Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5762

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-11-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
16/652730-17 en 16/662060-14
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling in verband met poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak. Jeugddetentie van 180 dagen, waarvan 105 dagen voorw. Proeftijd 2 jaren; bijz. vorwaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/652730-17 en 16/662060-14 tul (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 november 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1998] te [geboorteplaats] ,

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J. Beumer-Gonggrijp en van hetgeen verdachte en mr. N.A. de Kock, advocaat te Utrecht, alsmede de benadeelde partij [slachtoffer] naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 8 juni 2017 te Amersfoort zich schuldig heeft gemaakt aan een woninginbraak waarbij hij goederen heeft weggenomen, dan wel daartoe een poging heeft gedaan.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde.

Daarbij heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte geen lichtkleurige pet droeg, dat hij niet met een schroevendraaier is aangetroffen, dat er geen schoensporen van hem zijn aangetroffen en dat er om 00:55 uur een melding kwam en dat hij om 01:02 uur is aangetroffen. Mogelijk is, aldus de raadsvrouw, een andere persoon in het steegje aanwezig geweest en heeft een andere persoon dan verdachte de inbraak gepleegd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij op 8 juni 2017 omstreeks 00:30 uur in haar slaapkamer van de woning aan de [adres] te [woonplaats] was. Op enig moment hoorde zij geluid van grind dat bewoog alsof er iemand overheen liep. Zij is naar haar slaapkamerraam gelopen en zag op het dak van de carport van de woning [adres] een man staan. Zij zag dat hij gebukt stond bij een raam op de eerste verdieping. Op de carport ligt grind. Getuige [getuige 1] is vervolgens naar haar vader gelopen die toen meteen 112 heeft gebeld. Getuige [getuige 1] is teruggelopen naar haar slaapkamerraam. Zij hoorde een geluid alsof er met metaal op metaal werd geslagen. Zij zag dat de man door het raam klom en dat er een lamp aanging in de ruimte waarin de man binnenkwam. Vervolgens zag zij dat er uit drie ramen op de eerste verdieping licht kwam.2 Na 3 tot 5 minuten werd de verlichting in de ruimte waarin de man als eerste terecht was gekomen uitgedaan. Getuige [getuige 1] zag dat de man uit hetzelfde raam klom als waar hij naar binnen was gegaan. Zij zag dat de man op de carport stond en zag dat hij links en rechts de straat in keek. Op dat moment hoorde getuige [getuige 1] het geluid van de eerste politieauto. Zij zag dat de man een stukje in elkaar dook en vervolgens van het dak van de carport afsprong in het steegje tussen de woning van getuige en de woning aan de [adres] . Zij zag dat de man een paar meter door het steegje liep in de richting van de [straatnaam] . Zij zag dat de man zich ter hoogte van een achtertuin probeerde te verstoppen door met zijn rug strak tegen de schutting te gaan staan. Getuige [getuige 1] zag vervolgens dat er een politieauto ter hoogte van de steeg stopte, zag dat de politieagenten uit de auto stapten en het steegje ingingen. Op hetzelfde moment zag getuige [getuige 1] dat de man die zich probeerde te verstoppen hard begon te rennen in de richting van de [straatnaam] . Zij hoorde de politieagenten schreeuwen dat de man moest stoppen. Zij hoorde vervolgens dat de man was aangehouden verderop in de steeg.3

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij zag dat een persoon van het dak van de carport naar beneden sprong en dat zij verder geen andere personen in of rondom de woning van de buren op [adres] zag. Vervolgens zag zij dat de persoon de steeg in liep die uitkomt op de [straatnaam] . Een aantal seconden later zag getuige [getuige 2] de politie aan komen rijden op de [straatnaam] en kort daarop hoorde zij “Politie staan blijven”.4

Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij op 8 juni 2017 een steeg inliep die uitkwam op de achtertuin van de [straatnaam] , dat hij een schim zag die zijn kant op kwam lopen, dat het een persoon betrof die in zijn linkerhand een op een staaf gelijkend voorwerp had, dat hij tegen die persoon riep: “Stop of ik schiet. Op je knieën.” Verbalisant [verbalisant 1] zag dat de persoon op zijn knieën ging.5 Deze persoon is aangehouden en bleek te zijn: [verdachte] , geboren op [1998] te [geboorteplaats] , verdachte.

Verdachte droeg bij zijn aanhouding handschoenen. Vervolgens heeft verbalisant [verbalisant 1] gezocht naar het op een staaf gelijkend voorwerp op de plek waar verdachte op zijn knieën zat. In de bossage bij die plek zag verbalisant [verbalisant 1] een grote schroevendraaier liggen die hij heeft veiliggesteld.

Aan de schroevendraaier is SIN [sin nummer] toegekend.6

Op 10 juni 2017 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van inbraak in haar woning aan de [adres] te [woonplaats] op 8 juni 2017.7

Zij heeft verklaard dat de dader(s) vermoedelijk via het dak van de carport bij haar slaapkamerraam zijn gekomen. Zij zag dat de scharnieren van dat raam stuk waren en dat het raam, een kiepraam, plat lag. Aangeefster zag dat aan haar bed was gezeten, dat de lade van haar nachtkastje op haar bed was gelegd, dat in de badkamer alle lades en kasten open stonden, dat de schoenenkast in de gang openstond, dat schoenen uit schoenendozen waren gehaald, dat in de kledingkamer deuren van de inbouwkast open stonden, dat goederen en kleren uit de kast waren gehaald, dat van een kleine ladenkast alle lades openstonden en de onderste lade stuk was getrokken, en dat ringen uit doosjes waren gehaald en op de ladenkast waren gelegd.8 Er waren geen goederen weggenomen.9

Verbalisant [verbalisant 2] zag in de slaapkamer een naar binnen kantelend raam. De rechter metalen strip van het raam was afgebroken. Aan de buitenzijde van het kantelraam waren aan de linker- en de rechter-onderzijde wriksporen veroorzaakt door een breekvoorwerp zichtbaar. Als gevolg van het wrikken was het houtwerk beschadigd.10 De aangetroffen werktuigsporen zijn afgevormd onder SIN [sin nummer] en SIN [sin nummer] .11

Aan de hand van het vergelijkend werktuigsporenonderzoek is geconcludeerd dat de afgevormde indruksporen met SIN [sin nummer] mogelijk zijn veroorzaakt door de schroevendraaier met SIN [sin nummer] . De afgevormde indruksporen met SIN [sin nummer] zijn waarschijnlijk veroorzaakt door de schroevendraaier met SIN [sin nummer] .

Bewijsoverwegingen

Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde.

Het door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario, waarbij er een andere persoon in de steeg en in de woning is geweest, wordt naar het oordeel van de rechtbank weerlegd door deze bewijsmiddelen, nog afgezien van het feit dat de rechtbank het onaannemelijk acht dat verdachte die nacht, zoals hij ter zitting heeft verklaard, aan het hardlopen was in een zwarte jas die (blijkens de van verdachte op het bureau gemaakte foto) tot op de heupen reikt en met handschoenen aan.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

hij op of omstreeks 08 juni 2017 te Amersfoort ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening weg te nemen doosjes met inhoud en/of parfum en/of sieraden, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of

die/dat weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door

middel van braak en/of verbreking en/of inklimming,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd ten aanzien van verdachte het jeugdstrafrecht toe te passen en verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 106 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde ITB Plus voor de duur van zes maanden.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

Indien het ten laste gelegde wel bewezen wordt geacht, is verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen en een vrijheidsstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest. De verdediging heeft gevraagd af te zien van het daarnaast opleggen van een voorwaardelijke jeugddetentie, aangezien het ITB-traject al een voorwaardelijk deel kent.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft ingebroken in een woning, met de bedoeling om daar geld en/of goederen weg te nemen. De rechtbank tilt zwaar aan dit misdrijf.

Woninginbraken veroorzaken in het algemeen niet alleen materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Daarnaast veroorzaken woninginbraken een gevoel van het zich niet meer veilig voelen in de eigen woning, ook voor direct omwonenden die met een woninginbraak bij hun buren worden geconfronteerd.

Gelet hierop kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming meebrengt.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 14 september 2017;

- een plan van aanpak van 14 augustus 2017, uitgebracht door [naam instelling] .

Uit het uittreksel justitiële documentatie blijkt dat verdachte op 21 september 2015 voor een

soortgelijk delict is veroordeeld tot 120 uren werkstraf waarvan 60 uren

voorwaardelijk. In 2013 is verdachte door de kinderrechter wegens diefstal tweemaal veroordeeld tot werkstraffen. Op 29 maart 2017 is verdachte door de meervoudige strafkamer wegens onder meer diefstal met braak veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden.

Uit het plan van aanpak van [naam instelling] blijkt dat er een ITB Plus-

traject is ingezet. Het plan van aanpak vormde de basis voor de schorsing van de voorlopige

hechtenis van verdachte met ingang van 21 augustus 2017. Ter terechtzitting heeft de

jeugdreclasseringswerker [A] verslag gedaan van de voortgang van dit traject in de

periode van 21 augustus 2017 tot het moment van de zitting.

Uit dit verslag blijkt dat verdachte alle afspraken is nagekomen, een opleiding in de

autobranche heeft gevonden, zich serieus opstelt op school, open is naar zijn

reclasseringswerker en het boven verwachting goed doet.

Geadviseerd is om verdachte gedurende de proeftijd van 2 jaren als bijzondere voorwaarde

een ITB Plus op te leggen voor de duur van zes maanden. in het kader van de maatregel

Toezicht en Begeleiding

De verdachte was ten tijde van het bewezenverklaarde feit 18 jaar oud.

De rechtbank ziet aanleiding om recht te doen overeenkomstig de bijzondere bepalingen voor jeugdige personen (overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77hh van het Wetboek van Strafrecht). Daarbij is gelet op de persoon van de verdachte.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een straf zoals die is gevorderd door de officier van justitie passend en geboden is, met dien verstande dat verdachte 75 dagen in voorarrest heeft gezeten zodat de aftrek ziet op 75 dagen.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 3.350,00. Dit bedrag bestaat uit € 2.850,00 materiële schade en € 500,00 immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 1.125,00. Voor het overige deel van de vordering heeft de officier van justitie niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij gevorderd.

Naar de mening van de officier van justitie is de materiële schade onvoldoende onderbouwd voor zover de schadebedragen zien op het Velux-raam, de laminaat vloer en het poefje. Voorts is niet onderbouwd waarom voor de make-up kast een bedrag van € 700,00 aan schade is opgevoerd, terwijl uit de onderbouwing blijkt dat die kast is gefactureerd voor

€ 625,00.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat zij zich grotendeels kan vinden in de vordering van de officier van justitie, met uitzondering van de voor de make-up kast genoemde toewijzing van € 625,00. De raadsvrouw heeft verzocht dat bedrag te matigen, omdat zij van mening is dat die kast met wat knutselwerk weer in elkaar gezet had kunnen worden.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De schade voor zover die betrekking heeft op de schadepost van de make-up kast komt in aanmerking voor toewijzing tot een bedrag van € 625,00. Ook de immateriële schade van

€ 500,00 komt voor toewijzing in aanmerking.

De rechtbank zal daarom de vordering toewijzen tot het bedrag van € 1.125,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente, ten aanzien van het bedrag van € 500,00 vanaf 8 juni 2017 en ten aanzien van het bedrag van € 625,00 vanaf 6 juli 2017 tot de dag van volledige betaling.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.125,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente, ten aanzien van het bedrag van € 500,00 vanaf 8 juni 2017 en ten aanzien van het bedrag van € 625,00 vanaf 6 juli 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald zal deze verplichting worden vervangen door 1 dag jeugddetentie, waarbij toepassing van de detentie de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Midden-Nederland van 21 september 2015 (parketnummer 16/662060-14) is aan verdachte een werkstraf van 60 uren voorwaardelijk opgelegd. Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Om die reden zal deze straf alsnog ten uitvoer worden gelegd.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77dd, 77gg en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 180 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 105 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte:

* zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die in het kader van Toezicht en Begeleiding, waarvan zes maanden ITB Plus, worden gegeven door [naam instelling] ;

- geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan de begeleiden.

Voorlopige hechtenis

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

Benadeelde partij

- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 1.125,00;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag van

€ 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2017 tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag van

€ 625,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2017 tot de dag van volledige betaling;

- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 1.125,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 500,00 vanaf 8 juni 2017 en over een bedrag van € 625,00 vanaf 6 juli 2017 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling te vervangen door 1 dag jeugddetentie;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/662060-14

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de meervoudige kamer in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 21 september 2015 opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 60 uren.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mrs. C.M.A.T. van der Geest en E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 november 2017.

Mr. drs. S.M. van Lieshout is buiten staat het vonnis mee te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 08 juni 2017 te Amersfoort, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een

woning (gelegen aan [adres] ) heeft weggenomen doosjes met inhoud

en/of parfum en/of sieraden, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen/geld onder zijn bereik

heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 08 juni 2017 te Amersfoort ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening weg te nemen doosjes met inhoud en/of parfum en/of sieraden, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of

die/dat weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door

middel van braak en/of verbreking en/of inklimming,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van genummerd 2017172054, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 91. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 8 juni 2017, pagina 67-68, in het bijzonder pagina 67.

3 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 8 juni 2017, pagina 67-68, in het bijzonder pagina 68.

4 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 16 juni 2017, pagina 71-72, in het bijzonder pagina 72.

5 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 juni 2017, pagina 24 en 25, in het bijzondere pagina 24.

6 Het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 8 juni 2017, pagina 79-82, in het bijzonder pagina 82.

7 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 12 juni 2017, pagina 59-62, in het bijzonder pagina 59.

8 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 12 juni 2017, pagina 59-62, in het bijzonder pagina 60.

9 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 12 juni 2017, pagina 59-62, in het bijzonder pagina 61.

10 Het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 8 juni 2017, pagina 79-82, in het bijzonder pagina 80.

11 Het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 8 juni 2017, pagina 79-82, in het bijzonder pagina 81.