Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5756

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
16/659208-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt een 31-jarige man uit Polen tot een gevangenisstraf van 3 jaar en tbs met dwangverpleging. De man stak op 28 februari 2017 een vrouw dood voor het kantoor van de Rabobank in Utrecht.

De verdachte heeft een uitgebreid verleden met psychotische klachten. Hij was ten tijde van het steekincident gestopt met het innemen van zijn antipsychotische medicijnen. Op de betreffende dag liep hij rond het station van Utrecht Centraal. Hij had een pleister op zijn neus en een blauwe hoofdband om zijn oren. Dat deed hij om te voorkomen dat anderen zijn neus of oren zouden kunnen vervormen, zo verklaarde hij. Op de Croeselaan heeft hij met een mes in het voorbijgaan een 41-jarige vrouw neergestoken.

De deskundigen concluderen dat er bij de man sprake is van schizofrenie. De man was volgens de deskundigen op het moment van het steekincident in een zeer verwarde, psychotisch toestand. Die psychose heeft een allesoverheersende invloed gehad op zijn gedrag. Deskundigen adviseren om de verdachte vooral te behandelen voor zijn schizofrenie. Dit is een complexe en langdurige behandeling. De rechtbank acht de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar en legt daarom tbs met dwangverpleging op.

Het Openbaar Ministerie eiste een gevangenisstraf van 9 jaar. Het OM verwijt de verdachte dat hij zijn medicijnen niet had ingenomen. De rechtbank concludeert echter op basis van het rapport van de deskundigen dat het niet innemen van zijn medicijnen juist onderdeel van zijn ziekte is. De rechtbank houdt daar in sterke mate rekening mee bij het opleggen van de straf en wijkt daarom af van de eis van de officier van justitie.

Het Openbaar Ministerie heeft de rechtbank verzocht om na tweederde van de gevangenisstraf al te starten met de tbs, zodat de gevangenisstraf feitelijk 6 jaar zou duren. De rechtbank bepaalt dat de verdachte de volledige gevangenisstraf van 3 jaar moet uitzitten voordat er gestart wordt met de tbs-maatregel. Daarnaast moet de verdachte de nabestaanden een schadevergoeding van ruim 200.000 euro betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/659208-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 17 november 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1986] te [geboorteplaats] (Polen)

gedetineerd in JC Zaanstad te Westzaan.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9 juni 2017, 5 september 2017 en 3 november 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officieren van justitie mr. R.E. Craenen en mr. H. Leepel en van hetgeen verdachte en mr. J.J. Stobbe, advocaat te Utrecht, alsmede van hetgeen mr. S. de Lang, advocaat te Amersfoort namens [benadeelde 1] en mede namens zijn minderjarige dochters, als benadeelde partijen naar voren heeft gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 28 februari 2017 te Utrecht, al dan niet met voorbedachte raad, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door haar te steken met een mes.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte [slachtoffer] op 28 februari 2017 opzettelijk van het leven heeft beroofd door haar te steken met een mes in de buikstreek. Volgens de officier van justitie zijn er geen omstandigheden naar voren gekomen die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van een vooraf geplande daad. De aanwijzingen die er zijn, zoals het kopen van een mes op 15 februari 2017 in Zweden, zijn onvoldoende om te komen tot een daad die gepleegd zou zijn met voorbedachte raad. De officier van justitie concludeert daarom tot een bewezenverklaring van doodslag. De officier van justitie baseert zich daarbij op de melding die op 28 februari 2017 rond 8.30 uur bij de politie binnenkwam, waarbij een getuige een incident meldde en meedeelde dat hij zicht op de verdachte hield. Daarnaast baseert de officier van justitie zich op camerabeelden van het stationsgebied waarop het steekincident is te zien en op het onderzoek dat door de forensische opsporing is verricht. Vlak bij de plaats waar het slachtoffer ineenzakte, is een mes aangetroffen. Na onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) blijkt dat op het heft van het mes het DNA van verdachte is aangetroffen en op het lemmet van het mes het DNA van het slachtoffer. Ten slotte is door de patholoog van het NFI onderzoek gedaan, waarbij is geconcludeerd dat het overlijden van [slachtoffer] kan worden verklaard door verwikkelingen van steekletsel in de buik.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van moord kan komen. Er is volgens de verdediging geen sprake van voorbedachte raad, nu niet is gebleken dat verdachte tijd heeft gehad om de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad tot zich te laten doordringen en zich daarvan rekenschap te geven. Er is geen sprake van feiten die op zich, dan wel in samenhang met elkaar bezien, op een moment van bezinning voorafgaand aan de uitvoering van het tenlastegelegde wijzen. Verdachte had weliswaar een mes in zijn bezit, maar hij heeft hierover verklaard dat hij dit mes had omdat hij dacht dat zijn leven in gevaar was en hij dit mes wilde laten zien in de situatie dat iemand hem iets zou aandoen. Het enkele bezit van een mes wijst volgens de verdediging in dit geval niet in de richting van voorbedachte raad.

