Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5910

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-11-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
C/16/448935 / KL ZA 17-392
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot opheffing beslag- afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/448935 / KL ZA 17-392

Vonnis in kort geding van 23 november 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eisers] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

hierna te noemen “ [eisers] ”,

advocaat mr. V.C. Hartkamp te Almere,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagden, hierna tezamen te noemen [gedaagde sub 1] c.s. en ieder afzonderlijk [gedaagde sub 1] en “ [gedaagde sub 2] B.V.”,

advocaat mr. J van der Vinne.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met daarbij productie 1 tot en met 8,

  • -

    de mondelinge behandeling op 9 november 2017,

  • -

    de pleitnota van [gedaagde sub 1] c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] exploiteert een onderneming die sanitaire producten voor senioren produceert en verkoopt. Bestuurder van [eisers] is [A] (hierna: [A] ).

2.2.

[gedaagde sub 1] is eigenaar van de onderneming [gedaagde sub 2] B.V.

2.3.

Op 25 september 2014 hebben (de voorganger van) [eisers] en [gedaagde sub 1] een huurovereenkomst getekend, op basis waarvan [eisers] van [gedaagde sub 1] per 1 oktober 2014 een bedrijfspand gelegen aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [vestigingsplaats] (hierna: het gehuurde) zou huren.

2.4.

Op de huurovereenkomst zijn de ‘algemene bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte’, zoals is vastgesteld in het Model door de Raad voor Onroerende Zaken in 2003, van toepassing (hierna: ROZ-voorwaarden). Hierin zijn, voor zover relevant, de volgende bepalingen neergelegd:

“(…)

10.1.2

Mocht er bij aanvang van de huur geen proces-verbaal van oplevering van het gehuurde zijn opgemaakt, dan wordt het gehuurde door huurder bij het einde van de huurovereenkomst of het einde van het gebruik aan verhuurder opgeleverd in de staat die verhuurder mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort waarop de huurovereenkomst betrekking heeft, zonder gebreken, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen en behoudens normale slijtage en veroudering.

10.1.3

Bij discussie over de staat van het gehuurde bij aanvang van de huur, wordt huurder verondersteld het gehuurde in goede staat en zonder gebreken te hebben ontvangen.

(…)”

2.5.

[eisers] heeft het gehuurde, ten behoeve van de exploitatie van haar onderneming, gebruikt voor de productie van, onder meer, baden.

2.6.

Bij aanvang van de huurovereenkomst hebben partijen geen proces-verbaal van de staat van het gehuurde opgemaakt.

2.7.

[eisers] heeft de huurovereenkomst tegen 1 januari 2017 opgezegd.

2.8.

Op 2 januari 2017 heeft [gedaagde sub 1] in een e-mail aan [eisers] het volgende geschreven:

“Wij hadden vanmorgen d.d.: 2 januari 2017 om 11.00 uur een afspraak staan voor de oplevering van de bedrijfsruimte [adres] , [postcode] te [vestigingsplaats] .

Ik heb ruim 1 ½ uur gewacht en heb meerdere malen geprobeerd u te bereiken onder de bij mij bekende vaste en mobiele nummers. Helaas heb ik u niet kunnen bereiken en bent u niet verschenen. Uw kantoor (telefoniste) heeft u ook niet kunnen bereiken.

Ik heb in tussentijd de binnen- en buitenschade geinspecteerd en geconstateerd, dat lang niet alles is hersteld in de staat bij aanvang huur.

De nota van januari 2017 stuur ik mee, zodat u de maand januari heeft om het pand schoon en opgeruimd op te leveren in de staat waarbij het pand bij aanvang huur aan u is overdragen. (…).”

2.9.

Hierop heeft [eisers] gereageerd dat hij de afspraak voor een gezamenlijke inspectie op 3 januari 2017 geagendeerd had.

2.10.

Over de maand januari 2017 heeft [eisers] aan [gedaagde sub 1] een gebruiksvergoeding betaald, welk bedrag gelijk is aan één maand huur.

2.11.

