Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:6023

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
C/16/420597 / HA ZA 16-572
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verhaal schade door de verzekeraar op grond van artikel 15 lid 1 WAM. Toedracht ongeval

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6547
VR 2018/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/420597 / HA ZA 16-572

Vonnis van 27 september 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOVEMIJ FINANCIËLE DIENSTEN B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

eiseres,

advocaat mr. E.G.M. van den Heuvel te Breda,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. E.J. Coxon te Utrecht.

Partijen zullen hierna Bovemij en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 23 november 2016,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 25 april 2017,

  • -

    de conclusie van repliek,

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is op 5 juli 2013 als bestuurder van een Peugeot met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) betrokken geraakt bij een aanrijding met de heer [A] , die reed op een ‘snorfiets’ (scooter/bromfiets zonder verplichting tot het dragen van een helm). Over de toedracht van dit ongeval hebben [gedaagde] en [A] onafhankelijk van elkaar een schadeformulier ingevuld. De politie heeft proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal vermeldt dat het ambulancepersoneel heeft geconstateerd dat [A] een gebroken enkel had opgelopen. [A] is afgevoerd naar het [naam ziekenhuis] te [vestigingsplaats] . De politie heeft twee getuigen gehoord: [getuige 1] en [getuige 2] .

2.2.

De auto stond van 22 juli 2006 tot 27 juni 2013 in het kentekenregister van de Rijksdienst voor het wegverkeer (hierna: RDW) geregistreerd op naam van [B] . Op 27 juni 2013 is een vrijwaringsbewijs afgegeven voor de auto. Op 5 jul 2013 stond de auto in het kentekenregister geregistreerd op naam van [gedaagde] . Als adres vermeldt het register: [adres] , [postcode] te [woonplaats] .

2.3.

[B] had de auto verzekerd bij de naamloze vennootschap N.V. Schadeverzekering-Maatschappij Bovemij (hierna: Bovemij verzekeringen). Bovemij verzekeringen heeft aan Bovemij volmacht verleend voor het verhalen van door haar uitgekeerde schadepenningen.

2.4.

In de periode september 2013 tot maart 2015 heeft Bovemij de volgende brieven aan de heer of mevrouw [gedaagde] verzonden:

- Bij brief van 5 september 2013 aan [gedaagde] heeft Bovemij meegedeeld:

Betreft: schade van 05-07-2013

“(…)

Naar aanleiding van bovengenoemde schade berichten wij u het volgende.

Onlangs hebben wij u aangeschreven voor een schriftelijke schademelding op bovengenoemde datum. Wanneer blijkt dat u de aansprakelijke partij bent van de aanrijding op bovengenoemde schade zullen wij de uitgekeerde schade op u verhalen. Dit omdat u geen autoverzekering heeft afgesloten voor uw voertuig. Uw reactie zien wij graag tegemoet.

(…) ”

Deze brief is gericht aan het adres [adres] te [woonplaats] .

- Bij brief van eveneens 5 september 2013 aan [gedaagde] heeft Bovemij aan [gedaagde] meegedeeld dat zij een volledig ingevuld schadeformulier en een uitgebreide toedracht en situatieschets wenst te ontvangen. Voorts wordt [gedaagde] er in deze brief op gewezen dat de auto niet verzekerd was.

Deze brief is gericht aan het adres [adres] te [woonplaats] , evenals de daarop volgende brieven.

- Bij brief van 23 oktober 2013 aan [gedaagde] heeft Bovemij meegedeeld dat zij geen schriftelijke reactie heeft mogen ontvangen. Voorts schrijft zij:

“de bestuurder van uw auto heeft telefonisch contact met ons opgenomen, daar uw auto wel verzekerd zou zijn. Echter conform het RDW blijkt de auto tot op heden niet verzekerd te zijn.

