Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5880

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
5563077 AC EXPL 16-5140 SE/33133
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nakoming, opzegging of ontbinding overeenkomst, verweer wanprestatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6282
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 5563077 AC EXPL 16-5140 SE/33133

Vonnis van 22 november 2017

inzake

de besloten vennootschap [eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen [eiseres] ,

eisende partij in conventie en verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: Nederlands Online-Incasso Instituut,

tegen:

de besloten vennootschap [gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij in conventie en eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. M. van Eldik.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de akte vermindering van eis van 2 januari 2017;

  • -

    de akte vermindering van eis van 5 januari 2017;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;

  • -

    de akte uitlating producties in conventie en conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten in conventie en reconventie

2.1.

[gedaagde] maakt sinds 1 januari 2012 gebruik van sensornetwerken met meetapparatuur voor binnenklimaat van [eiseres] . Aanvankelijk zijn partijen gaan samenwerken op basis van een mondelinge afspraak over de overname van een contract tussen [eiseres] en [bedrijfsnaam] . Nadien hebben partijen schriftelijke overeenkomsten gesloten op 11 december 2012, 20 januari 2014 en 1 juli 2014. Deze drie overeenkomsten hadden een looptijd van drie jaar, met als laatste dag respectievelijk 10 december 2015, 20 januari 2017 en 1 juni 2017.

2.2.

Op 30 november 2015 heeft de heer [A] van [gedaagde] een e-mail gestuurd aan mevrouw [B] van [eiseres] . Hierin schreef [A] (voor zover in dit kader relevant): “Middels deze Email bevestig ik onze opzegging van al onze abonnementen omtrent de CO2, temperatuur en luchtvochtigheid Loggers.

2.3.

Op 15 januari 2016 heeft [gedaagde] € 1.120,77 betaald aan [eiseres] . Die betaling had betrekking op een factuur van [eiseres] van 30 april 2015 en was gelijk aan de helft van het factuurbedrag van € 2.241,53. Op 3 januari 2017 heeft [gedaagde] het restant betaald aan [eiseres] .

2.4.

Bij factuur van 5 augustus 2016 heeft [eiseres] € 1.551,26 bij [gedaagde] in rekening gebracht in verband met de voortijdige beëindiging van de overeenkomsten tussen partijen.

3 Het geschil

In conventie

3.1.

[eiseres] vordert, na vermindering van eis, betaling door [gedaagde] van € 2.252,36 (te vermeerderen met wettelijke rente over € 3.792,79 vanaf 1 december 2016). Daarnaast vordert [eiseres] veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, waaronder nakosten (te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de vijfde dag na de uitspraak van dit vonnis). Aan deze vordering heeft [eiseres] ten grondslag gelegd dat [gedaagde] op grond van nakoming gehouden is haar factuur van 30 april 2015 te betalen en dat [gedaagde] schadeplichtig is wegens voortijdige beëindiging van de relatie tussen partijen. De vordering van [eiseres] omvat ook een bedrag voor wettelijke rente over de periode tot 1 december 2016 en een bedrag voor buitengerechtelijke incassokosten.

3.2.

[gedaagde] vindt dat de vordering van [eiseres] moeten worden afgewezen en dat [eiseres] moet worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. [gedaagde] stelt dat zij de factuur van 30 april 2015 heeft betaald met de deelbetalingen van 15 januari 2015 en 3 januari 2017. Verder stelt [gedaagde] dat zij de overeenkomsten tussen partijen per direct kon ontbinden en dus niet schadeplichtig is in verband met de beëindiging van de relatie tussen partijen.

In reconventie

3.3.

In reconventie vordert [gedaagde] terugbetaling door [eiseres] van € 2.352,49 exclusief btw (te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 30 november 2015) plus een schadevergoeding van € 3.878,66 inclusief btw (te vermeerderen met wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade). Daarnaast vordert [gedaagde] veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, waaronder nakosten (te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis). Aan deze vordering heeft [gedaagde] het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] heeft de overeenkomsten tussen partijen per 30 november 2015 ontbonden op grond van wanprestatie. Volgens [gedaagde] deugt de door [eiseres] geleverde apparatuur niet en heeft dit tot klachten van BAM en andere klanten van [gedaagde] geleid. Door de ontbinding is een ongedaanmakingsverplichting ontstaan, waardoor [eiseres] de bedragen die [gedaagde] al had betaald en die betrekking hebben op de periode na 30 november 2015 (€ 2.352,49) moet terugbetalen. Daarnaast heeft [gedaagde] schade geleden doordat zij elders voor € 3.878,66 apparatuur heeft moeten aanschaffen.

3.4.

[eiseres] heeft verweer gevoerd en vindt dat de vordering van [gedaagde] moet worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. Volgens [eiseres] zijn de overeenkomsten niet ontbonden en hoeft zij niets terug te betalen aan [gedaagde] . [eiseres] vindt dat zij niet is tekortgeschoten en stelt dat [gedaagde] haar niet heeft geïnformeerd over klachten, waardoor zij geen kans heeft gekregen eventuele gebreken te verhelpen. [eiseres] betwist bovendien dat sprake is van een verband tussen eventuele problemen met haar apparatuur en het feit dat [gedaagde] elders apparatuur heeft aangeschaft.

4 De beoordeling

In conventie

De factuur van 30 april 2015

4.1.

Partijen verschillen niet van mening over de verschuldigdheid en hoogte van de factuur van 30 april 2015. Daarmee staat vast dat [gedaagde] het bedrag van € 2.241,53 aan [eiseres] verschuldigd was.

4.2.

[gedaagde] heeft 50% van deze factuur betaald op 15 januari 2016 en de resterende 50% op 3 januari 2017. [gedaagde] heeft deze factuur dus volledig betaald.

4.3.

Omdat de betaling te laat heeft plaatsgevonden, is [gedaagde] op grond van artikel 6:119a BW wettelijke handelsrente verschuldigd aan [eiseres] . Anders dan op de factuur vermeld staat, hanteert [eiseres] blijkens de dagvaarding en de bijgevoegde sommaties een betalingstermijn van 30 dagen. De kantonrechter zal die termijn hanteren. [gedaagde] zal worden veroordeeld om wettelijke handelsrente aan [eiseres] te betalen over de periode 31 mei 2015 tot en met 3 januari 2017. Bij de vaststelling van de hoogte van het bedrag dient rekening te worden gehouden met de deelbetaling die op 15 januari 2016 is gedaan.

De factuur van 5 augustus 2016

4.4.

Anders dan [gedaagde] betoogt, betreft de e-mail van [A] van 30 november 2015 geen ontbinding maar een opzegging van de overeenkomsten. Uit de e-mail van 21 december 2015 van de heer [C] van [gedaagde] blijkt weliswaar dat [gedaagde] problemen had ervaren met de door [eiseres] geleverde apparatuur, maar daaruit volgt niet dat de eerdere e-mail van 30 november 2015 de strekking had om de overeenkomsten tussen partijen te ontbinden op grond van wanprestatie. Onder de gegeven omstandigheden mocht [eiseres] de e-mail van [A] bovendien opvatten als (de bevestiging van) een opzegging van alle tussen partijen geldende overeenkomsten (artikel 3:35 BW). In dat kader acht de kantonrechter met name relevant dat in de e-mail uitdrukkelijk wordt gesproken over ‘opzegging’ en dat aan de e-mail geen schriftelijke aanmaning vooraf is gegaan waarbij [eiseres] een redelijke termijn voor nakoming is gesteld. Omdat niet gebleken is dat nakoming onmogelijk was, was een dergelijke ingebrekestelling noodzakelijk voor het intreden van verzuim en voor ontbinding van de overeenkomsten (artikel 6:82 en 265 BW).

4.5.

Nu vaststaat dat sprake was van opzegging, dient te worden beoordeeld of [gedaagde] per direct kon opzeggen. De schriftelijke overeenkomsten tussen partijen zijn duurovereenkomsten die voor bepaalde tijd zijn aangegaan. Deze overeenkomsten zijn alleen tussentijds opzegbaar indien partijen hebben afgesproken dat dit mogelijk is of indien sprake is van onvoorziene omstandigheden. Beide situaties doen zich hier niet voor. Dit betekent dat de schriftelijke overeenkomsten in ieder geval niet konden worden opgezegd tegen een eerdere datum dan 11 december 2015 (voor de overeenkomst van 11 december 2012), 21 januari 2017 (voor de overeenkomst van 20 januari 2014) en 2 juni 2017 (voor de overeenkomst van 1 juli 2014). Door die termijnen niet in acht nemen is [gedaagde] schadeplichtig geworden jegens [eiseres] . De schade bestaat in ieder geval uit de maandelijkse inkomsten die [eiseres] zou hebben ontvangen tot het einde van de genoemde looptijden. Deze gemiste inkomsten (€ 1.551,26) heeft [eiseres] bij factuur van 5 augustus 2016 in rekening gebracht bij [gedaagde] . De kantonrechter acht de hoogte van dat bedrag redelijk en [gedaagde] gehouden om dat bedrag aan [eiseres] te vergoeden. Omdat de vordering van [eiseres] op grond van het voorgaande al geheel toewijsbaar is, kan in het midden blijven of de eerste mondelinge overeenkomst of de algemene voorwaarden recht geven op een hogere schadevergoeding.

4.6.

Omdat [eiseres] voor deze vordering een betaaltermijn tot 6 september 2016 heeft gehanteerd, zal de kantonrechter dezelfde termijn hanteren. Dit betekent dat [gedaagde] over het bedrag van € 1.551,26 op grond van artikel 6:119 BW wettelijke rente aan [eiseres] verschuldigd is van 6 september 2016 tot de voldoening.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.7.

[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten in verband met de te late betaling van de facturen van 30 april 2015 van 5 augustus 2016. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is en dat [eiseres] voldoende heeft aangetoond dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Omdat [gedaagde] ten tijde van de incassowerkzaamheden al de helft van de factuur van 30 april 2015 had betaald, dienen de incassokosten te worden berekend over een hoofdsom van € 2.672,03 (€ 1.120,77 + € 1.551,26). Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 392,02 komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

Proceskosten

4.8.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 90,85
- griffierecht € 470,00
- salaris gemachtigde € 150,00 (1 punt x tarief € 150,-)
Totaal € 710,85

De nakosten worden begroot op € 75,- (0,5 punt x tarief € 150,-).

4.9.

[eiseres] vordert wettelijke rente over de proceskosten vanaf de vijfde dag na uitspraak van het vonnis. De kantonrechter ziet aanleiding om die periode te verlengen en zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen met inachtneming van de hierna te noemen termijn.

In reconventie

4.10.

Indien al sprake is van wanprestatie, zoals [gedaagde] heeft gesteld en [eiseres] heeft betwist, is de vordering van € 3.878,66 niet toewijsbaar omdat niet gebleken is van enig causaal verband tussen enerzijds de gestelde wanprestatie en anderzijds de aanschaf van apparatuur door [gedaagde] bij een derde. Aangezien evenmin is komen vast te staan dat de overeenkomsten zijn ontbonden (zie rechtsoverweging 4.4.), is geen ongedaanmakingsverplichting ontstaan en is [eiseres] niet gehouden om bedragen terug te betalen aan [gedaagde] . De reconventionele vorderingen van [gedaagde] zullen dus worden afgewezen.

Proceskosten

4.11.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op € 250,- voor salaris gemachtigde (1 punt x tarief € 250,-). De nakosten worden begroot op € 100.

5 De beslissing

De kantonrechter:

In conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) over € 2.241,53, te betalen, berekend over de periode van 31 mei 2015 tot en met 3 januari 2017 en rekening houdend met de deelbetaling van € 1.120,77 die is gedaan op 15 januari 2016;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een schadevergoeding te betalen van € 1.551,26, te vermeerderen met wettelijke rente (artikel 6:119 BW) over € 1.551,26 vanaf 6 september 2016 tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] € 392,02 aan buitengerechtelijke kosten te betalen;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 710,85, waarin begrepen € 150,- aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.5.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 75,-, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;

5.6.

verklaart hetgeen vermeld staat in 5.1 tot en met 5.5 uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af;

In reconventie

5.8.

wijst de vorderingen van [gedaagde] af;

5.9.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 250,- aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.10.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,-, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;

5.11.

verklaart hetgeen vermeld staat in 5.8 tot en met 5.10 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Slager, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 november 2017.