Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5821

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
27-11-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2287
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: Intrekking bijstand, terugvordering, dringende redenen

Wetsartikelen: art. 17 Pw, art. 58 Pw

Samenvatting:

Schending inlichtingenplicht door eiseres, door niet aan verweerder te melden dat zij een gezamenlijke huishouding voerde. Recht op bijstand is dan ook terecht ingetrokken en de bijstand is terecht teruggevorderd. Er is echter sprake van dringende redenen zodat toch van terugvordering had moeten worden afgezien. Rechtbank oordeelt dat in situatie van eiseres sprake is van een incidenteel geval waarin iets uitzonderlijks aan de hand is. Alle relevante omstandigheden van eiseres afwegend, kan in dit geval de conclusie niet anders zijn dan dat de terugvordering bij eiseres leidt tot onaanvaardbare sociale gevolgen, omdat het functioneren van eiseres vanwege de steeds aanwezige trigger niet zal stabiliseren en het de behandeling van eiseres en haar mogelijkheid om zelfstandig een bestaan op te bouwen in de weg zal staan. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid niet tot de conclusie kunnen komen dat er geen dringende redenen bij eiseres zijn om niet van gehele terugvordering af te zien. Beroep op dringende redenen gehonoreerd. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/2287

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 november 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.E. van Waart),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, verweerder

(gemachtigde: de heer [A] ).

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) ingetrokken over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 augustus 2014 en een bedrag van € 31.661,09 bruto algemene bijstand, €1.555,60 netto bijzondere bijstand en € 972,00 netto van eiseres teruggevorderd. Tevens heeft verweerder bepaald dat hij tot 1 november 2018 niet over zal gaan tot invordering van het totale bedrag van € 34.188,69.

Bij besluit van 20 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de intrekking van het recht op bijstand en de terugvordering en invordering daarvan ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2017. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Ter zitting is ook namens eiseres verschenen mevrouw [B] ( [B] ) in de hoedanigheid als arts/ psychotherapeut.

Overwegingen

1. Het samenwerkingsverband Sociale Recherche Flevoland (SRF) heeft in opdracht van het college van de toenmalige gemeente Naarden een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verleende bijstand omdat er een ernstig vermoeden bestond dat eiseres en de heer [C] ( [C] ) een gezamenlijke huishouding voerden. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 30 oktober 2014. De bevindingen van voormeld onderzoek zijn voor verweerder aanleiding geweest om tot de bestreden besluitvorming over te gaan.

2. De bijstandsuitkering van eiseres over de periode 1 september 2014 tot en met
31 oktober 2014 is al eerder bij besluit van 31 oktober 2014 ingetrokken, omdat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden door geen melding te maken van de omstandigheid dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met [C] . Het daartegen gemaakte bezwaar en bij deze rechtbank ingestelde beroep (met zaaknummer UTR 15/1201) is ongegrond verklaard. Tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 juli 2015 is geen hoger beroep aangetekend.

3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres en [C] in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 augustus 2014 een gezamenlijke huishouding voerden. Eiseres heeft dit niet gemeld en daarmee de inlichtingenplicht geschonden. Hierdoor heeft verweerder het recht op bijstand ingetrokken met ingang van
1 januari 2013. Van dringende redenen om af te zien van terugvordering is volgens verweerder niet gebleken.

4. Eiseres heeft - kort samengevat - aangevoerd dat verweerder haar belangen niet naar behoren heeft erkend. Gelet op haar psychische gesteldheid had niet van haar verklaringen uitgegaan mogen worden. Volgens eiseres is er sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien omdat de gevolgen, vanwege het effect op haar psychische gesteldheid, voor haar onaanvaardbaar zijn.

5. De hier te beoordelen periode loopt van 1 januari 2013 tot en met 31 augustus 2014.

6. Voorop staat dat de intrekking van de bijstand een voor eiseres belastend besluit is, waarbij het volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren en de bewijslast van het al dan niet bestaan van een gezamenlijke huishouding niet op eiseres, maar op verweerder rust. Zie hiervoor bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 14 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2353).