Ten aanzien van de tenlastegelegde doodslag stelt de verdediging dat verdachte niet de intentie heeft gehad iemand van het leven te beroven. De objectieve opzet is weliswaar in beginsel aanwezig omdat er met een mes in de buikstreek is gestoken. De verdediging beroept zich echter op de aanwezigheid van een geestelijke stoornis bij verdachte en het in lijn daarvan in zeer geringe mate aanwezig zijn van opzet. Onderdeel van het vaststellen van de aanwezigheid van opzet is volgens de verdediging het tenlastegelegde ‘met kracht gestoken’. Of hiervan sprake is, is in dit geval niet gemakkelijk vast te stellen omdat de exacte diepte van de steekwond bij de autopsie niet kon worden vastgesteld. Ten slotte brengt de verdediging naar voren dat opzet in subjectieve zin ontbreekt omdat geen sprake is van willens en wetens handelen en verdachte het slachtoffer juist niet wilde doden. De raadsman merkt het feit daarom aan als zware mishandeling de dood tot gevolg hebbend, wat niet ten laste is gelegd. Hij merkt op dat dit gevolgen moet hebben in de oplegging van de straf of maatregel.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Op 28 februari 2017 rond 8.35 uur is aan de centralist van het operationeel centrum een melding van een steekpartij op de Croeselaan te Utrecht doorgegeven.2

Van het steekincident zijn camerabeelden beschikbaar die zijn veiliggesteld en zijn uitgekeken en beschreven door verbalisant [verbalisant 1] .3 Op de beelden van 28 februari 2017, tijdstip 8.32.35 uur (camerapositie 1 Croeselaan/Mineurslaan ter hoogte van de Rabobank) ziet verbalisant het slachtoffer voor de oversteekplaats staat te wachten. Verbalisant ziet dat om 08.32.50 een persoon komt aanlopen bij de oversteekplaats die een blauwe band om zijn hoofd draagt.4 Op het tijdstip 08.32.52 ziet verbalisant op de beelden dat verdachte aan de overkant van de oversteekplaats staat te wachten. De verdachte staat een kleine 8 seconden te wachten tot de voetgangers gaan oversteken. De verdachte doet een stap naar voren en het slachtoffer moet een stap naar links doen om de verdachte te kunnen passeren. Op de beelden met tijdstip 8.33.00 uur ziet de verbalisant dat deze persoon een beweging met zijn hele lichaam maakt richting het slachtoffer.5 Vervolgens ziet zij op de beelden dat de persoon wegrent en het slachtoffer naar voren bukt en ineen zakt.6

Getuige [getuige 1] heeft onder meer verklaard dat zij omstreeks 08.30 uur van het Jaarbeursplein kwam en wilde oversteken richting de Rabobank. Zij moest stoppen voor rood licht en zag een vrouw die wel door groen licht kon oversteken net een stap op het trottoir aan de overkant zetten. Net voor de vrouw het trottoir wilde opstappen, zag de getuige een man heel hard tegen haar opbotsen.7 De man rende vervolgens langs de getuige heen. Hij had iets in zijn linkerhand. De eerste gedachte was gelijk al dat dit een mes was. De getuige zag dat de vrouw in elkaar zakte.8

Het slachtoffer blijkt te zijn [slachtoffer] .9 Zij is op 28 februari 2017 overleden.10

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de persoon met de blauwe band is die op de beelden is te zien. Hij heeft deze beelden tijdens een politieverhoor gezien en hij herkent zichzelf op die beelden.11

In de nabijheid van het slachtoffer is een mes aangetroffen.12 Het aangetroffen mes is voorzien van SIN: AAKF2281NL opgestuurd naar het Nederlands Forensisch Instituut dat onderzoek heeft verricht naar de op het mes aangetroffen (bloed)sporen. Deze (bloed)sporen zijn veiliggesteld als AAKF2281NL#01, AAKF2281NL#02 en AAKF2281NL#03. Van de bloedsporen op het lemmet (AAKF2281NL#01 en AAKF2281NL#02) is een DNA-profiel verkregen dat matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer, de matchkans is kleiner dan één op één miljard. Van een bemonstering van het heft van het mes (AAKF2281NL#03) is een DNA-profiel verkregen dat matcht met het DNA-profiel van verdachte, de matchkans is kleiner dan één op één miljard.13

Prof. dr. B. Kubat heeft het lichaam van het slachtoffer onderzocht en geconcludeerd dat het overlijden van [slachtoffer] wordt verklaard door verwikkelingen van een steekletsel in de buik.14

Bewijsoverwegingen

Op grond van de voorgaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte het slachtoffer heeft gestoken met een mes, dat het slachtoffer daardoor gewond is geraakt en dat zij aan deze verwondingen is overleden. Beoordeeld dient te worden of sprake is van moord dan wel doodslag.

Opzet

Daarvoor dient allereerst vastgesteld te worden of verdachte opzettelijk het slachtoffer van het leven heeft beroofd.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte een tegemoetkomend persoon hard botsend met een mes in de buikstreek heeft gestoken. Uit de aard en omstandigheden van de gedraging, te weten het van korte afstand steken met een mes in een zo kwetsbaar deel van het lichaam als de buikstreek, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer door het handelen van verdachte dodelijk letsel zou oplopen. De uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging van verdachte – namelijk het gericht steken van korte afstand – moet naar het oordeel van de rechtbank voorts worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust– behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bij het slachtoffer op de koop toe heeft genomen. Van aanwijzingen van het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. Weliswaar is bij verdachte een psychische stoornis vastgesteld, maar uit de verklaringen van verdachte en het handelen van verdachte na het steekincident blijkt niet dat het hem aan ieder inzicht in zijn handelen heeft ontbroken. Het verweer dat verdachte niet de (subjectieve) intentie had om te doden doet aan het voorgaande niet af en wordt daarom gepasseerd.

Voorbedachte raad

Voorts dient de rechtbank te beoordelen of verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Vooropgesteld wordt dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “met voorbedachten rade” moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het in dit geval niet mogelijk is vast te stellen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Uit geen enkele omstandigheid blijkt dat verdachte een persoon zou gaan verwonden door middel van het steken met een mes. Het slachtoffer lijkt volstrekt willekeurig gekozen en ook uit de camerabeelden valt niet af te leiden dat verdachte een vooropgezet plan had. Het is kortom niet duidelijk wanneer en op welke wijze verdachte zijn besluit tot het steken heeft genomen. Het enkele feit dat verdachte een mes bij zich heeft gedragen is onvoldoende om te komen tot de conclusie dat sprake is geweest van voorbedachte raad.

Gelet op de voorgaande overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag op [slachtoffer] .

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 28 februari 2017 te Utrecht opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een mes, die [slachtoffer] eenmaal (met kracht) in de buikstreek gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

doodslag.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Verdachte is in de periode van 14 juni 2017 tot en met 31 juli 2017 opgenomen geweest in de psychiatrische observatiekliniek het Pieter Baan Centrum (PBC). Hij is in die periode onderzocht door een multidisciplinair team dat bestond uit een arts-assistent in opleiding tot psychiater, de superviserende psychiater, een psycholoog, een forensisch milieuonderzoeker en een groepsleider.

C. Knoppers, arts-assistent in opleiding tot psychiater onder supervisie van J. Marx, psychiater en C.T.H.M. Salet, GZ-psycholoog, allen verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, hebben op 10 oktober 2017 een rapportage over hun bevindingen van het onderzoek naar de geestvermogens van verdachte uitgebracht.

