Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5712

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
15-11-2017
Zaaknummer
16/707437-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twee 24-jarige mannen uit Utrecht en Amsterdam zijn door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld voor grootschalige drugshandel en witwassen van bitcoins in 2014 en 2015. De verdachte die als drijvende kracht het grootste aandeel had in het witwassen, een 24-jarige Utrecht, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar. De medeverdachte uit Amsterdam krijgt een celstraf opgelegd van 4,5 jaar.

De twee mannen hebben ruim een half jaar grote hoeveelheden harddrugs naar verschillende landen opgestuurd, waaronder Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Spanje en Japan. In totaal is er 10 kilo aan drugs verhandeld, met name speed en XTC-pillen. De harddrugs werden verkocht op het darknet in ruil voor bitcoins. De mannen verhulden de herkomst van deze bitcoins via een bitcoin mixing service. Via zo’n service werden de ontvangen bitcoins gemengd en weer uitgedeeld.

Nadat de drugshandel stilviel, is één van de verdachten zich toe gaan leggen op bitcoinhandel. De 24-jarige man uit Utrecht heeft op grote schaal bitcoins ingekocht waarvan is gebleken dat een groot deel ervan door derden op het darknet is verdiend. In totaal gaat het daarbij om ruim 20.000 bitcoins. De geschatte waarde in 2015 (het jaar waarin dit zich voordeed) van de verzilverde bitcoins is ruim 5 miljoen euro. De bitcoins werden contant ingekocht en via bitcoinbeurzen verkocht, waarbij de verdachte een hoge provisie ontving. De 24-jarige Utrechter verzocht zijn medeverdachten om te helpen het door hem per bank voor de bitcoins ontvangen bedrag te pinnen, zodat hij opnieuw contant bitcoins kon inkopen.

In deze zaak stonden nog vier andere verdachten terecht. Een 28-jarige vrouw uit Utrecht en een 25-jarige vrouw uit Rotterdam hebben zich schuldig gemaakt aan witwassen. Zij zijn veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden en een taakstraf van 180 uur. Een 51-jarige vrouw uit Utrecht krijgt voor haar aandeel in het witwassen en het bezit van tien scherpte patronen een geldboete opgelegd van 30.000 euro. De rechtbank spreekt een 49-jarige man uit Utrecht vrij van witwassen, omdat niet kan worden vastgesteld dat hij wist dat het door hem gepinde geld uit een misdrijf afkomstig was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/707437-15 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 14 november 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1968] te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te [woonplaats] , op het adres [adres] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen. De inhoudelijke behandeling ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 19, 20 en 21 september 2017. Ter zitting van 31 oktober 2017 is het onderzoek gesloten. Eerder is de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2016, 8 september 2016, 8 november 2016 en 6 februari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T. Tanghe en van hetgeen mrs. S. Schuurman en C.C. Polat, beiden advocaat te Breukelen, naar voren hebben gebracht. Verdachte is zelf niet ter terechtzitting verschenen.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting van 19 september 2017 gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: in de periode van 19 november 2014 tot en met 7 november 2015 te Utrecht al dan niet samen met anderen een zeer groot geldbedrag en een personenauto Volkswagen Polo voorzien van kenteken [kenteken] , heeft witgewassen en van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

dan wel

subsidiair: in dezelfde periode en op dezelfde plaats medeplichtig is geweest aan genoemde handelingen;

Feit 2: in de periode van 19 november 2014 tot en met 12 oktober 2015 te Utrecht heeft deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op witwassen en/of handel in verdovende middelen en/of uitvoer van verdovende middelen.

3 VOORVRAGEN

3.1

Nietigheid van de dagvaarding

3.1.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 (partieel) nietig dient te worden verklaard. Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan het witwassen van een zeer groot geldbedrag. Doordat geen concreet bedrag wordt genoemd, is onvoldoende duidelijk waartegen verdachte zich dient te verdedigen, aldus de raadsman.

3.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de dagvaarding geldig te verklaren. Gelet op de inhoud van het dossier is voor verdachte voldoende duidelijk waarvan hij wordt verdacht, te weten het witwassen van de geldbedragen die hij heeft gepind alsmede van het in de woning van verdachte aangetroffen geldbedrag.

3.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. Niet slechts de tekst van de tenlastelegging, maar ook de inhoud van het onderliggende dossier is daarbij van belang. In de zaakdossiers betreffende het ten laste gelegde witwassen en in de tenlastelegging onder feit 1 wordt beschreven dat verdachte wordt beschuldigd van het witwassen van het in zijn huis aangetroffen geldbedrag en van opgenomen geldbedragen in Nederland en Marokko. Hoewel het in feit 1 genoemde geldbedrag niet is gespecificeerd, is tegen de achtergrond van die zaakdossiers en de verfeitelijking onder feit 1 subsidiair naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk waartegen verdachte zich moest verweren. De rechtbank verklaart de dagvaarding geldig.

3.2

Overige voorvragen

De rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 VRIJSPRAAK

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat verdachte in opdracht van zijn zoon [medeverdachte 1] meermalen van verschillende bankrekeningen grote geldbedragen heeft opgenomen, vervoerd en afgedragen, terwijl zijn zoon geen (omvangrijk) legaal inkomen genoot. Gelet daarop moet verdachte hebben geweten dat die geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. Daarnaast is uit onderzoek gebleken dat het in de woning aangetroffen geldbedrag, gelet op de inkomsten van verdachte en zijn vrouw, geen legale herkomst kan hebben. Het strafbare handelen vindt tevens bevestiging in de omstandigheid dat verdachte kort na de aanhouding van zijn zoon rekeningen op zijn eigen naam in Marokko heeft leeggehaald. Ook kan deelname aan een criminele organisatie volgens de officier van justitie worden bewezen, nu verdachte gedragingen heeft ondersteund die strekten tot en rechtstreeks verband hielden met het verwezenlijken van het oogmerk van de organisatie, te weten witwassen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1, nu hij niet wist of had moeten vermoeden dat de geldbedragen van enig misdrijf afkomstig waren. Verdachte is uitgegaan van de verklaringen van zijn zoon [medeverdachte 1] dat zijn bedrijf [bedrijf] succesvol was. Hij heeft dan ook geen vraagtekens gezet bij de hoogte van de door hem gepinde geldbedragen. Ook blijkt uit de door zijn zoon afgelegde verklaring dat verdachte niets begreep van de handel in bitcoins. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat medeplegen niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu de rol van verdachte minimaal was. Uit het dossier kan voorts geen betrokkenheid van verdachte worden afgeleid bij de opname van de geldbedragen van de bankrekening van zijn zoon in Marokko.

Tot slot heeft de raadsman bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 2, nu geen sprake is van een criminele organisatie dan wel een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband. Daarbij komt dat verdachte geen opzet had op deelname aan de organisatie of op het oogmerk van de organisatie, aldus de raadsman.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1:

Witwassen van € 12.390,57

Op 13 oktober 2015 is de woning van verdachte aan de [adres] in [woonplaats] doorzocht. In verschillende kamers wordt in meubels, kledingstukken, een tas en een vaas een geldbedrag van in totaal € 12.390,57 aangetroffen. In deze woning zijn naast verdachte en zijn zoon [medeverdachte 1] drie andere personen woonachtig. Gelet hierop en de wijze waarop het geldbedrag verspreid in de woning is aangetroffen, kan niet worden vastgesteld dat dit geldbedrag afkomstig is uit de drugs- of bitcoinhandel van [medeverdachte 1] . Evenmin kan uit het dossier worden afgeleid dat dit geldbedrag een andere criminele herkomst heeft.

Concluderend acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat het in de woning aangetroffen geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is en zal zij verdachte van de verdenking van het witwassen van dit bedrag vrijspreken.

Pinnen in Nederland

Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte op verzoek van zijn zoon [medeverdachte 1] meermalen grote geldbedragen van de rekeningen van [medeverdachte 2] (hierna aan te duiden als: [medeverdachte 2] ) en van [bedrijf] , het bedrijf van zijn zoon, heeft gepind. Verdachte wist, naar eigen zeggen, dat deze geldbedragen afkomstig waren van de handel van zijn zoon. De vraag die aan de rechtbank voorligt is of verdachte wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat deze geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren. De rechtbank acht dit onvoldoende bewezen. Verdachte heeft op verzoek van zijn zoon in goed vertrouwen geldbedragen van de rekening van het bedrijf van zijn zoon en van [medeverdachte 2] opgenomen, terwijl verdachte wist dat er enig zakelijk verband bestond tussen zijn zoon en [medeverdachte 2] . Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte geen vraagtekens hoefde te plaatsen bij het pinnen van geldbedragen van de rekening van [medeverdachte 2] . Gezien de vertrouwensband en de vader-zoon relatie, hoefde verdachte evenmin te twijfelen aan de herkomst van deze geldbedragen. De hoogte van de geldbedragen maakt dit niet anders, temeer nu het totaalbedrag dat verdachte heeft gepind niet kan worden afgeleid uit het dossier.

Slotsom van het voorgaande is dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat de geldbedragen die hij pinde van enig misdrijf afkomstig waren, zodat verdachte van het witwassen van deze bedragen dient te worden vrijgesproken.

Pinnen in Marokko

Uit het proces-verbaal van bevindingen uitvoering rechtshulp Marokko blijkt dat verdachte de twee op zijn naam staande bankrekeningen na de aanhouding van [medeverdachte 1] heeft leeggehaald door de daarop staande geldbedragen op te nemen of over te boeken. Vervolgens heeft verdachte deze rekeningen opgeheven. Aan de hand van het dossier kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat deze geldbedragen middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig waren. Dit geldt temeer nu één van de geldbedragen al voor 31 december 2013 op verdachtes rekening stond, zodat dit geldbedrag niet afkomstig kan zijn uit de bitcoinhandel van zijn zoon.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de criminele herkomst van de in Marokko opgenomen geldbedragen niet kan worden vastgesteld. Dat de geldbedragen zijn gepind om deze te onttrekken aan het beslag kan niet worden uitgesloten, maar levert op zichzelf geen (schuld)witwassen als bedoeld in artikel 420bis of 420quater van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op.

