Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:6027

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-11-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
C/16/445100 / KG ZA 17-631
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Erfdienstbaarheid. Recht van overpad. Vordering tot verwijdering van aangebrachte voorzieningen gedeeltelijk toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/445100 / KG ZA 17-631

Vonnis in kort geding van 3 november 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. W.B. Janssens te Oudewater,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. J.R.L. van Gasteren te Leusden.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde sub 1] c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de mondelinge behandeling,

  • -

    de pleitnota van [eiser] ,

  • -

    de pleitnota van [gedaagde sub 1] c.s..

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is op 15 maart 1990 eigenaar geworden van het registergoed “de bedrijfsruimte met kantoor ondergrond en verdere aangehorigheden aan de [straatnaam] te [woonplaats] ”. Het perceel zal hierna worden aangeduid als [adres/(perceel 1)] . [eiser] woont met zijn echtgenote in het woonhuis op dit perceel. De grond wordt gebruikt als tuin. Op [adres/(perceel 1)] rust een erfdienstbaarheid ten behoeve van het aangrenzende perceel [adres/(perceel 2)] . In de notariële akte is deze erfdienstbaarheid - voor zover hier van belang - omschreven als volgt:

“(…)

de erfdienstbaarheid van voetpad - mede omvattende het recht om aan de hand van geleide motorrijwielen, rijwielen met hulpmotor, rijwielen, kinderwagens en kruiwagens mede te voeren (…).

2.2.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft in 2000 [adres/(perceel 2)] gekocht. In de leveringsakte is de hiervoor vermelde erfdienstbaarheid opgenomen.

2.3.

Bij brief van 17 mei 2017 heeft [gedaagde sub 1] c.s. [eiser] meegedeeld - kort samengevat - dat [gedaagde sub 1] c.s. eigenaar is of op grond van bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond zoals aangegeven op de bij die brief gevoegde plattegrond.

2.4.

In antwoord op deze brief heeft (de advocaat van) [eiser] in een brief van 30 mei 2017 er op gewezen dat sprake is van een erfdienstbaarheid van het in zijn eigendom toebehorende voetpad achter de percelen [adres/(perceel 2)] en [nummer/(perceel 3)] . Deze brief vermeldt:

“Client maakt bezwaar tegen het hekwerk, en ook tegen de poort en de aangebrachte verlichting en bestrating. Hij heeft nimmer toestemming verleend tot plaatsing daarvan”

[eiser] heeft [gedaagde sub 1] c.s. in deze brief gesommeerd het hekwerk, de poort, de verlichting en de bestrating te verwijderen en verwijderd te houden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, [gedaagde sub 1] c.s. veroordeelt om uiterlijk binnen vijf dagen na dit vonnis

- primair over te gaan tot het verwijderen en verwijderd houden van al hetgeen door [gedaagde sub 1] c.s. is geplaatst en/of geplant op de strook grond die hem krachtens erfdienstbaarheid enkel tot voetpad strekt;

- subsidiair zich te onthouden van elk gebruik van de strook grond van [eiser] die strekt tot het verschaffen van een erfdienstbaarheid van voetpad, anders dan waartoe de erfdienstbaarheid recht geeft;

- een en ander op straffe van een verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 1.500,00 per kalenderdag, een deel van een dag daaronder begrepen, dat [gedaagde sub 1] c.s. deze veroordeling niet nakomt, met een in goede justitie te bepalen maximum,

met veroordeling van [gedaagde sub 1] c.s. in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde sub 1] c.s. onrechtmatig ten opzichte van hem handelt door hem de toegang te onthouden tot zijn eigen strook grond en door die grond te gebruiken voor andere doelen dan waartoe de erfdienstbaarheid recht geeft. [eiser] stelt dat [gedaagde sub 1] c.s. zonder toestemming een houten schutting heeft geplaatst tegen de bestaande afscheiding van betonnen platen, verlichting heeft aangebracht en het pad heeft afgesloten met een hek dat op slot kan. Verder heeft [gedaagde sub 1] c.s. volgens [eiser] in het pad dezelfde tegels gelegd als waarmee de tuin van [gedaagde sub 1] c.s. is bestraat en heeft hij uitsparingen in dit tegelpad beplant. Op deze manier lijkt het gedeelte dat in eigendom is van [eiser] deel uit te maken van de tuin van [gedaagde sub 1] c.s.

3.3.

[gedaagde sub 1] c.s. betwist dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. [gedaagde sub 1] c.s. betoogt dat [eiser] misbruik maakt van zijn recht door verwijdering van de schutting te vragen die daar vanaf 2000 staat en voor de plaatsing waarvan [eiser] destijds toestemming heeft gegeven. De poort is geplaatst ter veiligheid van de kinderen van [gedaagde sub 1] c.s. De verlichting is er volgens [gedaagde sub 1] c.s. al sinds jaar en dag zonder dat [eiser] daarover heeft geklaagd. Ook de verlichting heeft een veiligheidsfunctie.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] stelt dat sprake is van een voortdurende onrechtmatige inbreuk op zijn eigendomsrecht. Door de aard van de vordering is de spoedeisendheid gegeven.

4.2.

Het gaat in deze zaak om de strook grond die zich bevindt aan de achterzijde van het perceel [adres/(perceel 1)] en die grenst aan achterzijden van de percelen [adres/(perceel 2)] en [nummer/(perceel 3)] . Ter zitting heeft [gedaagde sub 1] c.s. erkend dat deze strook grond, waarop de erfdienstbaarheid rust, eigendom is van [eiser] .

4.3.

Volgens art. 5:1 lid 1 BW is eigendom het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben. Een eigenaar is volgens art. 5:1 lid 2 BW in beginsel vrij met uitsluiting van ieder ander om van zijn zaak gebruik te maken. De bevoegdheden die een eigenaar aan zijn eigendom kan ontlenen worden begrensd door de rechten van anderen en door de beperkingen die voortvloeien uit de regels van ongeschreven privaatrecht.

[eiser] hoeft dan ook in beginsel geen grotere inbreuk op zijn eigendomsrecht te dulden dan waartoe hij op grond van de erfdienstbaarheid verplicht is, dat is het recht van voetpad zoals dat in de notariële akte (zie hiervoor in 2.1) is omschreven.

4.4.

De door [gedaagde sub 1] c.s. aangebrachte betegeling met gedeeltelijke beplanting, de (afsluitbare) poort, de verlichting en de schutting zijn geen van alle noodzakelijk om de strook grond als voetpad te kunnen gebruiken. [eiser] hoeft die aanpassingen daarom in beginsel niet te dulden of toe te staan, tenzij daar een (nadere) afspraak over is gemaakt en/of hij er toestemming voor heeft gegeven.

4.5.

Volgens [gedaagde sub 1] c.s. bestaat de huidige situatie al jaren. Hij wijst er op dat al vanaf de bouw van de drie-onder-een-kap woningen ( [adres/(perceel 4)] , [nummer/(perceel 2)] en [nummer/(perceel 3)] ) in 1961, een betonnen schutting staat op het perceel van [eiser] waarmee de tuin van [adres/(perceel 1)] werd afgescheiden van de drie andere percelen. Deze betonnen schutting staat er nog steeds. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. stonden, toen hij [adres/(perceel 2)] in 2000 kocht, aan zijn kant gevlochten schuttingdelen tegen de betonnen schutting en was er toen ook al een poort. [gedaagde sub 1] c.s. stelt dat hij in 2000 contact heeft gezocht met [eiser] om de betonnen muur en de gevlochten schuttingdelen op gezamenlijke kosten te vervangen door een houten schutting. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. wilde [eiser] niet dat de betonnen schutting werd verwijderd. Naar zijn zeggen heeft [gedaagde sub 1] c.s. toen voorgesteld om de oude gevlochten schutting te vervangen door een houten schutting en heeft hij de houten schutting geplaatst nadat [eiser] met hiermee akkoord was. Ter onderbouwing van de door hem weergegeven gang van zaken over het plaatsen van de schutting en het feit dat [eiser] in het verleden nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de houten schutting, heeft [gedaagde sub 1] c.s. een verklaring overgelegd van mevrouw [A] die in de periode 2000 tot 2010 in de [adres/(perceel 2)] heeft gewoond. [gedaagde sub 1] c.s. stelt dat hij recent de schutting heeft opgeknapt door de palen te vervangen en de boel te schilderen.

4.6.

Volgens [eiser] is de huidige schutting hoger dan de schutting die er in 2000 is gezet en hij betwist dat er voordien al (andere) schuttingdelen stonden. Hij heeft betwist dat hij toestemming heeft gegeven voor het plaatsen van een schutting in 2000. Hij stelt dat hij er geen bezwaar tegen heeft gemaakt omdat hij geen problemen wilde met de buren.

4.7.

Of de huidige schutting hoger is dan de schutting die [gedaagde sub 1] c.s. in 2000 heeft geplaatst is tussen partijen in geschil en is niet komen vast te staan. Uit de overgelegde foto’s kan het niet worden afgeleid en de verklaringen geven hierover geen doorslag. Ook is niet duidelijk geworden in hoeverre de strook eerder al was betegeld en er een poort was; of [eiser] daar – al dan niet impliciet – toestemming voor heeft gegeven en in hoeverre de huidige situatie daarvan afwijkt. Zolang dat niet duidelijk is, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een ordemaatregel in die zin, dat schutting, betegeling en poort moeten worden verwijderd, niet toewijsbaar. Dat ligt anders voor de verlichting, de beplanting en het slot op de poort. Voor die aanpassingen geldt dat voldoende aannemelijk is dat die recent door [gedaagde sub 1] c.s. zijn doorgevoerd zonder overleg met [eiser] . Er zijn immers geen foto’s of verklaringen overgelegd waaruit volgt dat ook die voorzieningen al langere tijd bestaan en met toestemming van of in overleg met [eiser] zijn aangebracht. De verlichting, de beplanting en het slot en/of de grendel op de poort moeten worden verwijderd.

4.8.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering in zoverre zal worden toegewezen dat [gedaagde sub 1] c.s. de beplanting, het slot of de sloten op de poort en de verlichting dient te verwijderen en verwijderd dient te houden, van de strook grond die in eigendom is van [eiser] en waarop de erfdienstbaarheid van voetpad is gevestigd. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, in die zin dat deze wordt gematigd tot € 500,00 per dag met een maximum van € 5.000,00.

4.9.

Het verzoek van [gedaagde sub 1] c.s. om hem een langere termijn te gunnen zal worden gehonoreerd. De voorzieningenrechter bepaalt deze termijn op twee weken na de datum van dit vonnis.

4.10.

Voor het achterwege laten van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring zoals door [gedaagde sub 1] c.s. verzocht ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding.

4.11.

De proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd in die zin, dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

gebiedt [gedaagde sub 1] c.s. om binnen twee weken na de datum van dit vonnis de beplanting, de sloten van de poort en de verlichting te verwijderen en verwijderd dient te houden van de strook grond die in eigendom is van [eiser] en waarop de erfdienstbaarheid van voetpad is gevestigd,

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 5000,00 is bereikt,

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2017.1

1 type: coll: