Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5588

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
09-11-2017
Zaaknummer
C/16/406823 / HA ZA 15-1042
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding vennootschap onder firma om gewichtige reden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5924
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

Vonnis van 1 november 2017

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/16/406823 / HA ZA 15-1042 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J. Pellikaan te Amersfoort,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. F.B. Keulen te Utrecht,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/16/419216 / HA ZA 16-520 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. F.B. Keulen te Utrecht,

tegen

[gedaagde in de zaak 16-520] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J. Pellikaan te Amersfoort.

Partijen zullen hierna [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] , [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] en [gedaagde in de zaak 16-520] genoemd worden.

1 De procedure in de zaak 15-1042

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens van eis in reconventie;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie tevens van antwoord in reconventie tevens akte

houdende wijziging van eis in conventie;

- de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie tevens

antwoord op wijziging van eis, tevens akte wijziging van conclusie in conventie en wijziging van eis in reconventie;

- de conclusie van dupliek in reconventie tevens antwoord op wijziging van eis in

reconventie tevens antwoord op wijziging conclusie in conventie;

  • -

    de akte wijziging van eis van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] ;

  • -

    de akte overleggen producties van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] ;

  • -

    de akte overleggen producties van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] ;

  • -

    de akte overleggen producties II van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] ;

  • -

    de tijdens het pleidooi, dat op 20 april 2017 is gehouden, door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520]

overgelegde pleitaantekeningen;

- het proces-verbaal van pleidooi van 20 april 2017, waarin de zaak (in verband met

overeengekomen mediation) is verwezen naar de rol van 14 juni 2017 voor uitlating doorhaling dan wel het vragen van vonnis.

2 De procedure in de zaak 16-520

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 16 november 2016 (vonnis in voegingsincident);

  • -

    de akte vermeerdering van eis;

  • -

    de akte overlegging producties van [gedaagde in de zaak 16-520] ;

  • -

    de akte overlegging producties van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] ;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 april 2017, waarin de zaak, in verband

met overeengekomen mediation, is verwezen naar de rol van 14 juni 2017 voor uitlating

doorhaling dan wel verder procederen;

  • -

    de conclusie van repliek tevens akte wijziging van eis;

  • -

    de conclusie van dupliek tevens antwoord op wijziging van eis.

3 In beide procedures

3.1.

Tijdens de hiervoor genoemde zitting van 20 april 2017 zijn partijen overeengekomen dat zij zouden proberen om hun geschil onder begeleiding van een mediator op te lossen. Dit is niet gelukt. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft in de procedure met zaaknummer 15-1042 op 28 juni 2017 om vonnis verzocht. Op dezelfde datum heeft [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] in de procedure met zaaknummer 16-520 verzocht om verder te mogen procederen. De rechtbank heeft vervolgens beslist om de conclusie van repliek en dupliek in deze laatstgenoemde procedure af te wachten zodat in beide zaken gelijktijdig vonnis zou kunnen worden gewezen. Vervolgens is in beide zaken vonnis bepaald op 1 november 2017.

4 De feiten

4.1.

Op 1 januari 1988 zijn de heer [A] (hierna: [A] ) en zijn echtgenote, mevrouw [B] (hierna: [B] ), samen een vennootschap onder firma aangegaan. Deze vof handelde onder de naam “ [handelsnaam] ” en had als doel het drijven van de ambulante handel in kaas en aanverwante producten.

4.2.

De vier kinderen van [A] en [B] zijn: [C] , [gedaagde in de zaak 16-520] (in deze procedure [gedaagde in de zaak 16-520] genoemd), [D] en [E] .

4.3.

Op 1 januari 2003 zijn [A] en [B] (hierna samen, in mannelijk enkelvoud: [het echtpaar A en B] ) een vennootschap onder firma (hierna: de vof) aangegaan met [gedaagde in de zaak 16-520] . [gedaagde in de zaak 16-520] was toen 26 jaar oud. De vennootschapsovereenkomst (hierna: de overeenkomst) die zij in dat verband met elkaar sloten, bevatte onder meer de volgende bepalingen:

DUUR

Artikel 3.

  1. De v.o.f. is aangegaan voor onbepaalde tijd.

  2. Ieder der vennoten is bevoegd de vennootschap tegen het einde van een boekjaar op te zeggen bij aangetekend schrijven aan zijn medevennoten, mits met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste zes maanden.

INBRENG

Artikel 4.

  1. Ieder der vennoten brengt in de v.o.f. in zijn volledige arbeidskracht, kennis, vlijt en zakelijke relaties.

  2. Voorts brengen de comparanten sub 1 ( [het echtpaar A en B] , toevoeging rechtbank) in de activa en passiva welke zijn vermeld op de aan deze akte te hechten openingsbalans, met dien verstande dat de comparanten sub 1 zich het recht op de stille reserves in inventaris, vervoermiddelen en goodwill voorbehouden.

(…)

KAPITAAL

Artikel 5.

1. Ieder der vennoten wordt voor zijn inbreng in geld of goederen op zijn rekening in de boeken der v.o.f gecrediteerd ten belope van het bedrag of de waarde, terwijl hij wordt gedebiteerd voor de waarden of bedragen welke hij aan het vermogen onttrekt.

(…)

4. Niet opgenomen winstaandelen worden bij ieders kapitaalrekening geboekt. (…)

CONCURRENTIEBEDING

Artikel 6.

  1. Geen der vennoten mag tijdens het bestaan der v.o.f. zonder toestemming van zijn medevennoten alleen of met derden hetzij middellijk, hetzij onmiddellijk, handelingen verrichten, welke het doel der vennootschap betreffen of daaraan verwant zijn, dan wel hetzij rechtstreeks, hetzij zijdelings betrokken zijn bij of werkzaam zijn in een soortgelijke onderneming als die, waarvoor de vennootschap is aangegaan.

  2. Gedurende de eerste vijf jaar na het einde der vof is het verbod hiervoor in lid 1 genoemd van toepassing op de gewezen vennoot/vennoten, voor zover bedoelde handelingen worden uitgevoerd of bedoelde onderneming wordt gedreven op dezelfde markten als die waarop de vof zijn standplaatsen heeft. Dit verbod geldt niet voor de vennoot/vennoten, die de zaken der vennootschap voortzet/voortzetten op grond van hetgeen hierna wordt bepaald.

BESTUUR EN VERTEGENWOORDIGING

(…)

Artikel 8.

  1. Ieder der vennoten is bevoegd voor de v.o.f. te handelen en te tekenen, de v.o.f. aan derden en derden aan de v.o.f. te verbinden, alsmede om gelden voor haar uit te geven en te ontvangen, één en ander alleen binnen de grenzen door het doel der v.o.f. aangegeven en met inachtneming van het hierna sub 2 bepaalde.

  2. Echter is de toestemming of medewerking van alle vennoten nodig voor:

a. het aangaan van verbintenissen, het tekenen van handelspapieren daaronder begrepen, voorzover het gaat om het inkopen van handelsgoederen een bedrag van vijfentwintigduizend euro (€ 25.000) en voorzover het gaat om overige transacties een bedrag of waarde van vijfduizend euro (€ 5.000) te boven gaande (klaarblijkelijk bij elkaar behorende handelingen als één gerekend);

b. het huren, verhuren, verkrijgen, vervreemden en bezwaren van onroerende zaken, het verlenen van zakelijke rechten, (…), het sluiten of wijzigen van arbeidsovereenkomsten, alsmede het verrichten van alle handelingen, welke niet tot de gewone werkkring der v.o.f. behoren.

WINST EN WINSTVERDELING

Artikel 11.

(…)

3. De na toepassing van lid 1 en 2 resterende winst of het na deze toepassing blijkende verlies wordt door de vennoten genoten respectievelijk gedragen, in de volgende verhoudingen, geldend tot en met het boekjaar 2006:

- de vennoot sub 1.a: vijfendertig procent (35%)

- de vennoot sub 1.b: vijfendertig procent (35%)

- de vennoot sub 2: dertig procent (30%)

Deze verdeling wordt met ingang van het boekjaar 2007 gewijzigd in onderstaande verdeelstaat en geldt tot en met het boekjaar 2009:

De vennoot sub 1 a: vijfentwintig procent (25%)

De vennoot sub 1 b: vijfentwintig procent (25%)

De vennoot sub 2: vijftig procent (50%)

Deze verdeling wordt met ingang van het boekjaar (met de hand toegevoegd: 2010) gewijzigd in onderstaande verdeelstaat en geldt tot en met het boekjaar 2014

De vennoot sub 1 a: vijftien procent (15%)

De vennoot sub 1 b: vijftien procent (15%)

De vennoot sub 2: zeventig procent (70%)

BEEINDIGING DER V.O.F

Artikel 12.

De vennootschap eindigt:

  1. Na opzegging door een vennoot overeenkomstig artikel 3 dezer akte (…);

  2. (…);

  3. Door ontbinding in rechte bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak, welk ontbinding door een vennoot kan worden gevorderd, indien een der andere vennoten zijn verplichtingen als vennoot niet nakomt of overtreedt;

  4. (…).

Artikel 13.

1. Bij het eindigen der v.o.f. is ieder der vennoten in het vermogen gerechtigd voor het bedrag, waarvoor hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 op zijn rekening in de boeken der v.o.f. is gecrediteerd, vermeerderd of verminderd met zijn aandeel in de winst of het verlies, sedert de aanvang van het boekjaar gemaakt of geleden blijkens de slotbalans en de verlies-en winstrekening, overeenkomstig het hiervoor bepaalde opgemaakt, met inachtneming van het in de volgende zin bepaalde en voorts rekening houdend met de voorbehouden stille reserves zoals vermeld in artikel 4 van deze akte.

Op deze slotbalans zullen de aan de v.o.f. toebehorende zaken worden opgenomen tegen de waarde, waarop zij zullen worden geschat op de wijze als is voorgeschreven voor boedelscheidingen, waarbij minderjarigen betrokken zijn, alles tenzij belanghebbenden omtrent een andere wijze van schatting tot overeenstemming komen,

2. De uit deze balans resulterende winst of het daaruit blijkende verlies zal door de vennoten worden genoten en gedragen in de verhouding als aangegeven in artikel 11 lid 3.

VOORTZETTING

Artikel 14.

(…)

Indien de v.o.f. eindigt door ontbinding in rechte, wordt de onderneming voortgezet door de vennoten op wier vordering de ontbinding is uitgesproken.

Artikel 15.

(…)

3. In alle gevallen van voortzetting der v.o.f. kunnen alle zaken van de v.o.f. worden overgenomen door degene(n) die de onderneming voortzet(ten). (…)

4. De voortzettende venno(o)t(en) is/zijn alsdan verplicht om alle schulden der v.o.f. voor hun rekening te nemen en om aan de gewezen vennoot, (…) uit te keren het hem ingevolge artikel 13 toekomende bedrag.

