Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:6145

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
12-01-2018
Zaaknummer
5004389 UC EXPL 16-6330
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid na tuchtzaak; verschillend beoordelingskader. Ook na herkansing zijn de stellingen onvoldoende concreet om beoordeeld te kunnen worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 5004389 UC EXPL 16-6330 nig/1449

Vonnis van 20 december 2017

inzake

[eiseres] ,

wonend in [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. M.F. van Willigen in Arnhem,

tegen:

1. de besloten vennootschap

[gedaagde sub 1] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

2 [gedaagde sub 2] ,

wonend in [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , en samen ook wel [gedaagde sub 1] ,

gedaagde partijen,

gemachtigde voor beiden: mr. R. Stekelenburg in Kerkwijk, gemeente Zaltbommel.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 31 mei 2017;

  • -

    de conclusie van repliek van [eiseres] ;

  • -

    de conclusie van dupliek van [gedaagde sub 1] .

1.2.

Daarna is opnieuw vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Deze zaak gaat over een tandheelkundige behandeling die [eiseres] in 2014 heeft ondergaan in de praktijk van [gedaagde sub 1] . [eiseres] was daarover niet tevreden. Haar klacht bij de Centrale Klachten Commissie van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering van de Tandheelkunde is op verschillende punten gegrond verklaard. [eiseres] vordert nu betaling van € 10.493,73 als vergoeding voor materiële schade en van € 5.000 voor immateriële schade, met rente en kosten. Subsidiair stelt zij dat zij het recht heeft de overeenkomst met [gedaagde sub 1] te ontbinden, en vordert zij terugbetaling van € 3.922,42.

2.2.

Voorwaarde voor schadevergoeding vanwege een beroepsfout is dat tandarts [gedaagde sub 2] niet de zorg van een goed hulpverlener in acht genomen heeft en/of dat hij gehandeld heeft in strijd met de verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de voor hem geldende professionele standaard. Hierbij geldt de algemene maatstaf voor de beoordeling van beroepsfouten, namelijk of de beroepsbeoefenaar – in dit geval de tandarts – heeft gehandeld zoals een redelijk handelend en redelijk bekwaam tandarts op dat moment behoorde te doen. Een tandarts hoeft niet de beste van Nederland te zijn; ‘redelijk bekwaam’ is voldoende. De vraag is ook niet of het beter gekund had: de tandarts moet echt gehandeld hebben in strijd met de norm.

2.3.

Daarbij is het oordeel van de Centrale Klachten Commissie niet zonder meer doorslaggevend. Deze commissie heeft een andere taak en een ander beoordelingskader dan de rechter. De CKC dient de bevordering van de tandheelkunde, de rechter toetst aan de wet of er een recht op schadevergoeding bestaat. Dat is een heel andere manier van beoordelen. De rechter kan dus niet zonder meer het oordeel van de CKC volgen, maar zal de zaak altijd zelf moeten beoordelen.

2.4.

Bij het oordeel van de rechter over een vordering tot schadevergoeding is dus het eerste vereiste dat de tandarts een beroepsfout gemaakt heeft. Het tweede vereiste is dat de patiënt schade geleden heeft, en het derde is dat die schade veroorzaakt is door de fout. Dat er iets misgegaan is, is dus niet voldoende. Zoals in het tussenvonnis van 31 mei 2017 al gezegd: als zich na een medische behandeling problemen voordoen, betekent dat nog niet dat die behandeling onjuist was, of dat de problemen door die behandeling zijn veroorzaakt. De problemen kunnen ook een niet-verwijtbare complicatie zijn, of zij kunnen los van de behandeling ontstaan zijn.

2.5.

Omdat het [eiseres] is die stelt dat [gedaagde sub 1] onjuist gehandeld heeft en die daaraan een recht op schadevergoeding wil ontlenen, heeft zij daarvan de bewijslast, op grond van de hoofdregel van bewijslastverdeling in artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv):

De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.

Op grond daarvan moet [eiseres] de stellingen aantonen waarop zij haar vordering baseert, en die [gedaagde sub 1] betwist. Dat begint echter met een behoorlijke toelichting. Het is in iedere zaak de rol van partijen om de relevante feiten en omstandigheden aan de rechter voor te leggen. De rechter kent deze niet. Hij was er niet bij toen de feiten waarover het gaat plaatsvonden. Hij is ook niet ambtshalve bekend met gewoonten, normen en professionele standaarden in een bepaalde branche. Onder beroepsgenoten heeft men soms aan een half woord genoeg, maar in een juridische procedure kan men daarmee niet volstaan.

