Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5761

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
16/661353-15
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling in verband met mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel. Overschrijding van de redelijke termijn met ruim 7 maanden. Gevangenisstraf van 1 week voorwaardelijk, proeftijd van 1 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/661353-15 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 14 september 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1960] te [geboorteplaats] (Suriname),

wonende te [adres] , [woonplaats] (Suriname).

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 augustus 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. I.M.F. Graumans en van hetgeen verdachte en mr. E. Kok, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. in de periode 1 februari 2010 tot en met 16 juli 2011 te Utrecht zijn levensgezel [slachtoffer] heeft mishandeld;

2. in de periode 1 februari 2010 tot en met 16 juli 2011 te Utrecht zijn levensgezel [slachtoffer] heeft bedreigd.

3 VOORVRAGEN

3.1

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft ter zitting als preliminair verweer aangevoerd dat - samengevat - de redelijke termijn extreem is overschreven en dat het recht om effectief getuigen te ondervragen is aangetast.

De andere grond voor niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie is volgens de raadsman de verjaring. Daarbij is betoogd dat, gelet op artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), zonder meer niet-ontvankelijkheid dient te volgen ten aanzien van feit 2, gelet op het strafmaximum voor dit feit van 2 jaren.

Naar de mening van de raadsman geldt die niet-ontvankelijkheid ook voor feit 1, omdat er geen sprake is van een levensgezel, waardoor het strafmaximum bij feit 1 blijft steken op drie jaren en ook daar verjaring aan de orde is gelet op artikel 70 Sr.

De officier van justitie heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat zij de raadsman kan volgen in zijn redenering ten aanzien van de verjaring voor beide feiten.

De rechtbank overweegt het volgende.

Aan de verdachte is onder 1 het misdrijf mishandeling van een levensgezel ten laste gelegd, op welk feit ingevolge artikel 300 Sr en artikel 304 Sr een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren is gesteld. Voor het misdrijf mishandeling is ingevolge artikel 300 Sr een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren gesteld.

Onder feit 2 is het misdrijf bedreiging ten laste gelegd, op welk feit ingevolge artikel 285 Sr een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren is gesteld.

Ingevolge artikel 70 Sr vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in zes jaren voor de misdrijven waarop een gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld, en in twaalf jaren voor de misdrijven waarop een tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld.

De verjaringstermijn vangt ingevolge artikel 71 Sr aan - behoudens een aantal hier niet van toepassing zijnde uitzonderingen - op de dag na die waarop het strafbare feit is gepleegd. In het onderhavige geval is de verjaringstermijn aangevangen op 17 juli 2011.

De verjaring wordt gestuit door een daad van vervolging ingevolge artikel 72 Sr.

De eerste daad van vervolging is hier de dagvaarding van verdachte, die dateert van 2 augustus 2017.

Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het recht tot strafvervolging op grond van artikel 70 Sr is komen te vervallen voor het ten laste gelegde feit 2. Dit heeft tot gevolg dat de officier van justitie ten aanzien van feit 2 niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De rechtbank volgt de raadsman en de officier van justitie niet in hun visie dat ook ten aanzien van feit 1 het recht tot strafvervolging is komen te vervallen op grond van verjaring. De rechtbank is op grond van het strafdossier tot het oordeel gekomen dat [slachtoffer] in de hier in geding zijnde periode wel degelijk als de levensgezel van verdachte dient te worden beschouwd. In november 2009 is [slachtoffer] met haar 2 zoons vanuit Suriname naar Nederland gekomen en heeft toen samen met verdachte, met wie [slachtoffer] in Suriname een relatie had gekregen, een gezin gevormd en een huis betrokken in Utrecht. Verdachte zorgde voor het onderdak, de boodschappen en het eten. Dat er relatieproblemen zijn ontstaan tussen verdachte en [slachtoffer] betekent naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat de verbintenis tussen beiden als levensgezel was verbroken.

Om die reden is sprake van een verdenking betreffende mishandeling van een levensgezel, waarvoor een verjaringstermijn van twaalf jaren geldt.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van feit 1 sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. De raadsman meent dat sprake is van een oneerlijk proces omdat hij de getuigen thans niet meer effectief kan ondervragen, en dat om die reden de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard.

De rechtbank stelt ook vast dat de raadsman sedert de aanhouding van verdachte in februari 2015 verdachte bijstaat en dat de raadsman tussen februari 2015 en de zitting van 31 augustus 2017 niet om het horen van getuigen heeft verzocht. Het verweer van de raadsman treft derhalve geen doel.

3.2

De overige voorvragen

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit, is de dagvaarding geldig, is de rechtbank bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, en zijn er geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1. ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1. ten laste gelegde, omdat de verklaringen van het slachtoffer en van de getuigen van elkaar verschillen en er zo veel onduidelijk is dat de waarheid niet meer is vast te stellen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Op 15 november 2012 heeft [slachtoffer] aangifte2 gedaan van, onder meer, mishandeling door haar ex-partner, [verdachte] , hierna: verdachte.3 De mishandeling vond plaats tussen februari/maart 2010 en de zomer van 2011.4

Daarbij heeft aangeefster onder meer verklaard dat verdachte haar keel dicht kneep, waardoor zij geen lucht meer kreeg.5

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij een keer heeft gezien dat verdachte zijn moeder, aangeefster, bij haar keel vastpakte.6

Bewijsoverwegingen

De rechtbank acht op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel, waarbij hij zijn levensgezel bij de keel heeft vastgepakt waardoor zij pijn heeft ondervonden.

Voor de overige in de tenlastelegging beschreven handelingen acht de rechtbank onvoldoende wettig bewijs in het strafdossier voorhanden, zodat de rechtbank verdachte daarvan zal vrijspreken.

Het door de raadsman gevoerde verweer wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

hij op één of meerdere tijdstippen in of of omstreeks de periode van 1

februari 2010 tot en met 16 juli 2011 te Utrecht (telkens) opzettelijk zijn

levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer] , heeft mishandeld,

immers heeft/is hij, verdachte,

- die [slachtoffer] (met kracht) (met een kapmes/zwaard) geslagen/gestompt en/of

- die [slachtoffer] bij de keel vastgepakt en/of

- bovenop (de benen van) die [slachtoffer] (die op bed lag) gaan zitten en/of

(daarbij) (met kracht) haar arm(en) vastgepakt en/of vastgehouden en/of haar

bij de keel vastgepakt,

waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte feit 1 te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van twee maanden, met aftrek van het voorarrest, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende aangevoerd. De verdediging persisteert bij de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie ten aanzien van feit 1. Voor zover de rechtbank de officier van justitie ontvankelijk acht, meent de verdediging dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring en het opleggen van een straf overgaat, heeft de verdediging een voorwaardelijke geldboete bepleit.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel, waarbij hij haar bij de keel heeft vastgepakt waardoor zij pijn heeft ondervonden. Verdachte heeft zodoende de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden.

Gelet hierop kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 31 juli 2017, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld;

- een reclasseringsadvies van 23 februari 2016, uitgebracht door het Leger des Heils, Jeugdbescherming & Reclassering.

Tot slot houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafvervolging op grond van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) tot een berechting moet komen. Verdachte is op 8 februari 2015 in verzekering gesteld. Daaraan heeft hij in dit geval in redelijkheid de verwachting kunnen ontlenen dat tegen hem door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. Gelet op de datum van dit vonnis wordt de redelijke termijn van 2 jaren met ruim 7 maanden overschreden.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week passend en geboden is en legt daarbij een proeftijd van één jaar op.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten

aanzien van het onder 2. ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1. ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (één) week;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 1 (één) jaar vast;

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. van Ommeren, voorzitter, mrs. G. Perrick en P.J.M. Mol, rechters, in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 september 2017.

Mr. P.J.M. Mol is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meerdere tijdstippen in of of omstreeks de periode van 1

februari 2010 tot en met 16 juli 2011 te Utrecht (telkens) opzettelijk zijn

levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer] , heeft mishandeld,

immers heeft/is hij, verdachte,

- die [slachtoffer] (met kracht) (met een kapmes/zwaard) geslagen/gestompt en/of

- die [slachtoffer] bij de keel vastgepakt en/of

- bovenop (de benen van) die [slachtoffer] (die op bed lag) gaan zitten en/of

(daarbij) (met kracht) haar arm(en) vastgepakt en/of vastgehouden en/of haar

bij de keel vastgepakt,

waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meerdere tijdstippen in of of omstreeks de periode van 1

februari 2010 tot en met 16 juli 2011 te Utrecht, (zijn levensgezel) [slachtoffer]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met

zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk dreigend

- die [slachtoffer] de woorden toegevoegd dat hij haar dood ging maken en/of

dat hij haar dood zou schieten, althans woorden van gelijke dreigende aard

of strekking en/of

- die [slachtoffer] (daarbij) een mes en/of een kapmes/zwaard getoond en/of

- die [slachtoffer] (een) kogel(s) getoond met daarop haar naam en/of de

naam/namen van haar zoon(s);

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal genummerd PL0900-2011202688, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 136. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 29 januari 2013, pagina 26-48, in het bijzonder pagina 26.

3 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 29 januari 2013, pagina 26-48, in het bijzonder pagina 28.

4 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 29 januari 2013, pagina 26-48, in het bijzonder pagina 36.

5 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 29 januari 2013, pagina 26-48, in het bijzonder pagina 42.

6 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 24 maart 2014, pagina 60-68, in het bijzonder pagina 63.