Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:58

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-01-2017
Datum publicatie
05-01-2017
Zaaknummer
16.659229-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 42-jarige man uit Rijssen heeft zich schuldig gemaakt aan het voorbereiden van moord en verboden wapenbezit. De rechtbank veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van 587 dagen, waarvan 365 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Gelet op de stoornissen van de man legt de rechtbank meerdere bijzondere voorwaarden op zoals geadviseerd door de reclassering, waaronder toezicht en meldplicht bij de reclassering en een behandeling bij een kliniek. Daarnaast legt de rechtbank een contactverbod op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.659229-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 januari 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1974] te [geboorteplaats] (Turkije),

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting van 15 juni 2016, 7 september 2016, 12 oktober 2016 en 21 december 2016, op welke laatstgenoemde datum de inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.C. Jonge Vos, advocaat te Haarlem.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. Z. Trokic en van datgene wat door de raadsman en door verdachte naar voren is gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 04 maart 2016 te [plaatsnaam 1] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, een of meer vuurwapens van categorie III (sub 1), te weten een (doorgeladen)

pistool (.22 Browning) en/of bijbehorende munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 04 maart 2016 te [plaatsnaam 1] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, een of meer wapens met meer dan een snijkant, te weten een machete en/of een

(dolk)mes, zijnde (een) voorwerp(en) als bedoeld in de categorie IV van de Wet wapens en munitie, heeft gedragen;

3.

hij op of omstreeks 4 maart 2016 te [plaatsnaam 1] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter voorbereiding van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een

gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld te weten: moord en/of doodslag en/of zware mishandeling, al dan niet met voorbedachten rade (resp. art. 289, 287, 302/303 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk voorwerpen voorhanden heeft gehad, te weten

- een of meer (vuur)wapens (te weten een doorgeladen vuurwapen, Browning .22

met bijbehorende munitie en/of een of meer (kap)mes(sen)) en/of

- een briefje met daarop de naam en het adres van [A] , welke voorwerpen, al dan niet in combinatie met elkaar, kennelijk bestemd waren tot het begaan van dat misdrijf.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen.

Het standpunt van de verdediging

Rechtmatigheid doorzoeking

Ten aanzien van feit 1 en feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim wegens een onrechtmatige doorzoeking van het voertuig van verdachte. Dit vormverzuim dient volgens de raadsman te leiden tot bewijsuitsluiting, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van deze feiten.

Ten aanzien van het ten laste gelegde

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 en feit 2 een integrale vrijspraak bepleit, gelet op het gevoerde verweer ten aanzien van de rechtmatigheid van de doorzoeking. Subsidiair kunnen de feiten wettig en overtuigend worden bewezen. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman naar voren gebracht dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat, nu niet blijkt van enig misdadig doel.

Het oordeel van de rechtbank 1

Rechtmatigheidsverweer

De rechtbank overweegt dat uit jurisprudentie volgt dat een beslissing tot toepassing van een rechtsgevolg als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dient te worden genomen en gemotiveerd aan de hand van de factoren die in het tweede lid van het artikel zijn genoemd, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv mag worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van deze factoren wordt aangegeven tot welk in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. Alleen op een zodanig verweer dient door de rechtbank een met redenen omklede beslissing te worden gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het verweer van de raadsman niet aan de eisen die artikel 359a Sv stelt, nu de raadsman zich niet heeft uitgelaten over het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, zodat het verweer onbesproken kan blijven.

Ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3

Op 4 maart 2016 te [plaatsnaam 1] treffen verbalisanten [verbalisant A] en [verbalisant B] in de tas van verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan. Bij de fouillering van verdachte wordt in een binnenzak een machete aangetroffen. In het dashboardkastje van het voertuig van verdachte wordt een op een mes gelijkend voorwerp aangetroffen.2

Op het politiebureau wordt in de kleding van verdachte munitie aangetroffen, te weten drie patronen, kaliber .22.3

Het vuurwapen wordt gecategoriseerd als vuurwapen van categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie, zijnde een .22 Browning.4

Het mes wordt gecategoriseerd als behorend tot categorie IV van de Wet wapens en munitie.5

Het kapmes wordt gecategoriseerd als behorend tot categorie IV van de Wet wapens en munitie.6

De 9 scherpe patronen kaliber .22LR, afkomstig uit het patroonmagazijn uit het aangetroffen vuurwapen van categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie, de 3 scherpe patronen kaliber .22LR en de 5 kogelkoppen kaliber .22LR worden gecategoriseerd als munitie behorend tot categorie III van de Wet wapens en munitie.7

De verdachte heeft verklaard dat hij de wapens en de munitie heeft aangeschaft.8

Verdachte verklaart bij zijn aanhouding dat hij voor een kameraad komt, wonende op de [adres] te [plaatsnaam 1] .9

Bij de fouillering van verdachte wordt een briefje aangetroffen met daarop: “ [A] ” [B] , [A] ; [adres] [plaatsnaam 1] . [telefoonnummer] ”.10

Er wordt onderzoek gedaan naar de inhoud van de inbeslaggenomen computer en tablet van verdachte. Er wordt gezocht op de zoektermen ‘ [plaatsnaam 1] ’ en ‘ [adres] ’. Op het zoekwoord ‘ [plaatsnaam 1] ’ komen diverse hits in de unallocated clusters naar voren. Eén daarvan heeft betrekking op een url van telefoongids.nl. In de directe omgeving van die hit, ziet de verbalisant meerdere urls van de telefoongids.nl/ [A] . Uit onderzoek blijkt dat er op telefoongids.nl één [A] met voorletter [X] staat, met daarbij het adres [adres] te [plaatsnaam 1] .11 De zoekterm ‘ [A] ’ levert op de image van de computer van verdachte meerdere hits op in de unallocated clusters. Uit onderzoek op Google blijkt dat [A] behoorde tot Sharia4Holland.12

Uit onderzoek naar de harde schijf van de computer van verdachte blijkt dat vanaf 24 januari 2016 veelvuldig gezocht is naar ISIS-gerelateerde onderwerpen, waaronder Sharia4Belgium en Sharia4Holland. Daarnaast werd ook een groot aantal sites bezocht van wapenhandelaren.13

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte op 4 maart 2016 van huis vertrok omdat hij naar zijn werk in [plaatsnaam 2] moest. Hij had iets in zijn zak. Het stak een beetje uit. Het leek een beetje op een geweer. Zij weet dat verdachte ongeveer twee weken geleden een vuurwapen heeft aangeschaft. Zij weet dat verdachte op internet heeft gezocht waar hij dat kon krijgen.14

Op 9 maart 2016 spreken de verbalisanten met [A] en [C] , wonende aan de [adres] te [plaatsnaam 1] . Zij verklaren dat op 4 maart 2016 rond 21:15 uur een man in de centrale toegangshal bij hun huisnummer aanbelde. Zij kenden de man niet en hebben de centrale toegangsdeur niet geopend. Na een kwartier stond de man er nog steeds. Na een half uur ging de bel van de woning. Bij het openen van de voordeur herkende [A] de man die eerder in de centrale toegangshal stond. De man vroeg naar [naam] . [A] zei tegen de man dat die niet op dat adres woonde. De man is toen weggelopen. [A] heeft via de beveiligingscamera een foto van de man gemaakt. De verbalisant herkent verdachte direct op de aan hem getoonde foto.15

Verdachte is omstreeks 22:15 uur aangehouden op de [straatnaam] .16 Uit een plattegrond blijkt dat de [adres] een zijstraat is van de [straatnaam] .17.

Bewijsoverweging feit 1

Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt genoegzaam dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Bewijsoverweging feit 2

Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt genoegzaam dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Bewijsoverweging feit 3

Voor beantwoording van de vraag of bovengenoemde bewijsmiddelen indiceren dat sprake is van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 46 Wetboek van Strafrecht, is doorslaggevend of de voorwerpen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van de voorwerpen voor ogen had.

De rechtbank stelt voorop dat de bij verdachte aangetroffen wapens en munitie dienstig kunnen zijn voor het plegen van de, in de voorbereidingsvariant, ten laste gelegde delicten moord, doodslag en/of zware mishandeling.

De rechtbank constateert dat de verdachte de wapens, munitie en adresgegevens van [A] opzettelijk voorhanden heeft gehad.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of het plegen van een van de voornoemde delicten het (misdadige) doel van verdachte was en de verdachte de in de tenlastelegging genoemde wapens, munitie en adresgegevens van [A] met dat doel voorhanden heeft gehad. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend op grond van het volgende.

De rechtbank overweegt dat de bij verdachte en in zijn auto aangetroffen voorwerpen, namelijk het doorgeladen vuurwapen met geluiddemper, de munitie, de machete en het mes, naar hun uiterlijke verschijningsvorm bestemd waren tot het begaan van een levensdelict.

Verdachte heeft geen verklaring af willen leggen over de aard en het motief van zijn aanwezigheid op het adres van [A] . Niet gebleken is dat die aanwezigheid daar een legitieme reden had. Verdachte heeft tijdens zijn aanhouding verklaard dat hij voor een kameraad kwam die op de [adres] zou worden, terwijl uit het dossier blijkt dat verdachte en [A] elkaar niet kenden. De rechtbank acht die verklaring daarom niet aannemelijk. Naar het oordeel van de rechtbank dient op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden te worden geconcludeerd dat de aanwezigheid van verdachte aldaar niet kan worden verklaard door andere dan criminele motieven.

De rechtbank is van oordeel dat deze criminele motieven zijn gelegen in het met voorbedachten rade om het leven brengen van [A] .

De rechtbank baseert dit op het volgende. Verdachte heeft in de periode voorafgaand aan 4 maart 2016 meermalen op internet gezocht naar [A] en zijn adresgegevens. Verdachte heeft in die periode ook een vuurwapen aangeschaft. Op 4 maart 2016 is hij van zijn woonplaats [woonplaats] naar [plaatsnaam 1] afgereisd en heeft hij in [plaatsnaam 1] tweemaal aangebeld bij de woning van [A] . Op basis van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte de hiervoor genoemde voorwerpen voorhanden had met de intentie om een misdrijf als genoemd in de tenlastelegging te begaan. Door deze planmatige voorbereidingen te treffen heeft verdachte momenten van kalm beraad en rustig overleg gehad en dient het vorenstaande dan ook te worden gekwalificeerd als voorbereiding van moord.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op of omstreeks 0 4 maart 2016 te [plaatsnaam 1] , althans in het arrondissement Midden-Nederland , een of meer vuurwapen s van categorie III (sub 1), te weten een (doorgeladen)

pistool (.22 Browning) en /of bijbehorende munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 0 4 maart 2016 te [plaatsnaam 1] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, een of meer wapens met meer dan een snijkant, te weten een machete en /of een

(dolk)mes, zijnde (een) voorwerp ( en ) als bedoeld in de categorie IV van de Wet wapens en munitie, heeft gedragen;

3.

hij op of omstreeks 4 maart 2016 te [plaatsnaam 1] , althans in het arrondissement Midden-Nederland , ter voorbereiding van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een

gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld te weten: moord en/of doodslag en/of zware mishandeling, al dan niet met voorbedachten rade ( resp . art. 289 , 287, 302/303 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk voorwerpen voorhanden heeft gehad, te weten

- een of meer (vuur)wapen s (te weten een doorgeladen vuurwapen, Browning .22

met bijbehorende munitie en /of een of meer (kap)mes ( sen )) en /of

- een briefje met daarop de naam en het adres van [A] , welke voorwerpen, al dan niet in combinatie met elkaar, kennelijk bestemd waren tot het begaan van dat misdrijf.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Ten aanzien van feit 1:

handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 27 lid 1 van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 3:

voorbereiding van moord gepleegd met voorbedachten rade.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht. In het geval de rechtbank voornemens is een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat een terbeschikkingstelling met voorwaarden passender is. Subsidiair heeft de officier gevorderd tussenvonnis te wijzen en daarin te bepalen dat de reclassering een maatregelenrapport opstelt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van een op te leggen straf bepleit dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest dient te volgen met daarnaast een voorwaardelijk strafdeel.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorbereiden van een ernstig misdrijf, te weten moord. Een dergelijk feit leidt tot schrik en angst bij slachtoffers en bij de samenleving. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijpassende munitie van categorie III en het dragen van wapens van categorie IV. Dit is uitermate gevaarlijk, zeker in de handen van iemand die geen verklaring aflegt waarom hij zich met deze wapens op de openbare weg in [plaatsnaam 1] bevond en waarom hij zich naar het adres van [A] heeft begeven, terwijl uit het dossier blijkt dat verdachte daar bewust was.

De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 24 oktober 2016.

De rechtbank houdt rekening met een NIFP-rapportage van 2 december 2016, opgesteld door D. Harari, psychiater, en P.G. Smits, GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum.

De deskundigen concluderen dat bij verdachte sprake is van een formele denkstoornis, te weten desorganisatie. Er is een gebrek aan samenhang in zijn denken en communiceren en gedeeltelijk ook in zijn gedrag. Het begrip en de waardering van de realiteit schieten geregeld tekort waardoor de realiteitstoetsing gestoord raakt. Op grond van informatie uit het milieurapport en klinische observaties stellen de onderzoekers vast dat zeer waarschijnlijk sprake is van een waan waarnaar verdachte reeds meerdere jaren handelt. Hij verzamelde grote hoeveelheden meel met het oog op een komende hongersnood, hij heeft zich meermalen uitgesproken over zijn rol als wachter en heeft zijn verwachting van komend onheil en de noodzaak tot bekering op verschillende plekken verkondigd. De formele denkstoornis, gestoorde realiteitstoetsing en de zeer waarschijnlijke waan kunnen zeer goed passen in het kader van een psychotische stoornis. Niet uit te sluiten is dat sprake is van een dementieel proces of een organisch psychosyndroom, al dan niet als gevolg van hersenschade door langdurig drugsgebruik in het verleden. De ziekelijke stoornis was ten tijde van het ten laste gelegde zeer waarschijnlijk aanwezig. De onderzoekers achten het niet voorstelbaar dat de beschreven stoornis in realiteitstoetsing geen rol in het ten laste gelegde heeft gespeeld. De mate waarin en de wijze waarop dit gebeurd is zijn echter niet te bepalen met de voorhanden zijnde informatie. De rechtbank sluit zich aan bij de conclusie van de deskundigen en neemt deze over.

De rechtbank houdt rekening met een maatwerkplan van 9 december 2016 dat ter aanvulling op een reclasseringsrapport van 6 december 2016 is opgesteld.

De reclassering adviseert in haar rapport van 6 december 2016 een geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke werkstraf op te leggen met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het reeds ondergane voorarrest. Hierbij adviseert zij als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandelverplichting, in die zin dat verdachte zich laat behandelen voor psychiatrische dan wel psychologische problematiek, zulks ter beoordeling van de reclassering. In het maatwerkplan van 9 december 2016 wordt duidelijk dat de reclassering van mening is dat nader klinisch onderzoek noodzakelijk is alvorens een goed advies omtrent de sanctie kan worden gegeven.

De rechtbank gaat voorbij aan het verzoek van de officier van justitie tussenvonnis te wijzen en de reclassering in de gelegenheid te stellen een maatregelenrapport te laten opstellen om de mogelijkheden tot een terbeschikkingstelling met voorwaarden te onderzoeken. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht om de strafzaak tegen verdachte af te doen en acht een terbeschikkingstelling op dit moment niet passend of geboden.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 587 dagen, waarvan 365 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de dagen die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is.

Daarbij acht de rechtbank met het oog op de stoornissen van verdachte het opleggen van bijzondere voorwaarden, waaronder de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, noodzakelijk. De rechtbank zal eveneens bepalen dat verdachte meewerkt aan diagnostiek, teneinde vast te stellen welke behandeling het meest passend is en zich vervolgens zal laten behandelen. Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding een contactverbod op te leggen met het slachtoffer van feit 3, te weten [A] .

De rechtbank beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

12 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 27, 46, 57, 62 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 27, 54 en 55 Wet wapens en munitie, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder feit 1, feit 2 en feit 3 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 587 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 365 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd van 3 jaar niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte (zich) gedurende de proeftijd 3 jaar:

* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [A] , wonende aan de [adres] te [plaatsnaam 1] ;

* meldt bij Reclassering Nederland aan het adres Molenstraat 50 te Enschede, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zal meewerken aan diagnostiek en dat hij zich op basis van de diagnostiek laat behandelen voor zijn psychiatrische en/of psychologische problematiek bij forensische polikliniek De Tender, Transfore of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij verdachte zich zal houden een de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.E.M. Kranenbroek, voorzitter, mrs. W.S. Ludwig en H.J. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.G.H. Langeweg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 januari 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2016068537, doorgenummerd 1 tot en met 186.

2 Pagina 16.

3 Pagina 151.

4 Pagina 134.

5 Pagina 136.

6 Pagina 136.

7 Pagina 137.

8 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 december 2016.

9 Pagina 15.

10 Pagina 83.

11 Pagina 78.

12 Pagina 79.

13 Pagina 117.

14 Pagina 47.

15 Pagina 92.

16 Pagina 16.

17 Pagina 25.