Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5746

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
16.659408-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 54-jarige man uit Loosdrecht is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar en de maximale rijontzegging van 5 jaar. Hij veroorzaakte vorig jaar in Loosdrecht een dodelijk ongeval. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van roekeloos rijgedrag. Zijn 33-jarige zoon is veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur en een rijontzegging van 1 jaar voor het veroorzaken van gevaar op de weg.

Vader en zoon reden op 16 maart 2016 in aparte auto’s in het donker over onoverzichtelijke wegen in de bebouwde kom. De vader reed in een Porsche, de zoon in een Mini. Op een stuk van 3 kilometer is soms door zowel de 54-jarige man als de 33-jarige man extreem snel gereden. Bovendien had het rijgedrag van de mannen een wedstrijdmatig karakter.

De 54-jarige man was onder invloed van alcohol. Op het stuk van 3 kilometer remden de mannen op bepaalde momenten af, bijvoorbeeld bij een flitspaal, waarna zij de bewuste keuze maakten om de snelheid weer op te schroeven. De 54-jarige man reed met hoge snelheid een 19-jarige vrouw aan die die vanuit een oprit de weg op kwam. Zij raakte ernstig gewond en overleed twee weken later in het ziekenhuis. De rechtbank kwalificeert dit als roekeloos rijgedrag. Dit is de zwaarste vorm van schuld in de Wegenverkeerswet.

De 33-jarige zoon wordt vrijgesproken van dood door schuld. De rechtbank stelt vast dat hij wel heeft bijgedragen aan het verwerpelijke rijgedrag van zijn vader, maar niet zodanig dat het ongeval en dood aan hem zijn toe te rekenen. Wel is het rijgedrag van de man aan te merken als het veroorzaken van ernstig gevaar op de weg.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf neemt de rechtbank onder andere mee dat de 54-jarige man – tegen een stortvloed aan bewijs - blijft ontkennen dat hij met een extreem hoge snelheid reed. Ook het feit dat hij al vijf keer eerder is veroordeeld voor het rijden onder invloed van alcohol laat de rechtbank meewegen. Omdat de rechtbank de zoon vrijspreekt van dood door schuld is er bij de 54-jarige geen sprake van het strafverzwarende ‘medeplegen’. De rechtbank wijkt daarom enigszins af van de eis van de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0906

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16.659408-16 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 17 november 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1962] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats] , [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 2 juni 2017, 1 september 2017 en 3 november 2017. Op laatstgenoemde datum is de zaak inhoudelijk behandeld.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. H.J. Lambers en van hetgeen verdachte en mr. F.J.E. Hogewind, advocaat te Amsterdam, alsmede de nabestaanden van slachtoffer [slachtoffer] en de vertegenwoordiger van benadeelde partij [benadeelde 1] B.V. naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: op 16 maart 2016 in Loosdrecht al dan niet samen met een ander rijdend op de voor het openbaar verkeer openstaande weg zich zodanig roekeloos en/of zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen, dat een aan zijn/hun schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, ten gevolge waarvan [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat zij daaraan is overleden;

Feit 1 subsidiair: op 16 maart 2016 in Loosdrecht al dan niet samen met een ander rijdend op de voor het openbaar verkeer openstaande weg zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt dan wel kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd dan wel kon worden gehinderd, ten gevolge waarvan [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat zij daaraan is overleden.

Feit 2: op 16 maart 2016 in Loosdrecht zijn auto heeft bestuurd, terwijl hij teveel alcohol had gedronken (0,92 mg/ml bloed).

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig en de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd:

1- de processen-verbaal van de verhoren van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 7] , [getuige 8] en [getuige 9] zijn door de verbalisanten opzettelijk onjuist opgemaakt. In de processen-verbaal staat dat deze getuigen op het politiebureau zijn gehoord, terwijl zij in werkelijkheid telefonisch zijn gehoord. Dit zijn vergissingen die niet gemaakt mogen worden. In het proces-verbaal van 4 juli 2017 heeft verbalisant [verbalisant 1] per getuige aangegeven wanneer, op welke wijze en waar de getuige is gehoord, maar hij geeft hierbij niet zijn redenen van wetenschap aan. Ook dit proces-verbaal deugt niet en is in strijd met artikel 153 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering;

2- het op pagina 395 van het dossier opgenomen proces-verbaal van bevindingen rijden onder invloed, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] op 7 april 2016, is opzettelijk valselijk en onjuist opgemaakt. Dit door de verbalisanten ondertekende proces-verbaal bevatte in eerste instantie niet de SIN-stickers die noodzakelijk zijn om vast te kunnen stellen dat het juiste bloedmonster naar het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) wordt verstuurd. In het eindproces-verbaal wordt exact hetzelfde proces-verbaal gepresenteerd, maar daar zitten de SIN-stickers wel op geplakt. Het naar aanleiding van het verzoek van de rechtbank door verbalisant [verbalisant 2] opgemaakte proces-verbaal met uitleg over deze werkwijze, maakt het proces-verbaal niet minder vals en is ook geenszins overtuigend;

3- het onderzoek naar de toedracht van het ongeluk heeft zich uitsluitend gericht op het rijgedrag van verdachte en de medeverdachte. Van enig onderzoek naar het rijgedrag van het slachtoffer is niet gebleken, terwijl daar alle aanleiding toe was. Daar komt bij dat de verslaglegging in dit kader niet deugt en er bij het slachtoffer geen rechtsgeldig bloedonderzoek heeft plaatsgevonden;

4- de camerabeelden van de Tjalk, die door [A] zijn bekeken, zijn op een USB-stick en daarna op een CD-rom gezet. Op de CD-rom is een fractie te zien van de beelden die op de USB-stick zijn gezet. De uitleg van de digitale recherche in het proces-verbaal van

28 september 2017 met de reden hiervoor overtuigt niet. Er moet meer beeldmateriaal op de USB-stick hebben gestaan waarmee de verdediging had kunnen aantonen dat de getuigenverklaringen over het rijgedrag van verdachte onjuist zijn en de door hem gereden snelheid veel lager is geweest. Het is echter onbekend waar de USB-stick is gebleven.

Door onzorgvuldig handelen van de politie is ontlastend bewijsmateriaal kwijtgeraakt;

5- de camerabeelden van de Tjalk zijn naar het NFI gestuurd. Op pagina 316 van het dossier relateert het NFI dat deze beelden niet nader zijn onderzocht, omdat er geen viewer is aangetroffen waarmee de beelden konden worden afgespeeld. Verbalisant [verbalisant 1] heeft na de regiezitting op 2 juni 2017 gerelateerd dat de beelden door het NFI in een eerder stadium al zijn bekeken, maar dat zij hebben aangegeven dat deze beelden voor het onderzoek niet bruikbaar zijn. De conclusie van het NFI wordt hiermee volstrekt verkeerd weergegeven.

