Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5901

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
C/16/426064 / HA ZA 16-822
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst over de verdeling van de opbrengst bij verkoop van aandelen geschonden? Of hebben gedaagden als banken tegenover eiser een (bijzondere) zorgplicht geschonden, los van de overeenkomst? Beide vragen met 'nee' beantwoord: eisen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6371
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer /rolnummer: C/16/426064 /HA ZA 16-822

Vonnis van 29 november 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. M.J. Blommaert te Valkenswaard,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RABO INVESTMENTS B.V.,

gevestigd te Utrecht ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RABO PARTICIPATIES B.V.,

gevestigd te Utrecht ,

3. de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagden,

advocaat mr. S.P. Kamerbeek te Amsterdam.

Eiseres zal hierna [eiseres] genoemd worden. Gedaagden afzonderlijk worden genoemd Investments , Participaties en Rabobank.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De kern

[eiseres] en Investments waren partij bij een meerpartijenovereenkomst uit 2006. Daarin is vastgelegd dat de opbrengst van het aandelenpakket dat Investments hield in [bedrijfsnaam 1] B.V. (verder: [bedrijfsnaam 1] ) bij verkoop voor 35% zou toekomen aan [eiseres] . Het pakket is in 2008 ‘verhangen’ naar Participaties . Het pakket is in 2014 verkocht voor één euro. [eiseres] vindt

  • -

    dat deze verkoop in strijd is met de overeenkomst in 2006, in elk geval als deze wordt uitgelegd volgens de Haviltex-norm,

  • -

    terwijl los van de overeenkomst een tegenover haar geldende zorgplicht is geschonden.

[eiseres] wijst niet alleen op de gang van zaken bij de verkoop, maar ook op die bij eerdere verkoopplannen en/of kansen op verkoop vanaf 2011.

Naast Investments en Participaties spreekt [eiseres] Rabobank aan die zich voor hen hoofdelijk aansprakelijk verklaard heeft, zoals bedoeld in art. 2:403 lid 1, aanhef en sub f BW.

3 De feiten

3.1.

[eiseres] was, via een Stichting Administratiekantoor, de enige aandeelhoudster van [bedrijfsnaam 2] B.V. en van [bedrijfsnaam 3] B.V., later geheten [bedrijfsnaam 4] B.V. (verder: [bedrijfsnaam 4] ). De eerste van deze twee vennootschappen hield zich bezig met gevelsystemen en de andere met zonne-energie.

3.2.

[eiseres] heeft al haar aandelen in deze twee vennootschappen verkocht aan [bedrijfsnaam 1] . Dat was op 15 augustus 2003. Van de koopsom is 6,5 miljoen euro meteen betaald en de resterende 2,8 miljoen euro is omgezet in een achtergestelde lening. [eiseres] had dus een vordering op [bedrijfsnaam 1] tot dat bedrag, later naar beneden gecorrigeerd tot 2,659 miljoen euro. Op 30 september 2004 heeft [eiseres] nog een extra bedrag geleend aan [bedrijfsnaam 1] ter financiering van de aankoop door [bedrijfsnaam 1] van alle aandelen in [bedrijfsnaam 5] Limited. De totale vordering van [eiseres] op [bedrijfsnaam 1] werd daardoor (afgerond) 3,1 miljoen euro.

3.3.

[bedrijfsnaam 1] is gaan bankieren bij Rabobank. Zij verkreeg een kortlopende lening ter financiering van de aandelentransactie van 3 miljoen euro en verder, in 2004, een rekening-courantfaciliteit van 4 miljoen euro en een garantiefaciliteit van 2 miljoen euro voor haar bedrijfsvoering en ook nog een obligofaciliteit van 3 miljoen euro.

3.4.

Op 12 juni 2006 is een meerpartijenovereenkomst gesloten met het oog op een noodzakelijke financiële herstructurering van [bedrijfsnaam 1] . [eiseres] en Investments waren onder de negen partijen bij die overeenkomst. Over de overeenkomst is uitgebreid onderhandeld, waarbij partijen, in elk geval [eiseres] en Investments , zich door advocaten lieten bijstaan.

3.5.

