Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5677

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-11-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
C/16/433341 / HA ZA 17-191
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gevolgen overdracht op grond van nietige overeenkomst (naar aanleiding van oordeel rechtbank in zaak ECLI:NL:RBMNE:2016:1547). Gezag van gewijsde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/433341 / HA ZA 17-191

Vonnis van 8 november 2017

in de zaak van

[eiser] ,

woonplaats [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. O. Hammerstein te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

woonplaats [woonplaats 2] ,

gedaagden,

advocaat mr. R.F. Vonk te Ede Gld.

De rechtbank noemt eiser hierna: [eiser] en gedaagden: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .

1 De procedure

1.1.

De procedure is als volgt verlopen:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    het tussenvonnis van 19 april 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 31 augustus 2017 en de brief van 7 september 2017 van mr. Vonk met aanvullende opmerkingen over het proces-verbaal.

1.2.

De rechtbank heeft bepaald dat er vonnis wordt gewezen.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] (in de persoon van [gedaagde sub 2] ) heeft sinds 2001 advieswerkzaamheden op financieel gebied verricht voor [eiser] .

2.2.

[eiser] was eigenaar van twee Ferrari’s: een Ferrari 308 GTS en een Ferrari Testarossa. In september 2010 heeft [eiser] een pandrecht verleend op de twee Ferrari’s aan [gedaagde sub 1] . Op 3 november 2010 hebben [eiser] en [gedaagde sub 1] een overeenkomst getekend waarbij het pandrecht wordt omgezet in eigendom van [gedaagde sub 1] . Op 9 oktober 2014 is [eiser] door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant veroordeeld om de Ferrari’s af te geven aan [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] heeft de Ferrari’s op 20 respectievelijk 28 oktober 2014 verkocht en geleverd aan een derde voor een bedrag van
€ 30.000,- (308 GTS) respectievelijk € 40.000,- (Testarossa).

2.3.

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 30 maart 2016 een vonnis gewezen tussen partijen, dat inmiddels onherroepelijk is geworden. De rechtbank komt in dat vonnis tot het oordeel dat de op 3 november 2010 tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] gesloten overeenkomst nietig is op grond van artikel 3:84 lid 3 BW omdat de overeenkomst ten doel had de Ferrari’s over te dragen tot zekerheid. De rechtbank overweegt verder dat de nietigheid meebrengt dat geen rechtsgeldige eigendomsoverdracht van de Ferrari’s van [eiser] op [gedaagde sub 1] heeft plaatsgevonden. Daarmee vallen partijen terug op hun oude rechtsverhouding, zoals vastgelegd in de pandakte, die haar werking heeft behouden, aldus de rechtbank in dat vonnis.

3 Het geschil en de beoordeling daarvan

3.1.

[eiser] vordert, samengevat,

I. primair dat gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld om [eiser] binnen 14 dagen na betekening van het vonnis in het bezit te stellen van de Ferrari’s en om mee te werken aan de wijziging van de tenaamstelling ten gunste van [eiser] , op straffe van een dwangsom;

II. subsidiair, voor het geval dat gedaagden niet meer in het bezit zijn van de Ferrari’s, een verklaring voor recht dat gedaagden hoofdelijk gehouden zijn om aan [eiser] de schade te vergoeden die hij heeft geleden omdat gedaagden de Ferrari’s op onrechtmatige wijze hebben vervreemd,
dat gedaagden worden veroordeeld om als voorschot op die schadevergoeding te betalen een bedrag van € 200.000,- en dat de schade voor het overige wordt opgemaakt bij staat;

met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

3.2.

In deze procedure staat de vraag centraal wat de gevolgen zijn van het overdragen van de Ferrari’s door [eiser] aan [gedaagde sub 1] terwijl inmiddels vaststaat dat de overeenkomst die daaraan ten grondslag lag, nietig is. Meer concreet is de vraag of gedaagden de Ferrari’s moeten teruggeven dan wel of zij schade moeten vergoeden aan [eiser] .

3.3.

De stellingen van [eiser] hierover zijn als volgt.

[gedaagde sub 1] is nooit eigenaar geworden van de Ferrari’s. Voor zover zij nog in bezit kan komen van de Ferrari’s, bijvoorbeeld door het uitoefenen van een ontbindings- of vernietigingsbevoegdheid, dient zij de auto’s terug te leveren aan [eiser] . Voor zover dat niet mogelijk is, moet zij de schade vergoeden doordat zij deze ongedaanmakingsverbintenis niet kan nakomen. De schade bedraagt de waarde van de Ferrari’s. Die waarde blijkt uit de taxatiecertificaten van 17 november 2016: € 94.000 (308 GTS) en € 120.000 (Testarossa). [gedaagde sub 2] heeft als bestuurder van [gedaagde sub 1] onrechtmatig tegenover [eiser] gehandeld en hem valt een ernstig persoonlijk verwijt te maken. Hij wist of moest begrijpen dat de Ferrari’s zonder rechtsgrond aan [gedaagde sub 1] waren gegeven en dat die op enig moment door [eiser] zouden worden teruggevorderd.

Gedaagden hebben daar het volgende tegenover gesteld.

De primaire vordering is onmogelijk uit te voeren. De verkoop van de Ferrari’s aan derden kan niet ongedaan worden gemaakt omdat de nieuwe eigenaren te goeder trouw zijn.

De overdracht van de Ferrari’s van [eiser] aan [gedaagde sub 1] en het vervolgens verkopen daarvan moet worden beschouwd als het uitwinnen van haar pandrecht. De vordering die [gedaagde sub 1] op [eiser] had ten tijde van de verkoop was hoger dan de verkoopopbrengst. Deze bedroeg namelijk € 96.031,65, maar in ieder geval € 72.821,88. De Ferrari’s waren in oktober 2014 samen niet meer waard dan € 70.000,-. Dat blijkt uit de taxatierapporten die destijds zijn gemaakt. Gedaagden bestrijden de deskundigheid van de persoon die de taxatiecertificaten, die [eiser] overlegt, heeft gemaakt. Zij wijzen er verder op dat deze persoon de Ferrari’s niet heeft gezien en de (slechte) onderhoudstoestand niet in aanmerking neemt. Gedaagden bestrijden dat [gedaagde sub 2] aansprakelijk is.

3.4.

Bij de bespreking van de stellingen van partijen komen die meer in detail aan de orde.

Gevolgen nietigverklaring overeenkomst 3 november 2010

3.5.

Het gevolg van de nietigverklaring van de overeenkomst van 3 november 2010 is dat er geen rechtsgeldige eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden van [eiser] op [gedaagde sub 1] . Normaal gesproken betekent dit dat [gedaagde sub 1] de Ferrari’s zou moeten teruggeven aan [eiser] . Dat volgt immers uit artikel 6:203 lid 1 BW. Indien teruggave niet mogelijk is, zou [gedaagde sub 1] , als bezitter niet te goeder trouw, op grond van artikel 6:162 BW (zie ook artikel 6:206 BW in combinatie met artikel 3:121 BW) aan [eiser] de schade moeten vergoeden die hij heeft geleden door de onbevoegde overdracht en het voortduren van het bezit niet te goeder trouw. Dat [gedaagde sub 1] niet als een bezitter te goeder trouw van de Ferrari’s is aan te merken volgt uit het oordeel van de rechtbank in het vonnis van 30 maart 2016 (rechtsoverweging 4.8 tot en met 4.11).

In dit geval is echter van belang dat [eiser] pandrecht had verleend op de Ferrari’s aan [gedaagde sub 1] . De rechtbank heeft in het (onherroepelijke) vonnis van 30 maart 2016 al overwogen dat partijen door de nietigverklaring terugvallen op hun oude rechtsverhouding, zoals vastgelegd in de pandakte. Ook partijen gaan daarvan uit. Het gevolg van de nietigverklaring is dat de overdracht van [eiser] aan [gedaagde sub 1] geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden. In die situatie zou [eiser] in oktober 2014 nog eigenaar zijn van de Ferrari’s, die echter bezwaard waren met een pandrecht ten gunste van [gedaagde sub 1] . Vervolgens moet worden beoordeeld wat er in die situatie zou zijn gebeurd.

3.6.

Vaststaat dat [gedaagde sub 1] meende een substantiële vordering te hebben op [eiser] en dat zij die vordering heeft opgeëist kort na juni 2014, toen [eiser] is opgehouden te betalen op de facturen die [gedaagde sub 1] aan hem stuurde. De rechtbank vindt aannemelijk, en [eiser] heeft dat ook niet gemotiveerd betwist, dat [gedaagde sub 1] in die situatie het pandrecht op (onder andere) de Ferrari’s zou hebben uitgewonnen. Feitelijk zou [gedaagde sub 1] dan op hetzelfde moment als hij heeft gedaan (oktober 2014) afgifte van de Ferrari’s hebben afgedwongen en de Ferrari’s hebben verkocht. [gedaagde sub 1] had zich dan op de opbrengst verhaald tot de hoogte van haar vordering en het eventuele restant moeten voldoen aan [eiser] . De rechtbank moet dan ook beoordelen 1. of [gedaagde sub 1] ten tijde van de veronderstelde uitwinning van het pandrecht een vordering had op [eiser] , 2. hoe hoog die vordering was, 3. wat de reële verkoopwaarde van de Ferrari’s was en 4. of na de verkoop (tegen een reële waarde) nog een restant zou overblijven dat zij aan [eiser] had moeten voldoen. De rechtbank zal die beslispunten hierna bespreken.

Vordering van [gedaagde sub 1] op [eiser]

3.7.

[gedaagde sub 1] stelt dat zij een vordering had op [eiser] van € 96.031,65, maar in ieder geval € 72.821,88, bestaande uit:

- een gefixeerd gedeelte van € 40.000,- excl BTW (periode 2001 t/m 2010);

- de rente over dat gedeelte tot oktober 2014: € 11.948,24;

- een achterstand in betaling van facturen van € 25.912,10 (periode 2011 t/m juni 2014);

- de rente over deze openstaande facturen t/m 2 maart 2017 € 7.294,13;

- incassokosten van € 2.003,54;

- proceskostenveroordeling vonnis 30 maart 2016 van € 1.273,64.

[gedaagde sub 1] wijst erop dat de rechtbank het gefixeerde gedeelte heeft vastgesteld tussen partijen in het vonnis van 30 maart 2016 en dat [eiser] de openstaande facturen heeft erkend tot een bedrag van € 12.000,-.

[eiser] heeft integraal betwist dat [gedaagde sub 1] in juni 2014 een vordering op hem had. Hij zegt nooit opdracht te hebben gegeven om (op betaalde basis) werkzaamheden te verrichten. De werkzaamheden die door [gedaagde sub 2] zijn gedaan, waren een vriendendienst en als vriendendienst zou [eiser] twee concerten geven in 2011. Dat wat de rechtbank in het vonnis van 30 maart 2016 heeft overwogen over (een gefixeerd gedeelte van) een vordering van [gedaagde sub 1] op [eiser] heeft geen gezag van gewijsde volgens [eiser] .

Vordering 2006-2010 € 40.000,- excl BTW: gezag van gewijsde?

3.8.

De rechtbank zal eerst beoordelen of de rechtbank in het vonnis van 30 maart 2016 over het bestaan en de omvang van de vordering een beslissing heeft genomen die tussen partijen bindende kracht heeft (artikel 236 Rv). Daarop heeft [gedaagde sub 1] zich immers beroepen voor wat betreft de € 40.000,- excl BTW.

In de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 30 maart 2016 heeft de rechtbank beoordeeld of de pandakte en de overeenkomst van 3 november 2010 nietig dan wel vernietigbaar zijn (zoals [eiser] stelde). De rechtbank heeft daarbij onder meer het volgende overwogen:

“4.9. Voor de beoordeling of de overeenkomsten naast het onder 4.8 genoemde oogmerk van beperking van verhaalsmogelijkheden van andere schuldeisers (dat door [gedaagde sub 1] als bijeffect wordt gekwalificeerd) de strekking hadden (geheel ook conform de bepalingen in die overeenkomsten) om aan [gedaagde sub 1] zekerheid te verschaffen c.q. goederen over te dragen, acht de rechtbank van belang of [gedaagde sub 1] ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten een vordering had op [eiser] . De stelling van [gedaagde sub 1] dat haar vordering voor uitgevoerde werkzaamheden in de loop van 2010 was opgelopen tot een openstaand bedrag van € 41.962,25 (exclusief BTW) vindt ondersteuning in het feit dat [eiser] de pandakte heeft ondertekend en in zijn e-mail van 3 januari 2011, waarin hij heeft bevestigd dat hij met Van de [gedaagde sub 2] de afspraak heeft gemaakt dat hij voor alle door Van de [gedaagde sub 2] verrichte werkzaamheden twee concerten in 2011 zal geven ter waarde van € 40.000.- exclusief BTW (€ 20.000,- per concert). Dat die afspraak is gemaakt, is ook in de dagvaarding door [eiser] erkend. [eiser] heeft weliswaar betwist dat over de periode 2006-2010 sprake is geweest van een betalingsachterstand jegens [gedaagde sub 1] maar deze betwisting is onvoldoende in het licht van het hiervoor overwogene, zodat als vaststaand moet worden aangenomen dat [gedaagde sub 1] op het moment van het sluiten van de overeenkomsten een vordering op [eiser] had ten bedrage van ongeveer € 42.000,-.”

De rechtbank komt in 4.10., na benoeming van in dat kader relevante omstandigheden, tot de conclusie: “Het moet dan ook voor [eiser] duidelijk zijn geweest dat [gedaagde sub 1] met de pandakte en de verkoopovereenkomst in ieder geval ook beoogd heeft zekerheid voor haar vordering te verkrijgen.”

3.9.

Aan de constatering dat [gedaagde sub 1] op het moment van het sluiten van de overeenkomsten (de pandakte van september 2010 en de overeenkomst van 3 november 2010) een vordering had van € 40.000,- excl BTW komt gezag van gewijsde toe. Deze beslissing betrof een punt waarover partijen van mening verschilden en waarover ze hebben gedebatteerd in die procedure. De rechtbank heeft daarover een beslissing genomen die noodzakelijk en dragend was om te komen tot het oordeel dat de overeenkomst van 3 november 2010 nietig was en het oordeel dat de pandakte niet nietig of vernietigbaar was. De rechtbank moet in deze procedure, waar dezelfde rechtsbetrekking in geschil is, dan ook uitgaan van de bindende kracht tussen partijen van deze constatering. De argumenten van [eiser] dat de constatering van de rechtbank niet in het dictum is opgenomen en dat daartegen geen (zelfstandig) hoger beroep mogelijk is, zijn in dit kader niet relevant. Vaste rechtspraak is dat het gezag van gewijsde niet is beperkt tot de beslissingen die in het dictum staan. Of (zelfstandig) hoger beroep mogelijk is tegen een (deel)beslissing van de rechtbank is evenmin bepalend voor het vaststellen van het gezag van gewijsde.

Daarmee staat in deze procedure vast dat [gedaagde sub 1] op 3 november 2010 een vordering op [eiser] had van € 40.000,- excl BTW en dus € 42.600,- incl BTW.

3.10.

Dat [eiser] over dat bedrag wettelijke rente is verschuldigd, heeft hij niet betwist. Ook de berekening daarvan tot oktober 2014 (€ 11.948,24) heeft hij niet weersproken. De rechtbank neemt dan ook aan dat de vordering over de periode 2006-2010 per oktober 2014 inclusief rente in totaal € 54.548,24 bedroeg.

Vordering 2011-2014 € 25.912,10 (achterstand betaling facturen)

3.11.

[gedaagde sub 1] wijst erop dat de pandakte ook zekerheid inhoudt voor al wat [gedaagde sub 1] in de toekomst te vorderen zal hebben van [eiser] . Zij stelt werkzaamheden te hebben verricht vanaf 1 januari 2011 die zij in rekening heeft gebracht en die tot een bedrag van
€ 25.912,10 onbetaald zijn gebleven. De openstaande facturen heeft zij in het geding gebracht, deze zijn gedateerd van 30 april 2013 tot en met 3 juni 2014. Zij wijst erop dat [eiser] deze vordering voor een bedrag van € 12.000,- heeft erkend in de dagvaarding in de eerdere procedure tussen partijen.

[eiser] heeft betwist dat [gedaagde sub 1] een vordering op hem had. Hij zegt nooit opdracht te hebben gegeven om (op betaalde basis) werkzaamheden te verrichten. Vanaf januari 2011 is [gedaagde sub 1] facturen gaan sturen, maar die sloegen nergens op, aldus [eiser] ter zitting. [gedaagde sub 2] heeft volgens [eiser] daarover gezegd dat dat nodig was voor de constructie van de Ferrari’s. Desgevraagd heeft [eiser] ter zitting verklaard dat hij niet weet of [gedaagde sub 1] werkzaamheden voor hem heeft verricht. [eiser] zegt dat hij er steeds vanuit is gegaan dat [gedaagde sub 2] het beste met hem voorhad en dat hij de goede dingen zou doen. [gedaagde sub 2] heeft wel in opdracht van [eiser] overleg gevoerd met de bank en het Utrechts Landschap, maar de achterstand in betaling van facturen kan maximaal € 12.000,- belopen, aldus [eiser] .

3.12.

De rechtbank verwerpt het verweer van [eiser] dat hij geen opdracht heeft verstrekt aan [gedaagde sub 1] om advieswerkzaamheden op financieel gebied te verrichten. De rechtbank stelt allereerst vast dat de stellingen van [eiser] over de vraag of hij [gedaagde sub 1] opdracht heeft gegeven om werk voor hem te doen niet consistent zijn. Enerzijds betwist hij de vordering van [gedaagde sub 1] integraal en stelt hij dat hij nooit opdracht heeft gegeven om werkzaamheden uit te voeren. Anderzijds stelt hij dat [gedaagde sub 1] wel enig werk in zijn opdracht heeft gedaan, namelijk overleg met de bank en Utrechts Landschap, en dat er een achterstand bestaat (€ 12.000,-) in het betalen van facturen. Bovendien zijn zijn stellingen in strijd met eerder daarover ingenomen stellingen. [gedaagde sub 1] heeft in dat kader gewezen op de dagvaarding van [eiser] in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 30 maart 2016. Daarin schrijft [eiser] zelf: “ [gedaagde sub 2] heeft [eiser] vanaf die kennismaking geadviseerd op financieel gebied, eerst bij wijze van vriendendienst en sinds 1 januari 2011 op betalende basis.” [eiser] heeft niet uitgelegd hoe dat eerdere standpunt is te verenigen met zijn stelling dat hij [gedaagde sub 1] nooit opdracht heeft gegeven.

3.13.

De rechtbank vindt ook het verweer dat [eiser] voert tegen het bedrag van de openstaande facturen onvoldoende gemotiveerd. [gedaagde sub 1] heeft de niet betaalde facturen in het geding gebracht. Bij een deel van de facturen is een urenverantwoording gevoegd waarin per tijdseenheid van 5 minuten is uitgelegd waaraan de uren zijn besteed. Vaststaat dat [eiser] , sinds [gedaagde sub 1] haar werkzaamheden factureert (1 januari 2011), deelbetalingen heeft verricht op de facturen. Verder heeft [eiser] niet (gemotiveerd) weersproken dat hij sinds 2011 geen bezwaar heeft geuit tegen de bedragen van de facturen of de urenverantwoordingen. Ter zitting heeft [eiser] daarover alleen verklaard dat hij in juni 2014 tegen [gedaagde sub 2] heeft gezegd: “ik kan dit niet meer bijbenen, dit gaat niet goed zo”. De rechtbank beschouwt dat niet als een inhoudelijk verweer tegen de facturen. Ten slotte is [eiser] niet concreet ingegaan op de werkzaamheden die [gedaagde sub 1] volgens haar urenverantwoordingen heeft verricht voor [eiser] . De rechtbank concludeert dan ook dat [eiser] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat [gedaagde sub 1] werkzaamheden in zijn opdracht heeft verricht en dat hij op basis van die verrichte werkzaamheden nog een bedrag van € 25.912,10 verschuldigd was in juni 2014.

Overige vorderingen

3.14.

De rechtbank zal de overige door [gedaagde sub 1] gestelde vorderingen niet betrekken in haar oordeel. De rechtbank moet vaststellen wat de vordering van [gedaagde sub 1] was op het moment dat zij in oktober 2014 zou zijn overgegaan tot uitwinning van het pandrecht. [gedaagde sub 1] had zich voor het beloop van haar toenmalige vordering kunnen verhalen op de verkoopopbrengst van de Ferrari’s. Het eventuele restant had zij moeten voldoen aan [eiser] . De vorderingen die [gedaagde sub 1] verder opvoert: wettelijke rente over de facturen tot en met 2 maart 2017 (€ 7.294,13) en proceskostenveroordeling uit het vonnis van 30 maart 2016 (€ 1.273,64) zijn vorderingen die destijds nog niet bestonden. [eiser] heeft weliswaar niet betwist dat zij wettelijke rente is verschuldigd over de facturen, maar [gedaagde sub 1] heeft in haar berekening niet inzichtelijk gemaakt welke rente verschuldigd is tot oktober 2014, zodat de rechtbank daar geen rekening mee kan houden. Ten slotte heeft [gedaagde sub 1] niet onderbouwd op basis waarvan zij incassokosten kan vorderen, zodat de rechtbank ook die vordering niet in aanmerking zal nemen als een in oktober 2014 bestaande vordering.

3.15.

De rechtbank neemt op basis van het voorgaande aan dat [gedaagde sub 1] in oktober 2014 een opeisbare vordering op [eiser] had van € 80.460,34 (€ 54.548,24 + € 25.912,10). Deze constatering betekent het volgende. Als de rechtbank tot de conclusie komt dat de reële verkoopwaarde van de Ferrari’s in oktober 2014 lager was dan dit bedrag, zou [gedaagde sub 1] bij uitwinning van het pandrecht geen restant hoeven te voldoen aan [eiser] . In dat geval heeft [eiser] dus geen vordering op [gedaagde sub 1] en evenmin op [gedaagde sub 2] . Dan is immers geen schade voortgevloeid uit de onbevoegde overdracht van de Ferrari’s van [eiser] op [gedaagde sub 1] .

Waarde van de Ferrari’s

3.16.

[gedaagde sub 1] heeft de Ferrari’s verkocht in oktober 2014 voor een totaalbedrag van
€ 70.000,-. [eiser] stelt dat de Ferrari’s (veel) meer waard waren. Daarbij wijst [eiser] op de taxatiecertificaten van 17 november 2016 waaruit een waarde van € 94.000 en € 120.000 volgt. Hij heeft die documenten in deze procedure ingebracht. Volgens [gedaagde sub 1] waren de Ferrari’s samen niet meer waard dan € 70.000,-. Dat blijkt uit de taxatierapporten die destijds zijn gemaakt. Zij bestrijdt de deskundigheid van de persoon die de taxatiecertificaten, die [eiser] overlegt, heeft gemaakt. Ook wijst zij er op dat deze persoon de Ferrari’s niet heeft gezien en de (slechte) onderhoudstoestand niet mee laat tellen in de waardebepaling. [eiser] stelt daar tegenover dat de staat van onderhoud goed was en dat die bovendien niet relevant is bij dit soort Ferrari’s.

3.17.

Vaststaat dat [gedaagde sub 1] de Ferrari’s heeft verkocht voor € 30.000,- respectievelijk € 40.000,-. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde sub 1] de Ferrari’s heeft laten taxeren door een registertaxateur op het gebied van motorvoertuigen. Deze taxateur heeft zijn bevindingen opgeschreven in de (elk negen pagina’s tellende) taxatierapporten van 14 oktober 2014. Gelet op de inhoud van de rapporten heeft hij de Ferrari’s op die datum ook gezien en geïnspecteerd. Hij taxeert de (vervangings)waarde van de Ferrari Testarossa op
€ 40.000,- inclusief BTW en de (vervangings)waarde van de Ferrari 308 GTS op € 25.000,- inclusief BTW. Daarnaast heeft [gedaagde sub 1] met stukken onderbouwd dat de Ferrari’s in een matige of slechte staat van onderhoud verkeerden in oktober 2014. Dat blijkt uit de genoemde taxatierapporten, maar ook uit mails van een reparatiebedrijf dat Ferrari’s onderhoudt en repareert. [eiser] heeft niet betwist dat de waarde is getaxeerd door een op dat gebied erkende en deskundige taxateur. Wel stelt hij dat dat deze taxatierapporten vermoedelijk zijn opgesteld op het moment dat de verkoop door [gedaagde sub 1] al was gesloten. Waarop hij dit vermoeden baseert en welke gevolgen dat vermoeden heeft, maakt [eiser] echter niet duidelijk. De rechtbank gaat dan ook aan die ongefundeerde stelling voorbij.

3.18.

[eiser] heeft daar tegenover twee ‘taxatiecertificaten’ in het geding gebracht, die zijn opgesteld door “mr. E.M. Horssius, gediplomeerd gerechtelijke deskundige”. Horssius stelt de waarde van de Ferrari’s in het economische verkeer per 30 maart 2016 op € 94.000 (308 GTS) respectievelijk € 120.000 (Testarossa). [eiser] heeft niet gesteld en onderbouwd wat de deskundigheid is van Horssius. Dat had wel op zijn weg gelegen omdat [gedaagde sub 1] gemotiveerd heeft betwist dat hij deskundig is in het taxeren van motorvoertuigen. Zij heeft immers gesteld dat Horssius, voor zover haar bekend, een opleiding heeft gevolgd als brandexpert. Daarnaast staat vast dat Horssius de Ferrari’s niet heeft gezien of geïnspecteerd. Die stelling van [gedaagde sub 1] heeft [eiser] immers niet weersproken. [eiser] betoogt dat de staat van onderhoud niet van belang is voor dit soort Ferrari’s en dat de waarde kan worden vastgesteld aan de hand van “algemene objectieve elementen” zoals Horssius heeft gedaan. Hij heeft echter niet benoemd wat die “algemene objectieve elementen” zijn en ook niet waar die te vinden zijn in de taxatiecertificaten. Evenmin heeft hij verklaard waarom in de taxatiecertificaten onder “bijzonderheden” wordt vermeld: “Uiterlijke technische staat en algemene staat van onderhoud per opnamedatum was goed”, terwijl de staat van onderhoud volgens hem niet van belang is voor de waardebepaling.

3.19.

Als de rechtbank al deze feiten en omstandigheden en stellingen tegenover elkaar zet en in samenhang beoordeelt, vindt zij dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat de Ferrari’s in oktober 2014 een hogere verkoopwaarde hadden dan het bedrag van de vordering van [gedaagde sub 1] . Tegenover de gemotiveerde en met stukken onderbouwde stellingen van [gedaagde sub 1] heeft [eiser] onvoldoende ingebracht. [eiser] heeft de rechtbank niet kunnen overtuigen van de waarde van de taxatiecertificaten tegenover de stukken van [gedaagde sub 1] en haar stellingen, die door [eiser] nauwelijks zijn betwist. De rechtbank komt dan ook niet toe aan het aanbod van [eiser] om door benoeming van een deskundige te bewijzen dat de Ferrari’s een hogere waarde hadden dan € 70.000,-.

3.20.

In de hypothetische situatie dat [gedaagde sub 1] haar pandrecht had uitgewonnen in oktober 2014 zou verkoop van de Ferrari’s niet meer hebben opgebracht dan € 70.000,-. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de vordering van [gedaagde sub 1] op [eiser] destijds groter was dan € 70.000,-. Er zou dan ook geen restant zijn, dat [gedaagde sub 1] aan [eiser] had moeten vergoeden. Dit betekent dat zowel de vordering op [gedaagde sub 1] als op [gedaagde sub 2] moet worden afgewezen. De onbevoegde overdracht van de Ferrari’s van [eiser] op [gedaagde sub 1] en de vervolgens onbevoegde verkoop door [gedaagde sub 1] aan een derde heeft immers geen schade veroorzaakt. Naast de door [eiser] gestelde schade in verband met de waarde van de Ferrari’s, heeft [eiser] geen andere (mogelijke) schadeposten gesteld, zodat er geen grond bestaat voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure. Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] een zelfstandig belang heeft bij de subsidiair gevorderde verklaring voor recht dat gedaagden gehouden zijn om aan hem schade te vergoeden.

3.21.

De rechtbank veroordeelt [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten. De kosten van gedaagden worden begroot op:

- griffierecht 618,00

- salaris advocaat 4.000,00 (2,0 punten × tarief € 2.000,00)

Totaal € 4.618,00

Gedaagden hebben gevorderd om [eiser] te veroordelen in een extra bedrag aan proceskosten van € 2.000 omdat hij zijn plicht heeft geschonden om de rechtbank juist en volledig te informeren. De rechtbank ziet daarvoor onvoldoende aanleiding.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op € 4.618,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2017.1

1 type: HAB (4727) coll: JvdB (4223)