De raadsman heeft gesteld dat als gevolg hiervan sprake is van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Door het zeer onzorgvuldig handelen van de politie is de waarheidsvinding in het geding gekomen en is de verdediging op onherstelbare wijze in haar belangen geschaad. Er is sprake van handelen in strijd met de wet en van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Het Openbaar Ministerie dient naar zijn mening niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie niet aan de orde is. De werkwijze met betrekking tot het horen van de getuigen en de SIN-stickers op het proces-verbaal rijden onder invloed is door aanvullend opgemaakte processen-verbaal inzichtelijk gemaakt. De verdediging heeft geen argumenten naar voren gebracht waaruit blijkt dat de getuigen zijn beïnvloed of anders hebben verklaard. Gelet op de inhoud van deze getuigenverklaringen is er geen aanleiding geweest om nader onderzoek te doen naar het rijgedrag van het slachtoffer. Wat betreft de camerabeelden van de Tjalk is er geverbaliseerd wat er op de beelden is te zien. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de beelden bewust zijn kwijtgeraakt. Het opsporingsonderzoek heeft de verdediging aldus niet op achterstand gezet.

De rechtbank overweegt het volgende.

In de processen-verbaal van de verhoren van de getuigen zijn slordigheden in de verslaglegging opgetreden. Er is door de verbalisanten niet altijd correct weergegeven op welke wijze en op welke locatie de verhoren hebben plaatsgevonden en door de getuigen zijn ondertekend. Hierdoor is onduidelijkheid ontstaan. Die onduidelijkheid is ook ontstaan wat betreft het proces-verbaal van rijden onder invloed, nu op het eerste opgemaakte en ondertekende proces-verbaal geen SIN-stickers waren geplakt en op het latere identieke proces-verbaal wel. De rechtbank is echter van oordeel dat de politie de ontstane onduidelijkheden genoegzaam heeft opgehelderd door aanvullende processen-verbaal op te maken. De rechtbank wijst daarbij voor de getuigenverhoren op het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] van 4 juli 20171, het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] van 1 juni 20172 en het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 4] van 1 juni 20173 en voor de SIN-stickers van het proces-verbaal van rijden onder invloed wijst de rechtbank op het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] van 22 september 20174. De politie heeft met deze aanvullend opgemaakte processen-verbaal de werkwijze en de gang van zaken voldoende inzichtelijk gemaakt. Van onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (zo die er al waren) is hier derhalve geen sprake. Het dossier biedt ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat het onderzoek eenzijdig is ingestoken. In het dossier is geverbaliseerd wat er op de camerabeelden van de Tjalk is te zien. Het ontbreken van nader onderzoek naar het rijgedrag van [slachtoffer] kan noch op zichzelf bezien noch in samenhang met het kwijtraken van de USB-stick leiden tot de conclusie dat sprake is van onherstelbare vormverzuimen.

Aldus kan niet gesteld worden dat doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdediging is gehandeld. Van onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering waar enig gevolg aan gegeven moet worden in de zin van dat artikel is geen sprake. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de aan verdachte onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen.

De officier van justitie heeft zijn standpunt verwoord in een ter zitting overgelegd requisitoir.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de aan verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten.

De raadsman heeft zijn standpunt verwoord in een ter zitting overgelegd pleidooi.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 5

Op 16 maart 2016 omstreeks 21.45 uur heeft op de Nieuw-Loosdrechtsedijk in Loosdrecht, gelegen binnen de bebouwde kom, gemeente Wijdemeren, een aanrijding plaatsgevonden tussen een Porsche 911 Carrera S met kenteken [kenteken] (hierna: de Porsche) en een Toyota Aygo.6 De bestuurder van de Porsche reed op de Nieuw-Loosdrechtsedijk in de richting van Muyeveld. De bestuurster van de Toyota reed op de toegangsweg van perceel nummer [nummer] en wilde, gekomen bij de Nieuw-Loosdrechtsedijk, linksaf slaan richting Nieuw Loosdrecht. Op het moment dat zij vanuit de toegangsweg optrok, naar links instuurde en zich ongeveer met de voorzijde op de rijstrook bestemd voor het verkeer gaande in de richting van Nieuw-Loosdrecht bevond, botste de Porsche met de voorzijde tegen de linker voorzijde van haar auto.7 Als gevolg van de aanrijding is de bestuurster van de Toyota Aygo zwaargewond geraakt en later in het ziekenhuis aan haar verwondingen overleden.8

De Nieuw-Loosdrechtsedijk is een weg met veel in- en afritten van woonhuizen.9

De toegestane maximumsnelheid op die weg is 50 km/uur.10 Op het moment van de aanrijding was het donker.11

Verdachte heeft verklaard dat hij de bestuurder van de Porsche was. Hij rijdt dagelijks over de Nieuw-Loosdrechtsedijk en weet dat je op die weg 50 km/uur mag rijden. Verdachte heeft verklaard dat je stil moet gaan staan als je de Nieuw-Loosdrechtsedijk oprijdt, omdat die weg zo onoverzichtelijk is dat je ander verkeer niet kan zien.12 Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de bestuurder was van de Mini Cooper met kenteken [kenteken] die op enige afstand voor het ongeval tot stilstand is gekomen.13 Hij verklaart dat de Nieuw-Loosdrechtsedijk niet overzichtelijk is als je erop wilt komen. Hij bedoelt daarmee de straten en de in- en uitritten daar. Hij weet niet of de overzichtelijkheid nog minder is als het donker is, maar verklaart ‘je moet toch goed uitkijken daar’.14

Alcohol

Als verbalisant [verbalisant 2] ter plaatse van de aanrijding komt, ruikt hij dat de adem van verdachte ruikt naar het inwendig gebruik van een alcoholhoudende substantie.15 Verdachte is gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht met als resultaat de alcoholindicatie A.16 Bij verdachte is vervolgens voor bloedonderzoek bloed afgenomen en het bloedmonster is verstuurd naar het NFI.17 Onderzoek door het NFI wees uit dat in het bloed van verdachte een ethanolconcentratie is gemeten van 0,92 mg/ml.18

Verdachte heeft verklaard dat hem op de avond van 16 maart 2016 in café [café] twee glazen gin tonic waren verstrekt en dat hij in een restaurant twee glazen wijn had gedronken.19

[getuige 6] heeft verklaard dat hij die avond in café [café] werkzaam was in de bediening.20 [verdachte] vroeg een gin-tonic. Hij kreeg drie shotjes gin van het merk Bombay erin. [verdachte] dronk zijn glas leeg en bestelde nog een gin-tonic met wederom drie shotjes gin.21 [verdachte] bestelde altijd een gin-tonic met drie eenheden gin. Hij zou nooit uit zichzelf drie eenheden gin in het glas doen als er niet om wordt gevraagd.22 [verdachte] was er 100% van op de hoogte dat hij tweemaal een gin tonic met daarin drie shotjes gin van het merk Bombay heeft gedronken. De smaak is veel sterker door de hoeveelheid gin.23

Verbalisant [verbalisant 5] is op 1 juli 2016 bij [verdachte] op bezoek geweest. [verdachte] vertelde dat hij op de avond van de aanrijding naar café [café] was gegaan. Ze werden geholpen door barman [getuige 6] . [verdachte] bestelde een gin-tonic, waarbij hij met een knipoog tegen de barman zei ‘doe maar iets extra’. De gin proef je amper, vandaar de extra scheut die hij bestelde. Daarna was er nog een gin-tonic voor hem besteld. Op de rekening stonden twee tonic en zes gin.24

Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat er tot twee keer toe extra gin in zijn glas was gedaan. De verdediging stelt dat als er drie gin-tonics in zijn glas hebben gezeten verdachte hier geen weet van had en hij dus geen opzet heeft gehad op rijden onder invloed.

Gelet op de verklaring van [getuige 6] en hetgeen verdachte tegen verbalisant [verbalisant 5] heeft gezegd volgt de rechtbank het standpunt van de verdediging dat verdachte niet wist dat er extra gin in zijn glas zat niet.

Snelheid

Vele getuigen hebben een verklaring afgelegd over de Porsche en de Mini Cooper die zij op de avond van 16 maart 2016 hebben zien rijden.

Getuigenverklaringen betrouwbaar

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen van het bewijs moeten worden uitgesloten, omdat er in ieder geval negen processen-verbaal van verhoor onjuist zijn opgemaakt en daarom niet kan worden uitgegaan van de geloofwaardigheid van de inhoud van die verklaringen. Daarnaast zijn de getuigenverklaringen om inhoudelijke redenen onbetrouwbaar, nu de verklaringen gekleurd zijn en dat wat de getuigen zouden hebben gezien en de snelheden van de Porsche en de Mini waarover zij verklaren, niet juist kan zijn.

Uit hetgeen door de raadsman is aangevoerd blijkt niet dat de verklaringen van de getuigen zijn beïnvloed door de manier waarop de processen-verbaal van verhoor door de verbalisanten zijn opgemaakt wat betreft de wijze van verhoor. Niet is komen vast te staan dat de getuigen als gevolg daarvan inhoudelijk anders hebben verklaard. Ook is niet komen vast te staan dat de getuigenverklaringen door andere omstandigheden zijn gekleurd of de getuigen hetgeen zij verklaren niet hebben kunnen waarnemen. Het dossier biedt daarvoor geen aanknopingspunten. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van de getuigenverklaringen te twijfelen, zeker nu de verklaringen ondersteund worden door het NFI-onderzoek naar de snelheid, waarover hierna meer. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaringen voor het bewijs gebruikt kunnen worden.

Uit de getuigenverklaringen volgt dat de bestuurders van beide voertuigen eerst over de Tjalk reden en daarna de Nieuw-Loosdrechtedijk op zijn gereden.

Getuige [getuige 7] stond tussen half tien en kwart voor tien ’s avonds op de oprit van zijn woning aan de [adres] . Hij hoorde een auto heel hard aan komen rijden en zag twee voertuigen de Tjalk oprijden. Een Porsche reed met een onmogelijke snelheid voorbij. Er reed een Mini achter. De Mini kon de Porsche aardig volgen. Ze hoorden echt bij elkaar. Het leek wel een achtervolging. In eerste instantie was de afstand tussen de voertuigen groter. De Porsche liep uit op de Mini en de afstand was ongeveer 10 of 20 meter. Vlak voor de bocht zat de Mini er echt heel dicht achter, de afstand was toen nog maar 1 of 2 meter.25 Je hoorde echt dat het gas erop ging, nadat ze de middengeleider op de Hallincklaan gepasseerd waren. Dit ging echt alle grenzen te boven, ongelofelijk.26

Getuige [getuige 9] liep tussen half tien en kwart voor tien in de avond in de richting van de Tjalk. Hij zag een Porsche en een Mini voorbijkomen over de Tjalk in de richting van de Nieuw-Loosdrechtsedijk. Ze reden echt bumper aan bumper en met een bloedgang.27 Er wordt hard gereden op de Tjalk, maar hij heeft nog nooit meegemaakt dat ze zo ontzettend hard rijden.28

Getuige [getuige 2] reed omstreeks 21.40 uur in haar auto op de Nieuw-Loosdrechtsedijk in de richting van de Tjalk. Ter hoogte van de kruising met de Tjalk zag zij een Porsche en een Mini haar tegemoet rijden. Beide auto’s reden met hoge snelheid op de kruising af. De Mini probeerde de Porsche in te halen. Gekomen op de kruising remden beide auto’s flink af en sloegen de Nieuw-Loosdrechtsedijk op.29

Getuige [getuige 10] liep omstreeks 21.30 uur ter hoogte van de flitspaal aan het begin van de Nieuw-Loosdrechtsedijk. Hij zag en hoorde twee voertuigen aan komen rijden uit de richting van de Tjalk en gaande in de richting van Muyeveld. Hij hoorde dat de voertuigen met hoge snelheid kwamen aanrijden en zag dat beiden ter hoogte van de flitspaal afremden. Beide voertuigen trokken weer enorm hard op en reden heel hard weg over de dijk.

De afstand tussen de voertuigen was 10 meter. Ze reden echt als een raket.30

Verdachte heeft verklaard dat hij weet dat er op de Nieuw-Loosdrechtsedijk een flitspaal staat en dat het zou kunnen dat hij voor de flitspaal gas heeft teruggenomen.31

Getuige [getuige 11] liep omstreeks 21.30 uur of 21.45 uur over het fietspad parallel aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk. Hij hoorde een heel hard motorgeluid en herkende het geluid van een auto die accelereert. Het was niet een beetje accelereren, het was echt ‘baf!’. Vol op de staart trappen. Hij zag een auto heel hard zijn kant op komen rijden en zag daarachter nog een andere auto. De achterste auto hield de eerste auto niet bij. Binnen een paar seconden was de voorste auto voorbij. Hij zag dat het een Porsche was. Het was echt in een flits dat de auto voorbijkwam. Een zoef. Hij weet hoe hard er soms wordt gereden op de Nieuw-Loosdrechtsedijk, maar dit sloeg echt alles. Hij heeft nog nooit iemand zo hard zien rijden als die Porsche. De tweede auto was minder snel, maar die was ook aan het ‘planken’. Hij zag dat het zwarte autootje de weg op wilde rijden.32 Toen kwam die Porsche als een raket, als een kogel, die heeft zij nooit kunnen zien.33

De politie heeft de afstand gemeten vanaf de positie waar eerste getuige [getuige 7] zich bevond tot de plaats van het verkeersongeval. De gemeten afstand ging vanaf de Tjalk ter hoogte van perceel [adres] tot de [adres] . De afstand bedroeg 3.100 meter.34

Het NFI heeft op basis van beeldmateriaal opgenomen door een tweetal camera’s die zijn geplaatst op De Drechthoeve en Caravanpark Van de Wetering onderzoek gedaan naar de snelheid van de Porsche en de Mini. Het NFI komt tot de conclusie dat het gebied waarin de auto’s zichtbaar zijn in het camerabeeld van De Drechthoeve zich op een afstand van ongeveer 130 meter van de plaats van de aanrijding bevindt. De snelheid van de Porsche is bepaald over een afstand van ongeveer 5 meter. De beste schatter voor de snelheid bedraagt 167 km/uur, met een ondergrens van het betrouwbaarheidsinterval met een betrouwbaarheid van tenminste 95% van 150 km/uur en een bovengrens van 184 km/uur. De snelheid van de Mini is bepaald over een afstand van ongeveer 7 meter. De beste schatter voor de snelheid bedraagt 146 km/uur, met een ondergrens van het betrouwbaarheidsinterval met een betrouwbaarheid van tenminste 95% van 138 km/uur en een bovengrens van 153 km/uur.35

De beste schatter voor de onderlinge afstand tussen de Porsche en de Mini (theoretische schatting) is 215 meter met als ondergrens 205 meter en als bovengrens 226 meter.

Het gebied waarin de Porsche zichtbaar is in het camerabeeld van Caravanpark Van de Wetering bevindt zich op een afstand van ongeveer 45 meter van de plaats van de aanrijding. De snelheid van de Porsche is bepaald over een afstand van ongeveer 5 meter. De beste schatter voor de snelheid bedraagt 160 km/uur, met een ondergrens van het betrouwbaarheidsinterval met een betrouwbaarheid van tenminste 95% van 149 km/uur en een bovengrens van 170 km/uur.36 Voor de Mini heeft er ten aanzien van deze camerabeelden geen meting kunnen plaatsvinden.

Overlijden [slachtoffer]

Na het ongeval is [slachtoffer] , de bestuurster van de Toyota Aygo, naar het ziekenhuis overgebracht. Zij is ruim twee weken later in het ziekenhuis overleden.

Prof. dr. J.G. van der Hoeven heeft geconstateerd dat de directe doodsoorzaak is gelegen in de langdurige adem- en circulatiestilstand resulterend in neurologische schade in combinatie met een ernstig Acute Respiratory Distress Syndroom (vocht in de longen als gevolg van een onderliggende ziekte, in dit geval waarschijnlijk de reanimatie met eventuele aspiratie van maaginhoud of sepsis), waardoor het zuurstofgehalte in het bloed ondanks alle genomen maatregelen te laag was. Van der Hoeven veronderstelt dat de adem- en circulatiestilstand het gevolg is geweest van bloedvergiftiging als gevolg van een langer bestaande maagperforatie.37 De meest waarschijnlijke oorzaak van de maagperforatie is dat de perforatie van de maag is ontstaan door herniatie van de maag in de borstholte door een scheur in het middenrif met afklemmen van de bloedvoorziening naar de maag tot gevolg. Dit alles heeft een perforatie van de maag tot gevolg gehad. De ruptuur van het middenrif is ontstaan op het moment van het trauma.38

Arts en patholoog A. Maes heeft sectieonderzoek verricht om de doodsoorzaak te onderzoeken en een directe relatie vast te stellen tussen het overlijden en het oplopen van de letsels 2,5 week voor de dood. Voorafgaande aan de sectie zijn alle letsels door postmortaal beeldvormend onderzoek in kaart gebracht. Door de klinisch vastgestelde bloedvergiftiging was er sprake van massaal opgetreden bloedstollingsstoornissen. Hierdoor is uit alle reeds bestaande en nog niet geheelde wonden bloed verloren. Het overlijden is het gevolg van multi-orgaan falen door bloedverlies en weefselschade. Maes komt tot de conclusie dat het overlijden zonder meer te verklaren is op grond van verwikkelingen van 2,5 week voor de dood opgelopen hoogenergetische letsels.39

Causaal verband verkeersongeval en overlijden slachtoffer

De verdediging heeft gesteld dat het antwoord op de vraag of er bij het slachtoffer sprake was van een mogelijk eerdere maagzweer volstrekt helder moet zijn. Als er sprake is van een eerdere maagzweer waaraan het slachtoffer later door medisch falen is overleden dan kan haar overlijden niet in redelijkheid aan het ongeluk worden toegerekend. Nu deze vraag volgens de verdediging niet voldoende is beantwoord kan het deel van de tenlastelegging ‘dat zij daaraan is overleden’ niet bewezen worden.

Er zijn in dit kader vragen gesteld aan prof. dr. Van der Hoeven. Van der Hoeven stelt dat er in de voorgeschiedenis geen aanwijzingen zijn voor een eerdere aandoening van de maag. Van der Hoeven gaat ervan uit dat de scheur in het middenrif is ontstaan op het moment van het trauma (de rechtbank begrijpt: het ongeval) en legt een link tussen deze scheur en de uiteindelijke maagperforatie. Van der Hoeven komt ten aanzien van de vraag naar medisch falen tot de conclusie dat het slachtoffer in de nacht van 31 maart op 1 april 2016 als gevolg van de alarmerende signalen door een arts onderzocht had moeten worden. Dat dit niet is gebeurd kan als medisch falen worden aangemerkt. Niet gezegd kan worden dat hierdoor de reanimatie en daarmee de dood van het slachtoffer voorkomen had kunnen worden. De constatering van Van der Hoeven dat mogelijk sprake is geweest van medisch falen in die zin dat het wenselijk was geweest dat er een arts naar het slachtoffer was komen kijken, maar dit niet is gebeurd en er daardoor geen nader onderzoek heeft plaatsgevonden, maakt niet dat gesteld kan worden dat het overlijden van het slachtoffer niet het gevolg is geweest van de aanrijding. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad40 volgt dat de causaliteit tussen het verkeersongeval en de dood van het slachtoffer ook wordt aangenomen in het geval het slachtoffer ernstig gewond raakt na het ongeval en in het ziekenhuis optredende complicaties ertoe hebben bijgedragen dat het slachtoffer overleed. Gelet op deze jurisprudentie en de hiervoor aangehaalde bevindingen van de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijze aan verdachte als veroorzaker van het verkeersongeval is toe te rekenen.

Bewezenverklaring

De rechtbank stelt op grond van voornoemd bewijs vast dat:

- op 16 maart 2016 verdachte in een Porsche 911 Carrera S met kenteken [kenteken] en medeverdachte [medeverdachte] in een Mini Cooper met kenteken [kenteken] over de Tjalk en de Nieuw-Loosdrechtsedijk in Loosdrecht hebben gereden;

- verdachte meer dan de wettelijke toegestane hoeveelheid alcohol had gedronken;

- verdachte en de medeverdachte over een afstand van ongeveer 3.100 meter dicht tot zeer dicht achter elkaar hebben gereden;

- verdachte en de medeverdachte hebben gereden met snelheden die excessief hoger waren dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km/uur;

- zij dit gedaan hebben op een onoverzichtelijke weg met in- en afritten van woonhuizen;

- verdachte met deze wegsituatie bekend was;

- verdachte door de hoge snelheid zijn auto niet op tijd heeft kunnen stoppen en hij daardoor tegen de Toyota Aygo, waarin [slachtoffer] als bestuurster reed, is gebotst;

- [slachtoffer] als gevolg van het door deze aanrijding opgelopen lichamelijke letsel is komen te overlijden.

De rechtbank is van oordeel dat de feitelijke gedragingen van verdachte, door de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De vraag is of deze schuld bestaat in roekeloosheid.

Van roekeloosheid als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 in verbinding met artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is sprake indien zodanige feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Of sprake is van roekeloosheid in deze zin zal afhangen van de specifieke omstandigheden van het geval.

Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, als zwaarste vorm van schuld, grenzend aan opzet, bepaaldelijk eisen worden gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat zij roekeloosheid in voormelde zin vast kan stellen en motiveert dit als volgt.

Het gedrag van verdachte moet allereerst worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. De rechtbank merkt het rijgedrag van verdachte reeds op zichzelf aan als zeer onvoorzichtig en onachtzaam. Een automobilist heeft onder meer de bijzondere zorgplicht om bewust - dus niet onder onaanvaardbare invloed van middelen - en alert aan het verkeer deel te nemen en zich daarbij te houden aan de ter plaatse geldende maximumsnelheid. Die voorzorgen heeft verdachte gezien het bewezenverklaarde handelen sterk veronachtzaamd.

In de onderhavige zaak overweegt de rechtbank daarbij nog in het bijzonder het volgende.

Verdachte is na alcohol te hebben gedronken als bestuurder in zijn auto gestapt om net als zijn zoon (de medeverdachte) terug naar de woning van verdachte te rijden. Het alcoholgehalte in zijn bloed was bijna twee keer hoger dan wettelijk is toegestaan. Vervolgens heeft verdachte over een aanzienlijke afstand in extreme mate de toegestane snelheid overschreden. De medeverdachte heeft dezelfde route als verdachte gereden met eveneens een veel hogere snelheid dan toegestaan. Zij hebben daarbij op delen van de route dicht tot zeer dicht achter elkaar gereden over een traject van ongeveer drie kilometer. Gelet op hetgeen door de getuigen hierover is verklaard en de gemeten snelheden kan gesproken worden van een wedstrijdachtig karakter. Daarbij reden zij binnen de bebouwde kom en op een weg die de nodige onoverzichtelijke in- en afritten van woonhuizen kent. Verdachte en de medeverdachte waren hiermee bekend. Zij hebben beiden op gelijke momenten bewust de snelheid eruit gehaald, zoals voor de flitspaal. Meermaals hebben zij bewust de keuze gemaakt om af te remmen en vervolgens het risico weer opgezocht door hun weg met een wederom extreem hoge snelheid te vervolgen.

Verdachte moet zich gelet op het voorgaande bewust zijn geweest van het risico dat hij nam, in ieder geval had hij zich dat onder die omstandigheden moeten zijn. Het risico dat verdachte heeft genomen heeft uiteindelijk geleid tot de aanrijding en de dood van [slachtoffer] . Op grond van alle omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, merkt de rechtbank het bewezen verklaarde gedrag van verdachte aan als roekeloos.

Medeplegen

De rechtbank staat voor de vraag of verdachte dit feit alleen gepleegd heeft of dat sprake is van medeplegen door verdachte en de medeverdachte. De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen - in dit geval - verdachte en medeverdachte. Ook bij een culpoos delict (ook wel genoemd een schulddelict) kan van medeplegen sprake zijn.

De rechtbank komt echter tot vrijspraak van het medeplegen en motiveert dat als volgt.

De rechtbank heeft wél vastgesteld dat verdachte en zijn medeverdachte gedurende langere tijd in een situatie die een wedstrijdachtig karakter kent met hoge snelheid vlak achter elkaar aan hebben gereden, hetgeen zelfs bij het ontbreken van een expliciete afspraak tussen verdachte en zijn medeverdachte als nauwe en bewuste samenwerking zou kunnen worden uitgelegd. De situatie die de diverse getuigen omschrijven kan immers worden omschreven als een situatie waarin verdachten elkaar hebben opgejut, waardoor hun snelheid tot duizelingwekkende hoogtes is opgelopen en zij minder oog voor hun omgeving moeten hebben gehad. Dit kan echter niet worden vastgesteld voor de situatie vlak vóór het ongeluk. Uit de NFI-meting gedaan 130 meter voor het ongeval blijkt dat (de beste schatter voor) de afstand tussen de voertuigen van verdachte en zijn medeverdachte 215 meter is geweest.

Dit is een veel grotere afstand dan de afstand die de getuigen eerder op de route beschrijven. Er zijn getuigen die beschrijven dat de Porsche bij de Mini vandaan reed en de Mini de Porsche niet kon bijhouden. Een getuige verklaart over het stuk na de flitspaal dat de tweede auto (de rechtbank begrijpt: de Mini) de eerste auto niet bijhield en daarna dat de tweede auto ‘al een beetje was afgehaakt’. Ook staat vast dat de medeverdachte niet op de verdachte en het slachtoffer is ingereden en dat noch de medeverdachte noch getuigen een situatie omschrijven dat de medeverdachte daarvoor ernstig moest remmen of een uitwijkmanoeuvre moest maken. Gelet op het voorgaande kan worden aangenomen dat tijdens de rit de medeverdachte wel heeft bijgedragen aan het verwerpelijke rijgedrag van verdachte, maar niet kan worden gezegd dat zijn bijdrage – met name over het laatste deel van het traject en op het moment van de aanrijding – dusdanig was dat van medeplegen van dood door schuld in het verkeer sprake is.

Verdachte zal daarom van het onder feit 1 tenlastegelegde worden vrijgesproken voor zover dit feit ziet op het medeplegen.

De rechtbank acht voor het overige het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op de wijze zoals hieronder vermeld.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

Primair

op 16 maart 2016 te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto merk Porsche, type 911 Carrera S, kenteken [kenteken] ),

rijdend over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, namelijk de Tjalk en De Nieuw-Loosdrechtsedijk, zich zodanig roekeloos heeft gedragen, dat een aan zijn, verdachtes, schuld te wijten verkeersongeval heeft plaats gevonden, hierin bestaande dat,

na voorafgaand alcoholgebruik van verdachte,

verdachte en [medeverdachte] over een afstand van ongeveer 3100 meter, relatief (zeer) dicht achter elkaar aan hebben gereden op de Tjalk en de Nieuw-Loosdrechtsedijk en daarbij onvoldoende hebben gelet op het overige verkeer en

terwijl de gereden snelheid van verdachte en [medeverdachte] over (een gedeelte van) die afstand veel hoger was dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en

terwijl de duisternis was ingetreden en

de Nieuw-Loosdrechtsedijk een onoverzichtelijke weg is met veel in- en afritten van woonhuizen, terwijl verdachte en [medeverdachte] van de wegsituatie op de hoogte waren,

waarbij verdachte op een afstand van ongeveer 130 meter voor de plaats van het verkeersongeval heeft gereden met een snelheid tussen de 150 en 183 kilometer per uur met als beste schatter voor de snelheid 167 kilometer per uur en op een afstand van ongeveer 45 meter voor de plaats van het verkeersongeval heeft gereden met een snelheid tussen de 149 en 170 kilometer per uur met als beste schatter voor de snelheid 160 kilometer per uur,

waardoor verdachte zijn motorrijtuig niet tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, waarna verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig is gebotst tegen een ander motorrijtuig (Toyota Aygo), waarin [slachtoffer] zich bevond, waardoor [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel heeft bekomen, dat zij daaraan is overleden,

terwijl bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, bloed 0,92 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn en de aanrijding is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat verdachte een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

2.

op 16 maart 2016 te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, als bestuurder van een voertuig, Porsche type 911 Carrera S, kenteken [kenteken] , dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,92 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd.

De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder feit 1 primair en feit 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen.

De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van deze wet en terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Ten aanzien van feit 2:

Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaren met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs van verdachte ingevorderd of ingehouden is geweest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt - naar voren gebracht dat verdachte het ongeval en de dood van het slachtoffer nooit heeft gewild. Verdachte moet met dit afgrijselijke ongeval leren leven. Hij heeft het zwaar te verduren, omdat Loosdrecht een kleine gemeenschap is en de buurt waarin hij woont al een oordeel heeft geveld. Daar komt de vaak zeer subjectieve en suggestieve berichtgeving in de kranten bij. De situatie heeft bij verdachte geleid tot psychische klachten en heeft ook zijn weerslag gehad op de resultaten van de onderneming van verdachte. De raadsman verzoekt met deze omstandigheden rekening te houden. Het feit dat in dit soort zaken het ongelukkige toeval een grote rol speelt, een verkeersovertreding van het slachtoffer heeft bijgedragen aan het ongeval en niet is uitgesloten dat medisch falen een rol heeft gespeeld bij het overlijden van het slachtoffer, moeten een matigend effect hebben op de hoogte van de op te leggen straf. De raadsman heeft onder verwijzing naar een aantal uitspraken van hoven en rechtbanken erop gewezen dat in soortgelijke zaken ook wel wordt volstaan met een taakstraf. Door oplegging van de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal het leven van verdachte worden geruïneerd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft door zijn roekeloze rijgedrag, bestaande uit het met extreem hoge snelheid rijden met teveel alcohol op, een verkeersongeval veroorzaakt ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Daarmee is [slachtoffer] beroofd van het hoogste rechtsgoed dat de wet beschermt: het leven. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen door de vader, de moeder en de zus van [slachtoffer] blijkt dat het overlijden van hun innig geliefde [slachtoffer] een grote schok en sterke gevoelens van verlies en onmetelijk verdriet teweeg heeft gebracht. De rechtbank begrijpt dat dit verdriet zich ook voordoet bij de vrienden en kennissen van [slachtoffer] . De straf die verdachte zal worden opgelegd in welke vorm en voor welke duur dan ook kan dit verlies niet goedmaken. Verdachte is verantwoordelijk voor de dood van [slachtoffer] . De rechtbank moet vaststellen dat verdachte door het tegen de klippen op blijven ontkennen van het met extreem hoge snelheid te rijden en het zelfs bezweren van het tegendeel, tegen de achtergrond van een stortvloed aan bewijs van deze snelheid, deze verantwoordelijkheid niet onder ogen lijkt te willen zien. De rechtbank neemt hem dit zeer kwalijk. De rechtbank heeft er oog voor dat verdachte in zijn woonomgeving en in de (sociale) media naar eigen zeggen al veroordeeld is, maar dat zal niet in strafmatigende zin worden meegenomen.

Het bewezenverklaarde rechtvaardigt een gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van langere duur. De rechtbank neemt als startpunt het LOVS oriëntatiepunt voor het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval met gebruik van alcohol en met een zeer hoge mate van schuld. In dit oriëntatiepunt wordt een strafmaat voorgesteld van drie jaar gevangenisstraf en vier jaar ontzegging van de rijbevoegdheid. Deze straf vindt de rechtbank in dit geval onvoldoende recht doen aan de ernst van het feit. De rechtbank wijst daarbij met name op de bewezenverklaarde roekeloosheid en op de extreem hoge snelheid waarmee verdachte heeft gereden, waarbij hij ook nadat hij op momenten bewust snelheid had geminderd, zoals bij de flitspaal, toch het risico weer opzocht door sterk te versnellen.

Dat verdachte alcohol had gedronken is des te kwalijker nu hij blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 september 2017 eerder al, in verschillende jaren, een transactie en twee strafbeschikkingen voor rijden onder invloed heeft gehad en hij twee keer door de politierechter voor rijden onder invloed is veroordeeld. Ook dat rekent de rechtbank verdachte aan.

De rechtbank zal aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaar.

De tijd gedurende welke het rijbewijs van verdachte ingevorderd en ingehouden is geweest zal op de duur van de ontzegging in mindering worden gebracht. De rechtbank heeft hierbij ook rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De rechtbank legt hiermee een lagere straf op dan de officier van justitie. Dit is naast voornoemde overwegingen gelegen in het feit dat de rechtbank anders dan de officier van justitie niet tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde komt.

9 BESLAG

Teruggave aan de rechthebbende

De rechtbank zal teruggave gelasten van de in beslag genomen Porsche 911 Carrera S met kenteken [kenteken] aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende van dit voorwerp kan worden aangemerkt, zijnde [benadeelde 1] B.V.

De rechtbank zal teruggave gelasten van de in beslag genomen Toyota Aygo met kenteken [kenteken] aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende van dit voorwerp kan worden aangemerkt.

De rechtbank constateert dat op de woning van verdachte conservatoir beslag rust.

Hierover zal, nu dit beslag niet aan de rechtbank voorligt, geen beslissing worden genomen.

10a BENADEELDE PARTIJEN [benadeelde 2] en [benadeelde 3]

[benadeelde 2] en [benadeelde 3] , nabestaanden van slachtoffer [slachtoffer] , vertegenwoordigt door mr. A.J.J.G. Schijns, hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vorderen een bedrag van € 87.585,84. Dit bedrag bestaat uit € 7.585,84 aan materiële schade en € 80.000,00 aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit. Daarnaast worden de kosten rechtsbijstand voor een bedrag van € 11.880,00 gevorderd.

Als een slachtoffer als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit is komen te overlijden kan een nabestaande als erfgenaam onder algemene titel een vordering van het slachtoffer verkrijgen. Dit betreft een vordering voor schade veroorzaakt bij het inmiddels overleden slachtoffer waarvoor een derde aansprakelijk is. De erfgenaam treedt in de positie van de overledene en de derde is aansprakelijk voor deze schade jegens de erfgenaam. Vermogensschade gaat onder algemene titel over. De rechtbank overweegt daarom wat betreft de materiële schade als volgt.

Vergoeding van de dagwaarde van de Toyota Aygo

De benadeelde partij vordert de dagwaarde van de auto van het slachtoffer 1,5 jaar geleden. Voor de berekening van de dagwaarde is door de benadeelde partij de huidige dagwaarde genomen verhoogd met 10%. Zij gaat daarbij uit van minimaal € 3.300,00 en maximaal

€ 4.400,00 en vordert met een bedrag van € 3.850,00 het gemiddelde van deze bedragen. Namens de verdediging is aangevoerd dat een goed onderhouden Toyota Aygo een waarde van tussen de € 2.700,00 en € 3.550,00 heeft.

De rechtbank stelt het bedrag uitgaande van de beschikbare gegevens naar redelijkheid en billijkheid vast op € 3.300,00.

De vordering zal op dit punt voor dit bedrag worden toegewezen en voor het overige deel zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

Jas

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 779,95 voor de kostbare merk jas die het slachtoffer ten tijde van het ongeval droeg en die door de hulpdiensten doormidden is geknipt. Uit de bon die is bijgevoegd blijkt dat dit de prijs is van de jas. De jas is op 25 september 2014 gekocht en was derhalve ten tijde van het ongeval anderhalf jaar oud. De rechtbank matigt daarom het bedrag en stelt het bedrag naar redelijkheid en billijkheid vast op € 500,00. De vordering zal op dit punt voor dit bedrag worden toegewezen en voor het overige deel zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

Daggeldvergoeding ziekenhuis, eigen risico zorgverzekering en urnen

De voor deze posten gevraagde vergoedingen zijn door de verdediging niet betwist.

De rechtbank zal de gevorderde bedragen van € 392,00, € 96,77 respectievelijk € 1.919,06 toewijzen nu deze de rechtbank niet onredelijk voor komen.

Opvragen medische informatie

Er is door de benadeelde partij medische informatie opgevraagd bij het UMCU om de vordering te kunnen onderbouwen. Het UMCU heeft daarvoor in totaal een bedrag van

€ 281,56 in rekening gebracht, waarvan door de benadeelde partij vergoeding wordt gevraagd. De rechtbank is van oordeel dat de vordering op dit punt voldoende is onderbouwd en wijst dit bedrag dan ook toe.

Kosten doorlopende WAM-verzekering

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 276,50, omdat zij over de periode april 2016 tot en met juli 2016 de premies van de WAM-verzekering voor de auto van het slachtoffer heeft moeten doorbetalen. De auto was inbeslaggenomen, terwijl de verzekeringsplicht doorliep. De rechtbank is van oordeel dat de kosten van deze verzekering hadden kunnen worden voorkomen dan wel in ieder geval hadden kunnen worden beperkt, bijvoorbeeld door de auto te laten schorsen. Van de benadeelde partij mag worden verwacht dat de schade zoveel mogelijk wordt beperkt. Nu in dit geval aan die plicht niet is voldaan, wijst de rechtbank de vordering op dit punt af.

Immateriële schade

Om als nabestaande als erfgenaam onder algemene titel een vordering van het slachtoffer te kunnen verkrijgen wat betreft immateriële schade geldt als voorwaarde dat de overledene bij leven kenbaar heeft gemaakt aanspraak op deze schade te willen maken. Dit volgt uit artikel 6:106, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank is van oordeel dat namens de benadeelde partij onvoldoende duidelijk is gemaakt of aan het bepaalde in genoemd artikel is voldaan. De rechtbank zal de benadeelde partij als gevolg daarvan voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Kosten rechtsbijstand

Voor rechtsbijstand gevorderde kosten komen voor toewijzing in aanmerking. Nu ter terechtzitting geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken waarom er afgeweken zou moeten worden van het liquidatietarief, is de rechtbank van oordeel dat voor de vaststelling van die vergoeding het bij de behandeling van civiele zaken gebruikelijke liquidatietarief van rechtbanken en gerechtshoven als uitgangspunt gehanteerd dient te worden.

Bij de berekening – op grond van genoemd liquidatietarief – heeft de rechtbank gelet op de verrichte werkzaamheden, te weten het indienen van de vordering (1 punt), het bijwonen van twee regie-zittingen en de inhoudelijke zitting (3 punten) en een schriftelijk pleidooi ter zitting (1 punt).

De geldswaarde ligt in casu tussen de € 10.000,00 en € 20.000,00, zodat tarief II geldt (een tarief van € 452,00 per punt).

In totaal komt daarmee in aanmerking een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van (5 x € 452,00 =) € 2.260,00. De rechtbank zal dat bedrag toekennen en het verzoek voor het overige afwijzen.

Totaal

De rechtbank zal aldus de vordering van de benadeelde partij wat betreft de materieel gevorderde schade toewijzen tot het bedrag van (€ 3.300,00 + € 500,00 + € 392,00 + € 96,77 + € 281,56 + € 1.919,00 = ) € 6.489,33, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 16 maart 2016 tot de dag van volledige betaling.

De rechtbank zal de vordering wat betreft de kosten van de doorlopende WAM-verzekering afwijzen.

De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering voor zover deze ziet op de overige materiële schade en de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 2] en [benadeelde 3] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 6.489,33, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 16 maart 2016 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 67 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op grond van het zogenoemde liquidatietarief in civiele zaken. De rechtbank kent 5 punten toe zodat de kosten tot op heden worden begroot op

€ 2.260,00.

10b BENADEELDE PARTIJ [benadeelde 1] B.V.

[benadeelde 1] B.V. heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 43.060,67. Dit bedrag bestaat uit materiële schade en ziet op vergoeding van de schade aan de Porsche, die door verdachte van [benadeelde 1] wordt geleased.

De rechtbank overweegt dat de vordering van een benadeelde partij alleen voor toewijzing in aanmerking komt als een benadeelde partij rechtstreeks is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. In deze zaak is bewezen verklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Dit artikel beschermt het belang van het menselijk leven, de lichamelijke gezondheid en integriteit en in meer algemene zin de verkeersveiligheid. Vergoeding van schade aan een auto aan de leasemaatschappij valt niet onder dit beschermd belang. De benadeelde partij zal daarom in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 24c, 57 en 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Ontvankelijkheid officier van justitie

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaren;

- ontzegt verdachte ter zake van het onder feit 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaren;

- bepaalt dat de duur van de ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest;

Benadeelde partij [benadeelde 2] en [benadeelde 3]

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 2] en [benadeelde 3] van het toegewezen bedrag van € 6.489,33 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2016 tot de dag van de algehele voldoening;

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde 2] en [benadeelde 3] af voor zover deze ziet op de kosten van de doorlopende WAM-verzekering;

- verklaart [benadeelde 2] en [benadeelde 3] voor wat betreft de meer gevorderde materiële schade en de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] en [benadeelde 3] aan de Staat € 6.489,33 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2016 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 67 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op € 2.260,00;

Benadeelde partij

- verklaart benadeelde partij [benadeelde 1] B.V., voor wie [B] als vertegenwoordiger optreedt, niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

Beslag

- gelast de teruggave aan rechthebbende [benadeelde 1] B.V. van het volgende voorwerp:

 grijze personenauto, Porsche 911, kenteken [kenteken] (1666507);

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van het volgende voorwerp:

 zwarte personenauto, Toyota Aygo, kenteken [kenteken] (1666508).

