Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5748

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
C/16/411519 / HA ZA 16-197
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dwingend bewijs notariële akte voor koopprijs aandelen. Overnemer van de aandelen, die stelt dat hij een katvanger is voor de overdrager van de aandelen, mag tegenbewijs leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6224
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/411519 / HA ZA 16-197

Vonnis van 15 november 2017

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser sub 2] B.V.,

gevestigd te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. J. Cortet te Utrecht,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1] B.V.,

gevestigd te Utrecht,

2. [gedaagde sub 2],

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats,

gedaagden,

advocaat mr. D. Gürses te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1] , [eiser sub 2] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 8 juni 2016

  • -

    de akte van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] van 13 april 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 18 april 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 september 2017.

1.2.

Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 2] dreef in een gehuurd pand op het adres [adres] in Utrecht (hierna: het pand) een textielonderneming. [gedaagde sub 2] is de enige aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde sub 1] , welke vennootschap is opgericht op 4 december 2013. Met ingang van begin december 2013 is [gedaagde sub 1] de huurder geworden van het pand voor een huurprijs van

€ 60.000 (exclusief btw) per jaar.

2.2.

[eiser sub 1] is aandeelhouder en bestuurder van [eiser sub 2] .

2.3.

In 2013 hebben [eiser sub 1] en [gedaagde sub 2] afgesproken om in het pand een horecaonderneming (hierna: het café) te starten. In verband daarmee is op 6 november 2013 [café] BV (hierna: [café] ) opgericht, waarvan [eiser sub 1] met ingang van die datum de enige aandeelhouder en bestuurder is geworden. [gedaagde sub 1] stelde vervolgens het pand, waarvoor eind 2013 een horecavergunning werd gekregen, aan [café] ter beschikking om te gebruiken als cafélocatie. Het pand werd verbouwd om het geschikt te maken als café. De verbouwingskosten en de inventaris zijn betaald door [eiser sub 2] . Eind 2013 ging het café open. [gedaagde sub 2] heeft toen zijn textielonderneming gestaakt, is in dienst getreden bij [café] en is aan de slag gegaan als bedrijfsleider van het café.

2.4.

Sinds de start was het café verliesgevend. In de loop van 2013 konden de rekeningen van het café niet meer worden betaald. Op 17 december 2014 was het eigen vermogen van [café] negatief.

2.5.

Door middel van een notariële akte van 17 december 2014 (hierna: de notariële akte) zijn de aandelen in [café] (hierna: de aandelen) door [eiser sub 1] geleverd aan [gedaagde sub 1] . In de notariële akte staat dat [eiser sub 1] zijn aandelen in [café] heeft verkocht aan [gedaagde sub 1] voor € 86.000. In die akte staat niets over een betalingsafspraak voor de koopsom.

2.6.

Bij de Kamer van Koophandel is geregistreerd dat [eiser sub 1] op 17 december 2014 is uitgetreden als aandeelhouder en bestuurder van [café] en dat [gedaagde sub 1] op

17 december 2014 bestuurder is geworden van [café] .

2.7.

Op 18 december 2014 heeft [gedaagde sub 2] namens [gedaagde sub 1] een overeenkomst gesloten met de verhuurders van het pand, en met Grazie Grazie BV i.o., inhoudend dat laatstgenoemde met ingang van 1 februari 2015 als huurder in de plaats treedt van [gedaagde sub 1] (hierna: de overeenkomst van indeplaatsstelling). Ook staat hierin dat [gedaagde sub 1] de huur tot 1 februari 2015 heeft betaald.

2.8.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben een ongedateerd en niet ondertekend document in het geding gebracht met de titel ‘Overeenkomst van geldlening’(hierna: de overeenkomst van geldlening). In de overeenkomst van geldlening, waarin [eiser sub 2] is aangeduid als geldgever, [gedaagde sub 1] als geldnemer 1, [gedaagde sub 2] als medegeldnemer en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gezamenlijk zijn aangeduid als geldnemers, staat het volgende:

‘[…] Artikel 1 Hoofdsom

1. De geldgever verstrekt aan de geldnemers per december 2014 ter leen een bedrag van

€ 86.000 […], hierna te noemen “hoofdsom”, welk bedrag de geldnemers in de vorm van aandelen van het bedrijf [café] B.V. zullen ontvangen, en mitsdien, aan de geldgever verschuldigd is.

