Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5638

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-11-2017
Datum publicatie
16-11-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5844
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: ziekengeldsanctie

Wetsartikelen: 25, 26 en 65 Wet WIA

Samenvatting: Ziekengeldsanctie opgelegd aan werkgever-eigen risicodrager. Wijziging spoor 1 in spoor 2. Onderzoek herplaatsingsmogelijkheden binnen eigen organisatie niet onder spoor 2.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 16/5844

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 november 2017 in de zaak tussen

GGN Mastering Credit N.V., te Utrecht, eiseres

(gemachtigde: mr. B. Mol),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. H. Woltman)

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het tijdvak waarin derde-partij [derde-partij] (werkneemster) jegens eiseres als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken.

Bij besluit van 23 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard, met de correctie dat eiseres niet het loon maar het ziekengeld van werkneemster gedurende 52 weken moet doorbetalen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2017. Eiseres is vertegenwoordigd door [A] , [B] (arbeidsdeskundige) en [C] (jurist), bijgestaan door de gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is ter zitting verschenen [D] , arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij het Uwv.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Werkneemster heeft zich op 18 juli 2014 ziek gemeld. In het kader van een kantonrechterprocedure zijn eiseres en werkneemster een schikking overeengekomen waarbij het dienstverband van werkneemster met ingang van 1 juli 2015 is beëindigd. In het kader van de eerstejaars Ziektewetbeoordeling heeft verweerder bij besluit van 14 oktober 2015 de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van werkneemster ongewijzigd voortgezet. Werkneemster heeft op 28 april 2016 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht in spoor 2. Eiseres had onderzoek moeten doen naar herplaatsingsmogelijkheden binnen de eigen organisatie. Tevens is het door eiseres ingekochte re-integratietraject niet toegespitst op de persoon en situatie van werkneemster en daarom niet adequaat.

3. Eiseres voert aan dat het wijzigen van de onderbouwing van de sanctie in het bestreden besluit, te weten de wijziging van spoor 1 in spoor 2, ertoe leidt dat zij geen mogelijkheid heeft de tekortkoming te herstellen. Eiseres acht dat in strijd met het reparatoire karakter van de sanctie en wijst ter onderbouwing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 10 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6885. Eiseres voert verder aan dat het door verweerder gemaakte onderscheid tussen spoor 1 en spoor 2 niet juist is en dat wegens de beëindiging van het dienstverband met werkneemster in het kader van een reorganisatie, waarbij een schadeloosstelling aan werkneemster is betaald, van haar niet kan worden verwacht te zoeken naar passend werk binnen de eigen organisatie. Tot slot betwist eiseres dat het door re-integratiebureau [naam re-integratiebureau] ( [naam re-integratiebureau] ) ingezette re-integratietraject onvoldoende op de persoon van werkneemster is toegesneden. Zij stelt daartoe dat er een bredere zoekrichting voor het vinden van passende arbeid is gehanteerd dan de twee functies die door haar eigen arbeidsdeskundige zijn genoemd, dat verweerder er ten onrechte vanuit gaat dat de belasting in deze functies vergelijkbaar is met de voormalige eigen functie van werkneemster en dat naast de door de bedrijfsarts vastgestelde belastbaarheid het opleidingsniveau, het arbeidsniveau en de affiniteiten van werkneemster in het traject zijn betrokken.

4. Artikel 25 van de Wet WIA heeft betrekking op de re-integratieverplichtingen van de werkgever. In het negende lid van dit artikel is, kort samengevat, bepaald dat het Uwv het tijdvak waarover de werkgever het loon van de werknemer moet doorbetalen gedurende ten hoogste 52 weken verlengt, indien de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht (de loonsanctie).

Artikel 26, tweede lid, van de Wet WIA bepaalt dat artikel 25, eerste, tweede, derde, vijfde, zesde, zevende en achtste lid van overeenkomstige toepassing is op de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de ZW ten aanzien van de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van die wet, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de eigenrisicodrager, bedoeld in de eerste zin, zonder deugdelijke grond de uit die zin voortvloeiende verplichtingen niet of niet volledig nakomt of onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het Uwv het tijdvak gedurende welke de persoon, bedoeld in de eerste zin recht op ziekengeld heeft op grond van artikel 29 van de ZW, opdat de eigenrisicodrager zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. De verlenging, bedoeld in de tweede zin, is ten hoogste 52 weken. Artikel 25, tiende tot en met zestiende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 65, derde volzin, van de wet WIA bepaalt dat het Uwv beoordeelt of de werkgever en de verzekerde dan wel de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de ZW en de personen bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van de ZW, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.

5. De uitgangspunten voor de beoordeling van de re-integratie-inspanningen die van een werkgever en een werknemer mogen worden verwacht, zijn neergelegd in de Beleidsregels beoordelingskader Poortwachter (hierna: de Beleidsregels). De eerste stap in de beoordeling betreft de vraag of re-integratie tot een bevredigend resultaat heeft geleid. Indien dit het geval is, legt verweerder geen loonsanctie op. Is geen sprake van een bevredigend resultaat, dan beoordeelt verweerder of de werkgever voldoende inspanningen heeft verricht. Uitgangspunt bij deze beoordeling is of de werkgever in redelijkheid tot de verrichte re-integratie-inspanningen heeft kunnen komen. Daarbij dient de werkgever in eerste instantie te bezien of de werknemer in de eigen functie kan terugkeren en, als dat geen kans van slagen heeft, de werknemer ander passend werk in het eigen bedrijf aan te bieden (spoor 1). Is het niet mogelijk de werknemer in het eigen bedrijf te laten re-integreren, dan dient de werkgever de mogelijkheden te onderzoeken en te benutten de werknemer te herplaatsen bij een andere werkgever (spoor 2). Verweerder legt een loonsanctie op aan de werkgever indien de re-integratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende worden geacht en de werkgever daarvoor geen deugdelijke grond aannemelijk heeft gemaakt.

6. De rechtbank stelt vast dat artikel 26, tweede lid, tweede volzin, van de Wet WIA de facto de sanctie van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA introduceert voor eigenrisicodragers voor de ZW, met dien verstande dat hier niet de verplichting tot doorbetaling van loon als bedoeld in artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan de orde is, maar de verplichting tot doorbetaling van ziekengeld bij onvoldoende re-integratie-inspanningen van de eigenrisicodrager.

7. Met de bepaling van artikel 26, tweede lid, eerste volzin, van de Wet WIA is de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar, waarin verplichtingen van administratief-procedurele aard zijn opgenomen, van toepassing op de eigenrisicodrager voor de ZW en op grond van artikel 26, tweede lid, tweede volzin, van de Wet WIA zijn de eigenrisicodragende werkgevers onderworpen aan de Beleidsregels als hiervoor onder 5 weergegeven. Dat volgt ook uit artikel 65, derde volzin, van de WIA in verbinding met artikel 1 van de Beleidsregels, waarin is bepaald dat het Uwv bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van in dit geval de eigenrisicodrager de Beleidsregels hanteert. Dit betekent dat een eigenrisicodrager in beginsel ook re-integratieverplichtingen heeft in spoor 1. Dat een dienstverband is verbroken, is in dit kader niet relevant.

8. Vast staat dat werkneemster niet in arbeid heeft hervat. Verweerder heeft dan ook terecht aangenomen dat in dit geval geen sprake is van een bevredigend resultaat. Dit brengt mee dat verweerder kon toekomen aan een beoordeling van de re-integratie-inspanningen van eiseres.

9. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat het wijzigen in het bestreden besluit van spoor 1 in spoor 2 in strijd is met het reparatoire karakter van de (ziekengeld)sanctie. De door eiseres genoemde uitspraak van de CRvB van 10 april 2013 heeft betrekking op een andere situatie dan hier aan de orde, aangezien daarin een ten onrechte opgelegde administratieve sanctie werd omgezet in een inhoudelijk sanctie. Hier gaat het om een aanpassing van de grondslag, waarbij het aan eiseres gemaakte verwijt hetzelfde blijft, namelijk dat zij zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

10. Verweerder heeft eiseres in het primaire besluit het verwijt gemaakt dat zij geen onderzoek heeft gedaan naar re-integratiemogelijkheden in spoor 1. In het bestreden besluit wordt dit verwijt eiseres echter niet langer gemaakt omdat het dienstverband van werkneemster al was beëindigd voordat zij belastbaar was voor arbeid. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 november 2016, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, blijkt dat eiseres wel wordt verweten dat zij in het kader van spoor 2 geen onderzoek heeft gedaan naar de herplaatsingsmogelijkheden binnen de eigen organisatie.

11. De rechtbank kan deze redenering van verweerder niet volgen en acht die inconsequent. Indien het niet volgen van spoor 1 eiseres niet wordt verweten, brengt dit naar het oordeel van de rechtbank mee dat eiseres re-integratiemogelijkheden in haar eigen bedrijf niet heeft hoeven onderzoeken en kan het achterwege laten van dat onderzoek niet onder de noemer van spoor 2 verwijtbaar worden geacht.

12. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of eiseres met het bij [naam re-integratiebureau] ingekochte re-integratietraject voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht in spoor 2. Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar de motivering in het eerdergenoemde rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, op het standpunt dat het ingekochte re-integratietraject niet adequaat is geweest. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft hierover in zijn rapport toegelicht dat het trajectplan van [naam re-integratiebureau] niet is gebaseerd op een persoons- en een zoekprofiel, waardoor het niet is toegespitst op de persoon en de situatie van werkneemster en daarom in onvoldoende mate richting gaf aan de re-integratie. De hervattingsmogelijkheden van werkneemster zijn daardoor onvoldoende onderzocht. Uit de eerste tussenrapportage van [naam re-integratiebureau] van 6 juni 2016 blijkt dat de re-integratie-activiteiten werden beperkt tot de door de arbeidsdeskundige van eiseres voorgestelde zoekberoepen. Van eiseres had mogen worden verwacht dat zij naar aanleiding van deze rapportage met [naam re-integratiebureau] zou hebben overlegd teneinde de re-integratie in een meer effectieve richting om te buigen en voort te (laten) zetten.

13. Ter zitting heeft [B] , de arbeidsdeskundige van eiseres, bevestigd dat er algemeenheden staan in het rapport van [naam re-integratiebureau] en dat de door hem genoemde twee functies in het rapport tot uitgangspunt zijn genomen. Hij heeft daaraan toegevoegd dat er feitelijk breder is gezocht, dat werkneemster ook op andere functies heeft gesolliciteerd, dat uit de tussenrapportage van 6 juni 2016 van [naam re-integratiebureau] blijkt er ook op de persoon van werkneemster toegesneden activiteiten zijn verricht en dat werkneemster zelf in een gesprek met de arbeidsdeskundige van verweerder op 15 juni 2016 heeft verklaard dat [naam re-integratiebureau] rekening houdt met haar belastbaarheid.

14. De rechtbank volgt desondanks de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn oordeel dat het ingekochte re-integratie-traject niet adequaat is. De rechtbank acht de daarvoor in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gegeven uitgebreide motivering toereikend. Het rapport van [naam re-integratiebureau] bevat veel algemeenheden en er blijkt niet uit dat het traject is gebaseerd op een persoons- en een zoekprofiel. De door de arbeidsdeskundige van eiseres genoemde voorbeeldfuncties zijn door [naam re-integratiebureau] overgenomen zonder nader te onderzoeken of die aansluiten bij de belastbaarheid van werkneemster. Te weinig is gebleken van brede op de persoon van werkneemster toegesneden zoekacties in het kader van spoor 2. De door [B] genoemde sollicitatieactiviteiten, zoals die staan vermeld op het sollicitatie-overzicht bij tussenrapportage 3 van 13 september 2016 van [naam re-integratiebureau] , hadden ten tijde van het opleggen van de ziekengeldsanctie nog niet plaatsgevonden, zodat verweerder die bij zijn heroverweging in bezwaar terecht buiten beschouwing heeft gelaten. Van eiseres wordt verwacht in te grijpen indien uit het trajectplan en/of de tussenrapportages blijkt dat er geen juiste uitvoering wordt gegeven aan de re-integratie. Eiseres heeft dat nagelaten.

15. Gelet op het voorgaande onderschrijft de rechtbank de conclusie van verweerder, dat eiseres zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht in spoor 2. Verweerder heeft dan ook terecht een ziekengeldsanctie opgelegd.

16. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, voorzitter, mr. N.M. Spelt en

mr. J.L.W. Broeksteeg, leden, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.