5. De uitkering van dit bedrag dient te geschieden uiterlijk tien jaar na het moment dat de v.o.f. voor rekening van de voortzetters is gekomen. Over het onafgeloste gedeelte der uitkeringen is een rente verschuldigd van 5,5 procent. Tussentijdse aflossing kan op ieder moment boetevrij plaatsvinden.

(…)

ARBEIDSONGESCHIKTHEID

Artikel 16.

1. Ingeval van ziekte of een andere grond van arbeidsongeschiktheid behoudt de arbeidsongeschikte vennoot zijn recht op een aandeel in de winst van de v.o.f., onder de verplichting voor de arbeidsongeschikte vennoot om eventuele uitkeringen in verband met zijn arbeidsongeschiktheid in de vennootschapskas te storten.

De andere vennoten nemen voor zover mogelijk de taak van de arbeidsongeschikte vennoot over zonder deswege een vergoeding te kunnen vorderen. (…)

(…)

4. Als de arbeidsongeschiktheid van een der vennoten langer dan 1 jaar heeft geduurd zullen partijen in onderling overleg bepalen of deelname aan de v.o.f. al dan niet voortgezet dient te worden.

TOETREDING VENNOOT

Artikel 17

Mocht één der broers van vennoot sub 2 ( [gedaagde in de zaak 16-520] , toevoeging rechtbank) voor hij de leeftijd van 24 jaar en 8 maanden heeft bereikt te kennen geven om toe te willen treden tot de v.o.f. dan gelden de volgende afspraken tussen de vennoten:

Toetreding tot de v.o.f. behoort niet tot de mogelijkheden;

Er zal een aantal “markten” worden uitgezocht, die kunnen worden geëxploiteerd door [D] . Het overdragen van deze markten zal vervolgens tegen zakelijke voorwaarden worden gerealiseerd.

(…)

GESCHILLEN

Artikel 18.

Alle geschillen, welke tussen de vennoten mochten opkomen betreffende de uitleg van de bepalingen van dit contract, alsmede andere geschillen, zullen voorgelegd worden aan drie onpartijdige personen, te benoemen in onderling overleg en bij verschil door de Kantonrechter binnen wiens resort de vennootschap ten tijde van het geschil is gevestigd.

De vennoten zijn verplicht zich te onderwerpen aan het oordeel van genoemde onpartijdige deskundigen. Het oordeel wordt beschouwd als bindend advies.

(…)

4.4.

Op 23 mei 2005 heeft de heer [F] , (de toenmalige) accountant van de vof, een brief geschreven aan een fiscalist van het kantoor [naam adviesbureau] waarin onder andere het volgende is vermeld:

(…)

De bedoeling is dat de zoon op termijn de gehele onderneming gaat exploiteren. In een afbouwregeling voor de deelname van vader is in de v.o.f. overeenkomst reeds voorzien. (…)

De intentie van de heer [A] is om op middellange termijn zijn werkzaamheden voor de onderneming af te bouwen. Echter stoppen per 1 januari 2006 is geen optie voor hem. In principe staat de afbouwregeling, genoemd in het VOF contract vast.

(…)

4.5.

In 2005 is [A] door een hersenbeschadiging volledig arbeidsongeschikt geraakt. In juli/augustus 2005 heeft hij in dat verband in het ziekenhuis gelegen.

4.6.

In een verslag van een neurologisch onderzoek dat op 27 september 2007 door een hersenletselkliniek bij [A] is gedaan, staat vermeld:

Conclusie

Het betreft een 57-jarige man met cognitieve problemen passend bij een (…) (juli 2005). Door het waarschijnlijk diffuse letsel na infectie, heeft patiënt informatieverwerkings- en aandachtsproblemen. Hieruit voortvloeiend is sprake van onvoldoende capaciteit van het werkgeheugen en een beperkte inprenting waardoor hij verminderd leerbaar is. Ook zijn er grote problemen met het actief ophalen van zowel verbale als visuele informatie. Hiernaast worden er problemen geobjectiveerd in de planning- en organisatievaardigheden. Met name het verkrijgen van een overzicht en meerdere stappen vooruit kijken geeft problemen. Dit wordt versterkt door de problemen in de aandacht.

4.7.

Er is een gespreksnotitie van een bespreking die blijkens de notitie op 23 augustus 2005 tussen [het echtpaar A en B] , [gedaagde in de zaak 16-520] , de heer [G] (de voormalige fiscalist van de vof) en de hiervoor genoemde heer [F] heeft plaatsgevonden. Hierin staat onder meer vermeld:

(…)

VOF OVEREENKOMST

De heer [G] merkte op dat het voorbehoud van stille reserves ten onrechte in de vennootschapsovereenkomst is opgenomen.

Hier zou een erratum opgemaakt kunnen worden waardoor voorkomen wordt dat er overkill plaatsvindt met betrekking tot de goodwill. De heer [G] zal worden gevraagd dit erratum op te stellen, waarna [F] voor ondertekening kan zorgdragen.

(…)

4.8.

Op 3 september 2005, drie weken nadat [A] uit het ziekenhuis was ontslagen, hebben [het echtpaar A en B] en [gedaagde in de zaak 16-520] een door hen zo genoemde akte van rectificatie (hierna: de akte) ondertekend. Hierin is onder meer het volgende vermeld:

(…)

in aanmerking nemende:

(…)

dat in artikel 4, lid 2 van bedoelde firma-akte (bedoeld is de hiervoor in 4.3 genoemde overeenkomst, toevoeging rechtbank) een algemeen voorbehoud is opgenomen met betrekking tot het recht op de stille reserves in inventaris, vervoermiddelen en goodwill ten behoeve van vennoot 1 en vennoot 2, zodat vennoot 3 daarin niet gerechtigd wordt.

dat in bedoelde firma-akte in artikel 11 tevens een glijdende winstverdeling is opgenomen, waarbij het winstaandeel van vennoot 3 geleidelijk stijgt ten opzichte van het winstaandeel van vennoot 1 en vennoot 2, welk opklimmend winstaandeel mede bedoeld is ter verrekening van de door vennoot 1 en vennoot 2 ingebrachte stille reserves en goodwill die per 1 januari 2003 in de vennootschap onder firma reeds aanwezig waren;

dat partijen in feite niet de bedoeling hebben gehad om de stille reserves en goodwill geheel voor te behouden aan vennoot 1 en 2, aangezien de vennoten er kennelijk voor hebben gekozen door vennoot 3 daarvoor betalingen te laten doen via de glijdende winstverdeling;

dat zij met elkaar overleg hebben gepleegd om diverse bepalingen van de firma-akte met terugwerkende kracht tot 1 januari 2003 opnieuw vast te stellen en schriftelijk vast te leggen;

verklaren het volgende te zijn overeengekomen:

Artikel 1 (Naam en zetel)

De tekst van artikel 1 van de firma-akte wordt als volgt gewijzigd:

Naam en zetel

Artikel 1

De naam van de vennootschap onder firma luidt: Firma [naam vennootschap onder firma] , mede

handelend onder de naam “ [handelsnaam] ”.

Artikel 4 (Inbreng)

De tekst van artikel 4 van de firma-akte wordt als volgt gewijzigd:

Inbreng

Artikel 4

1. Ieder der vennoten brengt in de v.o.f. in zijn volledige arbeidskracht, kennis, vlijt en zakelijke relaties.

2. Voorts brengen de comparanten sub 1 in de activa en passiva welke zijn vermeld op de aan deze akte te hechten openingsbalans, met dien verstande dat de verrekening van de ingebrachte stille reserves in inventaris, vervoermiddelen en goodwill zal geschieden via de glijdende winstverdeling als bedoeld in artikel 11 van deze akte.

(…)

Artikel 17 (Toetreding vennoot)

Artikel 17 (oud) komt geheel te vervallen onder vernummering van het oude artikel 18 (Geschillen) tot artikel 17 (nieuw).

Slotbepaling

Overigens blijven de bepalingen van de vennootschapsakte per 1 januari 2003 zoals deze is opgesteld en ondertekend in april 2003, volledig van kracht.

4.9.

In een e-mail van 25 april 2016 heeft de heer [F] over de akte van rectificatie het volgende geschreven:

(…)

Naar aanleiding van het gesprek wat ik met [gedaagde in de zaak 16-520] had over de acte van rectificatie wil ik nogmaals benadrukken dat de finesses van de gang van zaken mij niet meer geheel duidelijk voor de geest staan.

Nogmaals: het is 10 jaar geleden en ik heb al 7 jaar geen contact meer met [gedaagde in de zaak 16-520] als zijn ouders.

Ik kan mij nog herinneren dat wij tijdens een bespreking met zowel de ouders van [gedaagde in de zaak 16-520] als [gedaagde in de zaak 16-520] zelf hebben aangekaart dat de v.o.f. overeenkomst die was ondertekend door de 3 partijen een onjuistheid bevatte.

Zoals de akte was opgesteld moest [gedaagde in de zaak 16-520] 2 x de stille reserves en de goodwill aan zijn ouders betalen: 1 x door middel van het inverdienen, dat wil zeggen door een lager winstaandeel en 1 x bij het uitkopen van de ouders, als zij gingen uittreden.

Dit betrof dan het aandeel dat [gedaagde in de zaak 16-520] op dat moment al had betaald door middel van het lagere winstaandeel en in de toekomst nog zou betalen.

Partijen waren het er destijds unaniem over eens dat dit niet gewenst was en zij hebben [G] op dat moment verzocht om een akte van rectificatie op te stellen om dit recht te trekken.

Ondergetekende heeft tijdens de totstandkoming van de vof akte en bij het begeleiden van de rectificatie als enige doelstelling gehad om beide partijen bij elkaar te brengen, zodat [gedaagde in de zaak 16-520] 1 x een redelijke goodwill zou betalen voor de toetreding tot de vennootschap en uiteraard was het hierbij niet zijn bedoeling om [gedaagde in de zaak 16-520] 2 x de goodwill te laten betalen. Vandaar ook de akte van rectificatie die deze fout in de v.o.f. akte heeft rechtgezet.

Voor zover ik me kan herinneren hebben zowel de ouders als [gedaagde in de zaak 16-520] de akte van rectificatie ondertekend in mijn bijzijn, maar nogmaals dat is 10 jaar geleden, dus ik kan mij dat niet exact herinneren.

Voor zover mij bekend heeft de heer [G] uit [woonplaats] zowel de v.o.f. akte als de akte van rectificatie opgesteld.

(…)

4.10.

Bij brief van 25 augustus 2008 heeft de voormalig advocaat van [het echtpaar A en B] de akte van rectificatie namens [het echtpaar A en B] vernietigd.

4.11.

In 2010 heeft [het echtpaar A en B] zijn aandeel in de vof ingebracht in [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] en heeft [gedaagde in de zaak 16-520] zijn aandeel ingebracht in [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] . Vennoten in de vof zijn dus geworden [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] en [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] .

4.12.

De vof bezet in een aantal gemeenten een vaste marktstandplaats. Hiervoor is een marktvergunning vereist, die slechts op naam van een natuurlijke persoon kan worden gezet.

4.13.

Op 3 oktober 2011 zijn vijf markten overgedragen aan [D] , zoon van [het echtpaar A en B] en broer van [gedaagde in de zaak 16-520] , voor de koopsom van € 125.000,-.

4.14.

In 2014 en 2015 hebben partijen gesproken over de uittreding van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] als vennoot en de in dat verband door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] te betalen vergoeding. Zij hebben hierover geen overeenstemming bereikt.

4.15.

De heer [A] is op [2017] overleden.

5 Het geschil

in de zaak C/16/406823 HA ZA 15-1042

in conventie

5.1.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] vordert – samengevat en na vermindering van eis tijdens het pleidooi – dat de rechtbank (1) primair voor recht verklaart dat de vof van rechtswege is geëindigd per 1 januari 2015, subsidiair de vof ontbindt op grond van het bepaalde in artikel 12 sub c van de overeenkomst, meer subsidiair de vof ontbindt wegens gewichtige redenen, (2) primair voor recht verklaart dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] geen aanspraak kan maken op vergoeding van (de stille reserve in) de goodwill, subsidiair naar redelijkheid en billijkheid de hoogte van de vergoeding vaststelt en (3) [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] in de proceskosten veroordeelt, de nakosten daaronder begrepen.

5.2.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] voert verweer en concludeert tot afwijzing van deze vorderingen, met veroordeling van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] in de proceskosten.

5.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

in reconventie

5.4.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] vordert – samengevat – dat de rechtbank primair (1) de vof ontbindt op grond van artikel 12 c van de overeenkomst, (2) primair voor recht verklaart dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] op grond van artikel 14 van de overeenkomst de onderneming na ontbinding kan voortzetten, subsidiair voor recht verklaart dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] de onderneming kan voortzetten omdat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen, meer subsidiair voor recht verklaart dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengt dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] de onderneming na ontbinding kan voortzetten, (3) primair voor recht verklaart dat de door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] ingebrachte en stille reserves en goodwill op 31 december 2002, in totaal € 340.907, nog steeds zijn voorbehouden, dat de akte niet rechtsgeldig tot stand is gekomen zodat daaraan geen rechten kunnen worden ontleend, subsidiair voor recht verklaart dat de akte is vernietigd wegens dwaling/bedrog/misbruik van omstandigheden, meer subsidiair voor recht verklaart dat de akte aldus moet worden uitgelegd dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] via de glijdende winstverdeling, zoals neergelegd in artikel 11 van de overeenkomst, een bedrag ad € 18.603,- heeft inverdiend, welk bedrag in mindering kan worden gebracht op de totaal voorbehouden stille reserves en goodwill uit 2003, (4) artikel 15 lid 5 van de overeenkomst uit hoofde van redelijkheid en billijkheid niet van toepassing verklaart, (5) voor recht verklaart dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst dan wel onrechtmatig heeft gehandeld jegens de vof en/of haar medevennoot en dientengevolge gehouden is tot betaling van de kosten van ontbinding, nader op te maken bij staat, (6) [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] gebiedt medewerking te verlenen aan de vereffening van de vof en de voortzetting van de onderneming op straffe van verbeurte van een dwangsom, subsidiair (1) de vof ontbindt wegens gewichtige redenen, (2) voor recht verklaart dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] de onderneming na ontbinding van de vof kan voortzetten, subsidiair dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengt dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] de onderneming na ontbinding kan voortzetten, meer subsidiair aan de ontbinding de voorwaarde verbindt dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] de onderneming kan voortzetten, (3) voor recht verklaart dat de door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] ingebrachte en stille reserves en goodwill op 31 december 2002, in totaal € 340.907, nog steeds zijn voorbehouden, dat de akte niet rechtsgeldig tot stand is gekomen zodat daaraan geen rechten kunnen worden ontleend, subsidiair voor recht verklaart dat de akte is vernietigd wegens dwaling/bedrog/misbruik van omstandigheden, meer subsidiair voor recht verklaart dat de akte aldus moet worden uitgelegd dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] via de glijdende winstverdeling, zoals neergelegd in artikel 11 van de overeenkomst, een bedrag ad € 18.603,- heeft inverdiend, welk bedrag in mindering kan worden gebracht op de totaal voorbehouden stille reserves en goodwill uit 2003, (4) aan een ontbinding wegens gewichtige redenen, ongeacht welke vennoot de vof mag voorzetten, de voorwaarde verbindt dat een positief saldo op de kapitaalrekening en het ingebrachte vermogen binnen zes weken na ontbinding aan de uittredende vennoot wordt uitgekeerd en de waarde van voorbehouden goodwill en goodwill ten tijde van (tekst ontbreekt, toevoeging rechtbank) af te lossen in (half)jaarlijkse termijnen gedurende een door de rechtbank te bepalen periode, maar maximaal gedurende een periode van vijf jaar, (5) voor recht verklaart dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst dan wel onrechtmatig heeft gehandeld jegens de vof en/of haar medevennoot en dientengevolge gehouden is tot betaling van de kosten van ontbinding, nader op te maken bij staat, (6) [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] gebiedt medewerking te verlenen aan de vereffening van de vof en de voortzetting van de onderneming op straffe van verbeurte van een dwangsom en (zowel primair als subsidiair) [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] in de proceskosten veroordeelt, de nakosten daaronder begrepen.

5.5.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] voert verweer en concludeert tot afwijzing van deze vorderingen.

5.6.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

in de zaak C/16/419216 HA ZA 16-520

5.7.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] vordert dat de rechtbank A) [gedaagde in de zaak 16-520] gebiedt zijn medewerking te verlenen aan het verzoek c.q. de aanvraag tot het overschrijven, overdragen, overnemen dan wel wijzigen van alle marktvergunningen c.q. vaste standplaatsen die ten behoeve van de vof worden geëxploiteerd aan een door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] aan te wijzen persoon, waaronder begrepen […] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-, te vermeerderen met € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde in de zaak 16-520] daarmee in gebreke blijft, althans meer specifiek: (1) [gedaagde in de zaak 16-520] gebiedt zijn medewerking te verlenen aan het verzoek c.q. de aanvraag tot het overschrijven, overdragen, overnemen dan wel wijzigen van alle op zijn naam verleende marktvergunningen c.q. vaste standplaatsen die ten behoeve van de vof worden geëxploiteerd, waaronder in elk geval begrepen de vergunningen voor de standplaats in [plaatsnaam] , [plaatsnaam] , [plaatsnaam] , [plaatsnaam] , [plaatsnaam] met betrekking tot de woensdagmarkt, [plaatsnaam] , [plaatsnaam] en [plaatsnaam] , op naam van een door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] aan te wijzen persoon, waaronder begrepen […] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-, te vermeerderen met € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde in de zaak 16-520] daarmee in gebreke blijft, (2) voor zover de marktvergunning van de gemeente [gemeente] op zijn naam staat, [gedaagde in de zaak 16-520] gebiedt zijn medewerking te verlenen aan het verzoek c.q. de aanvraag tot het overschrijven, overdragen, overnemen dan wel wijzigen van deze marktvergunning c.q. vaste standplaats op naam van een door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] aan te wijzen persoon, waaronder begrepen […] , dan wel [gedaagde in de zaak 16-520] gebiedt zijn medewerking te verlenen aan het verzoek

namens de overige erfgenamen van [A] om de marktvergunning over te schrijven op een door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] aan te wijzen persoon, waaronder [B] , conform artikel 9 van de Marktverordening Gemeente [gemeente] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-, te vermeerderen met € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde in de zaak 16-520] daarmee in gebreke blijft, (3) voor zover blijkt dat de marktvergunning van de gemeente [gemeente] met betrekking tot de woensdagmarkt niet op naam van [gedaagde in de zaak 16-520] staat, [gedaagde in de zaak 16-520] gebiedt zijn medewerking te verlenen aan het recht van gebruik met betrekking tot de marktvergunning c.q. vaste standplaats van de gemeente [gemeente] die door de vof wordt geëxploiteerd op naam van een door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] aan te wijzen persoon, waaronder begrepen […] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-, te vermeerderen met € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde in de zaak 16-520] daarmee in gebreke blijft, (B) [gedaagde in de zaak 16-520] gebiedt zijn medewerking te verlenen aan het wijzigen c.q. overdragen van het recht van detachering c.q. het recht van gebruik met betrekking tot de marktvergunning c.q. vaste standplaats in [plaatsnaam] die op naam van [H] is verleend op naam van een door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] aan te wijzen persoon, waaronder begrepen […] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-, te vermeerderen met € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde in de zaak 16-520] daarmee in gebreke blijft, (C) [gedaagde in de zaak 16-520] gebiedt zijn medewerking te verlenen aan het wijzigen c.q. overdragen van het recht van detachering c.q. het recht van gebruik met betrekking tot de marktvergunning c.q. vaste standplaats in [plaatsnaam] op naam van een door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] aan te wijzen persoon, waaronder begrepen […] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-, te vermeerderen met € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde in de zaak 16-520] daarmee in gebreke blijft, (D) met betrekking tot de vaste standplaats(en) in de gemeente [gemeente] [gedaagde in de zaak 16-520] gebiedt zijn medewerking te verlenen aan het voordragen van een door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] aan te wijzen persoon c.q. ondernemer bij de [naam stichting] op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-, te vermeerderen met € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde in de zaak 16-520] daarmee in gebreke blijft, (E) [gedaagde in de zaak 16-520] gebiedt [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] telkens per ommegaande maar uiterlijk binnen één week, althans een door de rechtbank te bepalen periode, in kennis te stellen van enige wijziging ter zake van één van de marktvergunningen c.q. standplaatsen die door de vof worden geëxploiteerd, waaronder begrepen correspondentie of andere documenten met betrekking tot de marktvergunningen die reeds bij [gedaagde in de zaak 16-520] bekend zijn maar nog niet zijn overgelegd, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde in de zaak 16-520] daarmee in gebreke blijft, met veroordeling van [gedaagde in de zaak 16-520] in de kosten van de procedure en de nakosten vermeerderd met de wettelijke rente daarover.

5.8.

[gedaagde in de zaak 16-520] voert verweer en concludeert tot afwijzing van deze vorderingen, met veroordeling van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] in de proceskosten.

5.9.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

6 De beoordeling

in de zaak C/16/406823 HA ZA 15-1042

in conventie en in reconventie

6.1.

Omdat de vorderingen in conventie en die in reconventie nauw verband met elkaar houden, zullen zij hierna gezamenlijk worden besproken.

6.2.

De dagvaarding en conclusie van repliek in de procedure met zaaknummer 16-520 bevatten stellingen die niet gelden als onderbouwing van wat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] in die procedure heeft gevorderd maar die zien op het geschil waarop in deze procedure moet worden beslist. Voor de beoordeling van de vorderingen in deze procedure heeft de rechtbank op wat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] in de genoemde processtukken heeft geschreven geen acht geslagen. De rechtbank heeft ook geen acht geslagen op de (zeer uitvoerige) schriftelijke reactie van [het echtpaar A en B] op de conclusie van repliek in conventie van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] , die [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] als productie 27 bij conclusie van dupliek in conventie heeft overgelegd. In handelszaken geldt een verplichte procesvertegenwoordiging. Dit brengt mee dat het aan de advocaat is om op conclusies van de wederpartij in een processtuk te reageren (waarbij hij, als het goed is, ook zal putten uit informatie die zijn cliënt aan hem verschaft) en niet aan een partij zelf.