2. De geldnemers verklaren zich hoofdelijk verbonden voor de terugbetaling van de hoofdsom en renten.

Artikel 2 Rente

1.Over de hierboven schuldig erkende hoofdsom is een rente van 4% achteraf verschuldigd per de datum als bedoeld in artikel 1 lid 1.

[…]

Artikel 4 Looptijd, opeisbaarheid en aflosbaarheid

1.De lening is aangegaan voor een periode van 6 maanden en begint af te lossen per 1 juni 2015 en eindigt derhalve op 31 december 2015

2.De lening is van de zijde van de geldgever te allen tijde opeisbaar na schriftelijke waarschuwing en/of ingebrekestelling.

3.[…]’

2.9.

Namens [eiser sub 1] heeft administratiekantoor Elffa in een brief van 5 juni 2015 aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] meegedeeld dat de eerste termijnbetaling van € 14.906,66 voor 1 juni 2015 betaald had moeten zijn, met het verzoek om dit bedrag uiterlijk op 12 juni 2015 te betalen. Ook staat in deze brief dat als dan niet wordt betaald, de gehele vordering van

€ 89.439,99 (€ 86.000 vermeerderd met 4%) ineens opeisbaar is en dat [eiser sub 1] in dat geval tot invordering van het volledige bedrag zal overgaan. Door middel van een brief van Elffa van 13 juni 2015 is [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verzocht om uiterlijk 20 juni 2015 € 14.906,66 te betalen. In een brief van Elffa van 21 juni 2015 aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] staat dat de regeling is komen te vervallen en dat de vordering ineens opeisbaar is. Ook zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in deze brief gesommeerd om binnen 10 dagen € 89.439,99 te betalen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben niet voldaan aan deze sommatie.

2.10.

Op 27 oktober 2015 hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland verzocht verlof te verlenen voor het leggen van conservatoir beslag op de inventaris van [café] , ten laste van [gedaagde sub 1] , [café] en [gedaagde sub 2] . In het daarop betrekking hebbende verzoekschrift staat dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] inmiddels hadden geconstateerd dat de naam op de gevel van het pand is veranderd. De voorzieningenrechter heeft het gevraagde verlof verleend op 28 oktober 2015.

2.11.

In opdracht van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] heeft een deurwaarder op 29 oktober 2015 getracht conservatoir beslag te leggen op de inventaris van het café. Daar kreeg de deurwaarder toen te horen dat Grazie Grazie B.V. (zie ook 2.7) de nieuwe eigenaar is van de inventaris.

2.12.

Op 13 september 2016 is [café] failliet verklaard.

3 Het geschil

3.1.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen samengevat - dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk worden veroordeeld om aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] te betalen:

  1. € 89.440 als koopsom van € 86.000 vermeerderd met 4% rente

  2. € 2.473 als vergoeding voor de beslagkosten

  3. € 1.719,40 als vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten

  4. een vergoeding voor de advocaatkosten, tot 11 december 2015 (de datum van de dagvaarding) begroot op € 5.000 (inclusief 7% kantoorkosten en 21% btw)

  5. de wettelijke rente over het onder a tot en met d gevorderde, vanaf de dag van de dagvaarding

  6. een vergoeding voor de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de 15e dag na betekening van het vonnis.

3.2.

Aan hun vorderingen leggen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ten grondslag de overeenkomst van verkoop en levering, vastgelegd in de notariële akte, en de in december 2014 gesloten overeenkomst van geldlening tussen [eiser sub 2] als geldgever en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als hoofdelijke schuldenaren. In verband hiermee betogen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] het volgende. [eiser sub 1] heeft, via [eiser sub 2] , ruim € 80.000 geïnvesteerd in de verbouwingskosten en de inventaris van het café. Voor het gebruik van het pand heeft [eiser sub 2] ongeveer