Onderdeel van deze meerpartijenovereenkomst was dat [eiseres] haar twee vorderingen op [bedrijfsnaam 1] uit de genoemde geldleningen verkocht voor elk één euro aan Investments . Investments heeft deze overgenomen vorderingen op [bedrijfsnaam 1] omgezet in aandelenkapitaal in [bedrijfsnaam 1] , waardoor zij meerderheidsaandeelhouder (65%) werd.

3.6.

In artikel 4 van de meerpartijenovereenkomst is voor zover van belang voor deze procedure bepaald:

4.2

Indien [ Investments ] overgaat tot vervreemding van de Aandelen (…) dan zal [ Investments ] aan [eiseres] betalen 35% van hetgeen zij ontvangt (…) met een maximum van € 2.100.000,--. (…)

4.3

Indien [ Investments ] voornemens is om de Aandelen (…) te vervreemden, dan zal zij [eiseres] op de hoogte brengen. (…)

4.4

Indien [ Investments ] (…) overgaat tot verkoop en levering aan een derde zal zij [eiseres] volledig inzage geven in de voorwaarden en bepalingen van de transactie, zodat [eiseres] kan vaststellen tot welke bedrag zij is gerechtigd uit hoofde van 4.2. [eiseres] heeft in dit kader voorts het recht om de juistheid van een en ander te doen controleren en verifiëren door een door haar aan te wijzen registeraccountant onderzoek te laten verrichten in de relevante boeken en bescheiden van [bedrijfsnaam 1] , [ Investments ] en de met hen verbonden vennootschappen.

3.7.

In 2008 is het pakket aandelen- [bedrijfsnaam 1] overgegaan (‘verhangen’) van Investments naar Participaties .

3.8.

In 2011 heeft een derde, [A] , een bod gedaan op de aandelen- [bedrijfsnaam 4] . Deze aandelen werden allemaal gehouden door [bedrijfsnaam 1] . Dit bod is één keer verhoogd, naar 22,8 miljoen euro. Tot een verkoop is het niet gekomen.

3.9.

Op 26 april 2012 geven de aandeelhouders van [bedrijfsnaam 1] opdracht aan [naam adviesbureau] om de mogelijkheden tot verkoop te onderzoeken van het geheel of delen van [bedrijfsnaam 1] en haar dochtermaatschappijen.

3.10.

Op 28 maart 2013 is – los van de opdracht aan [naam adviesbureau] – door [bedrijfsnaam 6] B.V. op de aandelen- [bedrijfsnaam 7] B.V. (een dochter van [bedrijfsnaam 4] ) een bod gedaan van 3 miljoen euro, onder voorwaarden oplopend tot 4,5 miljoen euro. Het gaat om een management buy-out. Dit bod leidt niet tot verkoop.

3.11.

In oktober 2013 is aan Participaties gemeld dat sprake was van onregelmatigheden in de boekhouding bij het bedrijfsonderdeel onder [bedrijfsnaam 1] dat zich met gevelsystemen bezighield. [bedrijfsnaam 1] heeft forensisch accountantsonderzoek laten uitvoeren, waaruit bleek dat de cijfers waren gemanipuleerd en dat voor ruim 10 miljoen euro aan verliezen op afgesloten projecten waren doorgeschoven als ‘kosten’ onder nog lopende projecten. Dit is gebeurd over de jaren 2011, 2012 en 2013. Na die constatering is op het eigen vermogen van [bedrijfsnaam 1] ruim 10 miljoen euro afgeboekt, waardoor dat fors negatief werd. Er was een (nieuwe) kapitaalinjectie nodig. Participaties wilde die niet (meer) doen.

3.12.

Daarop hebben Participaties en de andere aandeelhouder(s) van [bedrijfsnaam 1] hun aandelenpakketten verkocht voor steeds één euro aan [bedrijfsnaam 8] B.V. (verder: [bedrijfsnaam 8] ) op 12 maart 2014. [bedrijfsnaam 8] heeft voor 5,5 miljoen euro aan nieuwe kapitaal ingebracht in [bedrijfsnaam 1] door een agiostorting. Rabobank heeft de garantiefaciliteit voor [bedrijfsnaam 1] met 4 miljoen euro verhoogd tot in totaal 12 miljoen euro.

Participaties heeft haar investering van in totaal 7 miljoen euro in [bedrijfsnaam 1] moeten afschrijven.

3.13.

Twee dagen na de verkoop is [eiseres] daarover voor het eerst ingelicht door Participaties . Vervolgens is onderliggende documentatie toegestuurd, waaronder de jaarrekeningen van [bedrijfsnaam 1] en de (achtergrond voor de) berekening van de koopprijs van één euro. Verder heeft Participaties zich bereid verklaard inzage te verschaffen in de transactiedocumentatie, maar niet in de gevraagde correspondentie, gespreksverslagen en conceptovereenkomsten, voorafgaande aan de met [bedrijfsnaam 8] op 12 maart 2014 gesloten overeenkomst. Op 3 juni 2014 heeft een bespreking plaatsgevonden waarop [eiseres] , ondersteund door een registeraccountant, de transactiedocumentatie heeft ingezien.

3.14.

Eind 2014 hebben [bedrijfsnaam 8] en Rabobank ieder 1,325 miljoen euro extra ter beschikking gesteld aan [bedrijfsnaam 1] in verband met (nieuwe) liquiditeitsproblemen. In januari 2015 heeft [bedrijfsnaam 8] nog één miljoen euro ter beschikking gesteld en Rabobank heeft toen 3 miljoen additioneel krediet ter beschikking gesteld. Tegenslagen met projecten leidden in juni 2015 tot de slotsom dat nog eens 6,5 miljoen euro extra financiering nodig zou zijn door Rabobank. Die heeft zij niet verstrekt. De aandeelhouder wilde niet extra investeren. Op eigen aangifte is [bedrijfsnaam 1] met haar werkmaatschappijen nog die maand failliet verklaard.

4 Het geschil

4.1.

[eiseres] eist een verklaring voor recht dat Investments en Participaties toerekenbaar tekort geschoten zijn in de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de meerpartijenovereenkomst uit 2006, een veroordeling van alle gedaagden (hoofdelijk) tot betaling van de schade (ex art. 6:74 BW) op te maken bij staat, met een voorschot van een half miljoen euro, tot betaling (steeds met wettelijke rente) van buitengerechtelijke kosten, proceskosten en nakosten.

4.2.

Uit de stellingen van [eiseres] is op te maken dat zij, naast toerekenbaar tekort schieten, ook het plegen van een onrechtmatige daad aan de eis ten grondslag legt, omdat zij een buiten de overeenkomst bestaande zorgplicht die rust op Investments en Participaties geschonden acht.

4.3.

Gedaagden voeren verweer.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De vordering

De contractuele verplichting van Investments (later ook Participaties ) tegenover [eiseres]

5.1.

Het vertrekpunt bij het vaststellen van de contractuele plichten van Investments (en later ook Participaties ) is de tekst van de meerpartijenovereenkomst van 12 juni 2006, waarvan de in 3.6 geciteerde bepalingen in deze zaak belangrijk zijn. De Haviltex-maatstaf is van toepassing.

5.2.

[eiseres] heeft gewezen op het volgende dat zij van belang acht bij het toepassen van deze Haviltex-maatstaf:

a. Tijdens de onderhandeling over het afsluiten van de meerpartijenovereenkomst wilde [eiseres] zekerheden gesteld zien in relatie tot de (kort gezegd) informatieverplichting van Investments (artikel 4.3 en 4.4). Toen dat onbespreekbaar bleek, wilde zij een boetebeding zetten op die verplichting van Investments . Investments liet op 18 mei 2006 weten dat ook niet te aanvaarden en vervolgde met:

Wel zijn wij bereid u in een vroegtijdig stadium informatie te verstrekken over een voorgenomen verkoop en de condities waaronder de verkoop mogelijk plaats kan vinden. Uiteraard dient namens [eiseres] c.s. een geheimhoudingsverklaring te worden ondertekend

Op 8 mei 2006 laat Investments weten aan [eiseres] dat de in de meerpartijenovereenkomst opgenomen ‘beheervergoeding’ voor Investments van € 50.000,- per jaar – die zou worden afgetrokken van het bedrag dat [eiseres] zou krijgen bij verkoop van het aandelenpakket door Investments – inhield een ‘beheervergoeding voor het aandelenbelang’.

5.3.

Uit a. leidt [eiseres] af dat haar in de overeenkomst is toegezegd dat zij vooraf door Investments zou worden geïnformeerd over niet alleen de voorgenomen verkoop van het aandelenpakket als zodanig, maar ook over de condities waaronder die zou plaatsvinden.

Uit b. leidt [eiseres] af dat Investments haar beschouwde als aandeelhouder – hoewel zij dat al niet meer was in 2006 – en met haar gerechtvaardigde belangen rekening diende te houden.

5.4.

Beide elementen waarop [eiseres] wijst, worden door de rechtbank niet gezien als relevant voor de uitleg van de meerpartijenovereenkomst.

Over het element onder a.

[eiseres] heeft onweersproken gelaten dat de onderhandelingen nog niet waren afgerond op 18 mei 2006 en dat de bereidheid van Investments om [eiseres] ook voorafgaand aan de verkoop van de aandelen te informeren over de condities waaronder die verkoop kon plaatsvinden niet in de overeenkomst is terechtgekomen. Dat dit geen verschrijving is geweest, leidt de rechtbank af uit het gegeven dat ook de in dit verband door Investments verlangde geheimhoudingsplicht van [eiseres] niet in de overeenkomst is opgenomen. Voor de rechtbank weegt zwaar dat aan beide zijden is onderhandeld met ondersteuning door advocaten, zodat ervan uitgegaan moet worden dat het onderhandelingsresultaat correct in de overeenkomst is verwoord. De conclusie die de rechtbank trekt, is dat Investments geen verder strekkende informatieplicht op zich heeft genomen dan is verwoord in de meerpartijenovereenkomst en dat [eiseres] daarvan ook niet mocht uitgaan. Verdere stellingen van [eiseres] die zouden kunnen voeren tot een andere conclusie zijn er niet.

Over het element onder b.

Uit de woorden die [eiseres] citeert (‘beheervergoeding voor het aandelenbelang’) kan zeker niet worden afgeleid, wat zij erin leest: dat Investments een vergoeding berekende aan [eiseres] , omdat zij hem nog steeds als (‘economisch’?) aandeelhouder beschouwde en dus de verplichting op zich nam haar gerechtvaardigde belangen als aandeelhouder te behartigen. Ten eerste had [eiseres] al drie jaar niet meer de positie van aandeelhouder. Na de verkoop van alle aandelen in 2003 had [eiseres] niet meer dan een achtergestelde lening op [bedrijfsnaam 1] . Waarom dan het recht van aandeelhouder als het ware zou herleven in haar relatie met de Investments is niet zonder meer duidelijk. [eiseres] heeft het niet anders toegelicht dan door te wijzen op de beheervergoeding. Maar zo’n vergoeding is niet ongebruikelijk als een bank als aandeelhouder participeert in een vennootschap. Van [eiseres] had (veel) meer uitleg verwacht mogen worden waarom Investments haar als een soort aandeelhouder wilde zien en waarom zij bereid zou zijn te zorgen voor de daarbij horende gerechtvaardigde belangen van [eiseres] . Niet onbelangrijk is, dat hiervan werkelijk helemaal niets in de meerpartijenovereenkomst is terug te vinden. Ten slotte is van belang te constateren dat Investments en [eiseres] een parallel belang hadden: in de meerpartijenovereenkomst staat in de kern niet meer dan dat zij de opbrengst van de aandelenverkoop zullen delen, waarbij Investments 65% krijgt en [eiseres] 35%. Dus beide profiteren van een zo hoog mogelijke opbrengst. Het is daarom niet duidelijk hoe Investments dan, naast wat is vastgelegd in de overeenkomst , ‘de gerechtvaardigde belangen’ van [eiseres] zou moeten dienen, want die liepen parallel aan de hare.

5.5.

De slotsom is dat de rechtbank uitgaat van de tekst van de bepalingen in de meerpartijenovereenkomst die zijn geciteerd in 3.6 bij het vaststellen van de verplichtingen van Investments tegenover [eiseres] om de vraag te kunnen beantwoorden of van een toerekenbare tekortkoming sprake is.

Toerekenbare tekortkoming door de gang van zaken in de jaren vóór verkoop aan [bedrijfsnaam 8] en/of bij de verkoop aan [bedrijfsnaam 8] ?

5.6.

