Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5996

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-12-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
UTR 17/393 en UTR 17/521
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Betreft last onder dwangsom om woonschip, overstekend terras en loopgangen en ponton te verwijderen en verwijderd te houden. De voorzieningenrechter acht dusdanig uitzonderlijke omstandigheden aanwezig dat verweerder om die reden van handhaving had moeten afzien. Voor precedentwerking hoeft verweerder niet te vrezen gelet op de specifieke omstandigheden van het geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 17/393 en UTR 17/521

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 december 2017 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren, verweerder

(gemachtigde: Th.D.S. Bol).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser gelast om het woonschip, het overstekend terras en loopgangen, de boatsaver en het ponton op het adres [adres] , kadastraal bekend als [nummer] , sectie [sectie] , nummer [nummer] en [nummer] te [woonplaats] (verder: het perceel) binnen zes weken na verzenddatum van het besluit te verwijderen en verwijderd houden, op straffe van een dwangsom van € 30.000,- (voor het woonschip), € 10.000,- (voor de boatsaver) en € 5.000,- (voor het ponton).

Bij besluit van 9 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten met verbetering van de motivering. Verweerder heeft daarbij bepaald dat eisers woonschip ligplaats mag hebben op het vlak op de bestemmingsplankaart aangeduid met de “sigaar”.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. W.J.J. Lamers en zijn broer [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Ter zitting heeft de voorzieningenrechter in overleg met partijen besloten de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep aan te houden. Daarbij is onder meer met partijen afgesproken dat verweerder de voorzieningenrechter zal berichten zodra de datum van inwerkingtreding van de “Wet verduidelijking voorschriften woonboten” bekend is en dan tevens zal berichten welke consequenties aan de inwerkingtreding van die wet worden verbonden ten aanzien van het bestreden besluit van

9 januari 2017. Verweerder heeft in afwachting daarvan de begunstigingstermijn tot een nader te bepalen datum opgeschort. De daartoe ter zitting gemaakte afspraken zijn neergelegd in een verkort proces-verbaal, dat op 6 maart 2017 aan partijen in afschrift is toegezonden.

Bij brief van 11 september 2017 heeft verweerder de voorzieningenrechter verzocht de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep te heropenen.

Het onderzoek ter zitting is vervolgens hervat op 27 oktober 2017. Eiser is daar verschenen, bijgestaan door zijn broer [A] . Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

Ten aanzien van het beroep (UTR 17/393)

2. Op 29 januari 2015 heeft [B] , werkzaam bij verweerders gemeente, geconstateerd dat op het perceel een woonschip is vernieuwd en een boatsaver is aangelegd. Op 10 februari 2015 heeft genoemde medewerker de afmetingen van het woonschip en de boatsaver opgenomen. Deze afmetingen zijn vervolgens in het opnamerapport van 16 februari 2015 als volgt vermeld:

- Woonschip:

Hoogte ca 4,48 meter (ter plaatse van de toegangsdeur)

Breedte ca. 4,50 meter

Lengte ca. 20 meter,

Breedte gangboard ca. 0,80 meter.

- Boatsaver

Hoogte ca 1,80 meter

Breedte ca. 3,80 meter

Lengte ca. 10,30 meter

3. Op 27 januari 2016 heeft [B] voornoemd wederom een controle uitgevoerd en daarbij geconstateerd dat de situatie ongewijzigd was ten opzichte van de opname op

10 februari 2015, met dien verstande dat geconstateerd is dat naast de boatsaver een ponton is gerealiseerd.

4. Bij brief van 16 februari 2016 heeft verweerder eiser meegedeeld voornemens te zijn hem een last onder dwangsom op te leggen vanwege geconstateerde overtredingen op het perceel, te weten het zonder omgevingsvergunning

1. vernieuwen van het woonschip;

2. aanbrengen van een overstekend terras en loopgangen;

3. aanbrengen van een boatsaver met een ponton en

4. in gebruik nemen van gemeentegrond.

5. Alvorens eiser een last onder dwangsom op te leggen heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld om een ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning in te dienen voor het aanleggen van het woonschip en het woonschip naar het daarvoor bestemde vlak “Water-Woonschepenligplaats” te verplaatsen. Tevens is eiser in de gelegenheid gesteld om de loopgangen aan de achterzijde van het woonschip te verwijderen alsmede het overstekende terras, de boatsaver, het ponton en de eigendommen op de gemeentegrond.

Eiser is hierbij voorts in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze op dit voornemen kenbaar te maken, van welke gelegenheid eiser bij brief van 26 februari 2016 gebruik heeft gemaakt.

6. Op 5 april 2016 heeft er wederom een controle door [B] plaatsgevonden, waarbij is geconstateerd dat het woonschip niet is verplaatst en de loopgangen, het overstekende terras, de boatsaver en het ponton niet zijn verwijderd.