Per e-mail van 1 februari 2017 heeft [gedaagde sub 1] [eisers] als volgt bericht:

“(…) Ik heb vanmiddag een afspraak om +/- 16.15 uur ingepland voor inspectie. Aangezien er nog heel veel werkzaamheden moeten worden verricht kunt u het pand in deze staat niet opleveren. Graag alle schades herstellen en tijdig laten weten wanneer het opgeleverd kan worden.(…)”

2.12.

Op of omstreeks 1 februari 2017 heeft een werknemer van [eisers] de sleutels van het gehuurde aan [gedaagde sub 1] ter beschikking gesteld.

2.13.

Op 3 februari 2017 berichtte [eisers] [gedaagde sub 1] per e-mail:

“(…)Het pand is in originele staat terug gebracht. U spreekt over veel werkzaamheden? En schades? Wij zien niet in welke werkzaamheden en schades dit zijn. (…). De sleutels zijn in het bedrijfspand achter gelaten. (…)”

2.14.

Per e-mail van 7 februari 2017 schreef [gedaagde sub 1] aan [eisers] het navolgende:

“(…) het was nog een grote puinhoop, mijn pand is dusdanig uit geleefd en beschadigd en zeker niet in originele staat. (…)”

2.15.

In antwoord daarop schreef [eisers] op 10 februari 2017 aan [gedaagde sub 1] per e-mail:

“(…) De bedrijfsruimte is aan u opgeleverd in originele staat zoals het destijds aan ons is opgeleverd voor verhuur. (…)”

2.16.

Op 28 februari 2017 ontving [eisers] per exploot een brief van de deurwaarder, met als bijlage gehecht onder andere een ‘proces-verbaal van constatering
d.d. 20 februari 2017’van het gehuurde (“hierna: proces-verbaal van constatering). In deze brief schrijft de deurwaarder:

“(…) Daarnaast is het evident dat de door cliënt na uw oplevering van het gehuurde geconstateerde gebreken en schade door u tijdens de huurperiode zijn veroorzaakt. (…)”

2.17.

In verband met het exploot heeft de advocaat van [eisers] , bij brief van
3 maart 2017, aan de deurwaarder geschreven:

“(…) Tevens ontbreekt een inspectierapport waaruit blijkt weke punten mijn cliënte dan nog had moeten herstellen in de maand dat zij langer in het gehuurde verbleef. (…)”

2.18.

De deurwaarder heeft middels een brief van 20 maart 2017 hierop gereageerd als volgt:

“(…) Cliënt is van mening dat er wel degelijk een voorinspectie van het gehuurde heeft plaatsgevonden, waarbij hij uw cliënt op de aanwezige gebreken gewezen heeft. Dit is echter niet schriftelijk vastgelegd, (…).

Cliënt is dinsdag 21 maart 2017 en woensdag 22 maart 2017 beschikbaar om een eindinspectie te laten plaatsvinden. Indien er bij deze eindinspectie gebreken geconstateerd worden aan het gehuurde, zal cliënt uw cliënt een termijn gegeven van 10 werkdagen waarbinnen deze gebreken hersteld moeten zijn. Mocht uw cliënt hieraan geen gehoor geven, dan zal cliënt deze gebreken op kosten van uw cliënt laten herstellen.”

2.19.

Op dit verzoek heeft de advocaat van [eisers] deze reactie gestuurd:

(…) het pand is reeds op geleverd en de sleutels zijn bij uw cliënt ingeleverd. Er is geen enkele reden voor mijn cliënte om wederom mee te werken aan een eindinspectie. Daarbij is er inmiddels enige tijd verstreken zodat niet is na te gaan wat er met het pand in de tussentijd is gebeurd. Cliënte heeft het pand conform de huurovereenkomst opgeleverd en tot op heden is er – ondanks het verzoek van cliënte – niets overgelegd waaruit zou blijken dat dit niet het geval zou zijn. Er is geen enkele juridische en/of feitelijke grondslag waardoor cliënte gehouden zou zijn de werkzaamheden van uw cliënt te vergoeden. (…)”

2.20.

