Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5796

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-11-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
16/659265-17; 16/082947-13 (tul) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 24-jarige man uit Utrecht heeft zich in de nacht van 3 op 4 februari 2017 in Nieuwegein schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een dodelijk ongeval. De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en de maximale rijontzegging van 5 jaar.

De 24-jarige verdachte bestuurde een auto met daarin vier passagiers. Hij haalde net voor een bocht een andere auto in. Op dat stuk wordt zijn snelheid geschat op 88 km/h, waar 50 km/h is toegestaan. Het wegdek was vochtig op dat moment. Net voordat hij de bocht instuurde heeft hij geremd. Hij verloor de macht over het voertuig en is in botsing gekomen met auto’s die aan de zijkant geparkeerd stonden. De 23-jarige bijrijder is uit de auto geraakt en overleden.

Volgens de officier van justitie is er sprake van ‘roekeloosheid’, de zwaarste vorm van schuld. De rechtbank is tot een ander oordeel gekomen, mede omdat de rechtbank een aantal gedragingen van verdachte – anders dan de officier van justitie – niet bewezen achtte. De juridische term ‘roekeloosheid’ betekent niet hetzelfde als in het dagelijkse spraakgebruik. De rechtbank oordeelt dat de verdachte zich niet zodanig heeft gedragen dat hij zich bewust had moeten zijn dat hij met zijn rijgedrag een dodelijk ongeval zou veroorzaken. Wel heeft verdachte op uitermate onverantwoorde wijze aan het verkeer deelgenomen waardoor hij zeer onvoorzichtig heeft gereden.

De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat er sprake is van een lagere vorm van schuld. In vergelijkbare verkeersdelicten wordt uitgegaan van een gevangenisstraf van 8 maanden. In deze zaak heeft de rechtbank in het nadeel van verdachte meegewogen dat hij niet alleen de plaats van het ongeval heeft verlaten, maar ook zijn rol als bestuurder heeft willen verhullen. Ook heeft de rechtbank in strafverzwarende zin meegewogen dat verdachte reed zonder te beschikken over een geldig rijbewijs, ondanks dat hij zeer vaak is veroordeeld voor verkeersdelicten – ook tot celstraffen. De rechtbank ziet daarom reden om in deze zaak een hogere straf op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0914
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/659265-17; 16/082947-13 (tul) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 20 november 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1993] te [geboorteplaats] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Flevoland,

PI Flevoland, Huis van Bewaring Almere Binnen te Almere Binnen.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 29 juni 2017, 17 augustus 2017, 26 oktober 2017 en 6 november 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. N.M. van Collenburg en van hetgeen verdachte en mr. M. Hoekzema, advocaat te Utrecht, alsmede de benadeelde partijen, bijgestaan door mr. M. Veldman, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De tenlastelegging en de wijzing van de tenlastelegging zijn als bijlagen aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 4 februari 2017 in Nieuwegein als bestuurder van een personenauto zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, of (zeer) onvoorzichtig en/of onoplettend te rijden, waardoor [slachtoffer] is gedood;

feit 2: op 4 februari 2017 in Utrecht en Nieuwegein een personenauto heeft bestuurd, terwijl aan hem de rijbevoegdheid was ontzegd.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Ten aanzien van feit 1

4.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Volgens de officier van justitie is bij verdachte sprake geweest van roekeloosheid, zoals bedoeld in artikel 175, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Ook is volgens haar sprake van overschrijding van de vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate, zoals bedoeld in artikel 175, derde lid van de WVW 1994.

4.1.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging betwist niet dat er door verdachte te hard is gereden op het traject direct voorafgaand aan de plaats van het ongeval, hij de macht over het stuur is kwijtgeraakt en in botsing is gekomen met twee geparkeerde auto’s. Volgens de verdediging moet bij de vaststelling van de gereden snelheid op dit traject aansluiting worden gezocht bij de zogenoemde beste schatter van de snelheid genoemd in het eerste rapport van het NFI van 15 juni 2017. Met een betrouwbaarheid van 95% bedraagt de gemiddelde snelheid van de auto over deze afstand als beste schatter 88 km/h. Nu de toegestane maximumsnelheid ter plaatse 50 km/h was, heeft verdachte minder dan 50 km/h te hard gereden. Uit de (vervallen) Aanwijzing Verkeersongevallen van het Openbaar Ministerie volgt dat geen sprake is van het in ernstige mate overschrijden van de maximumsnelheid als bedoeld in artikel 175, derde lid van de WVW 1994. Nu dus slechts het te hard rijden verdachte kan worden verweten en de andere gedragingen zoals ten laste zijn gelegd niet kunnen worden bewezen, is volgens de raadsvrouw geen sprake geweest van roekeloos rijgedrag.