2.6.

[eiseres] moest daarom precies en concreet (en bij voorkeur ook voor een buitenstaander begrijpelijk) toelichten wat [gedaagde sub 1] gedaan heeft en waarom dat fout was. Daarnaast moest zij uitleggen welke schade door die specifieke fouten veroorzaakt is. Zonder zo’n toelichting is een concreet verweer niet mogelijk, en verzandt het debat tussen partijen in welles/nietes. Voor bewijslevering is pas plaats wanneer de stellingen voldoende concreet zijn. De rechter benoemt geen deskundige om erachter te komen wat partijen precies bedoelen, of wat er eigenlijk aan de hand is. Dat soort uitleg kunnen partijen prima zelf geven, en dat moeten zij dan ook doen.

2.7.

De onderbouwing van de vordering in de dagvaarding voldoet bij lange na niet aan deze eisen. Omdat het oordeel van de CKC erop wijst dat er wel iets is misgegaan, heeft de kantonrechter [eiseres] de kans gegeven om alsnog haar stellingen zo te concretiseren dat zij beoordeeld kunnen worden. [eiseres] heeft haar vordering vervolgens beter onderbouwd, en [gedaagde sub 1] heeft daar weer op gereageerd.

2.8.

Het eerste concrete verwijt betreft de gebitselementen 11 en 21. Dat zijn de bovenste voortanden: element 11 rechts en 21 links. [gedaagde sub 1] heeft hierop nieuwe kronen geplaatst. [eiseres] licht haar verwijt op dit punt als volgt toe:

Kroon, kroonranden staan binnen de preparatie → kroon moet dan vervangen worden,→ nieuwe passende kroon maken, foto I, II [C] .

De stelling komt dus hierop neer: de randen van de kroon staan ‘binnen de preparatie’ (dat wil zeggen [gedaagde sub 1] heeft ze daar geplaatst); en de norm is dat ze niet ‘binnen de preparatie’ mogen staan. Het verweer van [gedaagde sub 1] komt erop neer dat de situatie niet optimaal is, maar ook geen reden voor vernieuwing van de kroon, en dat het een nieuwe kroon is op een oude ‘preparatie’ (waarmee kennelijk bedoeld wordt: een redelijke oplossing in niet-ideale omstandigheden).

2.9.

[gedaagde sub 1] betwist niet dat de kroonranden ‘binnen de preparatie’ staat, zodat dat als vaststaand beschouwd kan worden. Zij betwist ook niet dat dat niet de ideale situatie is, maar wel dat het onacceptabel is. Dat is hier dus de kernvraag: is de norm inderdaad dat de kroonranden beslist niet ‘binnen de preparatie’ mogen staan, zodat het onacceptabel is als dat wel gebeurt? [eiseres] heeft niets aangevoerd waaruit dat zou volgen. Daarom kunnen haar stellingen hier niet tot de conclusie leiden dat [gedaagde sub 1] een fout gemaakt heeft.

2.10.

Ook de elementen 12 en 22 kunnen samen besproken worden. Dit zijn de voortanden boven direct naast de middelste, 12 rechts en 22 links. [gedaagde sub 1] heeft op beide een nieuwe kroon geplaatst. [eiseres] licht haar verwijt hier toe met de volgende woorden:

Kroon, apicale ontsteking → endodontische (wortelkanaal) behandeling nodig, moet kroon voor verwijderd worden, (…) daarna nieuwe kroon maken.

Voor element 22 voegt zij daaraan toe:

Kies moest toch getrokken worden, werd brug.

De stelling komt dus hierop neer dat er een ‘apicale ontsteking’ was, en dat [gedaagde sub 2] daarop een kroon geplaatst heeft zonder eerst de apicale ontsteking te behandelen, terwijl hij eerst die ontsteking had moeten behandelen.

2.11.

Het verweer van [gedaagde sub 1] komt hierop neer. Op foto’s is ‘zwarting’ te zien rond de wortelpunt, maar dat hoeft geen ontsteking te zijn. Het kan ook bindweefsel van een oude, genezen ontsteking zijn. [eiseres] had jaren eerder in Rusland een wortelkanaalbehandeling ondergaan. Revisie daarvan vond [gedaagde sub 2] riskant. Hij heeft als tandarts in Oost-Europa gewerkt, en volgens hem werd daar voor zo’n behandeling een materiaal gebruikt dat erg hard wordt; revisie kan er dan toe leiden dat de tand getrokken moet worden. Zijn advies aan [eiseres] was daarom om die tanden te laten trekken en een brug te plaatsen. Dat wilde zij niet. Omdat zij geen klachten had, heeft hij daarom het risico genomen en alleen nieuwe kroon geplaatst. De huidige tandarts van [eiseres] heeft wel gekozen voor een revisie, en dat heeft geleid tot het trekken van element 22.