De rechtbank merkt volledigheidshalve op dat de officier van justitie te kennen heeft gegeven, nadat hem dat expliciet was gevraagd, dat het proces-verbaal zaakdossier witwassen van 13 september 2017 niet is gevoegd in de zaak van verdachte.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder 1, primair en subsidiair, ten laste is gelegd, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Feit 2:

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake indien het een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen betreft dat als oogmerk heeft het plegen van misdrijven. In het algemeen is vereist dat verdachten een aandeel hebben in het samenwerkingsverband, dan wel de gedragingen ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voor opzettelijke deelneming is voldoende dat verdachten in algemene zin weten dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft.

Criminele organisatie, gericht op handel en/of uitvoer van verdovende middelen

Er zijn geen aanknopingspunten in het dossier waaruit kan worden afgeleid dat verdachte bij een dergelijke criminele organisatie betrokken is geweest.

Criminele organisatie, gericht op witwassen

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is geweest van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband. [medeverdachte 1] kan worden aangemerkt als de initiator en drijvende kracht inzake de bitcoinhandel die anderen, waaronder verdachte, heeft geïnstrueerd om grote geldbedragen te pinnen. Hoewel deze personen ieder afzonderlijk kunnen worden gerelateerd aan [medeverdachte 1] , is niet gebleken dat zij op de hoogte waren van elkaars handelen en dat zij met hem en/of met elkaar een gestructureerd samenwerkingsverband vormden.

5 BESLAG

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de teruggave te gelasten van de onder verdachte inbeslaggenomen goederen, zoals vermeld op de beslaglijst.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen aan hem terug te geven.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de op de beslaglijst vermelde voorwerpen waarop strafrechtelijk beslag ligt onder verdachte in beslag zijn genomen. De rechtbank zal de teruggave van die inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte gelasten.

6 BESLISSING

De rechtbank:

Geldigheid dagvaarding

- verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde geldig;

Vrijspraak

- verklaart het onder 1, primair en subsidiair, en onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:

  • -

    2 STK Armband (296333);

  • -

    1 STK Armband (296334);

  • -

    1 STK Ring (296335);

  • -

    1 STK Armband (296336);

  • -

    1 STK Armband (296337);

  • -

    1 STK Armband (296338);

  • -

    2 STK Armband (296339);

  • -

    2 STK Sieraad (296440);

  • -

    1 STK Sieraad (296341).

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van Straalen, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en J.G. van Ommeren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Rigter, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 november 2017.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt, na wijziging, ten laste gelegd dat:

1.

primair

hij in of omstreeks 19 november 2014 tot en met 15 januari 2016, te Utrecht, althans in Nederland en/of Marokko,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (telkens) (een) voorwerp(en), te weten (telkens)

- een zeer groot (giraal en/of contant) geldbedrag en/of

en/of

- een auto (Volkswagen, Polo, voorzien van het kenteken [kenteken] ),

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft

omgezet en/of

van bovengenoemd(e) voorwerp(en) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of

van (een of meer van) bovengenoemde voorwerpen, gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) geheel

of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig

misdrijf,

en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

artikel 420quarter

subsidiair:

Een of meer anderen op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 november 2014 tot en met 15 januari 2016 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, en/of Marokko al dan niet tezamen en in vereniging, (telkens)

  • -

    Een zeer groot (giraal en/of contant) geldbedrag, in elk geval een of meer (groot/grote) geldbedrag(en), en/of

  • -

    Een auto (Volkswagen Polo, voorzien van het kenteken 76-RFF-91)

heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of heeft hebben omgezet en/of

van bovengenoemd(e) voorwerp(en) (telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of heeft/hebben verhuld en/of

(telkens) van een of meer van bovengenoemd(e) voorwerp(en) gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl die ander(en) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die/dat voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk

- onmiddellijk of middelijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en/of die ander(en) van het plegen van dit feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt,

bij en/of tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, op een of meer tijdstippen in of omstreeks die periode van 19 november 2014 tot en met

15 januari 2016 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, en/of in Marokko (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of de gelegenheid en/of de middelen en/of de inlichtingen heeft verschaft door in zijn woning een of meer (groot/grote) contante geldbedragen te bewaren, althans aldaar voorhanden te hebben, en/of door (in Marokko en/of in Nederland) een of meer (groot/grote) geldbedrag(en) van de bankrekening(en) op naam van hem, verdachte, en/of op naam van zijn zoon [medeverdachte 1] (in contanten) op te nemen en/of te vervoeren, althans voorhanden te hebben, en/of door een of meer (groot/grote) geldbedrag(en) van de bankrekening(en) op naam van [medeverdachte 2] en/of een of meer anderen, (in contanten) op te nemen en/of te vervoeren, althans voorhanden te hebben;

2.

hij in of omstreeks de periode van 19 november 2014 tot en met 13 oktober 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie,

bestaande uit een samenwerkingsverband van een of meer natuurlijke personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten witwassen en/of handel van verdovende middelen als bedoeld in de Opiumwet en/of uitvoer van verdovende middelen als bedoeld in de Opiumwet.

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht