Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5847

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
447265 HA-RK 17-223
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Utrecht

Zaaknummer/rekestnummer: 447265 HA-RK 17-223

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

21 november 2017

op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

(verder te noemen: verzoekster),

advocaat: mr. S.J.W.M. Vonken.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het wrakingsverzoek van verzoekster van 29 september 2017 gericht tegen mr. S.G.M. Buys (hierna: de rechter) als lid van de meervoudige kamer ter zake van de gevoegde behandeling van een zestal zaken met de zaaknummers:

UTR 15/6777 AW/V138.

UTR 15/6778 AW V138,
UTR 17/1467 AW/V138,

UTR 16/1416 AW/V138,

UTR 17/1468 AW/V138,

UTR 16/5397 AW/V 138;

- de schriftelijke reactie van de rechter van 9 oktober 2017.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 7 november 2017 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- verzoekster, bijgestaan door haar advocaat,

- mr. N.A. Sjoer, de advocaat van verweerder in de hoofdzaken, de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), namens deze de directeur-generaal van het rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM), (hierna: verweerder).

De rechter is met bericht van verhindering niet verschenen.

1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Verzoekster heeft aan haar wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de rechter eerder in het geschil tussen partijen heeft geoordeeld. Het ging om een verzoek om een voorlopige voorziening in verband met een door verweerder aan verzoekster opgelegde disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag en onvoorwaardelijk strafontslag (UTR 16/5345 en UTR 16/4890). In een beslissing van 23 december 2016 heeft de rechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster afgewezen. Deze uitspraak is uitvoerig gemotiveerd en de rechter heeft expliciet haar oordeel gegeven over het voorwaardelijk ontslag en het strafontslag. Ook in de beroepsprocedure moet (onder andere) worden geoordeeld over de vraag of het voorwaardelijk- en het onvoorwaardelijk strafontslag terecht zijn gegeven. In het verweerschrift citeert verweerder veelvuldig het in de beslissing van 23 december 2016 gegeven oordeel van de rechter. Omdat de rechter in de voorlopige voorziening reeds heeft geoordeeld dat de besluiten van verweerder terecht zijn, is verzoekster van mening dat er geen sprake is van een nieuwe beoordeling door een onpartijdige en onbevooroordeelde rechter. Verzoekster beroept zich op aanbeveling nummer 16 van de leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak van 14 januari 2014 (hierna: de leidraad), waarin is bepaald: “de rechter dient zich ervan bewust te zijn dat zijn onpartijdigheid ter discussie kan komen te staan vanwege zijn eerdere bemoeienis als rechter met een bepaalde zaak” en op de in de toelichting op dit artikel vermelde jurisprudentie. Volgens verzoekster gaat het hier om “the same case” als bedoeld in de jurisprudentie van het Europese hof voor de rechten van de mens in het kader van de vraag of een rechter een zaak onbevooroordeeld kan behandelen.

2.2.

In haar schriftelijke reactie betoogt de rechter dat verzoekster haar wrakingsverzoek niet heeft ingediend zodra de feiten en omstandigheden waarop zij haar verzoek baseert aan haar bekend zijn geworden. Zij stelt daartoe dat de brief van 5 juli 2017, waarin partijen zijn opgeroepen voor de zitting van de meervoudige kamer, de namen vermeldt van de drie behandelend rechters. Verzoekster kon er toen reeds mee bekend zijn dat de rechter die de uitspraak in de voorlopige voorziening had gedaan ook betrokken is in de beroepsprocedure. Voorts heeft de rechtbank in een brief van 23 augustus 2017 ter informatie aan partijen meegedeeld dat één van de rechters aan wie de zaken zijn toebedeeld eerder op een voorlopige voorziening van verzoekster heeft beslist.

Inhoudelijk betwist de rechter dat zij door haar uitspraak in de voorlopige voorziening procedure niet onpartijdig naar de zaak zou kunnen kijken. Zij heeft in de voorlopige voorziening een voorlopig oordeel gegeven in twee procedures. In de beroepsprocedure komen naast de ontslagen ook andere besluiten van verweerder aan de orde. De rechter wijst erop dat in de beroepsprocedure, anders dan in de voorlopige voorziening, meer ruimte is voor een uitgebreid feitenonderzoek en een verdergaande weging van feiten en omstandigheden dan in de voorlopige voorziening. Dat verweerder in het verweerschrift zich beroept op en citeert uit de uitspraak van de rechter van 23 december 2016, is niet aan te merken als een gedraging van de rechter.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 8:15 van de Awb bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.2.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese hof voor de rechten van de mens ontwikkelde criteria.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.3.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

3.4.

Artikel 8:16, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het verzoek tot wraking wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Ingevolge het derde lid is verzoeker verplicht alle feiten en omstandigheden die hem tot zijn verzoek brengen, tegelijk voor te dragen.

3.5.

De wrakingskamer ziet onvoldoende grond om te oordelen dat verzoekster het wrakingsverzoek niet tijdig heeft gedaan. Daartoe is het volgende overwogen.

3.6.

De advocaat van verzoekster (hierna: de advocaat) is niet betrokken geweest bij de voorlopige voorziening procedure en evenmin bij de bezwaarprocedure. Het betreft een zeer omvangrijk dossier. Onder deze omstandigheden is aannemelijk dat het de advocaat, zoals hij aanvoert - na ontvangst van de brief van 5 juli 2017 met de vermelding van de behandelend rechters in de bodemprocedure - niet onmiddellijk is opgevallen dat de naam van één van de rechters dezelfde was als die van de rechter die de uitspraak in de voorlopige voorziening procedure had gedaan. De wrakingskamer kan voorts niet met zekerheid vaststellen dat de advocaat de door de rechter genoemde brief van de rechtbank van 23 augustus 2017 heeft ontvangen. De advocaat heeft dit namelijk gemotiveerd betwist en deze betwisting onderbouwd met een schriftelijke verklaring van zijn secretaresse. In het licht van het bovenstaande moet de wrakingskamer ervan uitgaan dat de betrokkenheid van de rechter bij de voorlopige voorziening procedure voor de advocaat pas duidelijk is geworden bij de bestudering van het verweerschrift waarin uitvoerig wordt verwezen naar de eerdergenoemde beslissing. Het verweerschrift is op 25 september 2017 ingediend. Vervolgens heeft de advocaat de rechter bij brief van 28 september 2017 verzocht zich te verschonen. Na afwijzing van dit verzoek is het wrakingsverzoek ingediend op 29 september 2017. Op grond van het voorgaande is de wrakingskamer van oordeel dat verzoekster het wrakingsverzoek heeft gedaan zodra de feiten en omstandigheden die tot het wrakingsverzoek hebben geleid, aan haar bekend zijn geworden.

3.7.

De enkele omstandigheid dat een rechter al eerder bemoeienis heeft gehad met een zaak is onvoldoende om op grond daarvan partijdigheid aan te nemen. Daarvoor zijn bijkomende bijzondere omstandigheden nodig. In de voorlopige voorziening procedure heeft de rechter een voorlopig oordeel gegeven over de bestreden besluiten van verweerder die ook in de bodemprocedure aan de orde komen. Het oordeel in de voorlopig voorziening procedure is naar zijn aard voorlopig. Beoordeeld wordt of - in afwachting van het oordeel in de bodemprocedure - een ordemaatregel gerechtvaardigd is. Zoals ook de rechter heeft benadrukt betreft dit een andere beoordeling dan in de beroepsprocedure, waarin het geschil in volle omvang wordt getoetst en de mogelijkheden voor het onderzoek naar de feiten uitgebreider is. De rechter wordt op grond van haar professionaliteit geacht onderscheid te kunnen maken tussen haar rol in de voorlopige voorzieningenprocedure en in de beroepsprocedure. Het is dan ook in beginsel aan de professionaliteit van de rechter overgelaten om te beoordelen of haar rol in de voorlopige voorziening en (de aard van) de beslissingen die zij in die procedure heeft genomen, een objectieve beoordeling in de beroepsprocedure in de weg kan staan. Dit is ook het uitgangspunt van de leidraad waarop verzoekster zich beroept. De wrakingskamer ziet geen aanknopingspunt om te oordelen dat de rechter deze professionele afweging in dit geval niet naar behoren heeft gemaakt. De feiten en omstandigheden die verzoekster ter onderbouwing van haar verzoek naar voren heeft gebracht, leveren dan ook geen grond op voor het oordeel dat de bij haar bestaande vrees voor vooringenomenheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is.

3.8.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling civiel recht en bestuursrecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedures van verzoekster met zaaknummers

UTR 15/6777 AW/V138, UTR 15/6778 AW V138, UTR 17/1467 AW/V138, UTR 16/1416 AW/V138, UTR 17/1468 AW/V138 en UTR 16/5397 AW/V 138,

dienen te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. drs. S.M Lieshout, voorzitter, en mr. S.C. Hagedoorn en mr. G.J.J.M. Essink als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. S. Meurs, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2017.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.