7. Bij het primaire besluit van 19 juli 2016 heeft verweerder gelast om het woonschip, het overstekend terras en loopgangen, de boatsaver en het ponton op het perceel binnen zes weken na verzenddatum van het besluit te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 30.000,- (woonschip), € 10.000,- (boatsaver) en € 5.000,- (ponton).

Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten met verbetering van de motivering. Verweerder heeft daarbij bepaald dat eisers woonschip ligplaats mag hebben op het vlak op de bestemmingsplankaart aangeduid met de “sigaar”.

8. Ingevolge het geldende bestemmingsplan “Buitengebied Nederhorst den Berg” rust op het perceel de bestemming "Water-Woonschepenligplaats".

Ingevolge artikel 21.1, aanhef en onder a, zijn de voor “Water-Woonschepenligplaats” aangewezen gronden bestemd voor ligplaatsen voor woonschepen.

Ingevolge artikel 21.2 mogen op of in deze gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter.

Ingevolge artikel 21.3 gelden ter plaatse van de ligplaatsen als bedoeld in lid 21.1 de volgende regels:

  1. per bestemmingsvlak is maximaal één ligplaats toegestaan;

  2. tenminste één zijde van de ligplaats dient te grenzen aan gronden met de bestemming “water”;

  3. de lengte van woonschepen mag niet meer bedragen dan 20 meter

  4. ….

  5. voor woonschepen waarvan de lengte meer bedraagt dan 17 meter tot een maximum van 20 meter, mag de breedte en bouwhoogte niet meer bedragen dan respectievelijk 4,5 meter en 4,5 meter gemeten vanaf de waterlijn.

Artikel 2.8 bepaalt dat de lengte en breedte van een woonschip wordt gemeten over de langste lengte en de langste breedte, inclusief overstekken en loopranden en dergelijke.

Artikel 35.1 bepaalt ten slotte het volgende:

  1. Indien afstanden tot, en hoogten, inhoud, aantallen en oppervlakten van bestaande bouwwerken, woonschepen en recreatiewoonschepen op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden;

  2. indien afstanden tot bestaande bouwwerken, woonschepen en recreatiewoonschepen op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten als tenminste toelaatbaar worden aangehouden;

  3. In het geval van (her)oprichting van gebouwen, woonschepen en recreatiewoonschepen is het bepaalde in sub a en b uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.

9. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de voorzieningenrechter staat vast dat eiser in 2013 het motorschip ‘ [naam] ’ van zijn vader heeft gekocht. Dit schip heeft in 1985 ligplaats ingenomen op het perceel en is door eisers vader sinds die tijd bewoond. Eiser is daar ook opgegroeid. Dit motorschip had een lengte van 31,15 meter en een breedte van maximaal 5,30 meter. Voor het bouwen van dit motorschip is destijds geen bouw-/omgevingsvergunning verleend.

10. In verband met zijn voornemen om het motorschip ‘ [naam] ’ te vervangen door een woonschip met gelijke maten heeft eiser zich in ieder geval in januari 2013, maar mogelijk al in 2012, tot verweerder gewend met het verzoek hem informatie te verstrekken over de mogelijkheden. Verweerder heeft in brieven van 14 maart 2013 en 28 maart 2013 aan eiser onder meer meegedeeld dat het motorschip ‘ [naam] ’ in het bestemmingsplan “Buitengebied Nederhorst den Berg” positief is bestemd en dat ter plaatse dus een woonschip afgemeerd mag liggen. Er is hierbij gewezen op het feit dat het motorschip ‘ [naam] ’ niet voldoet aan de in artikel 21 van de bestemmingsregels genoemde maximaal toelaatbare maatvoering. Door een omissie is bovendien in de zogenaamde bestaande matenregeling van artikel 35.1 van het bestemmingsplan geen regeling getroffen voor de overschrijding van de maximale lengte- en breedtematen. Een beroep op de bestaande matenregeling voor de lengte en breedte van het nieuw te plaatsen woonschip behoorde in maart 2013 nog niet tot de mogelijkheden. Verweerder heeft op dat moment wel verklaard voornemens te zijn om bij de eerstkomende herziening van het bestemmingsplan de bestaande matenregeling uit te breiden met de lengte- en breedtematen. Inmiddels is het plan op dit punt ook aangepast.

11. Mede met het oog op de ontvangen informatie heeft eiser aan [bedrijf] opdracht gegeven voor de nieuwbouw van zijn woonschip. Deze opdracht is in maart 2014 door [bedrijf] bevestigd. Het betreffende woonschip is uiteindelijk in januari 2015 op de bestemde ligplaats aangelegd, inclusief terras en de aan het woonschip verankerde boatsaver. Het innemen van deze ligplaats heeft in zijn geheel, dus inclusief boatsaver, in één keer plaatsgevonden.

12. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de voorzieningenrechter staat vast dat voor het bouwen van het nieuwe woonschip, inclusief boatsaver, een omgevingsvergunning is vereist. Dit vereiste vloeit voort uit de, bij partijen bekende, uitspraak van de ABRS van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1331. Tevens staat vast dat eiser niet over een omgevingsvergunning beschikt en daartoe ook geen aanvraag heeft ingediend.

13. Op grond van vaste rechtspraak van de ABRS zal, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift, het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

14. Niet in geschil is dat eiser geen omgevingsvergunning heeft aangevraagd voor zijn nieuwe woonschip en al het bijbehorende. Voorts blijkt uit de gedingstukken en ook uit de verklaring van verweerder ter zitting dat verweerder niet bereid is aan legalisatie mee te werken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er dan ook geen concreet zicht op legalisatie. De voorzieningenrechter verwijst hierbij naar de vaste rechtspraak van de ABRS, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2466, waaruit volgt dat het enkele feit dat verweerder niet bereid is gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen, volstaat voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Concreet zicht op legalisatie is in dit geval dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet een omstandigheid op grond waarvan verweerder had moeten afzien van handhaving.

15. De voorzieningenrechter staat vervolgens voor de beantwoording van de vraag of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat er andere bijzondere omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan verweerder had moeten afzien van handhaving. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

16. Volgens vaste rechtspraak van de ABRS (zie onder meer de uitspraak van 29 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3885) kan in bijzondere omstandigheden handhavend optreden in verhouding tot de daarmee te dienen belangen zodanig onevenredig zijn dat daarvan in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Daarvan is in dit geval sprake. Handhavend optreden zal er immers toe leiden dat eiser zijn woonschip, inclusief de daaraan verankerde boatsaver, voor een groot deel zal moeten ontmantelen, waardoor bewoning niet althans niet meer in de huidige vorm tot de mogelijkheden zal behoren. Eiser zal hierdoor met hoge kosten worden geconfronteerd. In de gegeven omstandigheden acht de voorzieningenrechter het onevenredig om dit van eiser te verlangen, temeer nu de ontstane situatie een gevolg is van de uitspraak van de ABRS van 16 april 2014. Uitvloeisel van deze uitspraak is immers geweest dat het oprichten van een woonschip niet langer vergunningvrij, maar vergunningplichtig is.

16.1

De voorzieningenrechter neemt daarbij verder in aanmerking dat eiser zeer tijdig, en wel ruim voor de genoemde uitspraak van de ABRS van 16 april 2014, heeft getracht helderheid te verkrijgen over de juridische mogelijkheden tot vervanging van het woonschip. Daarbij is hem meermaals van de zijde van verweerder te kennen gegeven dat de bestaande matenregeling in het thans geldende bestemmingsplan zou worden opgenomen en dat eiser daarop dan een beroep zou kunnen doen. Deze informatie heeft eiser er dan ook toe gebracht om vóór 16 april 2014 opdracht te geven voor de bouw van een nieuw woonschip. Dit woonschip, inclusief de verankerde boatsaver, had daarbij (nagenoeg) dezelfde maatvoering als het voormalige woonschip ‘ [naam] ’, zodat eiser er naar het oordeel van de voorzieningenrechter van uit mocht gaan dat daarmee was voldaan aan de in het bestemmingsplan opgenomen bestaande matenregeling. De enkele omstandigheid dat het nieuwe woonschip pas na 16 april 2014 ligplaats heeft ingenomen, acht de voorzieningenrechter in dit verband niet van belang, nu eiser, zoals gezegd, op grond van informatie van verweerder ruim voor 16 april 2014 opdracht heeft gegeven voor de bouw van het woonschip.

16.2

Al deze omstandigheden tezamen acht de voorzieningenrechter dusdanig uitzonderlijk dat verweerder om die reden had moeten afzien van handhaving. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat verweerder, gelet op de speciale omstandigheden van het geval, niet hoeft te vrezen voor precedentwerking.

17. De voorzieningenrechter ziet in het vorenstaande aanleiding om op de voet van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen, het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

18. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 168,- aan hem te vergoeden. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten die eiser redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van het beroep. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 495,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de rechtbank, met een waarde per punt van € 495,-).

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (UTR 17/521)

19. Gegeven de beslissing op het beroep is er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen. Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 495,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 495,-).

Tevens dient verweerder het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep (UTR 17/393):

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt het bestreden besluit,

- herroept het primaire besluit,

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit,

- bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ad € 168,- aan hem vergoedt,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 495,-.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (UTR 17/521):

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af,

- bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ad € 168,- aan hem vergoedt,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 495,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. R. in ʼt Veld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.