(…)”

- Bij brief van 4 november 2014 aan [gedaagde] heeft Bovemij meegedeeld:

“ (…)

na controle blijkt dat wij reeds € 8.565,26 aan schadebedragen hebben uitgekeerd voor de schade van de tegenpartij. Daar er sprake is van letsel bij de tegenpartij zullen er naar verwachting nog meerdere uitkeringen volgen. (…).”

Voorts heeft Bovemij in deze brief er wederom op gewezen dat de auto niet verzekerd was en verzoekt zij [gedaagde] een voorstel te doen over de wijze waarop de schade geregeld kan worden.

- Bij brief van 15 januari 2015 aan [gedaagde] heeft Bovemij meegedeeld:

“(…)

Na controle blijkt dat wij reeds € 13.565,26 aan schadebedragen hebben uitgekeerd voor de schade van de tegenpartij. Daar er sprake is van letsel bij de tegenpartij zullen er naar verwachting nog meerdere uitkeringen volgen. Daar u ten tijde van de aanrijding niet verzekerd was vorderen wij de schade op u terug

(…)

Bovemij verzoekt [gedaagde] het genoemde bedrag binnen veertien dagen over te maken. Voorts verzoekt zij aan [gedaagde] een voorstel te doen voor een betalingsregeling en deelt zij mee dat zij bij uitblijven daarvan een incassobureau zal inschakelen.

2.5.

Bij brieven van 27 februari 2015 en 9 maart 2015 is [gedaagde] gesommeerd een hoofdsom van € 30.998, 50 te voldoen, vermeerderd met rente en kosten.

2.6.

Bovemij en [A] hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij de door [A] geleden en nog te lijden schade is vastgesteld op een bedrag van € 60.500,00. Deze overeenkomst is door [A] ondertekend op 21 februari 2016.

3 Het geschil

3.1.

Bovemij vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 112.898,64, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2.

Bovemij legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] heeft verzuimd de auto te verzekeren. Bovemij Schadeverzekering heeft op grond van de uitloop van het WA-gedeelte van de door [B] gesloten autoverzekering de door [A] als gevolg van het ongeval van 5 juli 2013 geleden schade vergoed. Bovemij verhaalt de betaalde schadevergoeding op grond van artikel 15 lid 1 WAM op [gedaagde] .

3.3.

Bovemij heeft haar vordering als volgt gesepcificieerd:

schadevergoeding aan [A] € 60.500,00

schadevergoeding aan de werkgever van [A] € 26.484,00

vergoeding kosten rechtsbijstand [A] € 11.535,18

betalingen aan zorgverzekeraar van [A] € 9.075,24

kosten schaderegelaar [naam adviesbureau 1] € 3.987,91

kosten medisch adviseur [naam adviesbureau 2] € 453,31

factuur [naam ingenieursbureau] € 363,00

totaal € 112.898,64

3.4.

Ter onderbouwing van die vordering heeft Bovemij de met [A] gesloten vaststellingsovereenkomst overgelegd, een e-mailwisseling met de werkgever van [A] ( [naam stichting] te [vestigingsplaats] ), stukken van [bedrijfsnaam] (hierna: [bedrijfsnaam] ) betreffende een regresvordering van de zorgverzekeraar van [A] en facturen van [naam adviesbureau 1] , de medisch adviseur [naam adviesbureau 2] en van [naam ingenieursbureau] ( [naam ingenieursbureau] ).

3.5.

[gedaagde] erkent dat hij betrokken is geweest bij het ongeval op 5 juli 2013, maar hij betwist primair dat hij aansprakelijk is voor de schade als gevolg van dit ongeval. Onder verwijzing naar het door hem ingevulde schadeformulier stelt [gedaagde] dat [A] door het rode stoplicht is gereden en dat zijn eigen stoplicht op groen stond. Omdat de toedracht van het ongeval niet vaststaat, is evenmin komen vast te staan dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade van [A] . [gedaagde] stelt dat hij na het ongeval niets meer heeft vernomen over de oorzaak en de aansprakelijkstelling en dat hij er niet mee bekend was dat [A] (ernstig) letsel had opgelopen. Subsidiair betwist [gedaagde] dat de auto niet verzekerd was. Volgens hem was de WAM-verzekering van [B] ten tijde van het ongeval nog niet beëindigd. Hij stelt daartoe dat [B] nog immer eigenaar van de auto was. De auto was weliswaar op naam gesteld van [gedaagde] , maar de eigendom van de auto was niet overgegaan. [gedaagde] had de auto slechts geleend van [B] en ging er ter goeder trouw vanuit dat de auto verzekerd was. Voorts heeft [gedaagde] de hoogte van de gevorderde schade betwist. Hij stelt daartoe dat niet duidelijk is in welke mate [A] schade heeft geleden ten gevolge van het ongeval. Wat betreft de betalingen aan de werkgever stelt hij dat het voor de hand ligt dat de werkgever daarvoor verzekerd is en dat bovendien niet is onderbouwd dat en zo ja hoe lang [A] als gevolg van het ongeval arbeidsongeschikt is geweest. Verder is volgens [gedaagde] niet inzichtelijk gemaakt op welke grondslag de buitengerechtelijke kosten berusten, welke buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en op grond van welke staffel deze kosten zijn vergoed. Voor een regresvordering door de zorgverzekeraar is volgens [gedaagde] geen grondslag.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Artikel 15 lid i van de WAM luidt als volgt:

“De verzekeraar die ingevolge deze wet de schade van een benadeelde geheel of ten dele vergoedt, ofschoon de aansprakelijkheid voor die schade niet door een met hem gesloten verzekering was gedekt, heeft voor het bedrag der schadevergoeding verhaal op de aansprakelijke persoon. Het bepaalde in de vorige zin geldt niet ten aanzien van de aansprakelijke persoon, die niet is de verzekeringnemer, tenzij hij niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt.”

4.2.

Uit de door Bovemij bij repliek overgelegde e-mail correspondentie met [B] blijkt dat zij aan Bovemij heeft meegedeeld dat zij haar auto vanaf 27 juni 2013 heeft verkocht. Zij heeft een kopie van het vrijwaringsbewijs gedateerd 27 juni 2013 aan Bovemij gestuurd. Voorts blijkt dat de auto op de datum van het ongeval op naam van [gedaagde] stond in het kentekenregister. Bij dupliek is [gedaagde] niet ingegaan op deze stukken en hij heeft geen nadere onderbouwing van zijn stelling gegeven. De rechtbank verwerpt daarom het betoog van [gedaagde] dat de auto niet zijn eigendom was.

4.3.

Het betoog van [gedaagde] dat de auto op 5 juli 2013 was verzekerd gaat evenmin op. Door verkoop van de auto was de verzekering van [B] geëindigd. Met zijn stelling dat [B] nog wel de beschikking had over de auto beroept [gedaagde] zich kennelijk op artikel 1.5 onder c punt 3, van de polisvoorwaarden waarin is bepaald dat de verzekering eindigt zodra de auto niet meer van de verzekeringnemer is, tenzij de verzekeringnemer daarna de beschikking over de auto houdt. [gedaagde] heeft echter geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die een aanwijzing vormen dat in dit geval deze uitzondering op de hoofdregel zich zou kunnen voordoen. De stelling van [gedaagde] dat uit de e-mail van [B] blijkt dat zij de verzekering pas na 3 september 2013 heeft opgezegd treft evenmin doel. De e-mail die [gedaagde] in dit verband aanhaalt luidt volledig: “hierbij mijn vrijwaring. Na een lange zoektocht gevonden. Per die datum wil ik ook dat mijn verzekering voor deze auto opgezegd wordt”. De vrijwaring dateert van 27 juni 2013. Nog daargelaten dat de verzekering reeds was geëindigd door de verkoop van de auto, blijkt uit deze e-mail niet dat [B] de verzekering pas na 3 september 2013 wilde opzeggen.

4.4.

[gedaagde] diende als nieuwe eigenaar de auto te verzekeren. Vast staat dat hij dit niet heeft gedaan. De auto was dus niet verzekerd. Indien vast komt te staan dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade, is Bovemij op grond van het bepaalde in artikel 15 lid 1 van de WAM bevoegd het door haar uitgekeerde schadebedrag op [gedaagde] te verhalen.

4.5.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [gedaagde] dat hij na het ongeval niets meer heeft vernomen over het ongeval. [gedaagde] was zelf betrokken bij het ongeval zodat hij kon weten dat [A] naar het ziekenhuis was afgevoerd. Hij is kort na het ongeval door Bovemij op de hoogte gesteld dat was geconstateerd dat de auto niet was verzekerd en dat de schade-uitkering op hem verhaald kon worden, hem is gevraagd zijn visie op de toedracht te geven, hij is op de hoogte gehouden van de schade-uitkeringen die Bovemij heeft gedaan en hij is in de gelegenheid gesteld om een voorstel te doen voor een betalingsregeling (zie hiervoor in 2.4). Dat [gedaagde] geen van deze brieven zou hebben ontvangen acht de rechtbank niet geloofwaardig. Het adres [straatnaam] te [woonplaats] waar de brief van 5 september 2013 naar toe is gestuurd, is het adres dat [gedaagde] zelf heeft vermeld op zijn schadeformulier. Naar aanleiding van de stelling van [gedaagde] ter zitting dat de brieven naar twee verschillende adressen zijn gestuurd heeft Bovemij bij repliek toegelicht dat de brieven naar het adres [adres] te [woonplaats] zijn gestuurd omdat dit het adres is dat in het kentekenregister is vermeld. Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat [gedaagde] dit adres ook heeft opgegeven aan de politie. Bij dupliek heeft [gedaagde] over de adressering van de brieven niets meer aangevoerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het door [gedaagde] aan Bovemij gemaakte verwijt niet opgaat.

4.6.

Partijen verschillen van mening over de toedracht van het ongeval. Ter onderbouwing van haar stelling dat [gedaagde] door een rood stoplicht is gereden, verwijst Bovemij naar de getuigenverklaring van [getuige 2] , een in het kader van de schadeafwikkeling met [A] uitgebracht advies van advocatenkantoor [naam advocatenkantoor] en een rapport van [naam ingenieursbureau] (hierna [naam ingenieursbureau] ).

4.7.

Het proces-verbaal van de politie vermeldt dat [getuige 2] het volgende heeft verklaard:

“(…)”Op vrijdag 5 juli 2013 omstreeks 19.10 uur stond ik met mijn fiets op de kruising van het [straatnaam] met de [straatnaam] te [woonplaats] . Ik stond op dat moment stil voor het stoplicht op het bromfietspad, aan de kant van de [straatnaam] te [woonplaats] . Ik stond met mijn neus in de richting van het [straatnaam] .

Op laatst genoemde datum en tijd zag ik dat een brommer mij tegemoed kam rijden uit de richting van het [straatnaam] . Ik zag dat op dat moment het stoplicht voor de (brom)fietsers, welke zich aan mijn zijde van de kruising bevond, groen was. Ik was op dat moment zelf bezig met opstappen op mijn fiets. Ik zag dat de brommer de rijbaan welke in de richting van […] Brug gaat overstak en de kruising [straatnaam] - [straatnaam] op reed. Ik zag dat daar op dat moment een auto aankwam. Ik zag dat deze auto uit de richting van de […] brug kwam en in de richting reed van de kruising [straatnaam] - [straatnaam] . Ik zag dat de brommer in botsing kwam met de auto. Ik zag dat de bestuurder van de brommer op de voorruit van de auto terecht kwam.

(…)”

Het proces-verbaal van de politie vermeldt dat [getuige 1] heeft verklaard:

“(…)”Op vrijdag 5 juli 2013 omstreeks 19.10 uur stond ik met mijn fiets op de kruising van het [straatnaam] met de [straatnaam] te [woonplaats] . Ik stond op dat moment stil voor het stoplicht op het bromfietspad, aan de kant van het [straatnaam] te [woonplaats] . Ik stond met mijn neus in de richting van de [straatnaam] .

Op laatst genoemde datum en tijd zag ik dat een brommer mij inhaalde, deze brommer kwam uit de richting van het [straatnaam] . Ik zag dat op dat moment het stoplicht voor de (brom) fietsers, welke zich aan mijn zijde van kruising bevond, rood was. Ik was op dat moment zelf aan het wachten voor het rode licht. Ik zag dat de brommer de rijbaan welke in de richting van […] Brug gaat overstak en de kruising verder op reed. Ik zag dat de brommer de rijbaan welke richting de kruising [straatnaam] - [straatnaam] op reed. Ik zag dat daar op dat daar op dat moment een auto aankwam. Ik zag dat deze auto uit de richting van de […] Brug kwam en in de richting reed van de kruising [straatnaam] - [straatnaam] . Ik zag dat de brommer in botsing kwam met de auto.

(…)””

4.8.

In het rapport van [naam ingenieursbureau] is aan de hand van foto’s een situatieschets gegeven van het kruispunt waar het ongeval heeft plaatsgevonden, waarbij de rijrichting van [gedaagde] is aangegeven met een rode pijl en die van [A] met een blauwe pijl. De van belang zijnde verkeerslichten zijn aangeduid met de nummers 08, 80, 81, 82 en 22. De conclusie in het rapport is dat dat de door de politie opgetekende getuigenverklaringen niet strijdig zijn met elkaar en dat er “vanuit lijkt te moeten uitgegaan dat [gedaagde] door rood is gereden”. Het rapport vermeldt dat uit de verkeerstechnische tekening van de kruising blijkt dat [gedaagde] ten tijde van het ongeval richting 08 volgde en dat [A] op dat moment richting 82 volgde en direct daaraan voorafgaand de richtingen 80 en 81. Dat waren twee oversteken voorafgaand aan de oversteek van de derde oversteek richting 82. Het rapport vermeldt verder:

- dat de verkeersregelinstallatie ten tijde van het ongeval normaal functioneerde en dat er geen storingen of andere onregelmatigheden zijn geconstateerd;

- dat de regeling volledig verkeersafhankelijk is, wat onder andere inhoudt dat er geen sprake is van een vaste/starre volgorde van (groen)regelingen;

- dat de richtingen 08 en 82 conflicterend zijn en (dus) niet tegelijk groen licht kunnen hebben.

Van de verkeersregelinstallatie is geen logbestand beschikbaar waarbij het feitelijk verloop van de detectie/groenaanvragen en de feitelijke stand van de lichten kan worden achterhaald, zodat niet langs zuiver technische weg kan worden vastgesteld wie door rood is gereden. [naam ingenieursbureau] heeft de conclusies daarom gebaseerd op de getuigenverklaringen. Het rapport vermeldt daarover het volgende:

“7. Uit de verklaring van getuige [getuige 2] kan worden afgeleid:

- dat zij zich met haar fiets op richting 22 bevond en daar aanvankelijk stond te wachten voor een rood verkeerslicht;

- dat haar licht op een bepaald moment kennelijk op groen sprong en dat zij bezig was met opstappen om haar weg te vervolgen (over te steken)

- dat zij in die periode [A] uit tegengestelde richting zag naderen en over zag steken;

- dat zij vervolgens zag dat de aanrijding plaatsvond.

Deze verklaring impliceert dat het verkeerslicht op richting 22 vóór de aanrijding op groen is gesprongen en ten tijde van de aanrijding nog altijd op groen zal hebben gestaan;

mevrouw [getuige 2] was kennelijk nog bezig met opstappen/vertrekken, anders had zij de aanrijding immers niet kunnen zien plaatsvinden.

Uit de conflictmatrix blijkt dat richting 22, net als richting 82 ( [A] ), conflicteert met richting 08 ( [gedaagde] ). Dit impliceert dat richting 08 ten tijde van de aanrijding niet op groen kan hebben gestaan. Als we hier ook de ontruimingstijden bij betrekken, dan kan gesteld worden dat richting 08 ten tijde van de aanrijding tenminste 3 seconden op rood moet hebben gestaan.

De door de politie opgetekende verklaring van mevrouw [getuige 2] vormt hiermee een direct bewijs voor de stelling dat [gedaagde] ofwel door rood is gereden, ofwel dat hij het kruisingsvlak dermate langzaam bij groen licht is opgereden (en/of heeft vrijgemaakt) dat andere (conflicterende) richtingen inmiddels groen licht konden krijgen.

8. Uit de verklaring van getuige [getuige 1] kan worden afgeleid:

- dat zij zich met haar fiets op richting 80 bevond en daar voor een rood verkeerslicht stond te wachten;

- dat zij in die (roodlicht)periode werd ingehaald/gepasseerd door [A] ;

- dat zij zag dat [A] eerst de rijbaan in de richting van de […] Brug overstak en vervolgens doorreed in de richting van de rijbaan waarover [gedaagde] naderde;

- dat zij vervolgens zag dat de aanrijding plaatsvond.

Deze verklaring impliceert da [A] op richting 80 door rood is gereden. Uit de concflictmatirx blijkt echter dat deze 1e oversteek (richting 80) niet conflicteert met richting 08, en datzelfde geldt voor de 2e oversteek (81) die [A] aansluitend is gepasseerd.

De door de politie opgetekende verklaring van getuige [getuige 1] verschaft geen duidelijkheid over de stand van het hier relevante licht, te weten het licht op richting 82. En omdat het hier om een verkeersafhankelijke regeling gaat is het mogelijk dat dat licht wel op groen stond toen [A] deze 3e oversteek opreed

9. Geconcludeerd moet worden dat de door de politie opgetekende getuigenverklaringen niet strijdig zijn met elkaar en dat er inderdaad van lijkt te moeten worden uitgegaan dat uw verzekerde door rood is gereden”

4.9.

[gedaagde] heeft betwist dat op grond van de getuigenverklaring van [getuige 2] kan worden vastgesteld dat hij door rood is gereden. Hij stelt daartoe dat [getuige 2] de kleur van het verkeerslicht van [gedaagde] noch van [A] heeft waargenomen. Bovendien blijkt uit haar waarneming niet met welke snelheid [gedaagde] de kruising is gepasseerd en evenmin met welke snelheid [A] de kruising is gepasseerd. Van direct bewijs voor de stelling van Bovemij dat [gedaagde] door rood licht is gereden is volgens [gedaagde] dan ook geen sprake. De conclusie van [naam ingenieursbureau] dat het licht van [A] op groen stond, is volgens [gedaagde] slechts een mogelijk scenario, maar biedt daarvoor geen zekerheid. [gedaagde] blijft bij zijn standpunt dat hij een groen licht heeft gepasseerd, zodat het onwaarschijnlijk is dat ook [A] een groen licht heeft gepasseerd.

4.10.

De rechtbank is van oordeel dat het rapport van [naam ingenieursbureau] voldoet aan de aan een dergelijk rapport te stellen eisen. De feiten in het rapport zijn gebaseerd op de verklaringen van onafhankelijke getuigen en op objectieve gegevens van de wegbeheerder. Voorts maakt het rapport inzichtelijk op welke wijze de onderzoeker tot zijn conclusies is gekomen. [gedaagde] heeft ook geen inhoudelijke bezwaren aangevoerd tegen het rapport van [naam ingenieursbureau]

De rechtbank zal dit rapport als uitgangspunt nemen bij de beantwoording van de vraag of [gedaagde] aansprakelijk is voor het ongeval.

4.11.