€ 6.000 per maand aan [gedaagde sub 1] betaald. Omdat het café niks opleverde wilde [eiser sub 1] in december 2014 de aandelen verkopen. [gedaagde sub 2] heeft [eiser sub 1] verteld dat hij het café wilde voortzetten en de aandelen van [eiser sub 1] wilde kopen, omdat het café zijn enige bron van inkomsten was. [eiser sub 1] heeft [gedaagde sub 2] toen meegedeeld dat hij als vergoeding voor de aandelen zijn investering terug wilde. [gedaagde sub 2] is daarmee akkoord gegaan en daarom werd de koopprijs bepaald op € 86.000. [eiser sub 1] heeft toen met [gedaagde sub 2] afgesproken dat als [café] BV in de eerste vijf maanden van 2015 failliet zou gaan, [gedaagde sub 2] de koopsom voor de aandelen niet hoefde te betalen. Als het café na vijf maanden nog zou draaien, zou [gedaagde sub 2] hem vanaf 1 juni 2015 gedurende de rest van het jaar in maandelijkse termijnen de koopprijs afbetalen. Hoewel [eiser sub 1] , en niet [eiser sub 2] , de aandelen heeft verkocht, heeft [eiser sub 1] op advies van zijn boekhouder in de overeenkomst van geldlening laten opnemen dat [eiser sub 2] de koopsom (in de vorm van de aandelen) heeft geleend aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . De reden daarvan was dat [eiser sub 2] de kosten van de verbouwing en de inventaris had betaald. Later, toen in opdracht van [eiser sub 1] conservatoir beslag werd gelegd, is [eiser sub 1] er achter gekomen dat [gedaagde sub 2] nooit van plan is geweest het cafébedrijf voort te zetten en dat [gedaagde sub 2] kort na 17 december 2014 als indirect bestuurder van [café] de inventaris van het café heeft verkocht aan Grazie Grazie B.V.

3.3.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer en concluderen (samengevat) tot afwijzing van de vorderingen en tot veroordeling van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de proceskosten (uitvoerbaar bij voorraad).

3.4.

[gedaagde sub 2] neemt het standpunt in dat de dagvaarding nietig is omdat deze niet op de juiste wijze aan hem is betekend. Daarnaast betogen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] het volgende. Dat [eiser sub 1] via [eiser sub 2] voor ruim € 80.000 in het café heeft geïnvesteerd blijkt nergens uit en wordt betwist. [gedaagde sub 2] was een katvanger voor [eiser sub 1] . Hij heeft de aandelen voor niks van [eiser sub 1] overgenomen om die vennootschap failliet te laten gaan. De reden daarvoor was dat [café] alleen maar verlies maakte en [eiser sub 1] bang was dat hij als bestuurder van [café] door de belastingdienst aansprakelijk zou worden gesteld. Een overnamebedrag is niet overeengekomen en er is geen overeenkomst van geldlening gesloten. Daarom ontbreken ook handtekeningen op de overeenkomst van geldlening. [café] had in mei 2016 (toen de conclusie van antwoord werd ingediend) schulden ter hoogte van ongeveer € 25.000. Die schulden zijn ontstaan toen [eiser sub 1] nog eigenaar was van [café] . Een onderneming met meer dan € 25.000 aan schulden kan nooit € 86.000 waard zijn.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt vast dat [gedaagde sub 2] in dit geding is verschenen en verweer voert. Daarom leidt de omstandigheid dat de dagvaarding niet is gepubliceerd in de Staatscourant er niet toe dat deze nietig is.

4.2.

Vast staat dat [eiser sub 1] , en niet [eiser sub 2] , de aandelen aan [gedaagde sub 1] heeft geleverd. Uit de verklaring van [eiser sub 1] ter zitting leidt de rechtbank af dat [eiser sub 2] in de overeenkomst van geldlening als gevolg van een vergissing als geldlener (in de vorm van verstrekker van de aandelen) is vermeld. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen tot nu toe dat [gedaagde sub 1] én [gedaagde sub 2] worden veroordeeld om aan zowel [eiser sub 1] als [eiser sub 2] € 86.000 (plus het overige gevorderde) te betalen. Het is niet mogelijk om die vorderingen tegelijkertijd toe te wijzen. Gelet op de vorderingen neemt de rechtbank echter aan dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] het standpunt innemen dat zij allebei ontvangstgerechtigd zijn, dat wil zeggen dat is afgesproken dat [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] in totaal € 86.000 (plus 4% rente) moeten betalen aan [eiser sub 1] en/of [eiser sub 2] . Ook begrijpt de rechtbank dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] bedoeld hebben te stellen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] allebei ten opzichte van hen voor die schuld aansprakelijk zijn, en dat [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] deze schuld vanaf 1 juni 2015 in zes maandelijkse termijnen aan [eiser sub 1] en/of [eiser sub 2] zouden aflossen.

4.3.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren hiertegen gemotiveerd verweer (zie 3.4). Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek burgerlijke rechtsvordering (Rv) rust op [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de bewijslast van hun stellingen.

4.4.

Tussen [eiser sub 1] en [gedaagde sub 1] levert de notariële akte dwingend bewijs op (in de zin van artikel 151 lid 1 Rv) van de stelling dat [eiser sub 1] zijn aandelen in [café] op

17 december 2014 aan [gedaagde sub 1] heeft verkocht voor € 86.000 (zie artikel 157 Rv lid 2). Tegenbewijs is echter mogelijk (zie artikel 151 lid 2 Rv). Tussen [eiser sub 1] en [gedaagde sub 2] , tussen [eiser sub 2] en [gedaagde sub 2] en tussen [eiser sub 2] en [gedaagde sub 1] levert de notariële akte niet het genoemde dwingende bewijs op.

4.5.

Op grond van de inhoud van de notariële akte gaat de rechtbank er vanuit dat [eiser sub 1] en [gedaagde sub 2] (namens [gedaagde sub 1] ) aan de notaris hebben meegedeeld dat zij een koopprijs van € 86.000 zijn overeengekomen. Gelet op het verweer van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] kan in dit stadium van de procedure niet met voldoende zekerheid worden aangenomen dat [eiser sub 1] en [gedaagde sub 1] ook daadwerkelijk een koopprijs hebben afgesproken. Dat verweer is echter niet zodanig onderbouwd, dat de bewijskracht van de notariële akte al voldoende aan het wankelen is gebracht. [gedaagde sub 1] heeft bewijs aangeboden van haar stellingen. Gelet daarop, en op artikel 151 lid 2 Rv, moet [gedaagde sub 1] in de gelegenheid worden gesteld om tegenbewijs te leveren tegen het uit de notariële akte voortvloeiende dwingende bewijs dat zij met [eiser sub 1] een koopsom van € 86.000 voor de aandelen is overeengekomen. Dat wil zeggen dat zij feiten en omstandigheden mag aandragen om aannemelijk te maken dat zij de aandelen voor niks van [eiser sub 1] heeft gekregen.

4.6.

Voor het geval dat [gedaagde sub 1] afziet van het leveren van tegenbewijs of als zij er niet in slaagt om tegenbewijs te leveren, is de rechtbank vooralsnog van oordeel dat in de rechtsverhouding [eiser sub 1] - [gedaagde sub 1] vaststaat dat een koopsom van € 86.000 is overeengekomen.

4.7.

Als [gedaagde sub 1] slaagt in het leveren van het tegenbewijs mag [eiser sub 1] ten opzichte van [gedaagde sub 1] nog wel proberen te bewijzen dat hij met [gedaagde sub 1] een koopprijs van € 86.000 voor de aandelen is overeengekomen. Om niet onnodig tijd te verliezen krijgt [eiser sub 1] daarvoor alvast een bewijsopdracht.

4.8.

De rechtbank zal, wat de uitkomst van de levering van het tegenbewijs ook is, ook moeten beoordelen of tussen [eiser sub 1] en [gedaagde sub 2] , tussen [eiser sub 2] en [gedaagde sub 2] en tussen [eiser sub 2] en [gedaagde sub 1] vaststaat dat [eiser sub 1] met [gedaagde sub 1] een koopsom van € 86.000 is overeengekomen. Uit praktische overwegingen zal de rechtbank [eiser sub 1] en [eiser sub 2] nu al een hiermee verband houdende bewijsopdracht geven.

4.9.

Als de uitkomst van de hiervoor genoemde bewijslevering is dat [eiser sub 1] met [gedaagde sub 1] een koopprijs van € 86.000 is overeengekomen, zal ook nog moeten worden beoordeeld of de door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gestelde betalingsafspraak is gesloten. Dit is onder meer van belang voor het moment van opeisbaarheid, de contractuele rente van 4% en de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] naast die van [gedaagde sub 1] (hoofdelijk of als borg). [eiser sub 1] en [eiser sub 2] krijgen ook daarvoor alvast een bewijsopdracht.

4.10.

[gedaagde sub 1] zal eerst in de gelegenheid wordt gesteld om tegenbewijs te leveren. Zij zal in een akte bewijsstukken in het geding kunnen brengen en moeten meedelen of zij (ook) tegenbewijs wil leveren door het horen van getuigen. De zaak zal daarvoor naar de rol worden verwezen. Ook [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zullen in hun akte moeten aangeven hoe zij bewijs willen leveren. Als [eiser sub 1] en [eiser sub 2] bewijsstukken in het geding willen brengen, zullen zij dat bij dezelfde akte moeten doen. Als [gedaagde sub 1] in haar akte aangeeft dat zij getuigen wil horen, zullen vervolgens de getuigenverhoren worden gepland.