De deskundigen sluiten zich aan bij eerdere diagnostiek ten aanzien van verdachte en stellen vast dat sprake is van schizofrenie. De aanwezigheid van een autismespectrumstoornis achten de deskundigen niet waarschijnlijk, maar kan ook niet worden uitgesloten. Een persoonlijkheidsstoornis kan vanwege het psychotische toestandsbeeld, dat past bij schizofrenie, niet worden vastgesteld, noch volledig worden uitgesloten. Op basis van het huidige onderzoek zijn de deskundigen van mening dat ten tijde van het ten laste gelegde bij verdachte naar alle waarschijnlijkheid sprake was van een psychotisch toestandsbeeld. Hij is in de periode voorafgaand aan het ten laste gelegde gestopt met zijn antipsychotische medicatie. Uit het beloop van de afgelopen jaren blijkt dat verdachte snel psychotisch kan ontregelen als hij zijn medicatie niet inneemt. Direct na het ten laste gelegde raakte verdachte gedetineerd en wordt er gesproken over verward gedrag kort voor en direct na het ten laste gelegde. Ook in het PPC Zaanstad waar verdachte wordt geplaatst, wordt gesproken van een psychotisch beeld.

De deskundigen komen tot de conclusie dat het handelen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde, grotendeels, zo niet geheel, in het teken stond van psychotische symptomen. De deskundigen achten het zeer waarschijnlijk dat het bij verdachte gestoorde realiteitsbesef, voortkomend uit de psychotische stoornis, ten tijde van het ten laste gelegde een grote (mogelijk zelfs onontkoombare en allesoverheersende) invloed heeft gehad op de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. Zij adviseren verdachte de ten laste gelegde feiten in een verminderde mate toe te rekenen, waarbij de keuzevrijheid in sterke mate werd ingeperkt.

De rechtbank neemt bovengenoemde conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de hare. Zij stelt vast dat bij verdachte tijdens het begaan van het bewezenverklaarde feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en beschouwt verdachte voor het bewezenverklaarde verminderd toerekeningsvatbaar.

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluit. Gelet op voornoemde rapportage van de deskundigen ziet de rechtbank geen aanleiding ervan uit te gaan dat de realiteitszin van de verdachte volledig was verstoord, noch dat ieder inzicht zijn handelen bij hem heeft ontbroken.

De slotsom is dat verdachte strafbaar is.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 9 jaar, met aftrek van het voorarrest en te gelasten dat verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege (TBS met dwangverpleging). Daarbij doet de officier van justitie het verzoek aan de rechtbank om toepassing te geven aan artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en te adviseren dat niet na gehele ommekomst van de gevangenisstraf maar na ommekomst van tweederde van de op te leggen gevangenisstraf met de TBS een aanvang wordt genomen. In de gevorderde straf weegt de officier van justitie mee dat het slachtoffer een jonge vrouw betreft, echtgenote en moeder van twee kinderen. De gebeurtenis heeft voor enorme beroering gezorgd in de maatschappij. Strafverzwarend is volgens de officier van justitie dat verdachte in 2012 in het buitenland eveneens voor een steekincident is veroordeeld. Wat betreft de proceshouding van verdachte weegt de officier van justitie mee dat verdachte nooit daadwerkelijk (uit eigen herinnering) een verklaring over het feit heeft afgelegd. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte een verwijt treft vanwege zijn herhaalde weigering om antipsychotica in te nemen. Hij kon namelijk weten dat het niet innemen van medicatie bij hem opnieuw kon leiden tot ernstig geweld. Ondanks de door de deskundigen bij verdachte geconstateerde diagnose schizofrenie en hun conclusie dat het ten laste gelegde verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend, acht de officier van justitie naast de vrijheidsbenemende maatregel van TBS met dwangverpleging een forse gevangenisstraf aangewezen en moet de matiging van de op te leggen gevangenisstraf minder zijn dan op basis van de conclusies van de deskundigen passend zou zijn.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat het opleggen van een gevangenisstraf niet aangewezen is omdat verdachte met toediening van de juiste medicatie en behandeling een rustige en coöperatieve man is. Het doel van de gevangenisstraf kan dus niet zijn gelegen in bescherming van de maatschappij. Verdachte heeft meegewerkt aan het onderzoek in het PBC en volgens de raadsman zou oplegging van gevangenisstraf voor de toekomst en naar buiten toe een negatief signaal zijn omdat het dan niet uitmaakt voor een verdachte of hij wel of niet meewerkt met het onderzoek omdat er vervolgens toch een gevangenisstraf wordt opgelegd. Ook moet er naar de mening van de verdediging in vergaande mate rekening worden gehouden met het psychische toestandsbeeld van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde en zijn sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid, voor zover verdachte al niet geheel ontoerekeningsvatbaar is.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en de maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 28 februari 2017 met een mes op zak in de omgeving van station Utrecht Centraal begeven. Hij had een pleister op zijn neus geplakt en een blauwe hoofdband om zijn oren gedaan om te voorkomen, zoals hij zelf verklaart, dat anderen zijn oren of neus zouden kunnen vervormen. Voordat verdachte bij de Rabobank op de Croeselaan een zebrapad overstak, pakte verdachte zijn mes en stak in het voorbijgaan een vrouw neer. Vervolgens rende hij een stukje weg, waarbij hij nog een aantal keer achteromkeek en het mes heeft weggegooid, om daarna in de buurt van het station met opgeheven armen te blijven staan en rondjes om zijn eigen as te draaien.

Deze gebeurtenis heeft ter plaatse, op het moment van het steekincident, al veel beroering veroorzaakt. Het steekincident vond plaats midden op straat en op klaarlichte dag, waar veel mensen mee zijn geconfronteerd. Een steekincident in een drukke omgeving met mensen die aan het begin van een nieuwe werkdag onderweg naar hun werk waren.

Voor de nabestaanden van het slachtoffer was de gebeurtenis onbeschrijfelijk verdrietig. De echtgenoot van het slachtoffer kreeg totaal onverwacht politie aan de deur met het afschuwelijke nieuws dat zijn vrouw levensbedreigend gewond was geraakt. De nabestaanden moesten de rest van die ochtend en middag tussen hoop en vrees leven en werden uiteindelijk geconfronteerd met het zwartste scenario, de dood van hun dierbare. Zij moeten verder leven met het verdriet en het gemis, veroorzaakt door het door verdachte gepleegde feit.

Uit de slachtofferverklaringen die ter terechtzitting zijn uitgesproken door de moeder en de echtgenoot van het slachtoffer blijkt dat zij met een verlies verder moeten leven dat niet onder woorden is te brengen. Zij hebben hun dochter respectievelijk vrouw verloren en de dochters hebben hun moeder verloren. De nabestaanden hebben duidelijk naar voren gebracht dat het gemis waarmee zij nu moeten leven niet is goed te maken. De moeder van het slachtoffer heeft aangegeven dat zij het gemis van haar dochter als levenslang ervaart.

Ook heeft deze gebeurtenis zeer veel beroering veroorzaakt in de maatschappij. Vanwege de totale willekeur waarmee verdachte zijn slachtoffer heeft gekozen kan eenieder zich voorstellen dat hij of zij ook slachtoffer had kunnen zijn. Dit draagt sterk bij aan gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.

De rechtbank acht voor de beoordeling voorts de volgende persoonlijke omstandigheden van verdachte van belang. Allereerst weegt ten nadele van verdachte mee dat hij eerder in Polen is veroordeeld voor een poging tot doodslag, een soortgelijk feit als het onderhavige.

De deskundigen adviseren in hun rapportage dat om de kans op recidive terug te dringen vooral de schizofrenie dient te worden behandeld. De behandeling van schizofrenie is complex en langdurig. Gelet op de uitgebreide, langdurige behandelgeschiedenis van verdachte waarbij hij zich niet voor langere tijd aan een behandeling lijkt te kunnen binden, de zeer snelle psychiatrische ontregeling als hij geen medicatie inneemt en het hoge recidiverisico dat hierdoor ontstaat, is een gedwongen behandelkader volgens de deskundigen noodzakelijk. Verdachte moet de rest van zijn leven ingesteld worden op antipsychotische medicatie. Omdat verdachte in het verleden is ingegaan tegen adviezen van behandelaren in en de psychotische klachten aanleiding zijn voor een zwervend bestaan is een voorwaardelijk kader volgens de deskundigen niet haalbaar. De rechtbank maakt ook deze conclusies tot de hare.

