou een aanrijding met letsel hebben plaatsgevonden tussen een personenauto en een scootmobiel. Toen verbalisant [verbalisant 1] omstreeks 16:10 uur ter plaatse kwam, vroeg [verbalisant 1] aan de mensen die bij de aanrijding stonden wie er betrokken was bij de aanrijding. De verbalisant hoorde een man, welke later bleek te zijn de verdachte, [verdachte] . De verdachte zei dat hij de bestuurder was van de Mercedes met het kenteken [kenteken] . Dit betrof de personenauto welke tegen de scootmobiel was aangereden.2

Ter plaatse werd door de politie getuige [getuige 2] gehoord. De getuige verklaarde als volgt.

“(…). Vandaag, 7 oktober 2015, reed ik met mijn auto op de Bunschoterstraat. (…). Ik zat samen met mijn vrouw in de auto. (…). Ik zag dat er een Mercedes in de kleur blauw voor mij reed. (…). Ik zag dat het verkeerslicht op oranje en vervolgens op rood sprong. (…). Ik remde af. Ik zag tot mijn verbazing dat de Mercedes gewoon door reed. Mijn vrouw en ik hebben nog tegen elkaar gezegd van: “Wat doet die nu?? Hij rijdt door rood!” Ik zag geen remverlichting. Ik zag dat de Mercedes door reed onder het rode licht door. Ik zag een brommobiel vanaf links de Bunschoterstraat oprijden. Ik zag dat er een man op de brommobiel zat.3 (…). Ik zag dat de Mercedes tegen deze scootmobiel aan reed. Ik hoorde een harde klap en zag dat de man van de brommobiel af vloog. Ik zag dat de Mercedes tegen een verkeerslicht tot stilstand kwam. (…).”4

Bij de rechter-commissaris verklaarde getuige [getuige 2] op 4 september 2017 het volgende.

“(…). We reden allebei 80 km/u, het was niet druk op de weg. (…). Bij de flauwe bocht aangekomen zag ik al dat het verkeerslicht op rood sprong, dat was dus ruim voor we bij het kruispunt aankwamen.5 (…). De auto heeft continu voor mij gereden en ik heb al die tijd goed zicht gehad op de auto. Hij liep niet uit, we reden steeds allebei 80 km/u. (…). Toen we bij het verkeerslicht kwamen weet ik nog dat het mij opviel dat de auto geen rembeweging maakte, dat heb ik nog met mijn vrouw besproken. (…). Ik dacht nog ‘hoe kan het nou dat hij het niet ziet, het verkeerslicht staat al heel lang op rood’. Ik zag dat er iemand in een rolstoel aankwam. De rolstoel was inmiddels al op de helft van de weg, de plek waar wij aan kwamen rijden, hij was kansloos. (…).”6

De vrouw van [getuige 2] , [getuige 1] , werd ook ter plaatse als getuige door de politie gehoord. Zij verklaarde als volgt.

“(…). Ik bevond mij vandaag, 7 oktober 2015 (…), in de auto met mijn man. (…). Vanaf de rotonde waar je vanaf de Bunschoterstraat de Rondweg Noord op kunt, reed er een blauwe Mercedes voor ons. (…). Ik weet niet hoe hard we precies reden, ik denk rond de 70 tot 80 kilometer per uur. (…). De blauwe Mercedes reed met dezelfde snelheid als wij reden. Toen we bij de kruising Bunschoterstraat met de Maatweg aankwamen zag ik van afstand dat het verkeerslicht van groen op oranje en daarna op rood sprong. (…). Het viel mij op dat de auto voor ons, de blauwe Mercedes dus, niet afremde. Ik heb nog tegen mijn man een opmerking gemaakt over het door rood rijden van de man. Ik heb de remlichten van de7 Mercedes niet zien oplichten. (…). Ik zag dat de Mercedes onder het rode verkeerslicht door reed. (…). Ik zag dat de blauwe Mercedes tegen de scootmobiel aanreed. (…). Ik zag dat er een man uit de scootmobiel geslingerd werd.”8

Bij de rechter-commissaris verklaarde getuige [getuige 1] op 4 september 2017 het volgende.

“(…). U vraagt mij wanneer ik zag dat het verkeerslicht op oranje sprong. Dat was ruim voor de bocht en daarna sprong het op rood. (…). In mijn herinnering is de bocht er, daar is een bewegwijzering en ruim voor die bocht zag ik het oranje worden. Het werd daarna vrij snel rood. Dat was nog ruim voor het9 stoplicht. We hadden alle tijd om te stoppen. (…). (…) wij hebben geen remlichten gezien. Het is een weg10 waar je 80 km/u rijdt, bij een kruispunt moet je altijd vaart minderen. Dat deed hij niet en hij stopte ook niet voor rood. (…).”11

Naar aanleiding van het verkeersongeval met dodelijke afloop is verbalisant [verbalisant 3] naar het naar het mortuarium van het Meander Medisch Centrum in Amersfoort gegaan om het onderzoek naar het niet natuurlijk overlijden van [slachtoffer] te verrichten.12 Op 9 oktober 2015 is door patholoog-anatoom M. Buiskool sectie verricht. De indruk van de patholoog-anatoom was als volgt: letsel aan hoofd die bij leven zijn ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch botsend geweld achter op het hoofd. De schedelbreuk duidt erop dat de geweldsinwerking op het hoofd heftig is geweest. Bloeduitstortingen op en onder harde hersenvlies hebben geleid tot herseninklemming en daarmee functiestoornissen.13

Uit het pathologie onderzoek van M. Buiskool van 12 april 2016 volgt dat het overlijden van [slachtoffer] wordt verklaard door hersenfunctiestoornissen ontstaan ten gevolge van inwerking van heftig uitwendig mechanisch botsend geweld op het hoofd, zoals bij een hoogenergetisch trauma (verkeersongeval) kan ontstaan.14

Uit de verkeersongevallenanalyse, op grond van onderzoek dat is verricht op 7 oktober 2015, volgt dat het ongeval plaatsvond op het kruispunt Bunschoterstraat en de Maatweg te Amersfoort. Ter plaatse gold een maximum toegestane snelheid van 80 kilometer per uur voor motorvoertuigen.15 De zonsopkomst en zonsondergang vonden respectievelijk omstreeks 07:55 uur en 18:58 uur plaats. De melding van het ongeval had plaatsgevonden omstreeks 16:04 uur. Het ongeval had zeer waarschijnlijk vlak voor dit tijdstip plaatsgevonden. De verbalisanten zagen dat er op de plaats van het ongeval straatverlichting aanwezig was, maar tijdens hun onderzoek was deze niet in werking. Ten tijde van het onderzoek was het droog. Bij navraag bleek dat de weersomstandigheden ten tijde van het ongeval vrijwel gelijk waren. Het verkeer op het kruispunt werd ten tijde van het ongeval geregeld door een verkeersregelinstallatie.16

Uit het onderzoek naar de verkeersregelinstallatie, verricht door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , blijkt dat de bestuurder van de Mercedes reed over richting 8. De bestuurder van de scootmobiel reed over richting 51.17

In de faselog is gekeken naar een verstoring van het ‘normale’ verkeersbeeld tussen 16:00 uur en 16:04 uur, het tijdstip van de melding. Daarna is bekeken of er vanaf 16:00 uur op richting 8 en 51 een roodlichtnegatie te vinden was. Er werd gezien dat er om 16:03:15 uur een rood licht negatie was op de koplus van richting 8. Dat wil zeggen dat op dat moment er een voertuig door rood rijdt. De roodlichtfase op richting 8 duurde van 16:03:02:0 uur tot 16:03:21:6 uur.18 De koplus op richting 8 was bezet van 16:03:15:7 uur tot 16:03:16:2 uur. Dit houdt in dat een voertuig om 16:03:16:2 uur de koplus verlaat en vervolgens over de stopstreep is gereden. Dit terwijl de lampen op richting 8 inmiddels 14,2 seconden rood licht uitstraalden. De groenfase op richting 51 duurde van 16:03:05:4 uur tot 16:03:15:6 uur.19 Gelet op de afstanden tussen de verschillende lussen op richting 8 en de gemeten tijd die de Mercedes erover heeft gedaan om van de ene naar de andere lus te rijden, wordt geconstateerd dat de Mercedes met een redelijk constante snelheid tussen de 80 en 85 kilometer per uur heeft gereden.20

Uit het aanvullend proces-verbaal opgesteld door verbalisant [verbalisant 4] volgt dat er nogmaals een analyse is uitgevoerd van de betreffende loggegevens. Hierbij heeft de verbalisant het tijdsbestek van 15:50 uur tot 16:10 uur genomen om roodlichtnegaties op richting 8 te onderzoeken. De verbalisant kwam daarbij tot de conclusie dat er slechts één (1) roodlicht negatie te vinden was binnen het genoemde tijdsbestek te weten om 16:03:16:2 uur. Op het moment van deze roodlicht negatie straalden de verkeerslichten op richting 8, bij het verlaten van de koplus, al 14,2 seconden rood licht uit. Ongeveer 22 seconden na het tijdstip van het verlaten van de koplus op richting 8, en dus van deze roodlicht negatie, is verstoring in het verkeersbeeld te zien in de loggegevens. Doorgaans houdt dit in dat het overige verkeer reageert op een gebeurtenis op een kruispunt door stil te blijven staan. Gelet hierop is het volgens de verbalisant zeer aannemelijk dat het moment van het ongeval vlak voor de verstoring in de loggegevens lag.21

4.3.2

Bewijsoverwegingen

Verweren van de raadsman

Door de raadsman is aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] niet met elkaar in overeenstemming kunnen worden gebracht en dat aan hun waarnemingen zodanig moet worden getwijfeld, dat bewijsuitsluiting op zijn plaats is. De rechtbank volgt de raadsman daarin niet en is van oordeel dat de getuigen [getuige 2] , zowel tegenover de politie als tegenover de gedelegeerd rechter-commissaris, gedetailleerd, grotendeels gelijkluidend, consistent en overtuigend hebben verklaard. De rechtbank zal deze verklaringen dan ook niet uitsluiten van het bewijs.

Voorts heeft de raadsman, kort gezegd, aangevoerd dat uit het technisch onderzoek niet is vast te stellen dat de roodlicht negatie die te zien is in de logfiles is veroorzaakt door verdachte. Daarbij is de raadsman van mening dat niet kan worden uitgegaan van het tijdstip van de roodlichtnegatie zoals genoemd in de verkeersongevallenanalyse en het proces-verbaal van onderzoek verkeersregelinstallatie nu nergens wordt vermeld of dit de atoomtijd is. Als namelijk van die tijd zou worden uitgegaan, brengt dat met zich mee dat verdachte niet door het rode licht kon zijn gereden, omdat het verkeerslicht op de rijrichting van verdachte op dat moment, volgens de logfiles, groen licht uitstraalde.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Zowel uit het technisch onderzoek als uit de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] volgt dat verdachte door rood licht is gereden. Uit de loggegevens volgt dat er in een tijdsbestek van 20 minuten, gelegen tussen 15:50 uur en 16:10 uur slechts één roodlicht negatie heeft plaatsgevonden op de rijrichting van verdachte en dat kort daarna een verstoring van het ‘normale’ verkeersbeeld te zien is. Deze verstoring vond plaats kort voor de melding van het ongeval (16:04 uur). De rechtbank gaat ervan uit dat de tijd weergegeven in de verkeersregelinstallatie correspondeert met de Atoomtijd, aangezien dat door de deskundigen als uitgangspunt is genomen. Ook als dat niet zo zou zijn geldt dat de volgende gebeurtenissen elkaar kort na elkaar zijn opgevolgd: één roodlicht negatie - verstoring van het verkeersbeeld dat volgens de deskundigen wijst op een gebeurtenis op het kruispunt – melding 112. Er zijn geen aanwijzingen dat een ander dan verdachte door het rode licht heeft gereden, noch dat er een andere oorzaak is geweest voor de verstoring van het verkeersbeeld dan het ongeval. Het in eerste termijn door de raadsman van verdachte geschetste alternatieve scenario dat een ander dan verdachte door het rode licht is gereden wordt daarmee weersproken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte de kruising is opgereden terwijl op dat moment het verkeerslicht in zijn rijrichting al geruime tijd rood uitstraalde.

De stellige ontkenning van verdachte, ondersteund door de verklaring van zijn (dementerende) vrouw, hebben de rechtbank geen aanleiding gegeven voor twijfel aan het technisch bewijs en de genoemde getuigenverklaringen.

Schuld

Vastgesteld kan worden dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor [slachtoffer] is overleden. Om tot een veroordeling voor artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te kunnen komen, is vereist dat verdachte schuld heeft aan de aanrijding, hetgeen is tenlastegelegd als het zich roekeloos of zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam gedragen. Gelet op het standaardarrest van de Hoge Raad van 1 juni 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO5822) zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen het volgende is komen vast te staan. Verdachte reed als bestuurder van een personenauto met een constante snelheid richting het overzichtelijke kruispunt waar hij onbelemmerd zicht had en heeft vervolgens het reeds geruime tijd rood uitstralende verkeerslicht genegeerd en is zonder snelheid te minderen de kruising waarop het ongeval heeft plaatsgevonden, opgereden. Verdachte heeft daardoor het slachtoffer niet, in elk geval niet tijd opgemerkt waardoor het voertuig van verdachte en de scootmobiel met daarop het slachtoffer met elkaar in botsing zijn gekomen.

Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat de ernst van de gedragingen van de verdachte en de overige omstandigheden van het geval zodanig zijn, dat op basis daarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994. Verdachte kan immers worden verweten dat hij, zonder snelheid te minderen een kruising op is gereden en het voor hem rood uitstralende verkeerslicht heeft genegeerd. Verdachte heeft het slachtoffer niet, in ieder geval niet tijdig, opgemerkt en heeft pas te laat een poging gedaan het slachtoffer te ontwijken waardoor het voertuig van verdachte en de scootmobiel met daarop het slachtoffer met elkaar in botsing zijn gekomen. Aldus kan verdachte worden verweten dat hij daardoor een verkeersongeval heeft veroorzaakt. Dit gedrag dient te worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag dat verwijtbaar is.

De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder primair ten laste gelegde feit, in die zin dat de verdachte schuld heeft aan het veroorzaken van een verkeersongeval waardoor een persoon is gedood, waarbij de mate van schuld bestaat uit aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Primair

op 07 oktober 2015 te Amersfoort als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Bunschoterstraat, ter hoogte van de kruising van de Bunschoterstraat met de Maatweg,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door

aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,

terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt of werd gehinderd,

met dat motorrijtuig, komende uit de richting Bunschoterstraat en gekomen bij de kruising van de Bunschoterstraat met de Maatweg niet is gestopt voor een in zijn richting geldend en al geruime tijd rood licht uitstralend verkeerslicht en

met onverminderde snelheid genoemde kruispunt/kruising is opgereden en daarna in botsing is gekomen met een bestuurder van een scootmobiel, komende vanuit de Maatweg, welke bestuurder, bij voor hem bestemd groen licht, bezig was de Bunschoterstraat (ter hoogte van de oversteekplaats) over te steken,

waardoor de bestuurder van dat scootmobiel (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl dit een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een taakstraf van 240 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis;

- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden.

8.2

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is ten aanzien van de strafmaat geen verweer gevoerd nu de raadsman vrijspraak van het tenlastegelegde heeft bepleit.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto aanmerkelijk onvoorzichtig gereden, op de manier zoals hiervoor in de bewezenverklaring is omschreven, waardoor hij een verkeersongeval heeft veroorzaakt. Door dit ongeval is de heer [slachtoffer] overleden. Het overlijden van [slachtoffer] heeft een enorme impact gehad op het leven van zijn familieleden en vrienden, zo blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring die ter terechtzitting is voorgelezen.

Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken ongeveer dezelfde straf wordt opgelegd, zijn landelijke oriëntatiepunten voor strafoplegging ontwikkeld. Deze oriëntatiepunten adviseren in geval van het veroorzaken van een verkeersongeval met de dood als gevolg en waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld, een taakstraf op te leggen van 240 uur en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van twaalf maanden. Deze oriëntatiepunten gaan uit van een blanco strafblad. Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 september 2017 volgt dat verdachte ten tijde van het ongeval niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

De eis van de officier van justitie is overeenkomstig genoemd oriëntatiepunt.

De rechtbank is van oordeel dat er, gelet op het bovenstaande, geen aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    9, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;

- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis;

- ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden;

- bepaalt dat de duur van de ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd is geweest;

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. de Stigter, voorzitter, mrs. D.C.P.M. Straver en J.W.B. Snijders Blok, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Passchier, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 december 2017.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 07 oktober 2015 te Amersfoort als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Bunschoterstraat, ter hoogte van de kruising van de Bunschoterstraat met de Maatweg,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt of werd gehinderd,

met dat motorrijtuig, komende uit de richting Bunschoterstraat en gekomen bij de kruising van de Bunschoterstraat met de Maatweg niet is gestopt voor een in zijn richting geldend en al geruime tijd (13,7 seconden) rood licht uitstralend verkeerslicht en/of

(vervolgens) met onverminderde snelheid genoemd(e) kruispunt/kruising is opgereden en/of is overgereden en/of (daarna) in botsing of aanrijding is gekomen met een bestuurder van een scootmobiel, komende vanuit de Maatweg, welke bestuurder, bij voor hem bestemd groen licht, bezig was de Bunschoterstraat (ter hoogte van de oversteekplaats) over te steken,

waardoor de bestuurder van dat scootmobiel (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair

hij, op of omstreeks 07 oktober 2015, te Amersfoort, als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto), heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Bunschoterstraat en naderende de met een verkeerslichteninstallatie geregelde kruising of splitsing van die Bunschoterstraat met de Maatweg

geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is verdachte niet gestopt voor een in zijn richting geldend en al geruime tijd (13,7 seconden) rood licht uitstralend verkeerslicht en/of

(vervolgens) met onverminderde snelheid genoemd(e) kruispunt/kruising is opgereden en/of is overgereden en/of (daarna) in botsing of aanrijding is gekomen met een bestuurder van een scootmobiel (genaamd [slachtoffer] ), die bij voor hem bestemd groen licht, bezig was de Bunschoterstraat (ter hoogte van de oversteekplaats) over te steken,

door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 31 maart 2016, genummerd PL0900-2015303433, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 70. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 1] van 7 oktober 2015, pagina 25.

3 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 7 oktober 2015, pagina 21.

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 7 oktober 2015, pagina 22.

5 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris op 4 september 2017, pagina 1.

6 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris op 4 september 2017, pagina 2.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 7 oktober 2015, pagina 23.

8 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 7 oktober 2015, pagina 24.

9 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris op 4 september 2017, pagina 1.

10 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris op 4 september 2017, pagina 2.

11 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris op 4 september 2017, pagina 3.

12 Het proces-verbaal van onnatuurlijke dood, opgesteld door verbalisant [verbalisant 3] van 19 oktober 2015, pagina 29.

13 Het proces-verbaal van onnatuurlijke dood, opgesteld door verbalisant [verbalisant 3] van 19 oktober 2015, pagina 31.

14 Het NFI rapport inzake Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, opgesteld door M. Buiskool van 12 april 2016, pagina 7.

15 Verkeersongevallenanalyse opgesteld door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] van 24 december 2015, pagina 5.

16 Verkeersongevallenanalyse opgesteld door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] van 24 december 2015, pagina 7.

17 Proces-verbaal van onderzoek verkeersregelinstallatie opgesteld door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] van 24 december 2015, pagina 16.

18 Proces-verbaal van onderzoek verkeersregelinstallatie opgesteld door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] van 24 december 2015, pagina 20.

19 Proces-verbaal van onderzoek verkeersregelinstallatie opgesteld door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] van 24 december 2015, pagina 21.

20 Proces-verbaal van onderzoek verkeersregelinstallatie opgesteld door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] van 24 december 2015, pagina 24.

21 Aanvullend proces-verbaal opgesteld door [verbalisant 4] van 13 juni 2017