Bij zijn bezwaar dat [getuige 2] niet heeft kunnen zien welke kleur het stoplicht van [A] uitstraalde, gaat [gedaagde] er aan voorbij dat [naam ingenieursbureau] in het rapport heeft vermeld dat zowel richting 22 (het stoplicht van [getuige 2] ), als richting 82 (het stoplicht van [A] ), conflicteert met richting 08 (het stoplicht van [gedaagde] ). Dat is ook logisch, want de verkeerslichten van [getuige 2] en [A] bewaakten dezelfde oversteek van het fietspad over de [straatnaam] . De constatering van [naam ingenieursbureau] dat als het licht voor [getuige 2] op groen stond het niet anders kon dan dat het verkeerslicht voor [gedaagde] op rood stond, acht de rechtbank dan ook juist. Het feit dat [getuige 1] heeft verklaard dat [A] bij richting 80 door rood is gereden en niet heeft verklaard dat het licht voor [A] op groen stond is, anders dan [gedaagde] betoogt niet relevant. Uit het rapport blijkt namelijk dat het feit dat [A] bij verkeerslicht nr. 80 door rood is gereden niet betekent dat verkeerslicht nr. 82 niet op groen zou kunnen staan, omdat na verkeerslicht nr. 80 nog twee oversteken volgden en deze verkeerslichten verkeersafhankelijk waren.

4.12.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat Bovemij heeft aangetoond dat [gedaagde] op de kruising door rood is gereden. Daarmee staat de aansprakelijkheid van [gedaagde] voor het ongeval vast. Bovemij is op grond van artikel 15 lid 1 van de WAM gerechtigd dit bedrag te verhalen op [gedaagde] .

4.13.

Ter nadere onderbouwing van haar vordering heeft Bovemij bij de conclusie van repliek de volgende stukken overgelegd:

- een rapport van medisch adviseur mevrouw [C] , verbonden aan [naam adviesbureau 2] , van 28 april 2015 waarin informatie wordt gegeven omtrent het letsel van [A] en de gevolgen daarvan,

- rapportages van [naam adviesbureau 1] , van 24 oktober 2014, van 12 juni 2015 en van 26 oktober 2015, waarin een beeld wordt gegeven van het letsel en van de ontwikkeling van de schade die is veroorzaakt door de aanrijding,

- stukken afkomstig van [naam stichting] waaruit volgens Bovemij de vordering van de werkgever op grond van artikel 6:107 a BW blijkt,

- brieven van [bedrijfsnaam] van 19 januari 2015, 23 april 2015 en 14 september 2015 waaruit volgens Bovemij blijkt dat de zorgverzekeraar regres neemt op Bovemij van de door haar vanwege het ongeval vergoede ziektekosten.

4.14.

Gelet op het beroep dat Bovemij op deze stukken en de reeds bij dagvaarding overgelegde stukken heeft gedaan, had [gedaagde] zijn betwisting van de hoogte van de schadevergoeding nader moeten onderbouwen. Bij dupliek is [gedaagde] niet ingegaan op de door Bovemij overgelegde stukken en/of de omvang van de schade. De rechtbank ziet ook geen reden om [gedaagde] daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen.

4.15.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat wegens onvoldoende gemotiveerde betwisting door [gedaagde] is komen vast te staan dat Bovemij ten behoeve van [A] in totaal een bedrag € 112.898,64 heeft voldaan. De rechtbank zal de vordering van Bovemij toewijzen.

4.16.

De gevorderde wettelijke rente met ingang van de datum van de dagvaarding heeft [gedaagde] niet betwist, zodat deze zal worden toegewezen als gevorderd.

4.17.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Bovemij worden begroot op:

- dagvaarding € 80,87

- salaris advocaat 3.552,50 (2,5 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 3.633,37

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Bovemij te betalen een bedrag van € 112.898,64 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 22 juli 2016 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Bovemij tot op heden begroot op € 3.633,37,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. The-Kouwenhoven en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2017.1

1 type: coll: