Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:6277

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
11-01-2018
Zaaknummer
5571966
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vordering opdrachtgever tot vergoeding onverschuldigd betaalde loonheffing; vordering voortgezet na verwijzing in de verzoekschriftprocedure naar de dagvaardingsprocedure

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 5571966 UC EXPL 16-18277 MJ/1546

Vonnis van 20 december 2017

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. A.W. Haverkort,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. J.C. van Haarlem.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beslissing van de kantonrechter van 28 november 2016 in zaaknummer 4646561 UE VERZ 15-590 en 4933640 UE-167 dat de tegenvordering van [eiseres] in die procedure moet worden voortgezet volgens de regels van de dagvaardingsprocedure

- de vordering ex artikel 6:212 juncto 6:203 BW ingeleid als dagvaardingsprocedure bij conclusie van 4 januari 2017 van [eiseres]

- de conclusie van antwoord, tevens van eis in reconventie van [gedaagde]

- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie van [eiseres]

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van [gedaagde]

- de akte van [eiseres] naar aanleiding van het verzoek van [gedaagde] tot aanhouding van de zaak in conventie en tot intrekking van de vordering in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten in conventie en in reconventie

2.1.

Voor de feiten verwijst de kantonrechter naar de opsomming daarvan in de tussenbeschikking van 25 maart 2016 gewezen tussen partijen in zaaknummer 4646561 UE VERZ 15-590 en 4933640 UE-167, met name onderdelen 2.1, 2.2, 2.4, 2.5, 2.6, 2.7, 2.10, 2.11 en 2.16.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om aan [eiseres] te voldoen € 10.562,09, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de opeisbaarheid daarvan althans de dag van het indienen van de tegenvordering (18 februari 2016) tot de algehele voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiseres] dat zij aan [gedaagde] in de periode van 2012 tot en met 2015 een vergoeding heeft betaald door verrekening met de door [gedaagde] aan haar verschuldigde maandhuur en door betaling van een factuur van [gedaagde] , alles in verband met de door [gedaagde] buiten dienstverband verrichte werkzaamheden als scriptiebegeleider en dat [eiseres] daarnaast ten behoeve van [gedaagde] loonbelasting heeft afgedragen. [eiseres] berekent in haar in 2015 opgestelde eindafrekening dat zij in totaal een bedrag van € 10.562,09 teveel heeft betaald. [eiseres] vordert betaling van dit bedrag aan haar door [gedaagde] op grond van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW) dan wel ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW).

3.3.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagde] heeft haar vordering in reconventie, tot veroordeling van [eiseres] om aan haar te betalen een bedrag van € 52.000,- te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, bij conclusie van repliek in reconventie ingetrokken.

3.6.

[eiseres] verlangt de veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten in reconventie vermeerderd met de wettelijke rente.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Uit de feiten volgt dat tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde] met ingang van 14 september 2012 door [eiseres] is aangesteld als begeleider bachelorscriptie, dat haar door [eiseres] met ingang van 1 april 2012 woonruimte ter beschikking is gesteld waarvan de kosten gecompenseerd worden door haar werkzaamheden voor [eiseres] , dat zij daarnaast op 17 juli 2014 een factuur voor haar werkzaamheden heeft ingediend voor een bedrag van € 3.783,38 en dat haar na inhouding van loonheffing een netto bedrag van € 1.816,03 is uitbetaald.

4.2.

[eiseres] heeft een eindafrekening opgesteld over de periode vanaf 2011 tot en met 2015 waarin zij de door [gedaagde] verschuldigde huur berekent op een bedrag van € 20.405,39 en de opbrengsten van de door [gedaagde] verrichte werkzaamheden berekent op een bedrag van € 24.290,25. Het verschil tussen beide bedragen verminderd met het door [eiseres] reeds betaalde bedrag van € 3.783,38 en de door [eiseres] begin 2016 afgedragen loonbelasting leidt [eiseres] in de eindafrekening tot de conclusie dat [gedaagde] nog een bedrag van € 10.562,09 aan haar moet voldoen.

4.3.

[gedaagde] heeft bij haar conclusie van dupliek in conventie niet met zoveel woorden afstand gedaan van haar oorspronkelijke verweer dat niet is komen vast te staan dat [eiseres] de gestelde loonheffing voor haar heeft afgedragen aan de belastingdienst en dat de administratie van [eiseres] niet deugt. [eiseres] heeft dit verweer echter bij conclusie van repliek in conventie gemotiveerd weersproken, waarna het op de weg van [gedaagde] had gelegen daarop concreet in te gaan. Nu zij dat heeft nagelaten oordeelt de kantonrechter dat dit verweer onvoldoende is onderbouwd en daarmee niet tot afwijzing van de door [eiseres] ingestelde vordering kan leiden. Daarbij komt dat [gedaagde] blijkens randnummer 10 van de conclusie van dupliek in conventie thans aanneemt dat [eiseres] bij de eindafrekening loonheffing heeft afgedragen, zodat zij in zoverre ook is teruggekomen op haar verweer dat die afdracht niet is komen vast te staan.

4.4.

Aldus resteren de bij conclusie van dupliek aangevoerde verweren:

  • -

    indien [eiseres] gelijk heeft en tussen partijen sprake was van een overeenkomst van opdracht, dan heeft [eiseres] fiscaal gezien niet correct gehandeld om loonheffing af te dragen. De belastingdienst heeft niet geoordeeld dat sprake was van een fictief dienstverband en bovendien is niet voldaan aan de voorwaarden voor het aannemen van een fictief dienstverband op grond waarvan loonbelasting moet worden afgedragen. [gedaagde] concludeert dat [eiseres] ten onrechte loonbelasting heeft afgedragen;

  • -

    als er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen, dan heeft te gelden dat [eiseres] [gedaagde] heeft benadeeld met een bedrag van € 1.200,- door niet jaarlijks loonheffing in te houden en af te dragen maar alle loonheffing in één jaar ineens af te dragen;

en daarnaast het bij conclusie van antwoord in conventie aangevoerde verweer dat [eiseres] het standpunt heeft ingenomen dat zij tot en met augustus 2015 “kiet zijn”.

4.5.

De kantonrechter oordeelt dat ook in het geval moet worden geconcludeerd dat [eiseres] ten onrechte ten behoeve van [gedaagde] loonheffing heeft afgedragen, dit nog niet de conclusie rechtvaardigt dat geen sprake is geweest van een onverschuldigde betaling aan [gedaagde] door deze afdracht aan de belastingdienst. Er blijft immers sprake van een betaling ten behoeve van [gedaagde] , welke betaling overigens niet onbegrijpelijk is in het licht van de klacht die [gedaagde] op 30 juli 2015 had ingediend bij de voorzitter van de Stichting [eiseres] , juist wegens het voordien nog uitblijven van die afdrachten door [eiseres] . Nu uit de jaarafrekening volgt dat de bruto opbrengsten van de werkzaamheden van [gedaagde] bijna volledig zijn verrekend met de woonkosten van [gedaagde] , is de daarboven afgedragen loonheffing aan te merken als onverschuldigd betaald. [gedaagde] heeft niet weersproken dat zij door middel van haar eigen belastingaangiften eventueel teveel betaalde belasting zal kunnen terug ontvangen. De berekening van het onverschuldigd betaalde bedrag van € 10.562,09 is niet of onvoldoende bestreden door [gedaagde] zodat de kantonrechter van de juistheid van de hoogte van dat bedrag uitgaat. De conclusie is dat [eiseres] onverschuldigd ten behoeve van [gedaagde] heeft betaald en dat zij aanspraak heeft op terugbetaling door [gedaagde] van dit bedrag.

4.6.

De kantonrechter stelt verder vast dat [eiseres] reeds bij conclusie van repliek heeft aangevoerd dat de afdracht ineens, begin 2016, van de loonheffing over de gehele periode vanaf 2012 tot en met 2015 niet tot belastingschade voor [gedaagde] hoeft te leiden, omdat zij een beroep kan doen op middeling van haar inkomsten over een periode van drie jaar en omdat zij tot 16 oktober 2015 een fulltime dienstverband had met [naam opleiding] , zodat haar inkomsten op die grond toch al in een hoger belastingtarief vielen. [gedaagde] heeft die stellingen bij conclusie van dupliek niet meer besproken, hoewel dat op haar weg had gelegen. Gelet daarop heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd dat zij als gevolg van de onverschuldigde betaling door afdracht van de loonheffing belastingschade heeft geleden. Er is derhalve geen grond voor de kantonrechter om het beroep op verrekening te honoreren van de gestelde schade van € 1.200,- met de door [eiseres] gevorderde terugbetaling van € 10.562,09.

4.7.

Het verweer tot slot onder randnummer 12 van de conclusie van antwoord in conventie dat [eiseres] heeft gesteld tot en met augustus 2015 “kiet te zijn” en dat niet te begrijpen is dat dan ineens in februari 2016 een vordering ontstaat, ziet kennelijk op de door [gedaagde] onder randnummer 9. van haar conclusie aangehaalde e-mail van [eiseres] van 27 juli 2015. De kantonrechter oordeelt dat aan deze e-mail niet de betekenis toekomt die [gedaagde] daaraan toekent, aangezien de afdracht van loonheffing eerst nadien, begin 2016, heeft plaatsgevonden en de basis vormt voor de latere eindafrekening van [eiseres] en daarmee van haar vordering op [gedaagde] .

4.8.

De kantonrechter concludeert dat de vordering van [eiseres] tot betaling van € 10.562,09 zal worden toegewezen evenals de wettelijke rente over dat bedrag vanaf het moment waarop in rechte aanspraak op betaling daarvan is gemaakt (18 februari 2016). Gesteld noch gebleken immers is dat [gedaagde] eerder in verzuim is geraakt. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- griffierecht € 471,00

- salaris gemachtigde € 600,00 (2 punten x tarief € 300,00)

Totaal € 1.071,00

in reconventie

4.9.

Nu [gedaagde] haar vorderingen in reconventie heeft ingetrokken behoeft daar niet meer op te worden beslist. Wel dient zij de door [eiseres] gemaakte proceskosten te dragen nu zij als de in het ongelijk gestelde partij dient te worden aangemerkt. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- salaris gemachtigde € 300,00 (0,5 punt x tarief € 600,00)

Totaal € 300,00

5 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 10.562,09 met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 18 februari 2016 tot de voldoening;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.071,00, waarin begrepen € 600,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 300,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van betaling.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 december 2017.