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C.J. Hamming, voorzitter, mrs. K.G. van de Streek en W.S. Ludwig, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 november 2017.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 16 maart 2016 te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto merk Porsche, type 911 Carrera S, kenteken [kenteken] ), tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , eveneens als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een ander motorrijtuig (personenauto merk Mini, type Cooper, kenteken [kenteken] ), althans alleen,

rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, namelijk de Tjalk en/of De Nieuw-Loosdrechtsedijk, zich zodanig roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend heeft/hebben gedragen, dat een aan zijn/hun, verdachte en/of [medeverdachte] schuld te wijten verkeersongeval heeft plaats gevonden, hierin bestaande dat,

al dan niet na voorafgaand alcoholgebruik van verdachte,

verdachte en/of [medeverdachte] over een afstand van ongeveer 3100 meter, althans over enige afstand, relatief (zeer) dicht achter elkaar aan heeft/hebben gereden (op de Tjalk en/of de Nieuw-Loosdrechtsedijk) en/of daarbij zijn/hun aandacht (voortdurend) heeft/hebben gericht op het door zijn mededader bestuurde motorrijtuig, althans niet, althans onvoldoende

heeft/hebben gelet op het voor hem/hun gelegen gedeelte van de weg en/of op het overige verkeer en/of

terwijl de gereden snelheid van verdachten en/of [medeverdachte] over (een gedeelte van) die afstand (veel) hoger was dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse (gelet op de toen geldende omstandigheden) toegestaan en/of verantwoord was en/of

terwijl de duisternis was ingetreden en/of

de Nieuw-Loosdrechtsedijk een onoverzichtelijke/gevaarlijke weg is met veel in- en afritten van woonhuizen die slecht te zien zijn vanaf de weg, terwijl verdachte en/of [medeverdachte] van de wegsituatie op de hoogte was/waren,

(waarbij) verdachte op een afstand van (ongeveer) 130 meter voor de plaats van het verkeersongeval heeft gereden met een snelheid tussen de 150 en 183 kilometer per uur (met als beste schatter voor de snelheid 167 kilometer per uur) en/of op een afstand van ongeveer 45 meter voor de plaats van het verkeersongeval heeft gereden met een snelheid tussen de 149 en 170 kilometer per uur (met als beste schatter voor de snelheid 160 kilometer per uur), in elk geval met snelheden/een snelheid die (veel) hoger waren/was dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een (veel) hogere snelhe(i)d(en) dan ter plaatse (gelet op de toen geldende omstandigheden en de aard van de weg) toegestaan en/of verantwoord was,

waardoor verdachte zijn motorrijtuig niet tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was, waarna verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig is gebotst tegen een ander motorrijtuig (Toyota Aygo), waarin [slachtoffer] zich bevond, waardoor [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel heeft bekomen, dat zij daaraan is overleden,

terwijl bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, bloed 0,92 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn en/of de aanrijding is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat verdachte een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

Subsidiair

hij, op of omstreeks 16 maart 2016, te Loosdrecht, Gemeente Wijdemeren, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto merk Porsche, type 911 Carrera S, kenteken [kenteken] ), tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , eveneens als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een ander motorrijtuig (personenauto merk Mini, type Cooper, kenteken [kenteken] ), althans alleen,

rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, zich zodanig heeft/hebben gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd of kon worden gehinderd

immers heeft/hebben verdachte en/of [medeverdachte] ,

al dan niet na voorafgaand alcoholgebruik van verdachte,

rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, namelijk de Tjalk en/of De Nieuw-Loosdrechtsedijk, over een afstand van ongeveer 3100 meter, althans over enige afstand, relatief (zeer) dicht achter elkaar aan gereden (op de Tjalk en/of de Nieuw-Loosdrechtsedijk) en/of daarbij zijn/hun aandacht (voortdurend) heeft/hebben gericht op het door zijn mededader bestuurde motorrijtuig, althans niet, althans onvoldoende heeft/hebben gelet op het voor hem/hun gelegen gedeelte van de weg en/of op het overige verkeer

en/of

terwijl de gereden snelheid van verdachten en/of [medeverdachte] over (een gedeelte van) die afstand (veel) hoger was dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse (gelet op de toen geldende omstandigheden) toegestaan en/of verantwoord was en/of

terwijl de duisternis was ingetreden en/of

de Nieuw-Loosdrechtsedijk een onoverzichtelijke/gevaarlijke weg is met veel in- en afritten van woonhuizen die slecht te zien zijn vanaf de weg, terwijl verdachte en/of [medeverdachte] van de wegsituatie op de hoogte was/waren,

(waarbij) verdachte op een afstand van (ongeveer) 130 meter voor de plaats van het verkeersongeval heeft gereden met een snelheid tussen de 150 en 183 kilometer per uur (met als beste schatter voor de snelheid 167 kilometer per uur) en/of op een afstand van ongeveer 45 meter voor de plaats van het verkeersongeval heeft gereden met een snelheid tussen de 149 en 170 kilometer per uur (met als beste schatter voor de snelheid 160 kilometer per uur), in elk geval met snelheden/een snelheid die (veel) hoger waren/was dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een (veel) hogere snelhe(i)d(en) dan ter plaatse (gelet op de toen geldende omstandigheden en de aard van de weg) toegestaan en/of verantwoord was,

waardoor verdachte zijn motorrijtuig niet tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was, waarna verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig is gebotst tegen een ander motorrijtuig (Toyota Aygo), waarin [slachtoffer] zich bevond, waardoor [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel heeft bekomen, dat zij daaraan is overleden.

2.

hij op of omstreeks 16 maart 2016 te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, althans in het arrondissement Midden-Nederland, als bestuurder van een voertuig, Porsche type 911 Carrera S, kenteken [kenteken] ), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,92 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

1 Proces-verbaal nr. PL0900-2016081244-85, blz. 486 tot en met 488 van het proces-verbaal nr. PL0900-2016081244.

2 Proces-verbaal nr. PL0900-2016081244-81, los en ongenummerd aan het dossier toegevoegd.

3 Proces-verbaal nr. PL0900-2016081244-80, los en ongenummerd aan het dossier toegevoegd.

4 Proces-verbaal nr. PL0900-2016081244-90, blz. 493 van het proces-verbaal nr. PL0900-2016081244.

5 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 22 januari 2017, genummerd PL0900-2016081244, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd blz. 1 tot en met blz. 498. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

6 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, blz. 22.

7 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, blz. 57.

8 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, blz. 22.

9 Overzichtsfoto’s van de Nieuw-Loosdrechtsedijk, blz. 284 en 285.

10 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, blz. 23.

11 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, blz. 24.

12 Verklaring van verdachte [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting van 3 november 2017.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 449.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 451 laatste alinea en blz. 452 eerste alinea.

15 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 155.

16 Proces-verbaal rijden onder invloed, blz. 396.

17 Proces-verbaal rijden onder invloed, blz. 396 en 397.

18 Rapport NFI d.d. 30 maart 2016, blz. 401.

19 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 3 november 2017.

20 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 221.

21 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 222.

22 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 240.

23 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 241.

24 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 227.

25 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 163.

26 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 164.

27 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 166.

28 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 167.

29 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 182.

30 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 192.

31 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 3 november 2017.

32 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 201.

33 Proces-verbaal van verhoor getuige, blz. 202.

34 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 211 en 212, met bijlagen op blz. 213, 214 en 215.

35 Rapport Nederlands Forensisch Instituut van 18 november 2016, blz. 357.

36 Rapport Nederlands Forensisch Instituut van 18 november 2016, blz. 358.

37 Verslag medische deskundige, los nagekomen, blz. 3.

38 Verslag medische deskundige, los nagekomen, blz. 4.

39 Rapport Nederlands Forensisch Instituut ‘pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van 28 juli 2016, blz. 142 en 143.

40 HR 12 september 1978, NJ 1979/60.