2.12.

Dat een ontsteking aan de wortelpunt behandeld moet worden voordat er een kroon geplaatst wordt, klinkt logisch, maar tegenover dit concrete verweer van [gedaagde sub 1] is dat niet voldoende. Omdat [gedaagde sub 1] dit ook bij antwoord al heeft aangevoerd, mocht van [eiseres] verwacht worden dat zij concreet zou onderbouwen dat het (toch) een actuele ontsteking was, dat wat [gedaagde sub 2] vertelt over Russische wortelkanaalbehandelingen niet klopt (en waarom niet), of dat zijn risico-afweging ook in het licht van die omstandigheden niet juist was. Dat heeft zij niet gedaan. Daarmee zijn haar stellingen ook op dit punt niet voldoende om te leiden tot de conclusie dat [gedaagde sub 1] een fout gemaakt heeft.

2.13.

De elementen 13 en 23 zijn de twee bovenste hoektanden, rechts en links. Hierop heeft [gedaagde sub 1] een facing geplaatst. Over element 13 zegt [eiseres] :

Facing, palatinaal matige aansluiting → kroon, want moeten trekken element 14

En over element 23:

Facing, palatinaal matige aansluiting →, nieuwe facing gemaakt. Dit moet later een kroon worden, omdat element 22 getrokken moest worden.

Dat beide hoektanden later een kroon kregen, werd veroorzaakt door het trekken van buurtanden. Het verwijt over de hoektanden zelf is dus de ‘palatinaal matige’ aansluiting van de facings. ‘Matig’ is echter een waardeoordeel. Wat het betekent, hangt af van de norm die men hanteert. Wat de één matig vindt, vindt de ander misschien heel acceptabel of juist volstrekt onvoldoende. De stelling van [eiseres] dat de aansluiting ‘palatinaal matig’ was, is dus niet voldoende voor de conclusie dat de facings zo slecht aansloten dat dat een beroepsfout vormt. Daarom kan ook dit verwijt niet tot iets leiden.

2.14.

Op element 14 (de vierde tand boven rechts) zou een kroon geplaatst worden. Dat is niet gebeurd, of die kroon is afgevallen. Daarover zegt [eiseres] :

Kroon, ontbreekt → restant te weinig om nieuwe kroon op te maken, tand trekken bleek noodzakelijk, moet brug worden.

[gedaagde sub 1] erkent dat deze kroon ontbrak. Volgens haar was er een afspraak ingepland om een nieuwe kroon te maken, en heeft [eiseres] die afspraak zelf afgezegd. [eiseres] legt niet uit dat (en waarom) het feit dat die kroon er nog niet stond een fout was van [gedaagde sub 1] . Zij legt ook niet uit dat (en waarom) het restant te weinig was om een nieuwe kroon op te maken, en het belangrijkste van alles: zij legt niet uit waarom dat aan [gedaagde sub 1] te wijten was. Daarom is ook dit verwijt niet concreet genoeg om te kunnen leiden tot schadevergoeding.

2.15.

Ook op element 24 (de vierde tand links van het midden, boven) zou een kroon geplaatst worden. [eiseres] hierover:

Kroon, palatinaal te kort, deel van de preparatie is onbedekt → nieuwe kroon maken

Volgens [gedaagde sub 1] sluit de kroon wel goed aan en was er geen reden om de kroon te vervangen.

2.16.

Wat [eiseres] bedoelt met ‘palatinaal te kort’, is voor [gedaagde sub 1] mogelijk duidelijk, maar niet voor de kantonrechter. De stellingen van [eiseres] houden kennelijk in dat [gedaagde sub 1] ervoor moest zorgen dat de kroon de ‘preparatie’ helemaal moest bedekken, en dat dat niet gebeurd is. Dat zou moeten blijken uit de overgelegde ‘second opinions’. Daarin schrijft tandarts [A] op 9 april 2014:

Zit cement of composietmateriaal geplakt op het cervicale gedeelte 24 en het tandvlees is paars en geïrriteerd in de regio

Tandarts [B] op 4 juli 2014:

(…) de cervicale rand van de kroon op de 24 is met composiet bijgewerkt.