Per 1 juli 2017 is het gehuurde aan een nieuwe huurder verhuurd.

2.21.

Op 18 oktober 2017 heeft [gedaagde sub 1] c.s. een bodemprocedure bij (de handelsrechter van) deze rechtbank aanhangig gemaakt.

2.22.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft op 25 oktober 2017, na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 24 oktober 2017, conservatoir (derden)beslag doen leggen onder ABN AMRO N.V. (hierna: de ABN Amro bank), op de bankrekening van [eisers] .

2.23.

Op verzoek van [gedaagde sub 1] c.s. heeft de ABN Amro bank op 11 november 2017 het conservatoire beslag op de bankrekening van [eisers] gemaximeerd tot een bedrag van
€ 50.000,-.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad om:

I. gedaagden te veroordelen om het om conservatoir derdenbeslag, dat is gelegd onder de ABN AMRO Bank N.V. te [vestigingsplaats] , binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis op te heffen ex artikel 705 Rv, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag, met een maximum van
€ 100.000,-;

II. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure, met bepaling dat gedaagden de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zijn vanaf acht dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening en te vermeerderen met de nakosten.

3.2.

Ter onderbouwing van haar vorderingen heeft [eisers] , samengevat, het volgende gesteld. [gedaagde sub 1] c.s. heeft niet voldaan aan het bepaalde in artikel 700 lid 3 Rv, zodat om deze reden het conservatoire beslag van rechtswege is vervallen. Verder geldt dat het conservatoire beslag moet worden opgeheven, omdat het beslagrekest niet aan de wettelijke vereisten voldoet, de vordering ter verzekering waarvan het beslag is gelegd ondeugdelijk en ongefundeerd is, het beslag onnodig is en de gevolgen daarvan onevenredig zwaar voor [eisers] zijn.

3.3.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is in geschil of het door [gedaagde sub 1] c.s. gelegde conservatoire beslag op de bankrekening van [eisers] bij ABN Amro bank dient te worden opgeheven.

4.2.

Op grond van artikel 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de

voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481) of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd. Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.3.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft in het beslagrekest gemotiveerd gesteld op welke rechtsgrond haar vordering berust. [gedaagde sub 1] c.s. meent dat zij een schadevergoedingsvordering heeft op [eisers] , omdat [eisers] jegens haar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst. Haar schade heeft [gedaagde sub 1] c.s. begroot op
€ 47.051,43 exclusief rente en kosten.

Vormverzuim

4.4.

Als meest verstrekkende grond voor de gevorderde opheffing van het conservatoire beslag heeft [eisers] aangevoerd dat niet aan de vereisten van artikel 700 lid 3 Rv is voldaan. Ingevolge deze bepaling dient de beslaglegger na het leggen van een conservatoir beslag binnen een daartoe door de voorzieningenrechter te stellen vervaltermijn de eis in de hoofdzaak in te stellen. Door [gedaagde sub 1] c.s. is die eis binnen de gestelde vervaltermijn van veertien dagen ingesteld bij (de handelsrechter van) deze rechtbank. [eisers] voert echter aan dat het geschil tussen partijen een aardzaak betreft die haar grondslag vindt in een huurovereenkomst, zodat [gedaagde sub 1] c.s. haar eis – gelet op het bepaalde in artikel 93 Rv – bij de kantonrechter aanhangig had moeten maken. Volgens [eisers] zal de rechtbank zich dan ook onbevoegd verklaren conform het bepaalde in artikel 72 Rv, waarna [gedaagde sub 1] c.s. de zaak opnieuw zal moeten aanbrengen bij de kantonrechter en dus niet is voldaan aan het tijdig instellen van de eis in hoofdzaak. [eisers] miskent hier evenwel mee dat, indien de rechtbank zich onbevoegd verklaart, de zaak zal worden verwezen naar de kantonrechter overeenkomstig het bepaalde in artikel 73 Rv in verbinding met artikel 71 Rv. Het leidt derhalve niet tot het oordeel dat er geen of een niet-tijdige eis in hoofdzaak door [gedaagde sub 1] c.s. is ingediend. De stelling van [eisers] wordt daarom verworpen.