4.11.

Als op verzoek van [gedaagde sub 1] getuigen worden gehoord, zal aan het einde van de laatste daarmee samenhangende zitting na overleg met partijen worden besloten of eerst in een tussenvonnis de vraag moet worden beoordeeld of [gedaagde sub 1] geslaagd is in het leveren van tegenbewijs, of dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dan eerst aansluitend bewijs gaan leveren door middel van het horen van getuigen.

4.12.

Als [gedaagde sub 1] meedeelt dat zij géén getuigen wil horen, zal zij in dezelfde akte nader moeten motiveren waarom zij meent het tegenbewijs te hebben geleverd. In die akte zullen [gedaagde sub 1] én [gedaagde sub 2] dan ook moeten ingaan op de vraag wat het dan door [gedaagde sub 1] (eventueel) ingebrachte tegenbewijs betekent voor de (overige) vorderingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] . Vervolgens krijgen [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de gelegenheid om hierop bij antwoordakte te reageren. Daarna zal de rechtbank een tussenvonnis wijzen.

4.13.

Alle overige beslissingen zullen worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

stelt [gedaagde sub 1] in de gelegenheid om tegenbewijs te leveren tegen het uit de notariële akte voortvloeiende dwingende bewijs dat zij met [eiser sub 1] een koopsom van € 86.000 voor de aandelen is overeengekomen,

5.2.

draagt [eiser sub 1] op om, voor het geval [gedaagde sub 1] slaagt in het leveren van het in 5.1 genoemde tegenbewijs, ten opzichte van [gedaagde sub 1] te bewijzen dat hij met [gedaagde sub 1] een koopprijs van € 86.000 voor de aandelen is overeengekomen,

5.3.

draagt [eiser sub 1] op om ten opzichte van [gedaagde sub 2] te bewijzen a) dat hij ( [eiser sub 1] ) met [gedaagde sub 1] een koopprijs van € 86.000 voor de aandelen is overeengekomen, b) dat is afgesproken dat [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] dit bedrag vanaf 1 juni 2015 in zes maandelijkse termijnen aan [eiser sub 1] en/of [eiser sub 2] zouden betalen, vermeerderd met 4% rente, en c) dat is afgesproken dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] allebei aansprakelijk zijn voor die schuld (hoofdelijk of als borg),

5.4.

draagt [eiser sub 2] op om te bewijzen a) dat [eiser sub 1] met [gedaagde sub 1] een koopprijs van

€ 86.000 voor de aandelen is overeengekomen, b) dat is afgesproken dat [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] vanaf 1 juni 2015 in zes maandelijkse termijnen € 86.000 aan [eiser sub 1] en/of [eiser sub 2] zouden betalen, vermeerderd met 4% rente, en c) dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] allebei voor die schuld aansprakelijk zijn (hoofdelijk of als borg),

5.5.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 november 2017 voor een akte van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], waarin [gedaagde sub 1] zich moet uitlaten over de vraag of zij tegenbewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel, en voor een akte van [eiser sub 1] en [eiser sub 2], waarin zij zich moeten uitlaten over de vraag of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

5.6.

bepaalt dat [gedaagde sub 1] , en [eiser sub 1] en [eiser sub 2], indien zij bewijsstukken willen overleggen, die stukken in hun akte op 29 november 2017 in het geding moeten brengen,

5.7.

bepaalt dat [gedaagde sub 1], indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op dinsdagen, woensdagen en donderdagen in de maanden januari 2018 tot en met april 2018 moet opgeven op

29 november 2017, waarna dag en uur van de getuigenverhoren zullen worden bepaald,

5.8.

bepaalt dat de eventuele getuigenverhoren zullen plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.K.J. van den Boom in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1,

5.9.

bepaalt dat [gedaagde sub 1], indien zij geen getuigen wil horen, in de akte van

29 november 2017 moet motiveren waarom [gedaagde sub 1] meent het tegenbewijs te hebben geleverd en dat én [gedaagde sub 2] in die akte moeten ingaan op de vraag wat het dan door [gedaagde sub 1] ingebrachte tegenbewijs betekent voor de (overige) vorderingen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , waarna [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de gelegenheid krijgen om hierop bij antwoordakte te reageren,

5.10.

houdt iedere verdere beslissing aan,

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2017.1

1 type: JvdB/4223 coll: RS/4234