Uit de informatie die over verdachte in het dossier aanwezig is, blijkt dat eerdere plaatsingen in psychiatrische ziekenhuizen, behandelingen en medicatie niet afdoende zijn geweest om het strafbare gedrag van verdachte te reduceren. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte behandeld moet worden voor de schizofrenie. Deze behandeling moet geschieden in een gedwongen kader ter bescherming van de maatschappij tegen recidive en ter bescherming van verdachte zelf.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de terbeschikkingstelling (TBS) van verdachte dient te worden gelast, nu bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, het door verdachte begane feit een misdrijf betreft waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel eist. De rechtbank beveelt dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

Omdat de maatregel van TBS wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, kan de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren te boven gaan.

Naast de maatregel van TBS is naar het oordeel van de rechtbank ook het opleggen van een substantiële vrijheidsstraf noodzakelijk uit een oogpunt van generale preventie, als afschrikwekkend middel en ter vergelding van het in het bijzonder aan de familie van het slachtoffer aangedane leed. De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist. De eis van de officier van justitie verhoudt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met de mate waarin het feit aan verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank benadrukt de conclusie van de deskundigen dat het gestoorde realiteitsbesef bij verdachte, voortkomend uit de psychotische stoornis ten tijde van het ten laste gelegde, een grote invloed heeft gehad op de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte, waarbij zijn keuzevrijheid in sterke mate werd ingeperkt. De rechtbank rekent het feit daarom in mindere mate aan verdachte toe dan de officier van justitie heeft gedaan bij het formuleren van zijn strafeis. De rechtbank acht daartoe van belang dat aannemelijk is dat de keuze van verdachte om zijn medicatie niet in te nemen, in sterke mate is beïnvloed door zijn ziekelijke stoornis. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij dacht dat hij een gezond persoon was en geen medicatie nodig had. Ook uit de rapportage kan niet worden afgeleid dat de deskundigen hebben kunnen vaststellen dat verdachte een bewuste en weloverwogen keuze heeft gemaakt tot het niet innemen van zijn medicatie. De rechtbank moet dit bij de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf meewegen. Alles afwegende acht de rechtbank naast voornoemde maatregel van TBS een gevangenisstraf van drie jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

De rechtbank zal niet ingaan op het verzoek van de officier van justitie om artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht toe te passen en te adviseren dat verdachte na ommekomst van tweederde van de op te leggen straf zal worden begonnen met de TBS met dwangverpleging. Dat betekent dat verdachte eerst de volledige op te leggen gevangenisstraf zal moeten ondergaan.

9 BESLAG

De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, te weten het vouwmes met voorwerpnummer PL0900-2017061979-G1912501, verbeurd verklaren. Met behulp van dit voorwerp is het onder 5 bewezen verklaarde feit begaan.

10 BENADEELDE PARTIJEN

[benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert (bij wijze van voorschot op geleden en nog te lijden schade) namens zichzelf een bedrag van

€ 135.671,-, namens zijn dochter [benadeelde 2] € 29.808,- en namens zijn dochter [benadeelde 3] € 36.889,-. Deze bedragen bestaan uit materiële schade die gevolg is van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de ingediende vorderingen voldoende onderbouwd en toewijsbaar. Hij verzoekt voorts de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de hoogte van de schade niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. Het is volgens de raadsman niet duidelijk of de schadeberekening aan de hand van de stukken of aan de hand van aannames is verricht. Daarnaast betreft het een uitgebreide schadeberekening met zeer complexe berekeningen en 24 uitgebreide bijlagen, opgesteld door een team van twee in letselschade gespecialiseerde advocaten. Volgens de raadsman komt bij een inhoudelijke behandeling van de vordering van de benadeelde partij het evenwicht in het strafproces in de knel. Voorts is behoeftigheid als uitgangspunt genomen in de berekening terwijl het gaat om de vraag of de nabestaanden behoefte hebben aan een bijdrage in de kosten, aldus de raadsman. Hij bepleit dan ook tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen en verwijzing van hun vorderingen naar de civiele rechter.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de vorderingen, gelet op de aard, ernst en omstandigheden van het feit en de in de vordering gegeven toelichting, voldoende onderbouwd.