4.1.3

Het oordeel van de rechtbank

In de onderhavige zaak leidt de rechtbank uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feitelijke gang van zaken af.1

Verdachte, niet in het bezit van een geldig rijbewijs2, is op 3 februari 2017, rond 23:30 uur in een personenauto, merk Renault, type Clio, naar de Kanaalstraat te Utrecht gereden, alwaar hij had afgesproken met het slachtoffer en [A] . Daar troffen zij drie meisjes, te weten [B] , [C] en [D] .3 Vervolgens reden zij naar een nabij gelegen tankstation.4 Bij dit tankstation zijn verdachte, het slachtoffer, [A] en de drie meisjes overgestapt in een andere auto van het merk Volkswagen, type Passat, kenteken [kenteken] , welke auto op naam staat van de broer van verdachte. Verdachte heeft gereden. Hij heeft niet eerder in deze auto gereden.5

Na een stukje als passagier te hebben meegereden in de auto bij verdachte, heeft [A] op een gegeven moment besloten om in zijn eigen auto, een grijze Peugeot, type 206, te stappen. Verdachte heeft vervolgens nog steeds als bestuurder van de Volkswagen Passat, met daarin het slachtoffer als bijrijder en [B] (zittend op de achterbank, achter de bestuurder), [C] (zittend op de achterbank, in het midden) en [D] (zittend op de achterbank, achter de bijrijder) als passagiers via de Cartesiusweg te Utrecht in de richting van Nieuwegein gereden. [A] reed als bestuurder van de grijze Peugeot voorop.6

Tijdens de route van de Cartesiusweg te Utrecht en de plaats van het ongeval aan de Utrechtsestraatweg te Nieuwegein is verdachte door inzittenden meermalen gemaand om zijn snelheid te minderen.7 Verdachte heeft meermalen dicht, (bumperklevend) op zijn voorganger, [A] , gereden, waarbij hij iedere keer vol gas gaf en vervolgens weer remde.8 Verdachte heeft over deze route de auto waarin [A] reed meerdere malen ingehaald.9 [B] heeft verklaard dat bij het inhalen zeker 80 tot 100 km/h werd gereden.10 Verdachte heeft hierbij de indruk bij [C] gewekt dat hij een wedstrijdje aan het doen was met [A] .11 Verdachte zelf omschrijft dit gedrag als ‘spelen’.12

Omstreeks 00:08 uur, het is dan inmiddels 4 februari 2017, rijdt verdachte via de Taludweg te Nieuwegein over de Utrechtsestraatweg in de richting van de Symfonielaan te Nieuwegein. Vanaf de Utrechtsestraatweg te Nieuwegein was de toegang tot de Taludweg fysiek afgesloten door middel van een zogenoemde ‘beweegbare blokkade’ (hierna: de wegblokkade). Om de Utrechtseweg van deze zijde in te kunnen rijden dient de wegblokkade met een zogenaamde druppelsleutel te worden bediend.13 [A] reed op dit punt voor de auto van verdachte. Hij is in het bezit van een druppelsleutel waarmee hij de wegblokkade kan openen. Verdachte reed direct en snel achter [A] aan, waarbij hij de wegblokkade is gepasseerd voordat deze de toegang tot de Utrechtsestraatweg weer afsloot.14

Blijkens het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse zijn de omstandigheden ter plaatse op dat moment als volgt. De rijbaan heeft een breedte van ongeveer 8 meter. De rijbaan bestaat uit een rijstrook van ongeveer 4,8 meter. Aan beide zijden van deze rijstrook is een fietsstrook van ongeveer 1,7 meter breed.15 De wettelijk toegestane snelheid bedraagt 50 km/h.16 Het wegdek was vochtig.17 De omgeving was ten tijde van het onderzoek verlicht door een straatverlichting met een oranje kleur.18

Verdachte heeft na het passeren van de wegblokkade de auto van [A] ingehaald. Nadat verdachte de auto van [A] heeft ingehaald, heeft verdachte net voordat hij de bocht instuurt, geremd.19 Doordat verdachte met een te hoge snelheid de bocht in is gereden, raakte hij de macht over het voertuig kwijt en is vervolgens in aanraking gekomen met auto’s die na de bocht aan de linkerzijde van de weg stonden geparkeerd.20 Ongeveer 7,7 meter voor het begin van dit parkeervak zijn bandensporen aangetroffen links van het midden van de rijbaan. Deze sporen moeten afkomstig zijn geweest van de auto waarin verdachte reed.21 Uit de omstandigheid dat de sporen alle vier afzonderlijk van elkaar afgetekend waren, wordt geconcludeerd dat de auto zich op dat moment in een drift bevond.22 Bij het uitkomen van de bocht is de auto waarin verdachte reed met de linkerzijkant tegen een personenauto merk Ford, type Focus, die aan de linkerzijde van de weg stond geparkeerd, gebotst.23 Door de botsing met de Ford Focus, roteerde de auto waarin verdachte reed om de voorzijde van de Ford Focus heen, tegen de klok in.24 Hierna botste de auto waarin verdachte reed met zijn rechterzijde tegen de voorzijde van een personenauto merk Volkswagen, type Golf, die achter de Ford Focus geparkeerd stond, aan.25 Het portier van de bijrijdersplaats is hierbij ontgrendeld. Het slachtoffer is door de aanrijding uit de auto geraakt en hoogstwaarschijnlijk tussen de auto waarin verdachte reed en de Volkswagen Golf terechtgekomen.26

De auto waarin verdachte reed is vervolgens aan de rechterzijde van de weg tot stilstand gekomen.27

Als gevolg van de aanrijding is het slachtoffer overleden.28 Het intreden van de dood wordt verklaard door weefselschade en functiestoornissen van vitale/belangrijk structuren, opgeleverd door ingewerkt uitwendig mechanisch hevig stomp (botsend) geweld zoals in het kader van een verkeersongeval kan ontstaan.29

Er is onderzoek gedaan naar de snelheid waarmee verdachte heeft gereden tussen de wegblokkade en de plaats van het ongeval. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden aan de hand van de camerabeelden, afkomstig van een beveiligingscamera die bij de wegblokkade staat. Van het incident is een opname met beeld en geluid van het camerabewakingssysteem beschikbaar.30 De snelheid is onderzocht op het traject van de wegblokkade tot het moment voordat de auto van verdachte uit beeld verdwijnt. Met een betrouwbaarheid 95 % bedraagt de beste schatter van de gemiddelde snelheid van de auto 88 km/h. Deze gemiddelde snelheid is bepaald over een afstand van ongeveer 126 meter. 31

Bewijsoverwegingen

Vaststaat, en overigens ook geen punt van discussie is, dat het overlijden van het slachtoffer een gevolg is van het ongeval dat aan verdachte kan worden verweten. Ook staat vast, en wordt door verdachte ook niet betwist, dat hij met een te hoge snelheid de bocht in de Utrechtsestraatweg heeft genomen als gevolg waarvan hij de macht over het stuur is kwijt geraakt en het verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Wel is er discussie over de vraag of sprake is van het in ernstige mate overschrijden van de maximumsnelheid als bedoeld in artikel 175, derde lid, van de WVW 1994 en, vervolgens, in welke mate verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval.

Snelheid

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van het ‘in ernstige mate’ overschrijden van de maximumsnelheid als bedoeld in artikel 175, derde lid, van de WVW 1994 en de daarmee samenhangende vraag in welke mate verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval, moet allereerst worden vastgesteld met welke snelheid verdachte heeft gereden op het traject tussen de wegblokkade en de plaats van het ongeval.

Er zijn verschillende onderzoeken naar de snelheid op (een deel van) dit traject verricht door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), naar aanleiding waarvan twee rapporten zijn uitgebracht.

Het eerste rapport van het NFI van 15 juni 2017 heeft op basis van het beschikbare beeldmateriaal de gemiddelde snelheid van de auto van verdachte berekend op het traject tussen het moment dat verdachte wegrijdt bij de wegblokkade tot het moment dat de auto uit het beeld verdwijnt (traject 1). Dit traject heeft een lengte van 126,4 meter. Het rapport doet geen uitspraak over de snelheid waarmee verdachte heeft gereden vanaf het moment dat de auto uit beeld verdwijnt tot het moment dat het geluid van een botsing hoorbaar is (traject 2). Dit traject heeft een lengte van 84,6 meter. De gemiddelde snelheid op dit tweede traject (alsmede de gemiddelde snelheid van het gehele traject 1+2) is onderzocht in het latere rapport van het NFI van 16 oktober 2017. Op zich zijn de bevindingen uit het latere rapport van het NFI over de gereden gemiddelde snelheid op traject 2 relevanter voor de vraag met welke snelheid verdachte heeft gereden direct voorafgaande aan het moment van het ongeval. Immers, in dit rapport wordt de snelheid berekend tot het moment van de botsing. Desondanks zoekt de rechtbank voor de vaststelling van de snelheid aansluiting bij het eerdere rapport van het NFI. Reden daarvoor is dat de betrouwbaarheid van de berekende snelheden in dit onderzoek 95% is. Bij het tweede onderzoek is de betrouwbaarheid van de berekende gemiddelde snelheden (iets) lager dan 90%.

De rechtbank gaat om die reden, evenals de verdediging, uit van de in het rapport van 15 juni 2017 berekende beste schatter van de gemiddelde snelheid van 88 km/h. Zij neemt deze snelheid ten voordele van verdachte ook als uitgangspunt voor het traject (2) direct voorafgaande aan de plaats van het ongeval. Dat de gereden gemiddelde snelheid in ieder geval niet lager is dan 88 km/h, vindt steun in de berekening van de gemiddelde snelheden op traject 2 in het rapport van het NFI van 16 oktober 2017, welke snelheden hoger liggen dan de berekende gemiddelde snelheden op de trajecten 1 en 2. Voorts sluit deze snelheid aan bij de verklaring van verdachte zelf ter terechtzitting van 29 juni 2017 dat hij met een snelheid van 80 tot 95 kilometer per uur de bocht heeft genomen. Daar merkt de rechtbank nog bij op dat uit het rapport van het NFI blijkt dat de gemiddelde snelheid van een auto over een bepaald traject alleen gelijk is aan de maximaal gereden snelheid als de auto over het hele traject met een constante snelheid heeft gereden. Als de auto niet met een constante snelheid heeft gereden – de snelheid van de auto zal zowel bij aanvang als aan het einde van het traject lager zijn geweest – is de gemiddelde snelheid altijd een onderschatting van de maximaal gereden snelheid op dat traject en een overschatting van de minimaal gereden snelheid.32 Met andere woorden, verdachte zal, om dit gemiddelde te kunnen halen, tussentijds beduidend harder moeten hebben gereden dan de snelheid van 88 km/h.

Ernstige overschrijding van de maximumsnelheid?

Wanneer sprake is van de strafverzwarende omstandigheid “ernstige overschrijding van de maximumsnelheid” van artikel 175, derde lid, van de WVW 1994 is in de wet noch elders gedefinieerd. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat voor een uitleg van dit begrip geen aansluiting kan worden gezocht bij de uitleg in de inmiddels vervallen Aanwijzing Verkeersongevallen. Met die aanwijzing werd immers slechts beoogd een kader te schetsen voor het openbaar ministerie en de politie voor de beoordeling en de behandeling van verkeersovertredingen en -misdrijven waarbij een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. (zie in dit kader ook het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 mei 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:2226). Bij welke snelheid sprake is van een ernstige overschrijding van de maximumsnelheid kan in zijn algemeenheid niet worden gesteld, maar dient naar het oordeel van de rechtbank te worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval.

De rechtbank gaat – zoals zij hiervoor heeft overwogen – ervan uit dat de verdachte met een snelheid van 88 km/h, en dus 38 km/h boven de toegestane snelheid, op de bocht is afgereden. Zij neemt voorts in aanmerking dat verdachte niet alleen 38 km/h te hard heeft gereden, maar ook dat hij op een traject van slechts 126,4 meter (traject 1) uit stilstand is opgetrokken tot een snelheid van gemiddeld 88 km/h en op deze korte afstand nog een inhaalmanoeuvre heeft verricht, wetende dat kort na dit rechte traject de weg een bocht maakt naar rechts. Verdachte heeft immers ter terechtzitting verklaard dat hij zeer goed bekend is met de situatie ter plaatse. Daarbij is voorts van belang dat het wegdek die nacht vochtig was en het donker was. Deze omstandigheden in aanmerking nemende, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van overschrijding van de maximumsnelheid in ernstige mate.

Mate van schuld

De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte roekeloos heeft gereden als bedoeld in artikel 175, tweede lid, van de WVW 1994, waarin deze vorm van schuld als strafverzwarende omstandigheid is aangeduid. De omstandigheden waarin het roekeloze karakter van het handelen van verdachte schuilt, zijn volgens de officier van justitie:

  • -

    verdachte bestuurde een auto met vier inzittenden;

  • -

    hij was door de inzittenden al verschillende keren gemaand om zijn rijgedrag aan te passen en minder gevaarlijk te rijden;

  • -

    het wegdek was nat;

  • -

    verdachte trok bij de wegblokkade op naar een snelheid waardoor hij voelbaar de controle over het voertuig verloor; op de beelden is te zien dat de auto over de weg zwabbert;

  • -

    verdachte is, ondanks het verlies van de controle over het voertuig, blijven optrekken naar een nog hogere snelheid dan waarbij hij al geen controle meer had;

  • -

    verdachte is over een doorgetrokken streep gereden en kwam daarbij op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer.

Van roekeloosheid als bedoeld in artikel 6 WVW 1994 in verbinding met artikel 175, tweede lid, WVW 1994 is sprake indien zodanige feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Bij de vraag of sprake is van 'schuld' aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij komt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Voor de schuldvorm 'roekeloosheid' geldt op zichzelf hetzelfde. Daarbij dient echter te worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als 'zwaarste vorm van het culpose delict' wordt aangemerkt die onder meer tot een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Daarbij verdient opmerking dat roekeloosheid als bedoeld in artikel 175 lid 2 WVW 1994 veelal niet samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder ‘roekeloos’ (in de betekenis van ‘onberaden’) wordt verstaan.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte roekeloos heeft gereden als bedoeld in artikel 175 lid 2 WVW 1994. Bij dat oordeel heeft zij allereerst in aanmerking genomen dat in het dossier geen steun kan worden gevonden voor de stelling van de officier van justitie dat op beelden is te zien dat de auto van verdachte over de weg ‘zwabbert’. Ook de stelling dat verdachte een doorgetrokken streep heeft overschreden mist – gelet op de aanwezige foto’s in het dossier – feitelijke grondslag. Anders dan de verbalisant in een proces-verbaal van bevindingen beschrijft, is geen sprake van een doorgetrokken streep op de Utrechtsestraatweg ter plekke, hoogstens van een middengeleider. De door de rechtbank wel bewezen te achten gedragingen die ook in de tenlastelegging zijn omschreven, leveren in samenhang bezien naar het oordeel van de rechtbank geen roekeloos rijgedrag op.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het roekeloos rijgedrag.

Het voorgaande laat onverlet dat verdachte op uitermate onverantwoorde wijze aan het verkeer heeft deelgenomen. Daarbij is in het bijzonder het volgende van belang:

  • -

    verdachte heeft gereden zonder geldig rijbewijs, ondanks dat hij meerdere malen strafrechtelijk is veroordeeld, ook tot vrijheidsbenemende straffen, voor delicten op grond waarvan ernstig kan worden getwijfeld aan de geschiktheid van verdachte om als bestuurder van een motorrijtuig op te treden;

  • -

    verdachte reed in een auto waarin hij niet eerder heeft gereden, met de verantwoordelijkheid voor vier passagiers;

  • -

    verdachte is herhaaldelijk door passagiers gemaand om snelheid te minderen en minder gevaarlijk te rijden;

  • -

    desondanks haalde verdachte de personenauto van [A] in, niet omdat daar, verkeerstechnisch gezien, een noodzaak toe bestond, maar als een vorm van spelen;

  • -

    verdachte voerde daarna de snelheid op met overschrijding van de maximum toegestane snelheid in ernstige mate, terwijl hij ter plaatse bekend was en wist dat hij een bocht naderde.

Deze omstandigheden maken dat het rijgedrag van verdachte ten tijde van het ongeval zeer onvoorzichtig is geweest. Dit onderdeel zal dus bewezen worden verklaard.

4.2

Ten aanzien van feit 2

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het onder 2 ten laste gelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 november 2017;

  • -

    besluit van 19 september 2014 (nr. 2014016518) tot ongeldigverklaring van het rijbewijs en het opleggen van een alcoholslotprogramma.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

omstreeks 4 februari 2017, te Nieuwegein en te Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto merk Volkswagen, type Passat, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg (namelijk op – een deel van – de route tussen de Cartesiusweg te Utrecht en de plaats van het ongeval aan de Utrechtsestraatweg te Nieuwegein), zich zodanig zeer onvoorzichtig heeft gedragen dat (uiteindelijk) op de Utrechtsestraatweg te Nieuwegein een aan zijn, verdachtes, schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , werd gedood,

bestaande dat zeer onvoorzichtig gedrag hieruit dat hij, verdachte, als bestuurder van voornoemd motorrijtuig

- terwijl het wegdek (in ieder geval op de plaats van het ongeval) nat was

en

- terwijl hij, verdachte, vier inzittenden, vervoerde

en

- terwijl deze inzittenden, althans een aantal van hen, hem, verdachte meermalen maanden om zijn, verdachtes, snelheid te minderen

en

- terwijl verdachtes, rijbewijs ongeldig was verklaard

- over een gedeelte van de route voor de plaats van de aanrijding, te weten tussen de Cartesiusweg te Utrecht en de plaats van het ongeval aan de Utrechtsestraatweg te Nieuwegein, (herhaaldelijk) heeft gereden met een snelheid die (aanzienlijk) hoger was dan de aldaar ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur

en

- tijdens voornoemde route tussen de Cartesiusweg te Utrecht en de plaats van het ongeval aan de Utrechtsestraatweg te Nieuwegein meermalen heeft ingehaald en (meermalen) (zeer) dicht op zijn voorganger is gaan rijden

en

- vervolgens met hoge en sterk oplopende snelheid over de Utrechtsestraatweg komende uit de richting van de Taludweg en gaande in de richting van de Symfonielaan is gereden en vervolgens verder is/heeft versneld en vervolgens in de bocht de controle over het voertuig is verloren en vervolgens niet tijdig heeft geremd

- waardoor vervolgens de door verdachte bestuurde auto in aanraking kwam met meerdere, langs de linkerzijde van voornoemde Utrechtsestraatweg (in de bocht) geparkeerde auto’s

en

- waardoor vervolgens passagier [slachtoffer] uit de auto is geraakt en waardoor passagier [slachtoffer] werd gedood;

terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 50 km/u in ernstige mate heeft overschreden, te weten door op het traject voor de plaats van het ongeval gemiddeld een snelheid in kilometers per uur te rijden van minimaal 84, zijnde 34 kilometer per uur te hard.

2.

omstreeks 4 februari 2017, te Nieuwegein en Utrecht, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Utrechtsestraatweg, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

feit 2: overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

  • -

    een gevangenisstraf van 5 jaren, met aftrek van het voorarrest;

  • -

    een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren.

Bij deze eis is de officier van justitie ervan uitgegaan dat verdachte zal worden veroordeeld voor roekeloos rijgedrag, ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden.

De officier van justitie heeft verzocht om, voor het geval de rechtbank wel komt tot een deels voorwaardelijke straf, naast de door de reclassering geadviseerde voorwaarden hetzelfde contact- en gebiedsgebod voor de familie van het slachtoffer en hun woonadres op te leggen, zoals reeds eerder in het kader van een eerdere schorsing is bepaald.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat – gelet op het feit dat roekeloos rijgedrag niet kan worden bewezen en ook geen sprake is van een in ernstige mate overschrijding van de maximumsnelheid – een strafmaximum van drie jaren als uitgangspunt moet worden genomen.

Voorts heeft de verdediging verzocht om, wat betreft de strafmaat, aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS en de strafoplegging in soortgelijke zaken, waarbij is verwezen naar jurisprudentie. Nu er volgens de verdediging geen sprake is van strafverzwarende omstandigheden als genoemd in artikel 175, derde lid, WVW is de maximaal op te leggen straf acht maanden onvoorwaardelijk. Nu verdachte reeds zes en een halve maand in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht verzoekt de verdediging om aan verdachte een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest, met eventueel daarnaast een voorwaardelijk deel en de bijzondere voorwaarden, zoals genoemd in het reclasseringsrapport.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De rechtbank is anders dan de officier van justitie niet tot een bewezenverklaring van de schuldvorm 'roekeloosheid' gekomen. Anders dan de verdediging heeft bepleit, acht de rechtbank wel bewezen dat verdachte dit feit heeft gepleegd onder de strafverzwarende omstandigheid dat hij in ernstige mate de toegestane maximumsnelheid heeft overschreden als bedoeld in artikel 175, derde lid, van de WVW 1994. Dit betekent dat de rechtbank wat het op te leggen strafmaximum betreft een ander vertrekpunt heeft dan zowel door de officier van justitie als de verdediging is benoemd.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS gaan voor het veroorzaken van een ongeluk, ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden, uit van een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaren.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde, in het bijzonder dat als gevolg van een aan verdachte te wijten ongeval [slachtoffer] is overleden, niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden.

Verdachte heeft zich in de nacht van 3 op 4 februari 2017 als bestuurder van een personenauto, zeer onvoorzichtig gedragen en een bijzonder ernstig verkeersongeval veroorzaakt met afschuwelijke gevolgen. Door zijn handelen is verdachte tegen meerdere auto’s gebotst, waardoor [slachtoffer] uit de auto is geraakt en bekneld is geraakt tussen twee voertuigen, waardoor hij is overleden.

Blijkens de ter terechtzitting voorgedragen verklaringen van de nabestaanden heeft dit een onomkeerbaar verlies teweeg gebracht dat diep heeft ingegrepen in hun leven alsook dat van andere nabestaanden van [slachtoffer] . Er is aan hen onherstelbaar leed en verdriet berokkend. Wat uit deze verklaringen met name naar voren komt en wat de rechtbank verdachte ook zwaar aanrekent, is dat hij de plaats van het ongeval heeft verlaten. Alhoewel niet kan worden uitgesloten dat verdachte zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, op het moment dat hij een persoon onder één van de geparkeerde auto’s zag liggen niet heeft gezien dat dit zijn vriend [slachtoffer] betrof, staat wel vast dat verdachte ervoor heeft gekozen om iemand die kennelijk gewond is als gevolg van een verkeersongeval dat híj heeft veroorzaakt geen hulp te verlenen of hulp in te roepen. Niet alleen heeft verdachte er voor gekozen om de plaats van het ongeval vervolgens te verlaten, maar heeft hij zijn rol als bestuurder van de auto ook nog eens willen verhullen. Verdachte heeft immers de drie meisjes die op de achterbank in de auto zaten onder druk gezet om te verklaren dat niet hij, maar de bijrijder de auto bestuurde. Ook als verdachte (in ieder geval) een dag later te horen krijgt dat het zijn vriend [slachtoffer] is die als gevolg van het ongeval is overleden, maakt hij zich op dat moment niet alsnog kenbaar als bestuurder van de auto bij de politie, maar kiest hij ervoor om af te reizen naar Marokko. Verdachte is daar circa een maand verbleven zonder zijn verblijfplaats kenbaar te maken en heeft zich niet onmiddellijk bij de politie gemeld toen hij weer in Nederland was teruggekeerd. Dit alles zijn voor de rechtbank onbegrijpelijke keuzes en getuigt – ondanks de geuite excuses van verdachte op de terechtzitting – van weinig verantwoordelijkheidsbesef.

Daarnaast neemt de rechtbank in haar overweging mee dat verdachte wist dat hij reed zonder te beschikken over een geldig rijbewijs en hij, zoals blijkt uit zijn strafblad, al achtmaal voor het rijden zonder rijbewijs, driemaal voor het rijden met een ongeldig rijbewijs en meerdere malen voor het rijden onder invloed van alcohol strafrechtelijk is veroordeeld tot (onder meer) onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straffen. Het rijbewijs van verdachte is al sinds 2014 ongeldig verklaard, maar verdachte blijft doorrijden. En ook in de avond en nacht van 3 op 4 februari kiest verdachte ervoor om niet in één auto te rijden, maar om vervolgens over te stappen in een auto waarin hij niet eerder heeft gereden terwijl hij bovendien de zorg draagt voor vier inzittenden. De rechtbank kan – gelet op dit strafblad van verdachte – niet anders dan concluderen dat waarschuwingen in de vorm van eerder door de strafrechter opgelegde (on)voorwaardelijke vrijheidsbenemende straffen kennelijk geen indruk op hem hebben gemaakt en niet hebben kunnen voorkomen dat verdachte die avond en nacht is gaan rijden. De rechtbank zal met deze omstandigheid in forse strafverzwarende zin rekening houden bij de op te leggen straf alsook de duur van de ontzegging van de rijbevoegdheid.

De rechtbank merkt overigens nog op dat uit het dossier niet is gebleken van aanwijzingen voor rijden onder invloed van alcohol of drugs. Door de officier van justitie is niet aangegeven uit welke bewijsmiddelen dit zou blijken. De enkele omstandigheid dat het vaststellen van middelengebruik door verdachte feitelijk onmogelijk was omdat hij de plaats van het ongeval had verlaten, zoals door de officier van justitie is betoogd, is daarvoor onvoldoende.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een reclasseringsadvies van 20 juli 2017, uitgebracht door Tactus Reclassering Flevoland, mevrouw R. Mohr.

De reclassering schat het recidiverisico op gemiddeld. Het uitgebreide justitiële verleden zou wijzen op een hoger recidiverisico, maar verdachte lijkt wakker geschud te zijn door de dodelijke afloop van het verkeersongeval dat hij heeft veroorzaakt en het verlies van één van zijn beste vrienden. De belangrijkste criminogene factor is het justitiële verleden (en dan voornamelijk het delictpatroon van verkeersdelicten). De belangrijkste beschermende factoren zijn het emotionele welzijn van verdachte en zijn beginnende probleeminzicht en schuldbesef. Om recidive te voorkomen is het nodig dat verdachte hulp krijgt op verschillende leefgebieden, zoals emotioneel welzijn, herstel (persoonlijk, sociaal en maatschappelijk) en financieel.

De reclassering adviseert een gedeeltelijk onvoorwaardelijk en een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Voor het voorwaardelijke deel worden de volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd, kort gezegd: behandelverplichting, reclasseringstoezicht en een meldplicht. De behandeling zal zich enerzijds moeten richten op het verwerken van de traumatische gebeurtenis en anderzijds op het vergroten van probleeminzicht en het realiseren van gedragsverandering. Het doel van de meldplicht is toezicht houden op de voortgang van de behandeling, het in kaart brengen van de financiële situatie van verdachte en het eventueel treffen van betalingsregelingen. Ten slotte ziet de toezichthouder toe op de voortgang van het traject van Perspectief Herstelbemiddeling.

De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf er tevens rekening mee dat aan verdachte na het plegen van het bewezenverklaarde op 11 april 2017 een geldboete is opgelegd voor het – kort gezegd – opgeven van een valse naam. De rechtbank heeft de voorschriften toegepast die gelden voor de situatie waarin verdachte een straf en/of maatregel zou zijn opgelegd voor alle feiten tegelijk.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden wijkt de rechtbank bij de straftoemeting af van de eis van de officier van justitie.

De rechtbank komt, alles afwegende, tot een gevangenisstraf van 20 maanden (met aftrek van voorarrest), waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast zal de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen van in totaal vijf jaren.

9 BENADEELDE PARTIJEN

Mevrouw [benadeelde 1] (moeder van het slachtoffer) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 20.000,00. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 ten laste gelegde feit.

De heer [benadeelde 2] (vader van het slachtoffer) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 20.000,00. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 ten laste gelegde feit.

De heer [benadeelde 3] (broer van het slachtoffer) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 10.000,00. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 ten laste gelegde feit.

Mevrouw [benadeelde 4] (tante van het slachtoffer) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 10.000,00. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 ten laste gelegde feit.

De heer [benadeelde 5] (oom van het slachtoffer) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 10.000,00. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 ten laste gelegde feit.

Alle benadeelde partijen zijn vertegenwoordigd en bijgestaan door mr. M. Veldman, advocaat te Utrecht. Mr. Veldman heeft ter terechtzitting desgevraagd meegedeeld dat alle gevorderde bedragen zien op vergoeding van zogenoemde ‘shockschade’ en heeft daarbij verwezen naar de bij de vordering gevoegde onderbouwing hiervan en de ter terechtzitting genoemde jurisprudentie.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde bedragen telkens gedeeltelijk kunnen worden toegewezen en voor het restant telkens niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vorderingen niet voldoen aan de eisen die aan onderbouwing van shockschade worden gesteld.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de behandeling van de ingediende vorderingen geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Zogenoemde ‘shockschade’ komt onder omstandigheden voor vergoeding in aanmerking. Volgens vaste jurisprudentie moet daarvoor sprake zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld voortvloeiend uit een hevige emotionele schok door het waarnemen van het misdrijf of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, hetgeen zich met name voor zal doen indien sprake is van een nauwe (affectieve) band met degene die door het ongeval is gedood.

In het onderhavige geval is hiervan niet gebleken. De vorderingen zullen om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.

10 VORDERING TENUITVOERLEGGING

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen. De reden daarvoor is dat niet is gebleken dat verdachte zich binnen de proeftijd van de veroordeling onder parketnummer 16/082947-13 heeft schuldig gemaakt aan de onderhavige feiten.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    6, 9, 175 van de WVW 1994

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder feit 1 en feit 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder feit 1 en feit 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 (twintig) maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden vast dat de verdachte:

 zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

 ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

 zich laat behandelen bij De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

 zich dient te laten opnemen voor een korte klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken, indien de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die opname door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

 zijn medewerking verleent aan diagnostiek en aan een klinische behandeling in een nader door het DIZ te bepalen kliniek, als uit de diagnostiek en beoordeling hiervan door het NIFP blijkt dat dit geïndiceerd is. Deze behandeling wordt ingezet voor de maximale duur van één jaar, of zoveel korter als door de directeur-geneesheer van de kliniek dan wel reclassering noodzakelijk wordt geacht;

 zich binnen 72 uur na zijn vrijlating moet melden bij de reclasseringsinstantie in zijn woonplaats, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- ontzegt verdachte ter zake van het onder feit 1 en 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) jaren;

- bepaalt dat de duur van de ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest;

Benadeelde partij

- verklaart mevrouw [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- verklaart de heer [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- verklaart de heer [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- verklaart mevrouw [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- verklaart de heer [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- compenseert de proceskosten van de benadeelde partijen en verdachte, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/082947-13

- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mrs. K.J. Veenstra en J.A. Spee, rechters, in tegenwoordigheid van I.W.H.M. Verheijen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 november 2017.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 4 februari 2017, te Nieuwegein en/of te Utrecht, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto merk Volkswagen, type Passat, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg (namelijk op/over – een deel van – de route tussen de Cartesiusweg te Utrecht en de plaats van het ongeval aan de Utrechtsestraatweg te Nieuwegein), zich zodanig roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen dat (uiteindelijk) op de Utrechtsestraatweg te Nieuwegein een aan zijn, verdachtes, schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , werd gedood,

bestaande dat roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend gedrag hieruit dat hij, verdachte, als bestuurder van voornoemd motorrijtuig

- terwijl het wegdek (in ieder geval op de plaats van het ongeval) nat was

en/of

- terwijl hij, verdachte, vier, althans meerdere inzittenden, vervoerde

en/of

- terwijl/nadat deze inzittenden, althans een aantal van hen, hem, verdachte meermalen, althans eenmaal maanden om zijn, verdachtes, snelheid te minderen

en/of minder gevaarlijk te rijden

en/of

- terwijl hij, verdachte, niet in het bezit was van een rijbewijs en/of terwijl zijn, verdachtes, rijbewijs ongeldig was verklaard

- over (een gedeelte van) de route voor de plaats van de aanrijding, te weten tussen de Cartesiusweg te Utrecht en de plaats van het ongeval aan de Utrechtsestraatweg te Nieuwegein, (herhaaldelijk) heeft gereden met een snelheid die (aanzienlijk) hoger was dan de aldaar ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, althans met een aanmerkelijk hogere snelheid dan gezien de verkeersveiligheid en/of verkeerssituatie ter plaatse toegestaan en/of verantwoord was

en/of

- tijdens voornoemde route tussen de Cartesiusweg te Utrecht en de plaats van het ongeval aan de Utrechtsestraatweg te Nieuwegein meermalen, althans eenmaal (op (zeer) gevaarlijke wijze) heeft ingehaald en/of (meermalen, althans eenmaal) (zeer) dicht op zijn voorganger is gaan rijden en/of

- ( vervolgens) met hoge en/of (sterk) oplopende snelheid over de ((steil) omlaag aflopende) Utrechtsestraatweg komende uit de richting van de Taludweg en gaande in de richting van de Symfonielaan is gereden en/of (vervolgens) (met overschrijding van een ononderbroken middenstreep) op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen en/of (vervolgens) verder is/heeft versneld en/of (vervolgens) (in de bocht) (verder) de controle over het voertuig is verloren en/of (vervolgens) niet tijdig heeft geremd

- ( waardoor) (vervolgens) de door verdachte bestuurde auto in aanraking kwam met drie, althans meerdere, althans één, langs de linkerzijde van voornoemde Utrechtsestraatweg (in de bocht) geparkeerde auto’s

en/of

- ( waardoor/waarbij) (vervolgens) passagier [slachtoffer] uit de auto werd geslingerd/is geraakt en/of (waardoor) passagier [slachtoffer] werd gedood;

terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 50 km/u in ernstige mate heeft overschreden, te weten door op het traject van de laatste 211 meter voor de botsplaats/plaats van het ongeval gemiddeld een snelheid in kilometers per uur te rijden van minimaal 91 en/of beste schatter 96 en/of maximaal 102, zijnde respectievelijk 41 en/of 46 en/of 52 kilometer te hard, en/of door op het traject van de laatste 85 meter voor de botsplaats/plaats van het ongeval gemiddeld een snelheid in kilometers per uur te rijden van minimaal 84 en/of beste schatter 112 en/of maximaal 146, zijnde respectievelijk 34 en/of 62 en/of 96 kilometer te hard.

art 6 Wegenverkeersweg 1994

art 175 lid 1, lid 2 en lid 3 Wegenverkeerswet 1994

2.

hij, op of omstreeks 4 februari 2017, te Nieuwegein en/of Utrecht, althans in Nederland, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Utrechtsestraatweg, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeersweg 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 9 lid 2 Wegenverkeersweg 1994

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 16 maart 2017, genummerd PL0900-2017036062, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 242, een eerste aanvulling, pagina 243 tot en met 298 en een tweede aanvulling, pagina 299 tot en met 318. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Besluit van 19 september 2014 (nr. 2014016518) tot ongeldigverklaring van het rijbewijs en het opleggen van een alcoholslotprogramma.

3 de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 6 november 2017.

4 de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 6 november 2017.

5 de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 6 november 2017.

6 de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 6 november 2017.

7 een proces-verbaal van verhoor verdachte [B] , d.d. 4 februari 2017, pagina 258 en een proces-verbaal van verhoor getuige [C] , d.d. 1 april 2017, pagina 313.

8 een proces-verbaal van verhoor verdachte [B] , d.d. 4 februari 2017, pagina 258 en een proces-verbaal van verhoor getuige [C] , d.d. 1 april 2017, pagina 312.

9 een proces-verbaal van verhoor getuige [C] , d.d. 1 april 2017, pagina 312.

10 een proces-verbaal van verhoor verdachte [B] d.d. 4 februari 2017, pagina 258.

11 een proces-verbaal van verhoor getuige [C] , d.d. 1 april 2017, pagina 312.

12 de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 6 november 2017.

13 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek 09Blauw, camerabeelden wegblokkering/bus sluis thv Remiseweg, pagina 278.

14 de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 6 november 2017.

15 proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, nummer 2017036062-VOA, pagina 8 van 76.

16 proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, nummer 2017036062-VOA, pagina 9 van 76.

17 proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, nummer 2017036062-VOA, pagina

18 proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, nummer 2017036062-VOA, pagina 10 van 76.

19 proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, nummer 2017036062-VOA, pagina 24 van 76.

20 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, nummer 2017063062-VOA, pagina 71 van 76.

21 proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, nummer 2017036062-VOA, pagina 11 van 76.

22 proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, nummer 2017036062-VOA, pagina 11 van 76.

23 proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, nummer 2017036062-VOA, pagina 11 van 76.

24 proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, nummer 2017036062-VOA, pagina 69 van 76.

25 proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, nummer 2017036062-VOA, pagina 69 van 76.

26 proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, nummer 2017036062-VOA, pagina 70 van 76.

27 proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, nummer 2017036062-VOA, pagina 22 van 76.

28 proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, nummer 2017036062-VOA, pagina 70 van 76.

29 een rapport Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, NFI, d.d. 11 april 2017, pagina 7 van 16 van dit rapport.

30 een rapport van het NFI, snelheidsonderzoek, van 15 juni 2017, pagina 3.

31 een rapport van het NFI, snelheidsonderzoek, van 15 juni 2017, pagina 18.

32 een rapport van het NFI, snelheidsonderzoek, van 15 juni 2017, pagina 18