Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5819

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
5683200 / LC EXPL 17-429
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid van bewindvoerder bij meerderjarienbewind en van de curator bij onder curatele. Toepassing van de artikelen 1:386 en 1:444/445 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Lelystad

Vonnis van 8 november 2017

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 5683200 / LC EXPL 17-429 van

EDITH ELISABETH MARIA THERESIA STIJNEN,
in hoedanigheid van curator van de heer [A] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser, hierna ook te noemen: Stijnen,
gemachtigde mr. M.A. Berkvens-van Wijk,

tegen

1 [gedaagde sub 1] , GEDAAGDE SUB 1,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen [gedaagde sub 1] ,
gedaagde,
gemachtigde mr. A.H.H. Nauta,
2. [gedaagde sub 2] , GEDAAGDE SUB 2,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen [gedaagde sub 2] ,
gedaagde,
niet verschenen,
3. de stichting
[gedaagde sub 3] , GEDAAGDE SUB 3,
gevestigd te [vestigingsplaats] (GLD),
hierna te noemen [gedaagde sub 3] ,
gedaagde,
niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

  • -

    het tussenvonnis van 26 april 2017

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 20 juni 2017

  • -

    het tussenvonnis van 19 juli 2017

  • -

    de akte overlegging producties tevens houdende wijziging van eis

  • -

    akte uitlating producties tevens akte uitlating wijziging van eis.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij tussenvonnis van 19 juli 2017 is Stijnen in haar hoedanigheid van curator van [A] in de gelegenheid gesteld haar vorderingen jegens gedaagden gedocumenteerd nader te onderbouwen. Stijnen heeft bij akte producties overgelegd en de vorderingen verder toegelicht. [gedaagde sub 1] heeft bij akte daarop gereageerd.

2.2.

Aan haar vordering legt Stijnen ten grondslag dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] c.s. in de periode dat zij het bewindvoerderschap c.q. het curatorschap over [A] hadden, nalatig zijn geweest in het voldoen van de betalingsverplichtingen van [A] dan wel het treffen van betalingsregelingen en/of dat zij hebben nagelaten om op enigerlei wijze adequate zorg te betrachten ten aanzien van de schulden van [A] . Volgens Stijnen zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] c.s. toerekenbaar tekort geschoten in de uitvoering van hun taak als bewindvoerder c.q. curator. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] c.s. zijn daarom aansprakelijk voor de schade die [A] door hun handelswijze of nalaten is berokkend.

2.3.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

2.4.

Bij de beoordeling van de vorderingen, voor zover ingesteld tegen de bewindvoerder, wordt het volgende voorop gesteld. In artikel 1:444 BW is bepaald dat een bewindvoerder jegens de rechthebbende aansprakelijk is, indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder tekortschiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Ten aanzien van vorderingen ingesteld tegen de curator kent de wet geen vergelijkbare bepaling die geldt bij meerderjarigenbewind als bovengenoemd. Ex artikel 1:386 lid 1 BW (curator) en ex artikel 1:445 BW (meerderjarigen bewind) zijn op het bewind van de curator en het bewind van de bewindvoerder de omtrent het bewind van de voogd toepasselijke voorschriften/bepalingen van overeenkomstige toepassing (art. 1:337-371 BW). Ten aanzien van bewind en de daaropvolgende rekening en verantwoording (art. 1:372-377 en art. 1:431-449 BW) is de kantonrechter de bevoegde rechter. Op grond van art. 1:362 BW in verbinding met art. 1:386 BW en art. 1:445 BW is de kantonrechter bevoegd ambtshalve de schade vast te stellen die het gevolg is geweest van slecht curatelenbewind of meerderjarigenbewind (HR 23 juni 2000, JOL 2000, 36). Het begrip “slecht bewind” duidt op het bewind in de zin van artikel 1:337 lid 2 BW. Voor een curator evenals voor een bewindvoerder geldt derhalve (net als voor een voogd) dat hij/zij het bewind over het vermogen van betrokkene (de onder curatele gestelde of de onder bewind gestelde) als een goed curator of bewindvoerder moet voeren. Bij slecht bewind is hij/zij voor de daarvoor veroorzaakte schade aansprakelijk. Deze aansprakelijkheid kan zijn gebaseerd op het niet-naleven van specifieke bepalingen die voor hem/haar als curator of bewindvoerder golden maar daarnaast kan de curator of bewindvoerder ook aansprakelijk zijn jegens curandus of onder de bewind gestelde op grond van onrechtmatige daad.

2.5.

Voor de vermogensrechtelijke taken van de curator wordt uitdrukkelijk in de ‘Aanbevelingen Curatele’, vastgesteld door het LOVCK, verwezen naar de ‘Aanbevelingen Meerderjarigenbewind’, eveneens vastgesteld door het LOVCK, voor zover die gaan over het vermogensbeheer door de beschermingsbewindvoerder en worden deze aanbevelingen van overeenkomstige toepassing verklaard. Daaruit vloeit voort dat de maatstaf voor de beoordeling van de aansprakelijkheid bij curatele en meerderjarigenbewind gelijk is.

2.6.

De kantonrechter zal de door Stijnen gevorderde schade, zo nodig, per post bespreken.

Vordering jegens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3]

2.7.

Bij beschikking van 21 mei 2014 is [gedaagde sub 2] (in dienst van [gedaagde sub 3] ) benoemd tot curator over [A] . Bij beschikking van 22 juni 2015 is [gedaagde sub 3] (en daarmee ook [gedaagde sub 2] ) ontslagen als curator.

2.8.

De vordering van Stijnen ziet op de volgende schuldeisers:

- Een bedrag van € 160,00, ter zake de opgelopen schuld bij [naam 1] / [naam 2] , bij akte verminderd tot een bedrag van € 40,00;

- Een bedrag van € 570,00, ter zake de opgelopen schuld bij [naam 3] , bij akte verminderd tot een bedrag van € 417,31;

- Een bedrag van € 109,90, ter zake de opgelopen schuld bij [naam 4] , bij akte verminderd tot een bedrag van € 40,00;

- Een bedrag van € 341,46, ter zake de opgelopen schuld bij het [naam 5] ;

- Een bedrag van € 500,00, ter zake de opgelopen schuld bij [naam 6] , bij akte verminderd tot € 00,00.

2.9.

Stijnen verwijt [gedaagde sub 2] en/of de [gedaagde sub 3] dat [gedaagde sub 2] c.s. in zijn hoedanigheid van curator zorg had moeten dragen voor tijdige betaling van de vorderingen van de schuldeisers en/of andere maatregelen had moeten treffen ter voorkoming van buitengerechtelijke incassokosten en rente.

2.10.

De vordering is door [gedaagde sub 2] c.s. niet weersproken, zodat deze in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt. Dit geldt evenwel niet voor de vordering van € 341,46 van [naam 5] . Deze vordering ziet op de zorgpremie over de periode 2014 tot en met 2015. Dat deze vordering onbetaald is gebleven door mogelijke nalatigheid van de zijde van [gedaagde sub 2] c.s. betekent nog niet dat Stijnen schade heeft geleden. Het bedrag aan zorgpremie is immers sowieso verschuldigd. Zonder deugdelijke onderbouwing dat de zorgpremie valt te kwalificeren als schade, waarvoor [gedaagde sub 2] c.s. aansprakelijk is, komt dit onderdeel van de vordering als ongegrond voor. Dit betekent dat de vordering van Stijnen toewijsbaar is tot een bedrag van € 497,31. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding (19 januari 2017).

Vordering jegens [gedaagde sub 1]

2.11.

Bij beschikking van 24 maart 2009 is [gedaagde sub 1] aangesteld als (opvolgend) bewindvoerder van [A] . Het bewindvoerderschap is bij beschikking van 2 maart 2012 omgezet in een curatorschap. Bij beschikking van 21 mei 2014 is [gedaagde sub 1] op zijn verzoek, in verband met gezondheidsproblemen, ontslagen als curator met benoeming van [gedaagde sub 2] tot curator.

2.12.

De vordering van Stijnen ziet op de volgende schuldeisers:

- Een bedrag van € 142,03, ter zake de opgelopen schuld bij [naam 6] / [naam 7] ,

- Een bedrag van € 221,06, ter zake de opgelopen schuld bij het [naam 8] , bij akte vermeerderd tot een bedrag van € 351,34;

- Een bedrag van € 2.246,70, ter zake de opgelopen schuld bij [naam 9] / [naam 10] ,

- Een bedrag van € 367,49, ter zake de opgelopen schuld bij [naam 11] / [naam 12] ,

- Een bedrag van € 650,92, ter zake de opgelopen schuld bij [naam 13] / [naam 14] ,

- Een bedrag van € 389,63, ter zake de opgelopen schuld bij [naam 15] / [naam 14] ,

- Een bedrag van € 725,30, ter zake de opgelopen schuld bij het [naam 5] , bij akte verminderd tot € 83,39.

- Een bedrag van € 7.491,45, ter zake de opgelopen schuld bij het [naam 16] ,

2.13.

Stijnen verwijt [gedaagde sub 1] dat hij in zijn hoedanigheid van bewindvoerder/curator enerzijds zorg had moeten dragen voor tijdige betaling van de vorderingen van de schuldeisers en/of andere maatregelen had moeten treffen ter voorkoming van buitengerechtelijke incassokosten en rente en anderzijds zorg had moeten dragen voor vernietiging van door [A] gepleegde rechtshandelingen.

2.14.

De kantonrechter overweegt dat voor zover [gedaagde sub 1] het verweer heeft gevoerd, dat hij vanwege ziekte zijn taak niet goed meer heeft kunnen uitvoeren, en hij die taak heeft moeten overdragen aan een vervanger en eventuele tekortkomingen niet aan hem kan worden toegerekend wordt dit verweer verworpen. Ingevolge artikel 6:76, 6:170 en 6:171 BW is de bewindvoerder/curator voor de gedragingen en of fouten van personen die hij bij de vervulling van zijn taak inschakelt aansprakelijk, zulks op gelijke wijze als hij zelf jegens de rechthebbende aansprakelijk zou zijn.

2.15.

De kantonrechter komt toe aan bespreking van de verschillende door Stijnen gevorderde posten:

[naam 6] / [naam 7] € 142,03

2.15.1.

Partijen zijn het erover eens dat voor deze vordering vrijstelling had moeten worden aangevraagd. Onbetwist is komen vast te staan dat [A] op grond van zijn inkomen daarvoor wel in aanmerking zou komen. De hoofdtaak van een bewindvoerder/curator is het beheren van alles wat onder bewind is gesteld. Tot de gewone werkzaamheden tijdens het bewind of curatorschap behoort ook het regelen en ordenen van de financiële huishouding van de rechthebbende. Hieronder valt ook het aanvragen van een vrijstelling. Nu het op de weg van de bewindvoerder/curator ligt om vrijstelling aan te vragen indien dit mogelijk is en uit het dossier niet blijkt van stappen om die vrijstelling aan te vragen is de kantonrechter van oordeel dat met betrekking tot de vordering [naam 6] [gedaagde sub 1] toerekenbaar is tekort geschoten in zijn taakvervulling. Deze vordering is dan ook toewijsbaar.

[naam 8] € 351,34

2.15.2.

Bovengenoemde vordering ziet op tandartskosten ten behoeve van [A] . Stijnen stelt dat de aanvullende tandartsverzekering van [A] is komen te vervallen, omdat [gedaagde sub 1] verzuimd heeft zorg te dragen voor betaling van de verzekeringspremie. Wegens het onbetaald laten van de tandartsrekening en het niet treffen van een betalingsregeling zijn de kosten, bestaande uit rente en buitengerechtelijke incassokosten alleen maar toegenomen. [gedaagde sub 1] heeft niet weersproken dat de aanvullende tandartsverzekering is komen te vervallen, waardoor de behandeling bij [A] in rekening is gebracht. De kantonrechter is van oordeel dat door de verzekeringspremie niet te voldoen [gedaagde sub 1] tekort is geschoten en aansprakelijk is te houden voor de tandartsrekening van € 183,20. Daarentegen is door [gedaagde sub 1] onweersproken gesteld dat vanwege detentie van [A] en aansluitend de stopzetting van zijn Wajong uitkering op de bewindvoerdersrekening onvoldoende saldo voor de betaling van de betreffende tandartsrekening stond. Nu Stijnen verder geen inzicht heeft gegeven op welk moment [gedaagde sub 1] wel weer in staat moest worden geacht de rekening te voldoen, komt de vordering voor rente en kosten voor afwijzing in aanmerking. Dit klemt temeer nu Stijnen zelf vanaf 21 mei 2014 is benoemd tot curator en haar eis heeft vermeerderd met nog meer rente en kosten op grond van een bericht van [bedrijfsnaam] van 16 februari 2017, bijna twee jaar na haar benoeming tot curator, terwijl onduidelijk is gebleven waarom Stijnen de factuur niet alsnog heeft betaald. De vordering is toewijsbaar tot een bedrag van € 183,20.

[naam 9] / [naam 10] € 2.246,70

2.15.3.

Bovengenoemde vordering ziet op een door [A] zonder toestemming van [gedaagde sub 1] afgesloten telefoonabonnement voor de duur van twee jaar. [gedaagde sub 1] heeft gesteld dat hij ten behoeve van [A] zorg heeft gedragen voor betaling van telefoonkosten onder de uitdrukkelijke afspraak dat dit slechts gold voor een pre-paid abonnement. [gedaagde sub 1] stelt verder dat hij niet op de hoogte was van het feit dat [A] met [naam 9] een telefoonabonnement was overeengekomen van twee jaar. [naam 9] heeft het contract beëindigd en een schadevordering in rekening gebracht, waarvan [gedaagde sub 1] pas achteraf op de hoogte is geraakt. Stijnen stelt dat [gedaagde sub 1] in zijn hoedanigheid van bewindvoerder dan wel curator de overeenkomst met [naam 9] had moeten vernietigen dan wel erop had moeten toezien dat geen onnodige hoge kosten zouden worden gemaakt. Voor de vraag of [gedaagde sub 1] gehouden was de vernietiging van de rechtshandeling in te roepen is van belang vast te stellen op welk moment de overeenkomst tussen [A] en [naam 9] is gesloten. [gedaagde sub 1] was immers tot 2 maart 2012 bewindvoerder en nadien curator. Stijnen verzuimt zich daarover uit te laten. Uit de door Stijnen overgelegde productie 17 leidt de kantonrechter af dat de vordering is ontstaan op 20 juni 2010, derhalve in de periode dat [gedaagde sub 1] bewindvoerder was. Als gevolg van het ingestelde bewind kon [A] gedurende het bewind slechts met medewerking van de bewindvoerder of met machtiging van de kantonrechter over de onder het bewind staande goederen beschikken (art. 1:438 BW). Bij het ontbreken van die medewerking of machtiging is een beschikkingshandeling ongeldig jegens een wederpartij die het bewind kende of had behoren te kennen. Een over de goederen van de rechthebbende ingesteld bewind heeft echter niet tot gevolg dat de rechthebbende onbevoegd wordt tot het verrichten van andere (obligatoire) rechtshandelingen. De overeenkomst tot het aangaan van een telefoonabonnement betreft niet een (beheers- of beschikkings-)handeling met betrekking tot een onder het bewind vallend goed, zodat de overeenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen. Dit betekent dat de rechtshandeling van [A] niet voor vernietiging in aanmerking zou zijn gekomen. Wel is [gedaagde sub 1] nalatig gebleven op enigerlei wijze actie te ondernemen ter voorkoming van de in rekening gebrachte rente en kosten (rente € 106,89, proceskosten € 467,31, explootkosten € 76,40, executiekosten € 547,80 en nakosten € 50,00, derhalve 1.248,40). Daarvoor is [gedaagde sub 1] aansprakelijk te houden. Dat [gedaagde sub 1] van de vordering van [naam 9] niet op de hoogte zou zijn geweest komt voor zijn rekening en risico.

[naam 11] / [naam 12] € 367,49

2.15.4.

Bovengenoemde vordering ziet op tandartskosten ten behoeve van [A] . Stijnen stelt dat de aanvullende tandartsverzekering van [A] is komen te vervallen, omdat [gedaagde sub 1] verzuimd heeft zorg te dragen voor betaling van de verzekeringspremie. Wegens het onbetaald laten van de tandartsrekening en het niet treffen van een betalingsregeling zijn de kosten, bestaande uit rente en buitengerechtelijke incassokosten alleen maar toegenomen. [gedaagde sub 1] heeft niet weersproken dat de aanvullende tandartsverzekering is komen te vervallen, waardoor de behandeling bij [A] in rekening is gebracht. Door de verzekeringspremie niet te voldoen is [gedaagde sub 1] tekort geschoten en aansprakelijk te houden voor de tandartsrekening van € 209,50. Dit geldt ook voor de in rekening gebrachte rente en kosten € 157,99. Het verweer dat de rekening kennelijk aan [A] is gezonden en door [A] niet aan [gedaagde sub 1] is toegestuurd ontslaat [gedaagde sub 1] niet van zijn aansprakelijkheid.

[naam 13] / [naam 14] € 650,92

2.15.5.

Bovengenoemde vordering ziet op de levering van energie. Uit de stukken valt af te leiden dat [A] zonder medeweten van [gedaagde sub 1] op enig moment de levering van energie heeft gewijzigd Van [naam 17] naar [naam 13] . Uit de door Stijnen overgelegde stukken blijkt dat de facturen van [naam 13] zien op de periode juli 2013 tot en met januari 2014, derhalve toen [gedaagde sub 1] was aangesteld tot curator. Stijnen meent dat [gedaagde sub 1] de overeenkomst met [naam 13] had moeten vernietigen en uit dien hoofde aansprakelijk is te houden voor de onbetaald gebleven facturen. De kantonrechter oordeelt als volgt. Weliswaar was [A] op het moment van het sluiten van de overeenkomst met [naam 13] handelingsonbekwaam, maar dat neemt niet weg dat het hier gaat om elementaire levensbehoeften die anders bij in stand blijven van het contract met [naam 17] ook in rekening zouden zijn gebracht, maar dan door [naam 17] . Niet valt in te zien dat onder deze omstandigheid het enkel onbetaald blijven van de facturen leidt tot aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] voor het volledige bedrag aan energiekosten. Door [gedaagde sub 1] is immers onweersproken gesteld dat ten behoeve van de betaling van energiekosten gelden op de leefrekening van [A] werden gestort. Uitsluitend de in rekening gebrachte rente kan aan [gedaagde sub 1] worden toegerekend voor een bedrag van € 9,02.

[naam 15] / [naam 14] € € 389,63

2.15.6.

Bovengenoemde vordering ziet eveneens op de levering van energie. De vordering treft naar het oordeel van de kantonrechter een zelfde lot als onder overweging 2.15.5 is overwogen. Uitsluitend de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten komen voor vergoeding in aanmerking, derhalve een bedrag van € 68,34.

[naam 5] € 83,39

2.15.7.

Bovengenoemde vordering ziet op onbetaald gebleven verzekeringspremies ziektekosten althans de daaruit voortvloeiende rente en incassokosten. Door [gedaagde sub 1] is onweersproken gesteld dat vanwege detentie van [A] en aansluitend de stopzetting van zijn Wajong uitkering op de bewindvoerdersrekening onvoldoende saldo voor de betaling van de betreffende ziektekostenpremies stond. Nu Stijnen verder geen inzicht heeft gegeven op welk moment [gedaagde sub 1] wel weer in staat moest worden geacht de premies te voldoen, komt de vordering voor rente en kosten voor afwijzing in aanmerking.

[naam 16] € 7.491,45

2.15.8.

Bovengenoemde vordering ziet op door het [naam 16] opgelegde sancties in verband met het onverzekerd zijn van een of meerdere brommers van [A] . Stijnen stelt zich op het standpunt dat [gedaagde sub 1] heeft nagelaten de brommer te verzekeren dan wel de brommer te schorsen bij de RDW en aldus aansprakelijk dient te worden gehouden voor de aan [A] opgelegde sancties te vermeerderen met de opgelegde verhogingen en kosten. De kantonrechter is met [gedaagde sub 1] van oordeel dat de door [A] gepleegde overtredingen en de daarop gevolgde boetes niet kunnen worden toegerekend aan [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] heeft onweersproken gesteld dat een bromfiets ten laste van de boedel was verzekerd, terwijl [A] [gedaagde sub 1] onkundig liet over het feit dat hij nog een of meerdere brommers onder zich had en ook gebruikte. Een verplichting om op enig moment (welk moment is onduidelijk gebleven) de andere brommer(s) alsnog te verzekeren kon van [gedaagde sub 1] , gelet op de beperkte middelen, niet worden verlangd. De door Stijnen voorgestane schorsing van de brommer(s) bij de RDW had bovendien ook geen soelaas geboden, omdat de opgelegde sancties (in ieder geval deels) al waren opgelegd. Het had op de weg gelegen van Stijnen aan te tonen op welk moment [gedaagde sub 1] kennis is gaan dragen van het door [A] onverzekerd laten van de brommer(s) om zo alsnog actie te kunnen ondernemen. Door dit niet te doen moet het ervoor worden gehouden dat [A] de opgelegde boetes voor [gedaagde sub 1] verborgen heeft willen houden. Bovendien is ook onweersproken door [gedaagde sub 1] gesteld dat [gedaagde sub 1] niet over voor [A] voldoende financiële middelen (slechts een Wajong uitkering) beschikte om deze vorderingen op enig moment te voldoen. Dit betekent dat de vordering ten aanzien van de opgelegde boetes voor rekening van [A] dienen te blijven.

2.15.9.

Het resultaat van bovenstaande overwegingen is dat [gedaagde sub 1] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.950,14. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding (19 januari 2017).

2.16.

Stijnen vordert verder nog een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] aansprakelijk is voor de kosten tot herstel van het gebit van [A] . Stijnen voert daartoe aan dat [gedaagde sub 1] nalatig is geweest in de betaling van de aanvullende tandartsverzekering, waardoor [A] zich vanaf 2012 niet meer door de tandarts heeft laten behandelen. Stijnen stelt verder dat door het jarenlang niet bezoeken van de tandarts het gebit ernstig zou zijn verslechterd. De kantonrechter is van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Afgezien van het feit dat [A] er kennelijk zelf voor heeft gekozen niet langer een tandarts te bezoeken, en daartoe kennelijk ook niet door Stijnen als opvolgend curator in staat is gesteld, is de wijze waarop het gebit door [A] (steeds) is verzorgd (waarover niets is gesteld) van wezenlijk belang voor de toestand van het gebit, terwijl een gedegen onderbouwing van het causale verband tussen het nalaten van [gedaagde sub 1] en de gestelde (toekomstige) schade ontbreekt. Deze vordering wordt dan ook afgewezen.

2.17.

Tot slot vordert Stijnen hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] c.s. tot betaling van een bedrag van € 1.784,25 als kosten die het gevolg zijn van het herstellen van de fouten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] c.s. gedurende hun bewindvoering en/of curatele over [A] . Uit voorgaande overwegingen kan worden afgeleid dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] c.s. op onderdelen toerekenbaar tekort zijn geschoten in hun taakvervulling als bewindvoerder/curator. Voldoende aannemelijk is dat Stijnen daaraan de nodige onderzoeksuren heeft besteed, die niet voor rekening dienen te komen van de onder curatele gestelde [A] . Zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] c.s. zijn daarvoor (deels) verantwoordelijk. Een hoofdelijke veroordeling voor het volledige bedrag komt evenwel niet voor toewijzing in aanmerking. Immers [gedaagde sub 1] kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de tekortkomingen van [gedaagde sub 2] c.s. terwijl [gedaagde sub 2] c.s. niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de tekortkoming van [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] c.s. zullen ieder voor een gelijk deel worden veroordeeld in de door Stijnen gemaakte kosten, derhalve € 892,13. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding (19 januari 2017).

2.18.

[gedaagde sub 2] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Voor [gedaagde sub 2] c.s. betekent dit tweemaal kosten exploot € 202,31(€103,10 + € 99,21, (de helft van het) griffierecht € 39,00 en gemachtigde salaris € 225,00.

2.19.

[gedaagde sub 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Voor [gedaagde sub 1] c.s. betekent dit kosten exploot € 99,21, (de helft van het) griffierecht € 39,00 en gemachtigde salaris € 525,00.

3 De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] c.s. toerekenbaar tekort zijn geschoten door hun taak als bewindvoerder c.q. curator niet naar behoren te vervullen;

veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan Stijnen tegen bewijs van kwijting te betalen € 2.842,27 met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2017 tot de voldoening;

veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Stijnen, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 663,21, waarin begrepen € 525,00 aan salaris gemachtigde;

veroordeelt [gedaagde sub 1] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Stijnen volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde;

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

veroordeelt [gedaagde sub 2] c.s. hoofdelijk om aan Stijnen tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.389,44 met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2017 tot de voldoening;

veroordeelt [gedaagde sub 2] c.s. hoofdelijk tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Stijnen, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 466,31, waarin begrepen € 225,00 aan salaris gemachtigde;

veroordeelt [gedaagde sub 2] c.s. hoofdelijk, onder de voorwaarde dat hij/zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Stijnen volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde;

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2017.