7. Op grond van artikel 3, derde lid, van de Participatiewet (Pw) is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun relatie niet van belang.

8. Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van een gezamenlijk hoofdverblijf. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

9. De rechtbank is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat [C] in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had bij eiseres. Hieraan ligt met name ten grondslag dat uit het rapport van SFR blijkt dat het elektraverbruik van [C] in de periode 18 mei 2010 tot en met 20 augustus 2013 heel laag is. Verder blijkt dat het waterverbruik van eiseres in de periode 31 maart 2013 tot en met 30 maart 2014 te hoog is voor een tweepersoonshuishouden. Tevens blijkt dat het waterverbruik van [C] over de laatste drie jaar (2011-2014) laag is voor een éénpersoonshuishouden en ruim minder dan wat er gemiddeld wordt verbruikt door een éénpersoonsinkomen. Daarnaast is van belang dat uit de waarnemingen over de periode van 21 juli 2014 tot 12 augustus 2014 is gebleken dat de auto van [C] zes keer is aangetroffen voor de woning van eiseres en [C] drie keer in de ochtend (7.25 uur en 7.40 uur) eiseres’ huis heeft verlaten met een fiets. Ook tijdens de observaties van 18 augustus 2014 tot 18 september 2014 is gebleken dat [C] in deze periode vier maal is vertrokken vanuit de woning van eiseres. Verder is zowel uit de observatie over de periode 9 augustus 2014 tot en met 24 augustus 2014 als over de periode 2 september 2014 tot en met 7 september 2014 af te leiden dat [C] , met uitzondering van 24 augustus 2014, alle dagen op verschillende tijdstippen eiseres’ huis in en uit is gelopen en met een fiets naar zijn werk is gefietst en vervolgens tussen 17.00 uur en 17.30 uur weer terugkomt naar het huis van eiseres. Bovendien is gebleken dat [C] met een sleutel binnenkwam. Voorts is op 1 oktober 2014 bij de aanhouding van eiseres om 7.40 uur geconstateerd dat [C] uit de douche kwam, het tweepersoonsbed aan beide kanten beslapen was, pentekeningen aan de muur hingen waarop eiseres en [C] stonden, en er enkele overhemden van [C] in de kast hingen. Eiseres voert aan dat er in de periode tussen januari 2013 en het voorjaar van 2014 langzamerhand een meer dan incidenteel verblijf van [C] bij eiseres ontstond en dat met name vanaf april/juli 2014 de intensiteit van het verblijf van [C] bij haar toenam. Dit hing samen met de verslechterende medische situatie van eiseres, waarbij op aandringen van de behandelaars [C] meer bij eiseres is gaan verblijven om te voorkomen dat eiseres langdurig opgenomen zou moeten worden in verband met de traumaverwerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan dat wat eiseres heeft aangevoerd, maar dat geeft nog steeds geen verklaring waarom bijvoorbeeld het water- en elektragebruik al jaren te laag is bij [C] en te hoog bij eiseres. Ook de stelling van eiseres dat er tijdens het verhoor sprake was van onaanvaardbare druk volgt de rechtbank niet. Niet is gebleken dat de handhavingsspecialisten tijdens het verhoor bewust onaanvaardbare druk hebben uitgeoefend. Zij konden immers niet weten hoe eiseres op een stresssituatie reageert. Achteraf dient wel, met de informatie die hierover ook ter zitting naar voren is gebracht door de therapeut van eiseres, vastgesteld te worden dat het verhoor voor eiseres een onaanvaardbare druk gaf en dat zij daardoor gewenste verklaringen aflegde over onder meer de ingangsdatum van de samenwoning. Hierdoor kan er aan de verklaringen van eiseres minder waarde worden toegedicht. Deze omstandigheid betekent echter, gelet op de hiervoor genoemde waarnemingen en bevindingen, niet dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat [C] zijn hoofdverblijf in de te beoordelen periode had bij eiseres.

10. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Volgens vaste rechtspraak kan deze blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

11. De rechtbank is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen ook een toereikende grondslag vormen voor de conclusie dat in de te beoordelen periode sprake is geweest van wederzijdse zorg. De volgende feiten en omstandigheden zijn daartoe, in onderlinge samenhang bezien, voldoende. Zoals hierboven is vastgesteld, heeft [C] in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf bij eiseres gehad. Gesteld noch gebleken is dat [C] daarvoor een vergoeding verschuldigd was die hij ook daadwerkelijk aan eiseres heeft betaald. Dit betekent dat eiseres [C] in de te beoordelen periode zorg in de vorm van onderdak heeft verleend. Verder hebben eiseres en [C] verklaard dat zij gezamenlijk boodschappen deden en wanneer er veel boodschappen gedaan moesten worden zij met de auto van [C] gingen. [C] heeft voorts verklaard dat hij de vakanties die zij samen hebben gehad heeft betaald, hij een bed voor eiseres heeft gekocht en enkele malen het mutatieformulier van eiseres heeft ingeleverd bij de sociale dienst en eiseres heeft gewezen op een verandering op het formulier. Verder is gebleken dat [C] eiseres hielp bij haar therapie door bij haar te zijn en haar te steunen. [C] heeft eiseres naar instellingen en ziekenhuizen gebracht. Sinds 2012 heeft eiseres twee à drie aanvallen per dag waarna zij [C] belde of hij bij haar kwam slapen. Eiseres is in 2012 van de trap gevallen en [C] heeft haar acht weken verzorgd omdat zij plat moest liggen. Verder is gebleken dat eiseres voor het eten zorgde, kookte en de was deed voor [C] . Gelet hierop heeft verweerder niet ten onrechte geconcludeerd dat er in de te beoordelen periode sprake was van wederzijdse zorg.

12. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eiseres en [C] in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Eiseres heeft hiervan in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding gemaakt aan verweerder. Dit betekent dat verweerder het recht op bijstand terecht heeft beëindigd en tevens dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, derde lid, van de Pw is voldaan, zodat verweerder gehouden was de bijstand van eiseres over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 augustus 2014 wegens schending van de inlichtingenplicht in te trekken. Omdat verweerder gehouden was om de bijstand van eiseres in te trekken, bestond voor verweerder geen ruimte om wegens bijzondere omstandigheden geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien. Daarmee is gegeven dat verweerder op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw terecht de ten behoeve van eiseres gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 augustus 2014 van eiseres heeft teruggevorderd.

13. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is volgens vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 26 januari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:320) slechts sprake als deze zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.

14. Verweerder heeft ter beantwoording van de vraag of er medische omstandigheden bij eiseres zijn waar rekening mee moest worden gehouden bij het terugvorderen van het door haar onterecht ontvangen bedrag aan bijstandsuitkering advies ingewonnen bij [naam adviesbureau] . Uit de medische rapportage van 4 augustus 2016, opgesteld door [D] , arts, van [naam adviesbureau] blijkt dat bij eiseres sprake is van psychiatrische problematiek, die leidt tot een complex medisch beeld en ernstige beperkingen in de zelfstandigheid. Middels behandeling is de afgelopen jaren getracht het functioneren te verbeteren. Het optreden van stressfactoren vormt echter een belangrijke reden voor decompensatie. Het huidige functioneren van eiseres is niet stabiel omdat de fraudezaak voor eiseres een forse stressor is. De verwachting blijkens het advies is dat het functioneren van eiseres weer zal stabiliseren, mits de stressfactoren op een goede wijze gereguleerd kunnen worden. De wijze van de fraudeafhandeling speelt hierin een belangrijke rol. De frauderegeling zal een doorlopende trigger zijn voor de psychische problematiek. Het feit dat belanghebbende op haar inkomen wordt gekort, zal zij gedurende de looptijd van de schuldregeling als zeer belastend ervaren. Daarmee is het van essentieel belang, dat een regeling zo kort als mogelijk is, danwel op een voor eiseres zo min mogelijk belastende wijze plaatsvindt. Een financiële schuldregeling heeft een effect op het functioneren van eiseres en daaraan gekoppeld op de intensiteit van de behandelondersteuning voor eiseres.

15. De rechtbank overweegt dat uit het advies van [naam adviesbureau] afgeleid kan worden dat druk/stress het functioneren van eiseres niet ten goede komt en haar situatie decompenseert. Deze conclusie wordt ook gestaafd door de gedragingen van eiseres in twee voorvallen. Uit het rapport van de SRF blijkt dat eiseres tijdens het verhoor van 1 oktober 2014 in het kader van haar aanhouding een angst/ stressaanval kreeg en even niet aanspreekbaar was. Dit verhoor heeft om 10:35 uur plaatsgevonden, ongeveer drie uur na haar aanhouding wat erop duidt dat eiseres na een stressfactor (de aanhouding) onstabiel is. Dit gedrag heeft zich eveneens voorgedaan tijdens het medisch onderzoek dat door [D] voor het opmaken van het advies is verricht. Op pagina 2 van de medische rapportage is immers opgenomen dat de spanning van dit onderzoek voor eiseres zo hoog was, dat zij regelmatig uit het gesprek wegviel. Met hulp van de behandelaar is dit beperkt gebleven tot kortdurende incidenten, aldus het advies. Het rapport van de door verweerder zelf ingeschakelde arts biedt duidelijke aanknopingspunten dat sprake is van onaanvaardbare sociale gevolgen die de terugvordering voor eiseres heeft. In het dossier bevinden zich verder meerdere verklaringen van [B] waarin onder meer staat dat triggers bij eiseres ervoor zorgen dat zij decompenseert. Ook op zitting heeft [B] een uitgebreide toelichting gegeven dat in het geval eiseres in een situatie getriggerd wordt vanuit het verleden (omdat dezelfde emoties als toen worden getriggerd) zij dissocieert. Eiseres raakt dan in het verleden en verklaart dan niet meer vanuit de realiteit maar vanuit de emoties (ik ben slecht, ik verdien geen goedheid, ik ben het niet waard) die zij vanuit het verleden voelt. De terugvordering zal een terugkerende trigger zijn. Elke stap die in de fraudezaak gezet wordt, maakt eiseres angstig en belemmert haar capaciteiten.
De rechtbank is gelet op al het voorgaande van oordeel dat in de situatie van eiseres sprake is van een incidenteel geval waarin iets uitzonderlijks aan de hand is. Wanneer alle relevante omstandigheden van eiseres worden afgewogen, kan in dit geval de conclusie niet anders zijn dan dat de terugvordering bij eiseres leidt tot onaanvaardbare sociale gevolgen, omdat het functioneren van eiseres vanwege de steeds aanwezige trigger niet zal stabiliseren en het de behandeling van eiseres en haar mogelijkheid om zelfstandig een bestaan op te bouwen in de weg zal staan. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid niet tot de conclusie kunnen komen dat er geen dringende redenen bij eiseres zijn om niet van gehele terugvordering af te zien.

In dit licht bezien is het gegeven dat verweerder gedurende een periode van twee jaar (tot
1 november 2018) niet tot invordering over zal gaan en uitstel van betaling verleent, onvoldoende om te concluderen dat hiermee de druk die de terugvordering voor eiseres oplevert, weggaat dan wel vermindert.

16. Uit het voorgaande volgt dat het beroep slaagt en dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, omdat dit besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Niet aannemelijk is dat nader onderzoek nog kan bijdragen aan de zaak en dat het vastgestelde gebrek kan worden geheeld. Daarom ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.980,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van
€ 495,- en een wegingsfactor 1). Ter zitting heeft eiseres verzocht om vergoeding van de reiskosten van [B] (deskundige) ad € 6,80 voor het bijwonen van de zitting. De rechtbank bepaalt op grond van artikel 1, onder b van het Besluit proceskosten bestuursrecht dat verweerder de reiskosten van [B] vergoedt.De overige kosten die eiseres voor de diensten van [B] heeft gemaakt zijn niet ingevuld op het formulier proceskosten en niet onderbouwd en komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

-
verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.986,80, te betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, rechter, in aanwezigheid van mr.
S. Bissumbhar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 november 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.