4.5.

Verder heeft [eisers] aangevoerd dat het beslag moet worden opgeheven. Deze stelling baseert zij op een aantal grondslagen. De als eerst aangevoerde grondslag, dat [gedaagde sub 1] c.s. gehouden is om in het beslagrekest te stellen dat sprake is van vrees voor verduistering, heeft [eisers] ter zitting verlaten. De voorzieningenrechter zal een bespreking van deze grond dan ook achterwege laten.

Ondeugdelijkheid

4.6.

[eisers] heeft voorts aangevoerd dat de vordering van [gedaagde sub 1] c.s. waarvoor

verlof is verleend ondeugdelijk is, althans ongefundeerd. In dit verband heeft [eisers] aangevoerd dat geen sprake is van schade, althans geen schade waarvoor zij aansprakelijk is. Dit motiveert [eisers] allereerst door erop te wijzen dat bij de aanvang van de huurovereenkomst geen proces-verbaal van de staat van het gehuurde is opgemaakt, zodat op grond van artikel 7:224 lid 2 BW wordt verondersteld dat [eisers] het gehuurde in dezelfde staat heeft ontvangen zoals deze is aan het einde van de huurovereenkomst. Ten tweede wijst [eisers] erop dat een gezamenlijke eindinspectie ook niet heeft plaatsgevonden. De inhoud van het proces-verbaal van constatering heeft [eisers] uitdrukkelijk betwist, nu dit niet in haar bijzijn en bovendien na de oplevering van het gehuurde is opgesteld. Voorts geldt volgens [eisers] dat als al sprake is van schade, dit te wijten is aan veroudering en normale slijtage. Bovendien zien de bij het beslagrekest gevoegde offertes en facturen volgens [eisers] niet op herstelwerkzaamheden voor handelingen van [eisers] . Evenmin blijkt volgens haar daaruit dat [gedaagde sub 1] c.s. conform deze offertes herstelwerkzaamheden zal uitvoeren, omdat een aantal daarvan immers is verlopen en het gehuurde inmiddels door een nieuwe huurder wordt gehuurd. Tot slot heeft [eisers] ter zitting gesteld dat de huurovereenkomst enkel met [gedaagde sub 1] is aangegaan.

4.7.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft de stellingen van [eisers] dat sprake is van een ondeugdelijke, althans een ongefundeerde vordering zijdens haar betwist. Het beroep van [eisers] op artikel 7:224 lid 2 BW gaat volgens [gedaagde sub 1] c.s. niet op, omdat partijen in
artikel 10.1.2 ROZ-voorwaarden daarvan zijn afgeweken. Om deze reden mocht

[gedaagde sub 1] c.s. verwachten dat [eisers] het gehuurde in goed onderhouden staat zou opleveren. Uit het proces-verbaal van constatering volgt volgens [gedaagde sub 1] c.s. dat [eisers] daar niet aan heeft voldaan. Daaruit blijkt bovendien dat de meeste schade aan het gehuurde is veroorzaakt door polysterresten, een stof die voor de productie van baden wordt gebruikt. Voorts betoogt [gedaagde sub 1] c.s. dat het gehuurde bij aanvang van de huur in een goede staat verkeerde. Wat betreft de verlopen offertes en nog niet uitgevoerde werkzaamheden – [gedaagde sub 1] heeft ter zitting verklaard reedseen bedrag van ongeveer € 12.000,- te hebben gespendeerd aan werkzaamheden ter herstel van schade –heeft [gedaagde sub 1] c.s. aangevoerd dat dit niet afdoet aan de door haar geleden schade ten gevolge van handelingen van [eisers] . Op de stelling van [eisers] dat [gedaagde sub 2] B.V. geen partij is bij de huurovereenkomst heeft [gedaagde sub 1] c.s. verklaard dat partijen altijd zijn uitgegaan van een huurovereenkomst met [gedaagde sub 1] c.s. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] B.V. zijn bovendien gezamenlijk eigenaar van het pand, als gevolg waarvan niet enkel [gedaagde sub 1] schade lijdt, maar ook [gedaagde sub 2] B.V.

4.8.

Gelet op het voorgaande kan vastgesteld worden dat partijen in dit geschil lijnrecht tegenover elkaar staan. Op basis van hetgeen in deze procedure is gesteld, kan op voorhand niet met voldoende mate van zekerheid geoordeeld worden dat een rechter beslissend in een bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst zijdens [eisers] . Het beroep van [eisers] op artikel 7:224 lid 2 BW is daarvoor ontoereikend. Partijen zijn immers in artikel 10.1.2 bewust van artikel 7:224 lid 2 BW – dat van regelend recht is – afgeweken. Maar los daarvan kan ook als van het bepaalde in artikel 7:224 lid 2 BW wordt uitgegaan niet geconcludeerd worden dat nimmer sprake kan zijn van schade als geen beschrijving van het gehuurde is opgemaakt. Verder is het standpunt van [eisers] dat zij geen schade aan het gehuurde heeft veroorzaakt niet op voldoende bewijsmateriaal gestoeld, en bovendien door [gedaagde sub 1] c.s. gemotiveerd betwist. Een correcte vaststelling van de feiten vereist een nader feitenonderzoek en wellicht bewijslevering waarvoor deze procedure zich niet leent. In het kader van deze procedure is dan ook niet summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering, zodat deze grondslag niet kan leiden tot de gevorderde opheffing.


Onnodig

4.9.

Evenmin kan op voorhand worden geoordeeld dat gebleken is dat het beslag onnodig is gelegd als bedoeld onder rechtsoverweging 4.2. [eisers] heeft onder verwijzing naar productie 3 betoogd dat zij een goed lopende onderneming is en voldoende verhaal biedt mocht zij tot betaling van schadevergoeding aan [gedaagde sub 1] c.s. worden veroordeeld. Productie 3 betreft, zoals op zitting is gebleken, een uitdraai uit het boekhoudsysteem van [eisers] en is geen gewaarmerkte accountantsverklaring. Van de juistheid van de productie, die ook door [gedaagde sub 1] c.s. is betwist, kan derhalve niet op voorhand worden uitgegaan. Te meer nu de juistheid niet zonder nadere toelichting, die ontbreekt, te rijmen valt met de opmerking van [eisers] ter zitting dat zij het bedrag van € 50.000,- waarop het beslag rust nodig heeft voor haar cashflow en geen kosten wil dragen voor het stellen van een bankgarantie. Zelfs echter al zou [eisers] op dit moment voldoende liquide middelen hebben om een eventuele vordering van [eisers] op haar te voldoen, dan betekent dit nog niet – zoals [gedaagde sub 1] c.s. terecht heeft aangevoerd – dat deze middelen nog beschikbaar zijn op een moment van een veroordelend vonnis. Voor die onzekerheid dient het beslag. Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde sub 1] c.s. een rechtens te respecteren belang bij het verzekeren van haar verhaal door het treffen van conservatoire maatregelen. Het gelegde beslag kan daarom niet als onnodig worden beschouwd.

Belangenafweging

4.10.

Ook naar aanleiding van een belangenafweging is er geen aanleiding om anders te oordelen. [eisers] heeft hieromtrent gesteld dat de gevolgen van het beslag onevenredig bezwaarlijk voor haar zijn. Door het beslag, stelt [eisers] , zijn haar activiteiten lamgelegd en lijdt zij grote schade. Nu [gedaagde sub 1] c.s. echter het beslag gemaximeerd heeft tot
€ 50.000,- en enige schade aan de zijde van de beslagene inherent is aan het instrument van beslag, valt de belangenafweging niet in het voordeel uit van [eisers] . Deze grondslag kan derhalve niet tot opheffing van het beslag leiden.

4.11.

Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat de vordering tot opheffing van het beslag zal worden afgewezen.

4.12.

[eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat 616,00

Totaal € 1.434,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eisers] B.V. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] c.s. tot op heden begroot op € 1.434,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2017.