Uit de in 3.6 geciteerde tekst blijkt niet dat aan [eiseres] ook maar enige vorm van inspraak toekomt, zoals gedaagden terecht betogen. Haar recht op informatie over het voornemen van Investments het aandelenpakket te verkopen heeft blijkbaar niet tot doel dat [eiseres] kan meepraten. In het verlengde daarvan heeft [eiseres] geen inbreng in de beslissing van Investments al dan niet te verkopen. Zij heeft evenmin zeggenschap over het voornemen van Investments tot een verkoop, of over het ontwikkelen van dat voornemen. [eiseres] moet afwachten volgens de overeenkomst en dat is alles. Ook daarna heeft [eiseres] geen ander recht dan recht op inzage en controle van de gemaakte berekening, niet op bezwaar tegen bijvoorbeeld de prijsstelling. Dit bevestigt dat in artikel 4.3 van de meerpartijenovereenkomst niet méér is bedoeld dan dat [eiseres] op de hoogte wordt gesteld.

5.7.

Haar verwijten aan het adres van Investments / Participaties dat in 2011 had moeten worden verkocht aan [A] stranden hierop meteen. [eiseres] heeft hier helemaal niets in te brengen. Precies hetzelfde geldt voor haar verwijten dat niet is verkocht aan [bedrijfsnaam 6] B.V. in 2013. Dat wordt niet anders door de opdracht aan [naam adviesbureau] de mogelijkheden tot verkoop te onderzoeken. Deze opdracht is het prerogatief van de aandeelhouders van [bedrijfsnaam 1] ; [eiseres] staat daar geheel buiten. De opdracht valt bovendien buiten de reikwijdte van artikel 4.3 van de overeenkomst: het gaat niet om een zodanig concreet voornemen om tot vervreemding van de aandelen over te gaan dat [eiseres] geïnformeerd moet worden.

5.8.

[eiseres] had wél geïnformeerd moeten worden over het concrete voornemen tot verkoop aan [bedrijfsnaam 8] . Wanneer dat precies had gemoeten, kan de rechtbank in het midden laten; het was in ieder geval niet pas twee dagen na het sluiten van de verkoopovereenkomst. Investments / Participaties heeft haar verplichting in artikel 4.3 van de meerpartijenovereenkomst om [eiseres] op tijd te informeren geschonden, wat een tekortkoming is.

5.9.

Deze tekortkoming blijft echter zonder financiële consequenties. Op overtreding van deze verplichting stelt de meerpartijenovereenkomst in de eerste plaats geen sanctie, terwijl [eiseres] in de tweede plaats niet duidelijk heeft gemaakt welk nadeel zij heeft ondervonden. Meepraten mocht zij toch niet en een recht op invloed is haar dus niet ontnomen.

5.10.

Investments / Participaties heeft na het informeren van [eiseres] wel voldaan aan de verplichtingen in artikel 4.4. [eiseres] heeft in reactie op het betoog daarover van gedaagden bij repliek niet laten weten in welk opzicht dit artikel is overtreden. Ook daardoor is niet gesteld welk nadeel [eiseres] heeft geleden door het overtreden van artikel 4.3.

De rechtbank overweegt dat gedaagden terecht stellen dat [eiseres] geen recht heeft op inzage van de gevraagde correspondentie, gespreksverslagen en conceptovereenkomsten, voorafgaande aan de met [bedrijfsnaam 8] op 12 maart 2014 gesloten overeenkomst. In die inzage is niet voorzien in de overeenkomst.

5.11.

De slotsom is dat aan Investments / Participaties niet met succes kan worden verweten dat zij de relevante bepalingen van de meerpartijenovereenkomst heeft geschonden. Bij een verklaring voor recht daarover – te baseren op overtreding van artikel 4.3 – heeft [eiseres] geen belang, bij gebrek aan financiële gevolgen van die overtreding.

5.12.

Dan resteert de vraag of – los van de tekst – de strekking van de overeenkomst meebrengt dat het verkoopbedrag reëel moet zijn en een te laag bedrag kan leiden tot een recht van [eiseres] op schadevergoeding door Investments / Participaties . Dat zou het geval kunnen zijn als Investments / Participaties op dit punt de gerechtvaardigde belangen van [eiseres] opzettelijk of roekeloos zou hebben geschonden of genegeerd, hem aldus benadelend. Dat Investments / Participaties dit zou doen, is niet erg waarschijnlijk, omdat haar belangen bij een optimale verkoopprijs parallel lopen aan die van [eiseres] : zij krijgen beide een deel van de verkoopopbrengst.

Het is aan [eiseres] om voldoende gemotiveerd te stellen dat Investments / Participaties de strekking van de overeenkomst in dit opzicht hebben geschonden. In die stelplicht is [eiseres] tekort geschoten. Gedaagden hebben ampel uitgelegd waardoor de verkoopprijs niet meer dan één euro was en hebben ook de lotgevallen van [bedrijfsnaam 1] daarna beschreven, die het redelijke van deze prijs bevestigen. Daar heeft [eiseres] veel te weinig tegenover gesteld. Het wijzen op eerdere hogere biedingen – op onderdelen van de groep vennootschappen waarvan [bedrijfsnaam 1] de moedermaatschappij was – is alleen al niet van belang, omdat die zijn uitgebracht toen de fraude bij [bedrijfsnaam 1] nog niet was ontdekt. [eiseres] stelt tegenover de ampele uitleg in de conclusie van antwoord door gedaagden niet veel meer dan dat

  • -

    gedaagden hun stellingen niet onderbouwen

  • -

    de verkoopprijs niet vanzelfsprekend is

  • -

    een andere keus gemaakt had kunnen worden.

Dat gedaagden hun stellingen niet onderbouwden, is niet wat de rechtbank las in de conclusie van antwoord. De opmerking van [eiseres] miskent bovendien dat zij de stelplicht heeft. Dat de verkoopprijs niet vanzelfsprekend is, is een opmerking die aan die stelplicht niet voldoet. Dat een andere keus gemaakt had kunnen worden, levert nog geen tekortkoming van Investments / Participaties op en dus ook geen recht van [eiseres] tot schadevergoeding. Als [eiseres] bedoelt dat een andere keus gemaakt had moeten worden, voldoet zij niet aan haar stelplicht, omdat zij niet uitlegt welke keus dat precies was en hoe die past bij alle omstandigheden van het geval.

5.13.

De slotsom is dat Investments / Participaties niet tekort geschoten is in haar verbintenissen tegenover [eiseres] uit de meerpartijenovereenkomst, met uitzondering van haar plicht [eiseres] voor de verkoop te informeren over het voornemen daartoe, maar daardoor heeft [eiseres] geen schade geleden.

Schending buitencontractuele zorgplicht in de jaren vóór de verkoop aan [bedrijfsnaam 8] en bij de verkoop aan [bedrijfsnaam 8] ?

5.14.

[eiseres] heeft betoogd dat Investments / Participaties tegenover haar een buitencontractuele zorgplicht heeft om haar gerechtvaardigde belangen als gewezen aandeelhouder te respecteren. Wat hiervoor aan de orde was, levert volgens [eiseres] (ook) een schending op van deze zorgplicht en daarmee een onrechtmatige daad tegenover haar.

5.15.

De door [eiseres] gestelde zorgplicht bestaat niet. De rechtsverhouding tussen haar en Investments / Participaties wordt uitsluitend door de inhoud en de strekking van de meerpartijenovereenkomst bepaald. En die overeenkomst is niet geschonden, op overtreding van artikel 4.3 na. Maar die schending heeft geen financiële consequenties. Vorderingen die gebaseerd zijn op een verder strekkende buitencontractuele zorgplicht slagen niet.

Slotsom en proceskosten

5.16.

Bij de verklaring voor recht dat Investments / Participaties artikel 4.3 van de meerpartijenovereenkomst heeft geschonden – als enige tekortkoming – heeft [eiseres] geen belang, omdat zij daardoor geen schade heeft geleden. De verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt afgewezen, omdat daarvoor ten minste een kans op schade aannemelijk moet zijn en zelfs daarvoor heeft [eiseres] te weinig (namelijk niets) aangevoerd.

De twee hoofdvorderingen van [eiseres] worden dus afgewezen. De nevenvordering tot vergoeding van haar buitengerechtelijke kosten deelt dit lot.

5.17.

[eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank zal deze kosten baseren op de omvang van het door [eiseres] gevorderde schadevoorschot van een half miljoen euro. Die kosten zijn € 3.903,- aan verschotten (griffierecht) en € 5.160,- (2 punten volgens tarief VII) aan salaris.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden begroot op € 9.063,- en verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2017.1

1 type: RV (4237) coll: HB (4727)