Tandarts [C] op 11 september 2014:

Kroon 24 is palatinaal tekort, een deel van de preparatie is onbedekt, buccaal is er vulmateriaal o.i.d. bij de kroonrand.

Dat er iets aan de hand was met element 24, kan daaruit wel worden afgeleid, maar wat, blijft onduidelijk. Het enige waarover de drie tandartsen het eens zijn is de aanwezigheid van iets (cement, composietmateriaal of vulmateriaal), maar dat werpt geen licht op het ‘palatinaal te kort’ zijn van een kroon. Ook op dit punt zijn de stellingen dus niet voldoende concreet, zodat daaruit niet kan worden afgeleid dat [gedaagde sub 1] een fout gemaakt heeft.

2.17.

[gedaagde sub 1] zou ten slotte op de elementen 36-37-38 (links onder, achterin) een brug plaatsen. Daarover zegt [eiseres] :

Brug, is te fors uitgevoerd → nieuwe brug maken, waarbij kies 35 bij de brug getrokken wordt. Kies 35 werd bij de brug betrokken omdat deze kies ontbrak en eiseres het bij de brug wenste.

Voor kies 35 vordert [eiseres] geen schadevergoeding. Het verwijt voor de overige elementen is dus beperkt tot de stelling dat de brug te fors was uitgevoerd. In ander verband meldt zij dat zij pijn had in haar hele mond, met name van de brug linksonder.

2.18.

Dat de brug (te) fors uitgevoerd was, is niet een individuele mening van een collega tandarts zoals [gedaagde sub 1] zegt. Ook de CKC schrijft:

(…) dat de driedelige brug dermate fors is uitgevoerd en kort aansluit waardoor interdentale reiniging onmogelijk is en er irritatie van het tandvlees kan ontstaan. (…) De brug voldoet niet aan de hiervoor geldende vereisten en de geconstateerde gebreken, bestaande uit de forste uitvoering van de brug en het te kort op het element zitten van de brug, zijn niet te herstellen door middel van enkel het inslijpen van de brug zoals verweerder kennelijk van plan was. (…)

Als wordt aangenomen dat de brug inderdaad niet deugde, dan is de volgende vraag wat de omvang is van de schade die daardoor is veroorzaakt. Als inslijpen niet voldoende was om dit probleem te verhelpen, volgt daaruit dan dat de brug helemaal vernieuwd moest worden, of waren er ook nog andere mogelijkheden? Voor een tandarts is dat misschien duidelijk, maar een kantonrechter is geen tandarts. In een juridische procedure moet ook voor de schade precies en concreet worden toegelicht niet alleen wat de schade is, maar ook waarom dit schade is die door de fout van [gedaagde sub 1] is veroorzaakt. Dat de brug (te) fors was, wil de kantonrechter aannemen op basis van het oordeel van de CKC, maar welke behandeling nodig was om het probleem te verhelpen en met welke kosten, had in dit geval behoorlijk moeten worden toegelicht. Dat is niet gebeurd. Daarom kan ook dit niet leiden tot schadevergoeding.

2.19.

[eiseres] verwijt [gedaagde sub 1] dat deze geen zirkonium gebruikt heeft, maar metalen kronen met porseleinen opbouw. [gedaagde sub 1] heeft dat niet weersproken. [eiseres] heeft echter niet gespecificeerd welke schade hierdoor dan veroorzaakt is. Daarom is ook hier geen grond voor vergoeding van schade.

2.20.

[eiseres] vordert tenslotte een immateriële schadevergoeding van € 5.000 vanwege alle pijn en ongemak. Vergoeding van immateriële schade is volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in bepaalde gevallen mogelijk. [eiseres] licht het verder niet toe, maar de enige mogelijkheid die hier in aanmerking lijkt te komen is sub b: “indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen”. Pijn is echter niet zonder meer te beschouwen als lichamelijk letsel, en ongemak zeker niet. [eiseres] licht niet toe dat [gedaagde sub 1] (door een beroepsfout) haar zodanige lichamelijke schade heeft toegebracht dat die als letsel beschouwd moet worden. Daarmee heeft zij ook hier onvoldoende gesteld. Wat zij aanvoert is niet voldoende om tot toewijzing van de vordering te kunnen leiden.

2.21.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] worden begroot op € 900,00 aan salaris gemachtigde (3 punten x tarief € 300,00).

3 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 900,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Willems, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 december 2017.