Het verweer dat door de verdediging is gevoerd dat de vorderingen zich niet lenen voor behandeling in dit strafgeding, slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Sinds de Wet ter versterking van de positie van het slachtoffer op 1 januari 2011 in werking is getreden, is niet langer het criterium ‘of de vordering van eenvoudige aard is’. Het huidige criterium houdt in dat behandeling van de vorderingen geen onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure mag opleveren. Weliswaar gaat het in dit geval om een vordering met een hoog schadebedrag, maar deze vordering is zodanig duidelijk gespecificeerd en onderbouwd dat de beoordeling ervan geen onevenredige belasting oplevert van deze strafrechtelijke procedure.

Vaststaat dat de benadeelde partijen als gevolg van het hiervoor onder 5 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade zoals die bij wijze van voorschot is gevorderd conform de vorderingen op € 135.671,- aan de zijde van [benadeelde 1] , op € 29.808,- aan de zijde van zijn dochter [benadeelde 2] en € 36.889,- aan de zijde van [benadeelde 3] en zal de vorderingen tot deze bedragen toewijzen, telkens te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 28 februari 2017 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. Bij gebreke van opgave van deze kosten worden deze tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 135.671,- ten behoeve van [benadeelde 1] , het bedrag van € 29.808,- ten behoeve van [benadeelde 2] en het bedrag van € 36.889,- ten behoeve van [benadeelde 3] , telkens te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 28 februari 2017 tot de dag van volledige betaling.

Ter verzekering van de drie betalingsverplichtingen wordt de verplichting van het geheel van deze betalingsverplichtingen vervangen door in totaal 365 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Betalingen die zijn gedaan aan de Staat worden op de verplichting tot betaling aan de desbetreffende benadeelde partij(en) in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partijen.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 24c, 33, 33a, 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 5 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en maatregel

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;

Beslag

- verklaart het volgende voorwerp verbeurd:

• vouwmes, voorwerpnummer PL0900-2017061979-G1912501;

Benadeelde partij [benadeelde 1]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag van € 135.671,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2017 tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Benadeelde partij [benadeelde 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag van € 29.808,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2017 tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Benadeelde partij [benadeelde 3]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 3] van het toegewezen bedrag van € 36.889,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2017 tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Schadevergoedingsmaatregel

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] aan de Staat € 202.368,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2017 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met in totaal 365 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.E.M. Nootenboom-Lock, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en O.P. van Tricht, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.L. de Gier, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 november 2017.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 februari 2017 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk, al dan niet met voorbedachte rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, die [slachtoffer] meermalen, in elk geval eenmaal (met kracht) in de buikstreek en/of (elders) in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 11 augustus 2017, genummerd PL0900-2017061979, opgemaakt door politie Midden-Nederland, met bijlage 1 Forensisch Onderzoek en bijlage 2 Rechtshulpverzoeken. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] , 28 februari 2017, p. 22

3 een proces-verbaal van [verbalisant 2] , 20 maart 2017, p. 82

4 een proces-verbaal van [verbalisant 2] , 20 maart 2017, p. 83

5 een proces-verbaal van [verbalisant 2] , 20 maart 2017, p. 84

6 een proces-verbaal van [verbalisant 2] , 20 maart 2017, p. 87

7 een proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 2] , 1 maart 2017, p. 54

8 een proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 2] , 1 maart 2017, p. 55.

9 een proces-verbaal van. [verbalisant 3] , 28 februari 2017, p. 37

10 uit bijlage 1 bij proces-verbaal PL0900-2017061979, forensisch dossier: een proces-verbaal van inbeslagneming en lijkschouw overledene van R.P. van der Kuijl, 11 maart 2017, p. 33

11 verklaring verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 3 november 2017

12 een proces-verbaal sporenonderzoek op de plaats delict van [verbalisant 4] , 7 maart 2017, p. 14

13 uit bijlage 1 bij proces-verbaal PL0900-2017061979, forensisch dossier: een schriftelijk bescheid, inhoudende Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van dr. L.H.J. Aarts van 30 maart 2017, p. 111

14 uit bijlage 1 bij proces-verbaal PL0900-2017061979, forensisch dossier: een schriftelijk bescheid, inhoudende Pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood van het Nederlands Forensisch Instituut van prof. dr. B. Kubat, 3 maart 2017, p. 96