Beëindiging van de vof

Bedoeling dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] zich per 1 januari 2015 zou terugtrekken

6.3.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft in het kader van haar vordering om voor recht te verklaren dat de overeenkomst per 1 januari 2015 is geëindigd, gesteld dat het de bedoeling van partijen is geweest dat [het echtpaar A en B] ( [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] ) zich per genoemde datum uit de vof zou terugtrekken en dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] de onderneming zou voortzetten. De heer [A] zou op [2015] de leeftijd van 65 bereiken. Toen partijen de overeenkomst in 2003 tekenden, was dat nog de leeftijd waarop men met pensioen ging dan wel in aanmerking kwam voor AOW. Het was ook een gebruikelijke leeftijd om uit firma’s zoals de vof te stappen. Dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] de vof per 1 januari 2015 zou verlaten, blijkt volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] uit het feit dat de in artikel 11 van de overeenkomst opgenomen winstverdeling niet meer zag op de jaren na 2014 en dat er geen enkele voorziening is getroffen voor de winstverdeling na 1 januari 2015. Het blijkt volgens haar ook uit de brief van de accountant (de heer [F] ) van 23 mei 2005, die [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] als productie 2 in het geding heeft gebracht (zie 4.4). Hierin wordt namelijk gesproken van een afbouwregeling betreffende de deelname van [A] .

6.4.

De rechtbank stelt vast dat partijen hun samenwerking in de periode na 31 december 2014 hebben voortgezet. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft er namelijk op gewezen dat [B] nadien haar arbeidsvergoeding is blijven ontvangen, dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] in 2015 onder meer heeft verzocht om in te stemmen met een privé opname van € 10.000,- en dat zij haar heeft gesommeerd om een koopovereenkomst betreffende een marktplaats in [plaatsnaam] te ondertekenen. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft dit niet weersproken en gesteld noch gebleken is dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] in die periode heeft medegedeeld dat de overeenkomst volgens haar op 31 december 2014 was geëindigd. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft weliswaar gewezen op de door haar als productie 5 overgelegde correspondentie, maar hierin is niet te lezen dat de samenwerking volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] per genoemde datum was gestopt. Integendeel: in een brief van 9 juni 2015 aan de advocaat van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] staat namens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] geschreven: Naar ik verder van cliënt begreep, is cliënt al geruime tijd in afwachting van een door u aangekondigd voorstel ter zake van de (financiële) afwikkeling van de eventuele uittreding van uw cliënte als vennoot.” Nu de samenwerking blijkens het voorgaande na 31 december 2014 was voortgezet en partijen aan de overeenkomst uitvoering zijn blijven geven, is de overeenkomst op die datum niet geëindigd.

6.5.

Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft zoals vermeld aangevoerd dat het wel de bedoeling van partijen is geweest dat de overeenkomst op de genoemde datum zou eindigen. De rechtbank neemt aan dat zij hiermee niet slechts bedoelt dat partijen de intentie hadden dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] op de genoemde datum zou uittreden, maar dat partijen dit bovendien hebben bedoeld af te spreken (en de overeenkomst dus ook zo moet worden uitgelegd). Dit laatste heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] echter onvoldoende onderbouwd.

6.6.

Ten eerste geldt dat deze afspraak niet uit de tekst van de overeenkomst kan worden afgeleid. In artikel 3 van de overeenkomst is namelijk bepaald dat de overeenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft aangevoerd dat hiervoor een reden bestond: het was weliswaar de bedoeling dat zij op enig moment en wanneer daarover overeenstemming zou worden bereikt, met de vof zou stoppen, maar in 2003 was nog onduidelijk wanneer dit moment zou aanbreken. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft daarnaast gewezen op artikel 12, waarin situaties worden genoemd die tot een beëindiging van de vof leiden en waarin ook niets over de datum van 1 januari 2015 (of een andere datum) is vermeld. In het licht van deze artikelen kan aan artikel 11 van de overeenkomst, dat ziet op de glijdende winstverdeling en waarop [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] , zoals vermeld, ter onderbouwing van haar stelling heeft gewezen, onvoldoende gewicht worden toegekend. Dat geldt zeker nu [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft aangevoerd dat er slechts tot en met het jaar 2014 iets over winstverdeling was bepaald omdat januari 2015 een passend meetmoment zou zijn om te bezien of, en zo ja, onder welke voorwaarden, [het echtpaar A en B] . zich zou terugtrekken of dat ze nog een langere periode vennoot zou blijven.

6.7.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft daarnaast onvoldoende gesteld om te kunnen vaststellen dat partijen, anders dan uit de tekst van de overeenkomst kan worden opgemaakt, toch hebben afgesproken dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] per 1 januari 2015 zou uittreden. Zij heeft alleen gewezen op de hiervoor genoemde brief van de accountant de heer [F] . Hierin staat echter niet meer geschreven dan dat het de intentie van [A] was om op middellange termijn af te bouwen en dat de afbouwregeling (van artikel 11) in principe vaststaat. Allereerst kan uit het feit dat de term “afbouwregeling” door de accountant wordt gebruikt, op zichzelf nog niet worden afgeleid dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] bij het einde van de termijn die in de regeling wordt vermeld (het boekjaar 2014) zou stoppen. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] zou haar aandeel in de winst en het verlies afbouwen, dat is wat er staat. Voor zover er ook mee is bedoeld dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] bij het einde van de in de afbouwregeling genoemde termijn zou uittreden, geldt dat de accountant schrijft dat de afbouwregeling “in principe” vaststaat. Dit sluit eerder aan bij de stelling van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] (op 31 december 2014 kan ook nog besloten worden dat de samenwerking wordt voortgezet) dan bij die van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] (zeker is dat de overeenkomst op 1 januari 2015 zal eindigen). Tot slot geldt dat ook in de in 4.8 genoemde akte, waarin bepaalde artikelen van de overeenkomst zijn gewijzigd, niets over de datum van 1 januari 2015 is vermeld.

6.8.

Niet alleen is de overeenkomst per 31 december 2014 dus niet geëindigd, ook is niet komen vast te staan dat partijen wél hadden afgesproken dat dit zou gebeuren. Dit brengt mee dat de vordering van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] onder 1 primair (zie 5.1.) zal worden afgewezen.

Ontbinding wegens tekortkoming in de nakoming [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] dan wel [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042]

6.9.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] meent dat als de hiervoor door hem gestelde bedoeling (de rechtbank begrijpt: afspraak) niet is komen vast te staan, de vof op grond van artikel 12 sub c van de overeenkomst moet worden ontbonden (vordering onder 1 subsidiair). Zij heeft in dit verband het volgende aangevoerd. [A] heeft als gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid sinds 2005 geen werkzaamheden meer voor de vof verricht. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] schiet daardoor tekort in de nakoming van de overeenkomst, want zij voldoet niet aan haar verplichting van artikel 4 lid 1. Op grond van dat artikel moet zij haar volledige arbeidskracht, kennis en vlijt in de vof inbrengen. In artikel 16 lid 4 van de overeenkomst is bepaald dat als de arbeidsongeschiktheid van een van de vennoten langer dan 1 jaar heeft geduurd, partijen in onderling overleg bepalen of deelname aan de vof voortgezet dient te worden. Dit overleg heeft niet plaatsgehad. De werkzaamheden van [A] zijn deels overgenomen door [gedaagde in de zaak 16-520] en deels door ingehuurd personeel. De zakelijke leiding kwam bij [gedaagde in de zaak 16-520] te liggen. De reden waarom [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] niet eerder over een uittreding van (toen nog) van [A] is begonnen (en er dus geen overleg als bedoeld in het genoemde artikel 16 lid 4 heeft plaatsgevonden) is dat de relatie in 2005 nog goed was en [gedaagde in de zaak 16-520] daarnaast in de veronderstelling verkeerde dat [het echtpaar A en B] zich per 1 januari 2015 zou terugtrekken. Het was dus een kwestie van nog even geduld hebben. Volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] schiet [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] ook tekort in de nakoming van de overeenkomst doordat zij niet meewerkt aan de benoeming van drie onpartijdige personen zoals bedoeld in artikel 18 (oud, in de akte vernummerd tot artikel 17) van de overeenkomst. In haar conclusie van dupliek in reconventie, tevens antwoord op wijziging van eis in reconventie tevens antwoord op wijziging conclusie in conventie (van 24 augustus 2016), heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] er onder het kopje “de pot verwijt de ketel” ook nog op gewezen dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] zich bij verschillende gemeenten waar de vennootschap standplaatsen heeft, heeft ingeschreven voor een marktvergunning.

6.10.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft aangevoerd dat de vennootschap niet vanwege de arbeidsongeschiktheid van [A] kan worden ontbonden. Toen [A] (blijvend) arbeidsongeschikt raakte, hebben partijen volgens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] besloten om samen verder te gaan met de vennootschap. Het in artikel 16 lid 2 van de overeenkomst bedoelde overleg heeft dus wel degelijk plaatsgevonden. Zij hebben daarbij afgesproken dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering in de vof zou worden gestort, dat [A] geen arbeidsvergoeding meer zou ontvangen en [gedaagde in de zaak 16-520] een extra arbeidsvergoeding. Anders dan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] stelt, zet [A] zich nog maximaal voor de vof in: hij neemt marktgelden aan, versnijdt en verpakt kazen, voorziet het personeel van thee en koffie en ontvangt leveranciers. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] komt de overeenkomst dus wel degelijk na. De vordering is bovendien verjaard: [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] is immers al langer dan vijf jaar bekend met de langdurige arbeidsongeschiktheid van [A] . Dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] niet heeft meegewerkt aan de benoeming van drie onpartijdige personen als bedoeld in artikel 18 van de overeenkomst, is daarnaast niet juist. Volgens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] was afgesproken dat er eerst minnelijk overleg zou worden gevoerd en daarmee waren partijen nog bezig.

6.11.

De rechtbank zal ook deze vordering van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] afwijzen. Vaststaat dat [A] in 2005 arbeidsongeschikt is geraakt en dat hij daardoor niet langer zijn volledige arbeidskracht (als bedoeld in artikel 4 van de overeenkomst) kan inbrengen. Dit betekent echter niet dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] haar verplichtingen als vennoot niet is nagekomen. Het door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] genoemde artikel 16 lid 4 biedt namelijk een regeling voor het geval één van de vennoten arbeidsongeschikt raakt, die inhoudt dat partijen in onderling overleg zullen bepalen of deelname aan de vof zal worden voortgezet. Een redelijke uitleg van de overeenkomst brengt mee dat het bestaan van deze regeling aan het inroepen van artikel 4 van de overeenkomst in het geval van arbeidsongeschiktheid in de weg staat. Of partijen deze regeling van artikel 16 lid 4 hebben nageleefd, is daarvoor niet eens relevant. Overigens is niet komen vast te staan dat partijen de regeling niet hebben uitgevoerd, integendeel. Het kan zo zijn dat het in dit artikel bedoelde overleg niet heeft plaatsgevonden, maar uit de feiten kan niet anders worden afgeleid dan dat partijen wél (al dan niet stilzwijgend) hebben bepaald dat de deelname van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] ondanks de arbeidsongeschiktheid van [A] zou worden voortgezet. Dat is namelijk wat er in de tien jaar na het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid is gebeurd. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft dit zelf ook onderstreept door naar voren te brengen dat de relatie in 2005 nog goed was en dat het (vanwege de vermeende afspraak dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] op 31 december 2014 zou stoppen) een kwestie was van “geduld hebben”. Dit betekent dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] door de arbeidsongeschiktheid van [A] haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst niet heeft geschonden en dat de overeenkomst op grond hiervan ook niet kan worden ontbonden. Dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] zich heeft ingeschreven voor het verkrijgen van marktvergunningen, kan, ook als dit als een schending van de overeenkomst zou moeten worden beschouwd, vanwege de geringe betekenis van deze schending niet tot de ontbinding van de overeenkomst leiden. De ontbinding kan, tot slot, niet worden gegrond op een schending van artikel 18, waarin is bepaald dat geschillen tussen de vennoten moeten worden voorgelegd aan drie onpartijdige personen. Nog daargelaten dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft aangevoerd dat zij nog met [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] over het geschil in overleg was en dat de fase waarin artikel 18 zou gelden dus nog niet was aangebroken, geldt dat een tekortkoming in de nakoming van een verplichting om in geval van een geschil samen met de andere vennoot drie onpartijdige personen aan te wijzen vanwege de bijzondere aard van de tekortkoming (er is al sprake van een geschil) en de geringe betekenis ervan (in het licht van de overige verplichtingen uit de overeenkomst) een ontbinding van de overeenkomst niet rechtvaardigt.

6.12.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft aangevoerd dat het juist [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] is die haar verplichtingen als vennoot heeft geschonden en dat dít een reden vormt om de overeenkomst te ontbinden. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft in dit verband gewezen op het volgende:

  • -

    In 2008 heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] zonder haar toestemming een bouwvergunning aangevraagd op naam van de vennootschap, terwijl het om een verbouwing van een privépand ging.

  • -

    [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft meerdere keren zonder haar toestemming kaasproducten ingekocht waarbij zij de in artikel 8 van de overeenkomst genoemde limiet heeft overschreden. Dit is in 2008 begonnen.

  • -

    Zij heeft een kaas [naam] genoemd, waardoor de indruk werd gewekt dat de vennootschap [naam] kaas verkocht. De vennootschap heeft hiermee gehandeld in strijd met de intellectuele eigendomsrechten van [bedrijfsnaam 1] , wat heeft in 2012 heeft geleid tot een forse schadeclaim.

  • -

    Zij heeft in 2014 een financiële leaseovereenkomst voor een verkoopwagen van de vof met een waarde van € 200.000,- willen aangaan, waarmee de bank haar (althans [gedaagde in de zaak 16-520] ) een bedrag van € 145.616,- zou verstrekken voor de verbouwing van een privé pand.

  • -

    Zij, althans [gedaagde in de zaak 16-520] , heeft een deel van het takenpakket van [B] bij haar weggenomen en in dit verband in mei 2015 het beheer en storten van marktgelden naar zich toegetrokken. Deze houdt zij nu onverzekerd onder zich en zij informeert [het echtpaar A en B] niet over de plaats van opslag.

  • -

    De marktgelden worden niet frequent door haar gestort, hetgeen van invloed is op de cashflow positie.

  • -

    Zij heeft in 2015 zonder toestemming van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] een markt in [plaatsnaam] gekocht, in eerste instantie ten behoeve van zichzelf, hetgeen in strijd is met de overeenkomst.

  • -

    Zij heeft later ook een markt in [plaatsnaam] gekocht, zonder dit met [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] te hebben besproken.

  • -

    In 2015 heeft zij herhaaldelijk zonder toestemming van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] advertenties in het blad de Koopman geplaatst met de mededeling dat de vennootschap op zoek is naar markten voor overname.

  • -

    Zij beslist eenzijdig over vacatures en heeft in dat verband in juli 2015 personeelsadvertenties geplaatst in de krant.

  • -

    Zij heeft in 2015 een verkoopwagen aangeschaft ten bedrage van € 20.000,- zonder de vereiste voorafgaande toestemming van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] en deze vervolgens ook weer zonder haar toestemming verkocht.

6.13.

De rechtbank overweegt dat de aanvraag van een bouwvergunning in 2008 zonder dat daarvoor toestemming van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] was gevraagd, acht jaar later (de conclusie van antwoord in conventie tevens van eis in reconventie dateert van 23 februari 2016) geen grond meer kan vormen voor een ontbinding van de overeenkomst, ook niet indien deze omstandigheid in samenhang met de overige wordt bezien. Datzelfde geldt voor de gedragingen van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] in 2012 die verband houden met de inbreuk op de intellectuele eigendomsrechten van [bedrijfsnaam 1] , als er al van moeten worden uitgegaan dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] met deze gedragingen niet heeft ingestemd (wat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft gesteld en [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft betwist).

6.14.

Wat betreft de andere aantijgingen van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] geldt het volgende. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft niet betwist dat zij soms grote hoeveelheden kaas inkoopt die het bedrag van € 25.000,- overstijgen en dat zij hiervoor geen toestemming heeft gevraagd van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] . [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft hierdoor inbreuk gemaakt op wat artikel 8 lid 2 sub a over inkopen voor een bedrag van meer dan € 25.000,- bepaalt. Als zou vaststaan dat de overeenkomst wat het genoemde bedrag betreft gedateerd is, zoals [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft aangevoerd, zou het in de rede hebben gelegen dat partijen hierover een andere afspraak zouden hebben gemaakt of dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] hierop op zijn minst zou hebben aangedrongen. Dat is niet gebeurd, zodat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] zich aan de genoemde bepaling dient te houden. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft ook niet weersproken dat zij advertenties heeft geplaatst om personeel te werven. Zij heeft aangevoerd dat zij hiermee niet in strijd met de overeenkomst heeft gehandeld. Dat heeft zij naar het oordeel van de rechtbank echter wél: in artikel 8 lid 2 sub b is namelijk bepaald dat de vennoten instemming van elkaar nodig hebben als zij een arbeidsovereenkomst willen sluiten. Dit brengt redelijkerwijze mee dat zij deze ook moeten hebben als zij (in aanloop naar het sluiten van een arbeidsovereenkomst) een personeelsadvertentie willen plaatsen. Daarnaast staat vast dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] ( [gedaagde in de zaak 16-520] ) zonder toestemming van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] een vergunning voor een marktplaats in [plaatsnaam] heeft gekocht. Volgens haar bestond er een goede reden om deze goedkeuring niet te vragen: zij wilde namelijk voorkomen dat de andere zoon van [het echtpaar A en B] en broer van [gedaagde in de zaak 16-520] , [D] , ook voor deze standplaats zou opteren en daarmee de vof zou gaan beconcurreren. Kennelijk meende [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] zijn broer [D] hiermee zou willen helpen. Dit kan echter geen rechtvaardiging vormen voor het passeren van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] als medevennoot. Het gaat hier bovendien om een aanzienlijke investering die direct ziet op wat de vennootschap in de kern doet: het drijven van handel in kaas op markten. Dat geldt ook voor de vergunning voor een standplaats op de markt in [plaatsnaam] die [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] ( [gedaagde in de zaak 16-520] ) in 2015 heeft verkregen. Tussen partijen bestaat discussie over de vraag of [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] nu de bedoeling had deze vergunning in de vennootschap in te brengen of dat zij deze standplaats zelf wilde exploiteren (in welk geval zij in strijd zou handelen met het in artikel 6 van de overeenkomst opgenomen concurrentiebeding). Wat hiervan ook zij, [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft niet betwist dat zij voor het aanvragen van deze vergunning ook geen toestemming van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft verzocht. Zij heeft ook niet betwist dat zij zonder dat zij daarvoor toestemming had van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] advertenties heeft geplaatst met de mededeling dat de vennootschap op zoek was naar nieuwe markten. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft daarnaast niet weersproken dat zij zonder toestemming van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] een verkoopwagen heeft verkocht voor een bedrag van € 20.000,-. Ook deze toestemming had zij wel moeten hebben. Dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] met de verkoop van de verkoopwagen akkoord vertrouwde omdat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] met de aankoop ervan toch al niet gelukkig was, doet aan de verplichting om hiervoor toestemming te vragen niet af.

6.15.

Uit het voorgaande blijkt dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] meerdere keren handelingen heeft verricht zonder dat zij daarvoor toestemming van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] had verkregen. Omdat zij deze toestemming op grond van de overeenkomst wel nodig had, heeft zij hierdoor iedere keer in strijd gehandeld met artikel 8 van de overeenkomst en is zij in de nakoming van deze overeenkomst dus tekortgekomen. Daarnaast heeft zij niet betwist dat zij de marktgelden niet frequent stort en dat dit invloed heeft op de cashflow positie. Dit laatste is niet in het belang van de vennootschap. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft het belang van de vennootschap ook geschaad toen zij een financiële lease overeenkomst betreffende een verkoopwagen van de vennootschap wilde sluiten. Dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] zich slechts heeft georiënteerd op de financieringsmogelijkheden, zoals zij heeft gesteld, blijkt niet uit de correspondentie waarop [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] in dit verband heeft gewezen. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft als productie 12 een brief van de bank van 29 juli 2014 in het geding gebracht, die een offerte bevat en zij heeft als productie 31 een e-mail van 17 juli 2014 overgelegd die de bank aan de betrokken notaris had gestuurd, waarin stond vermeld dat alle vennoten de stukken dienden te ondertekenen. Volgens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] hoorde zij pas van de (mogelijk te sluiten) financiële leaseovereenkomst toen de notaris contact met haar opnam. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft dit niet betwist. Zij heeft alleen aangevoerd dat de offerte pas later aan haar is verstuurd, maar dat is niet relevant. Uit het feit dat de bank al contact had met de notaris kan worden afgeleid dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] de oriënterende fase al had doorlopen. Het is niet in het belang van de vennootschap dat een medevennoot pas daarna en ook nog eens via een derde met een voorgenomen besluit van de andere vennoot wordt geconfronteerd.

6.16.

De vraag is of deze tekortkomingen een ontbinding van de overeenkomst en haar gevolgen kunnen rechtvaardigen. Hoewel de hiervoor weergegeven lijst van tekortkomingen lang is, beantwoordt de rechtbank deze vraag om de volgende redenen toch ontkennend.

6.17.

Ten eerste is van belang dat vaststaat dat het de bedoeling van partijen was dat [gedaagde in de zaak 16-520] (inmiddels [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] ) de onderneming op een gegeven moment zou voortzetten en dat [het echtpaar A en B] (nu [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] ) zou uittreden. Vaststaat ook dat het belang van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] in de winst en het verlies van de vennootschap sinds 2010 zeventig procent is en dat van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] dertig procent. Uit wat partijen over en weer hebben gesteld, kan daarnaast worden afgeleid dat nadat [A] in 2005 ziek was geworden, het aantal taken van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] substantieel was toegenomen en dat de zakelijke leiding voornamelijk bij haar was komen te liggen. Voor zover [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft willen aanvoeren dat dit niet het geval was, heeft zij dit onvoldoende concreet gedaan en ook onvoldoende onderbouwd. Uit haar stellingen volgt in ieder geval dat [A] na 2005 de zakelijke leiding zelf niet meer had. Zij heeft namelijk naar voren gebracht dat hij nadien onder meer marktgelden aannam, kazen versneed en verpakte, het personeel van thee en koffie voorzag en leveranciers ontving. Kennelijk verrichtte hij volgens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] nog meer werkzaamheden, maar dat deze zagen op het leidinggeven ligt gezien de aard van de door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] wél genoemde taken (ondersteuning) en het gegeven dat hij in 2005 als gevolg van een hersenbeschadiging volledig arbeidsongeschikt is geraakt niet bepaald voor de hand. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft ook naar voren gebracht dat het niet mogelijk was om alle werkzaamheden van [A] bij één persoon te beleggen, omdat hij voor zijn ziekte drieënzeventig uur per week werkte. Volgens haar heeft niet alleen [gedaagde in de zaak 16-520] taken van [A] op zich genomen, maar hebben [B] en het personeel van de vennootschap dat ook gedaan. Zij heeft tegelijkertijd echter opgemerkt dat de arbeidsvergoeding van [gedaagde in de zaak 16-520] na (of in) 2005 was verhoogd, dat [B] een arbeidsvergoeding ontving naar rato van de door haar gewerkte uren en dat de taakverdeling was gekoppeld aan de arbeidsvergoeding (met andere woorden: hoe meer werkzame uren, hoe hoger de vergoeding). Hieruit kan worden afgeleid dat het aantal taken van [gedaagde in de zaak 16-520] substantieel was toegenomen; het overnemen van een enkele taak zal in de regel niet tot een verhoging van de vergoeding leiden. Daarnaast volgt uit het gegeven dat ook [B] en het personeel taken hebben overgenomen, nog niet dat zij ook zakelijk leiding aan de onderneming zijn gaan geven en [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft dit ook niet gesteld. De tekortkomingen, die zoals overwogen inhielden dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] handelingen verrichtte zonder de daarvoor benodigde toestemming van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] , moeten in het licht van het voorgaande worden bezien. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] is door haar toegenomen belang, het feit dat [A] voor de vennootschap verminderd “inzetbaar” was en het gegeven dat zij meer taken op zich had genomen en al geruime tijd de zakelijke leiding had steeds meer gaan handelen alsof zij geen medevennoot had.

6.18.

Dat is uiteraard niet hoe een vennoot met een medevennoot hoort om te gaan. Hierbij moet echter in ogenschouw worden genomen dat de verhoudingen tussen partijen sterk waren verslechterd, nadat er in 2008 een geschil was ontstaan over de geldigheid van de akte van rectificatie en er in 2015 geen overeenstemming kon worden bereikt over de uittreding van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] en de door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] daarvoor te betalen vergoeding. Zoals blijkt uit wat hiervoor in 6.12 is weergegeven, hebben de meeste tekortkomingen in 2015 plaatsgevonden. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft aangevoerd dat alles wat zij doet, in het belang is van de vennootschap en dat het erop lijkt dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] haar toestemming voor bepaalde handelingen alleen maar weigert om [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] dwars te zitten. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] kan hier worden tegengeworpen dat als zij dit zo heeft ervaren, zij in verband met de geschillen over de verschillende beslissingen die zij wilde nemen de geschillenregeling van artikel 18 had kunnen benutten. Ook had zij kunnen vorderen dat de overeenkomst zou worden ontbonden op de door de haar gestelde grond dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] haar verplichtingen als vennoot niet nakomt doordat zij, door haar goedkeuring te weigeren, niet handelt in het belang van de vennootschap. Dit heeft zij niet gedaan, ook niet in deze procedure. Dit betekent echter niet dat aan dit verweer geen gewicht kan worden toegekend. Dat geldt temeer omdat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] niet heeft gesteld dat de beslissingen die [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft genomen niet goed waren voor de vennootschap. Dat is anders waar het de beoogde sluiting van de financiële leaseovereenkomst betrof, maar van belang is dat deze uiteindelijk niet is gesloten en dat hieruit dus ook geen schade kan zijn voortgevloeid. Het is ook anders waar [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft gewezen op het onverzekerd onder zich houden van marktgelden. Tijdens het pleidooi heeft zij in dit verband naar voren gebracht dat er op 31 maart 2017 een bedrag van € 3.000,- uit een verkoopwagen was ontvreemd en dat de verzekering dit niet heeft willen vergoeden. Dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] alle gelden in de verkoopwagen bewaart, heeft zij echter niet gesteld en daarnaast is het genoemde bedrag relatief gering van omvang. Bovendien heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] gewezen op een door haar als productie 26 overgelegde e-mail van de bedrijfsleider, waarin staat vermeld dat het geld in de verkoopwagens in kluizen wordt bewaard en dat dit als gevolg van een fout van deze bedrijfsleider met het genoemde bedrag van € 3.000,- niet is gebeurd. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft daarnaast niet weersproken dat de onderneming in de periode tussen 2003 en 2011 is gegroeid van 8 naar 14 markten, dat de omzet toen is gestegen van ongeveer € 900.000,- naar € 2.300.000,- en dat, nadat er in 2011 vijf markten aan [D] waren verkocht, de onderneming weer is gegroeid naar tien markten en een omzet van

€ 2.000.000,-. Dat de nettowinst sinds 2008 geen noemenswaardige groei meer heeft doorgemaakt, zoals [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] tijdens haar pleidooi heeft gesteld, doet, wat daarvan ook zij, daaraan onvoldoende af.

6.19.

De tekortkomingen hebben dus plaatsgevonden in een periode waarin de relatie tussen partijen sterk was verslechterd en waarin al over de uittreding van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] werd gesproken. Deze uittreding (op termijn) hadden partijen bovendien beoogd. Dit is voor de vraag of de tekortkomingen een ontbinding van de overeenkomst met haar gevolgen kan rechtvaardigen relevant. Van even groot belang is dat de genoemde gevolgen voor [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] groot zullen zijn. Niet alleen was het de bedoeling dat [gedaagde in de zaak 16-520] de onderneming op termijn zou voorzetten, hij heeft zijn werkzame leven daarop ook ingericht. Onweersproken is dat hij al sinds zijn zeventiende voor de vennootschap werkt, dat hij geen andere werkervaring heeft en dat hij van de inkomsten uit de onderneming van de vennootschap afhankelijk is. Daarbij komt dat hij nog een groot deel van zijn werkzame leven voor zich heeft, want hij is (pas) negenendertig jaar oud. Indien hij de onderneming na de ontbinding niet zou mogen voortzetten, zal hij bovendien gebonden zijn aan het in artikel 6.1. van de overeenkomst opgenomen concurrentieverbod. Weliswaar geldt dit verbod alleen voor de markten waarop de vennootschap werkzaam is, maar dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] hierdoor in haar mogelijkheden fors zal worden beperkt, staat gezien het feit dat het om tien markten gaat wel vast.

6.20.

Uit het voorgaande volgt dat de tekortkomingen van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] gezien hun aard een ontbinding van de overeenkomst (op vordering van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] ) met haar gevolgen niet kunnen rechtvaardigen. Ook de vordering van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] om de overeenkomst vanwege een tekortkoming te ontbinden (zie 5.4, primaire vordering onder 1) zal daarom worden afgewezen. Dit brengt mee dat haar vorderingen om voor recht te verklaren dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] de onderneming kan voortzetten omdat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen (primaire vordering onder 2 subsidiair) en om voor recht te verklaren dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst dan wel onrechtmatig heeft gehandeld jegens de vennootschap en/of haar medevennoot en daarom gehouden is tot betaling van de kosten van ontbinding, nader op te maken bij staat (primaire vordering onder 5), eveneens zullen worden afgewezen. Weliswaar is hiervoor overwogen dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, maar omdat deze tekortkoming een ontbinding van de overeenkomst niet rechtvaardigt is er ook geen grond voor de gevorderde verklaringen voor recht. Voor zover de laatst genoemde gevorderde verklaring voor recht ziet op een door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] gepleegde onrechtmatige daad, geldt dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] dit deel van de vordering in het geheel niet heeft toegelicht, zodat ook voor toewijzing hiervan geen grond bestaat.

Ontbinding wegens een gewichtige reden

6.21.

Partijen hebben beide ( [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] meer subsidiair onder 2 en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] subsidiair) gevorderd dat de rechtbank de vennootschap ontbindt om een gewichtige reden. Volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] is de samenwerking tussen de vennoten als gevolg van de al lang bestaande en zeer hoog opgelopen conflicten, het gebrek aan vertrouwen tussen de vennoten en het feit dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] geen of amper werkzaamheden voor de vennootschap verricht, feitelijk onmogelijk geworden. Ook [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft erop gewezen dat de verhouding tussen partijen een voortzetting van de vennootschap onmogelijk maakt: volgens haar is de samenwerking duurzaam is ontwricht. Daarnaast vormt ook het feit dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] in de naleving van de overeenkomst is tekortgeschoten volgens haar een gewichtige reden. Dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] minder werkzaamheden verricht dan voorheen, echter niet.

6.22.

Partijen menen dus beiden (zij het pas voor het geval de vennootschap niet vanwege een tekortkoming van de ander kan worden ontbonden) dat de vennootschap om een gewichtige reden moet worden ontbonden. Een gewichtige reden bestaat als zich een omstandigheid voordoet die verwezenlijking van het vennootschappelijke doel voor de vennoot die ontbinding vordert onmogelijk of uiterst bezwaarlijk maakt. De rechtbank is het met [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] eens dat het feit dat zij minder werkzaamheden verricht dan voorheen, op zichzelf geen gewichtige reden kan vormen. De gewichtige reden kan echter ook niet zijn gelegen in de tekortkomingen van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] . Zoals hiervoor overwogen, moeten deze tekortkomingen worden bezien in het licht van de omstandigheden: het was de bedoeling dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] de onderneming op termijn zou voortzetten en dat zou mogelijk begin 2015 het geval zijn, zij had al jaren de zakelijke leiding in de vennootschap, had sinds 2010 in de winst en verlies ook een aanzienlijk groter belang dan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] en haar tekortkomingen vonden vrijwel allemaal plaats in een periode waarin de verhouding tussen partijen sterk was verslechterd en waarin bovendien al over uittreding door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] werd gesproken.

6.23.

De gewichtige reden wordt wél gevormd door de ontwrichte relatie en de daardoor verstoorde samenwerking tussen partijen. De tekortkomingen van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] zullen zeker aan het ontstaan van de ontwrichte relatie hebben bijgedragen, maar de verslechtering was al eerder ingetreden, namelijk toen de akte van rectificatie in 2008 namens [het echtpaar A en B] werd vernietigd. De relatie kwam nog verder onder druk te staan toen partijen het in 2015 niet eens werden over de voorwaarden waaronder [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] zou uittreden. Uit het feit dat het de bedoeling van partijen was dat [gedaagde in de zaak 16-520] de onderneming op den duur zou voortzetten, dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] de zakelijke leiding van de vennootschap had en zij een groter belang in de winst en het verlies van de vennootschap heeft dan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] moet [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] geacht feitelijk meer betrokken te zijn bij de verwezenlijking van het vennootschappelijke doel van de vennootschap dan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] . [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft daarnaast gesteld dat de werkzaamheden van [B] zien op de administratie en boekhouding en dat zij hiermee gemiddeld niet meer dan tien uur in de week bezig is. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft dit niet betwist en dat er namens haar iemand anders dan [B] bij de vennootschap is betrokken, heeft zij niet gesteld. In die zin speelt het feit dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] minder werkzaamheden verricht dan voorheen dus toch een rol. Weliswaar heeft [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] gesteld dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] een deel van het takenpakket van [B] bij haar heeft weggenomen, maar zij heeft in dat verband alleen gewezen op het beheer en storten van de marktgelden en zij heeft niet gesteld hoeveel uren zij hiermee altijd bezig was. De ontwrichte relatie maakt de verwezenlijking van het vennootschappelijke doel van de vennootschap bijzonder bezwaarlijk. Om deze reden zal de rechtbank de vennootschap op vordering van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] ontbinden. De subsidiaire vordering van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] zal (in haar geheel) worden afgewezen.

6.24.

Op grond van artikel 14 van de overeenkomst zal [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] de onderneming van de vennootschap vervolgens mogen voortzetten. De rechtbank realiseert zich dat het [B] is die de vennootschap samen met [A] is begonnen en dat het haar zwaar zal vallen om de vennootschap op deze manier te moeten verlaten. Omdat bij het toetreden van (toen nog) [gedaagde in de zaak 16-520] echter al was voorzien dat hij de onderneming uiteindelijk zou voortzetten, kan dit niet tot een andere uitkomst leiden. De redelijkheid en billijkheid kunnen dat, anders dan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft aangevoerd, ook niet. Bij de vraag wat de redelijkheid en billijkheid vergen, moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken. Deze omstandigheden zijn al in aanmerking genomen bij de beoordeling van de vraag op wiens vordering de vennootschap moet worden ontbonden en hierbij hebben de redelijkheid en billijkheid (zij het impliciet) al een rol gespeeld. Dat het kapitaal grotendeels van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] afkomstig is, is, wat daarvan ook zij, evenmin van belang. Op grond van artikel 13 van de overeenkomst zal [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] namelijk gerechtigd zijn voor het bedrag waarvoor zij overeenkomstig artikel 5 van de overeenkomst in de boeken van de vennootschappen is gecrediteerd. In artikel 5 is bepaald dat de vennoten voor hun inbreng in geld of goederen op hun (kapitaal)rekening worden gecrediteerd. Het door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] ingebrachte kapitaal zal, met andere woorden, voor haar niet verloren gaan. Tot slot is van belang dat [B] , anders dan [gedaagde in de zaak 16-520] , haar werkende leven al goeddeels achter de rug heeft: zij is vijfenzestig jaar. Zij heeft weliswaar naar voren gebracht dat zij de vennootschap samen met haar dochter en zus van [gedaagde in de zaak 16-520] , [C] , zal kunnen voortzetten, maar hierdoor wordt haar belang om de vennootschap voort te zetten (geplaatst tegenover dat van [gedaagde in de zaak 16-520] ) onvoldoende gekleurd.

Voortzetting vof

6.25.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] meent dat zij de onderneming van de vof na ontbinding van de vof zou mogen voortzetten en heeft (primaire vordering onder 2 primair) gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat zij hiertoe is gerechtigd. Omdat hiervoor is overwogen dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] de onderneming zal mogen voortzetten, zal deze vordering worden afgewezen. Datzelfde geldt voor de primaire vordering onder 2 meer subsidiair (dat voor recht wordt verklaard dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] de onderneming na ontbinding kan voortzetten). Ook haar primaire vordering onder 6, om [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] te gebieden medewerking te verlenen aan de vereffening van de vof en de voortzetting van de onderneming zal worden afgewezen, nu de rechtbank ervan uitgaat dat dit gebod volgens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] alleen moet gelden indien zij de onderneming mag voortzetten.

De vergoeding

Geldigheid akte

6.26.

Op grond van artikel 15 lid 3 van de overeenkomst kunnen in geval van voortzetting van de vennootschap alle zaken van de vennootschap worden overgenomen door degene die de onderneming voortzet. De voortzettende vennoot is dan op grond van lid 4 van dit artikel verplicht om alle schulden van de vennootschap voor zijn rekening te nemen en om aan de gewezen vennoot een bedrag uit te keren dat conform artikel 13 van de overeenkomst wordt vastgesteld. In artikel 13 is, zoals hiervoor al overwogen, bepaald dat ieder van de vennoten bij het einde van de vennootschap in het vermogen van de vennootschap is gerechtigd voor het bedrag waarvoor hij op zijn rekening in de boeken van de vennootschap is gecrediteerd, vermeerderd of verminderd met zijn aandeel in de winst of het verlies sinds de aanvang van het boekjaar, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met de (destijds door [het echtpaar A en B] ) voorbehouden stille reserves als bedoeld in artikel 4 van de akte. In artikel 4 (lid 2) is vermeld dat [het echtpaar A en B] de activa en passiva die op de aan de akte te hechten openingsbalans zijn vermeld inbrengen, met dien verstande dat zij zich het recht op de stille reserves in inventaris, vervoermiddelen en goodwill voorbehouden.

6.27.

Partijen zijn het niet eens over de vraag of deze laatste bepaling nog van toepassing is. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] meent van niet en heeft gevorderd (primair onder 2, zie 5.1) dat voor recht wordt verklaard dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] geen aanspraak kan maken op de vergoeding van de stille reserve in de goodwill althans dat de rechtbank naar redelijkheid en billijkheid een vergoeding vaststelt. Zij heeft erop gewezen dat het hiervoor genoemde artikel 4 lid 2 van de overeenkomst bij de in 4.8 genoemde akte is gewijzigd, in die zin dat daarin nu is bepaald dat [gedaagde in de zaak 16-520] ( [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] ) voor deze stille reserve betaalt “via de glijdende winstverdeling in artikel 11 van deze akte” (bedoeld is: de overeenkomst). De overeenkomst kon namelijk zó worden gelezen dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] twee keer voor de goodwill zou moeten betalen: één keer door middel van het inverdienen (een lager winstaandeel) en één keer omdat die goodwill werd voorbehouden. Deze tegenstrijdigheid is in de akte gecorrigeerd.

6.28.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft gesteld dat zij op de genoemde vergoeding nog wel degelijk recht heeft. Zij heeft gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat de ingebrachte goodwill, die blijkens een rapport van [bedrijfsnaam 2] van 23 november 2015 in totaal € 340.907,- bedroeg, nog steeds aan haar is voorbehouden en dat (de rechtbank begrijpt: omdat) de akte niet rechtsgeldig tot stand is gekomen althans dat deze is vernietigd. [A] heeft vlak voor ondertekening van de akte vijf weken in het ziekenhuis gelegen, was regelmatig buiten bewustzijn en kampte met geheugenverlies en spraakproblemen. Ook gedurende de lange revalidatieperiode waren er diverse medische beperkingen vanwege blijvende hersenbeschadiging, waardoor hij niet in staat was tot het opnemen en verwerken van informatie. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft in dit verband gewezen op een door haar als productie 3 overgelegd rapport van 4 augustus 2006 van Revalidatiecentrum [naam revalidatiecentrum] en een rapportage betreffende een neuropsychologisch onderzoek van 27 september 2007 van hersenletselkliniek [naam hersenletselkliniek] .

6.29.

Voorts heeft [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] aangevoerd dat [gedaagde in de zaak 16-520] de akte tijdens deze emotioneel zware periode zonder enige toelichting aan [het echtpaar A en B] heeft voorgelegd. Krap drie weken nadat [A] uit het ziekenhuis was gekomen, heeft [het echtpaar A en B] de akte ondertekend (op 3 september 2015). Pas in het voorjaar van 2009 kwam [het echtpaar A en B] er door een gesprek dat [B] met [gedaagde in de zaak 16-520] had achter dat er niet langer sprake was van enig voorbehoud ten aanzien van de goodwill uit 2003. Toen [het echtpaar A en B] de akte van rectificatie ondertekende, was hij in de veronderstelling dat hierin was bepaald wat hij begin 2005, voordat [A] ziek werd, met [gedaagde in de zaak 16-520] had afgesproken, namelijk dat de leeftijdsgrens waarbinnen de broer van [gedaagde in de zaak 16-520] , [D] , op grond van artikel 17 van de overeenkomst een aantal markten kon exploiteren zou worden opgerekt. [het echtpaar A en B] was een volledig ander document voorgelegd, waarin niet alleen de afspraken die in artikel 17 van de overeenkomst over de leeftijdsgrens waren verwoord waren komen te vervallen, maar waarin ook een drastische wijziging betreffende de glijdende winstverdeling was opgenomen. De wil van [het echtpaar A en B] is nooit gericht geweest op de in de akte beoogde rechtsgevolgen. [A] was feitelijk handelingsonbekwaam en de daadwerkelijke inhoud van de akte was aan [het echtpaar A en B] niet kenbaar gemaakt. Van [het echtpaar A en B] kon niet worden verwacht dat hij de akte voor ondertekening zou lezen. Uit de hiervoor genoemde medische rapportage blijkt dat [A] hiertoe niet in staat was en [B] was volledig gericht op de zorg voor hem. [het echtpaar A en B] heeft ten onrechte vertrouwd op de mededelingen van [gedaagde in de zaak 16-520] dat de akte zou zien op wat zij destijds over [D] hadden afgesproken. [gedaagde in de zaak 16-520] had er gezien het voorgaande niet op mogen vertrouwen dat er door ondertekening van de akte sprake zou zijn van een rechtsgeldige totstandkoming van de akte. Feitelijk is sprake geweest van dwaling/bedrog en/of misbruik van omstandigheden nu door of namens [gedaagde in de zaak 16-520] een compleet ander stuk aan (een ernstig zieke) [A] en aan [B] is voorgelegd.

6.30.

De inhoud van de akte lag volgens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] daarnaast niet voor de hand. [gedaagde in de zaak 16-520] had sinds zijn toetreding tot de vof een stijgend winstaandeel (van 30% naar 70%) ontvangen zonder enige geldelijke inleg, zodat hij hiermee voldoende vermogen kon opbouwen om de voorbehouden stille reserve en goodwill op enig moment te voldoen. Hij heeft al die jaren ook een riante arbeidsvergoeding ontvangen. Het valt niet in te zien dat [het echtpaar A en B] . de voorbehouden stille reserves en goodwill uit 2003 ter waarde van € 340.907.- via de glijdende winstdeling (geheel of gedeeltelijk) om niet aan [gedaagde in de zaak 16-520] zouden weggeven. Als dit de bedoeling zou zijn geweest, waren er wel berekeningen gemaakt waarmee dat “inverdienen” zou zijn bijgehouden. Zijn broer [D] heeft immers ook moeten afrekenen voor de overname van een aantal kaasmarkten van de vof. Namens [het echtpaar A en B] is de akte bij brief van 25 augustus 2008 vernietigd. Volgens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft [gedaagde in de zaak 16-520] deze buitengerechtelijke vernietiging geaccepteerd want hij heeft in 2011 ingestemd met de overdracht van een aantal kaasmarkten van de vof aan [D] (hetgeen in lijn was met de door partijen gemaakte afspraken).

6.31.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft zich verweerd en naar voren gebracht dat [A] geen partij bij de akte is, maar [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] . Bij [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] was ook [B] betrokken, dus de geestestoestand van [A] heeft geen invloed gehad op de gebondenheid van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] aan deze akte. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft betwist dat partijen hadden afgesproken dat de overeenkomst zou worden aangepast in die zin dat (slechts) de leeftijdsbeperking van artikel 17 zou komen te vervallen. Volgens haar hadden partijen over de inhoud van de door [het echtpaar A en B] ondertekende akte gesproken en was daarover overeenstemming. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft in dit verband gewezen op de in 4.7 genoemde gespreksnotitie en een schriftelijke verklaring van de voormalige accountant van de vennootschap van 25 april 2016, die in 4.9 is weergegeven. In deze verklaring staat dat partijen het er unaniem over eens waren dat het niet gewenst was dat [gedaagde in de zaak 16-520] twee keer goodwill aan zijn ouders zou moeten betalen. Volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] is de akte niet rechtsgeldig vernietigd. Van dwaling is geen sprake geweest en van bedrog of misbruik van omstandigheden evenmin. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft betwist dat zij in de vernietiging heeft berust en zij heeft in dat verband gewezen op correspondentie waaruit het tegendeel blijkt.

6.32.

De rechtbank overweegt dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] zoals vermeld naar voren heeft gebracht dat [A] ten tijde van het ondertekenen van de akte feitelijk handelingsonbekwaam was. Zij heeft echter niet gesteld dat [A] onder curatele was gesteld (in welk geval zijn rechtshandeling op grond van artikel 3:32 lid 1 BW vernietigbaar zou zijn geweest), en dit is ook niet gebleken. Het betoog van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] komt erop neer dat [A] en [B] niet wisten wat zij ondertekenden. Omdat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] naar voren heeft gebracht dat [A] en [B] de akte ongezien hebben ondertekend, moet ervan worden uitgegaan dat de ziekte van [A] op de ondertekening weinig invloed heeft gehad. Het is niet zo dat [A] de akte heeft gelezen, maar de inhoud vanwege zijn ziekte niet begreep. Het is denkbaar dat [A] er onder invloed van zijn ziekte voor heeft gekozen om de akte niet te lezen voordat hij deze ondertekende, maar dat heeft [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] niet gesteld. Bovendien heeft [B] de akte naar haar eigen zeggen evenmin gelezen en zou het dus ook in dit geval de vraag zijn geweest of de ziekte van [A] op deze keuze van invloed is geweest.

6.33.

Als wil en verklaring niet overeenkomen is er sprake van oneigenlijke dwaling. In dat geval komt er op grond van artikel 3:33 BW geen overeenkomst tot stand. Als zou vaststaan dat [het echtpaar A en B] bij ondertekening van de overeenkomst dacht dat de overeenkomst een andere inhoud had dan zij heeft, geldt dat het beroep van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] op oneigenlijke dwaling haar echter niet kan baten. Artikel 3:35 BW biedt [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] namelijk bescherming. In dit artikel is bepaald dat tegen hem die een verklaring of gedraging van iemand anders, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, geen beroep kan worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil. Met andere woorden: als [gedaagde in de zaak 16-520] de gedraging van [het echtpaar A en B] (die eruit bestond dat hij de akte heeft ondertekend) redelijkerwijze zó mocht opvatten dat [het echtpaar A en B] de overeenkomst (verwoord in de akte) zoals deze luidt wenste aan te gaan, kan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] niet worden tegengeworpen dat [het echtpaar A en B] dit niet wilde. Naar het oordeel van de rechtbank mocht [gedaagde in de zaak 16-520] uit de ondertekening van [het echtpaar A en B] begrijpen dat hij de overeenkomst (in de akte) wenste aan te gaan en kan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] jegens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] geen beroep doen op het ontbreken van een met de verklaring overeenstemmende wil.

6.34.

In dit verband is van belang dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] zoals vermeld, heeft gesteld dat [het echtpaar A en B] de overeenkomst niet heeft gelezen. In het algemeen mag van de ondertekenaar van een overeenkomst worden verwacht dat hij zich van de (exacte) inhoud van de door hem te ondertekenen overeenkomst op de hoogte heeft gesteld. Heeft hij dat niet gedaan, dan komt dat voor zijn risico. In bijzondere omstandigheden kan dit anders zijn, bijvoorbeeld in de extreme situatie waarin iemand tot ondertekening van een overeenkomst met een voor hem onbekende inhoud wordt gedwongen. Maar dat van dit laatste sprake is geweest, is hier niet gebleken. Integendeel: [B] heeft tijdens de zitting op 20 april 2017 verklaard dat zij en [A] alleen waren toen zij de overeenkomst ondertekenden. Weliswaar was hun volgens haar verteld dat er haast bij was, maar hiermee is niet gezegd dat er sprake was van dwang. Het kan ook anders zijn als het voor de wederpartij ( [gedaagde in de zaak 16-520] ) duidelijk is dat de ondertekenaar de overeenkomst ongelezen heeft ondertekend en er daarnaast geen bespreking van de inhoud van de overeenkomst heeft plaatsgevonden. Dat het voor [gedaagde in de zaak 16-520] duidelijk was dat [het echtpaar A en B] de overeenkomst niet had gelezen, heeft [het echtpaar A en B] niet gesteld, althans niet concreet genoeg, zeker niet nu [B] ter zitting zoals vermeld heeft verklaard dat zij en [A] alleen waren toen zij de akte ondertekenden. Uit het enkele feit dat [A] onlangs ernstig ziek was geworden en [B] de zorg over hem had, kan ook niet worden afgeleid dat [gedaagde in de zaak 16-520] moet hebben geweten dat zij de akte niet hadden gelezen. Hierbij komt dat ook niet kan worden vastgesteld dat er geen bespreking van de inhoud van de akte heeft plaatsgevonden.

6.35.

Allereerst geldt dat niet is komen vast te staan dat partijen met elkaar hadden afgesproken dat de leeftijdsgrens waarbinnen [D] een aantal markten mocht overnemen, zou worden opgerekt en dat dit zou worden vastgelegd in een overeenkomst. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft dit namelijk betwist en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft deze stelling niet onderbouwd. Hieruit volgt dat [het echtpaar A en B] niet mocht begrijpen dat de inhoud van de akte zag op deze oprekking van de leeftijdsgrens. Daarnaast heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] aangevoerd dat over de inhoud van de akte wel degelijk was gesproken en zij heeft in dit verband, zoals vermeld, gewezen op de schriftelijke verklaring van de voormalige accountant van de vennootschap. Weliswaar is het zo dat de accountant, de heer [F] , hierin vermeld dat de finesses van de gang van zaken hem niet meer geheel duidelijk voor de geest staan, zoals [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft opgemerkt, maar waar hij dingen niet meer zeker wist, heeft hij dit in zijn verklaring ook opgemerkt. Zo gebruikt hij hierin de woorden: “voor zover ik mij kan herinneren” en “voor zover mij bekend”. Dit voorbehoud maakt hij niet waar hij het heeft over de inhoud van de akte en schrijft dat partijen het er unaniem over eens waren dat het niet gewenst was dat [gedaagde in de zaak 16-520] twee keer voor de goodwill zou betalen, namelijk één keer door het inverdienen (een lager winstaandeel) en één keer bij het uitkopen van [het echtpaar A en B] als hij ging uittreden. Ook in de gespreksnotitie van een bespreking die blijkens de notitie op 23 augustus 2015 had plaatsgevonden, staat vermeld dat het voorbehoud dat in de overeenkomst betreffende de stille reserves was gemaakt tussen partijen was besproken en dat er een (naar de rechtbank begrijpt) aanvullende overeenkomst zou worden opgesteld waarmee “de overkill met betrekking tot de goodwill” zou worden voorkomen. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft betwist dat het gesprek waarop de notitie ziet, heeft plaatsgevonden, maar de rechtbank gaat hieraan in het licht van de later ondertekende akte en de genoemde verklaring van de accountant voorbij. De rechtbank gaat er daarom van uit dat partijen wel degelijk over de inhoud van de akte hebben gesproken. Dit gesprek heeft zoals vermeld eind augustus 2015 plaatsgevonden. Dat [A] toen niet in staat moet zijn geweest om zijn wil te vormen, heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] betwist en volgt niet zonder meer uit de passage uit de hiervoor genoemde medische rapportages waarop [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft gewezen en die in 4.6 is weergegeven. Hierin staat weliswaar vermeld dat [A] problemen had met het verwerken van informatie en met aandacht, maar daaruit volgt niet zonder meer dat hij uiteindelijk niet in staat was om zaken, nadat deze hem zijn uitgelegd, te begrijpen en om zijn wil te uiten.

6.36.

Gezien het voorgaande heeft [gedaagde in de zaak 16-520] erop mogen vertrouwen dat [het echtpaar A en B] doordat hij de overeenkomst ondertekende, met de inhoud ervan instemde. De overeenkomst is dus wel degelijk tot stand gekomen. Zij is niet vatbaar voor vernietiging op grond van een wilsgebrek. Van een wilsgebrek zou sprake zijn geweest als [het echtpaar A en B] . wel wist wat hij ondertekende, maar zijn wil om de overeenkomst te ondertekenen was gevormd onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft aangevoerd dat de wil van [het echtpaar A en B] ontbrak, niet dat zijn wil gebrekkig tot stand was gekomen. Van dwaling (in eigenlijke zin) kan dus niet worden gesproken en van een ander wilsgebrek (misbruik van omstandigheden of bedrog) ook niet. De akte is daarom niet rechtsgeldig namens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] vernietigd. Ten overvloede wordt in verband met dat wat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] (summierlijk) over bedrog (en misbruik van omstandigheden) heeft gesteld nog het volgende overwogen. Dat het idee om de akte te ondertekenen van [gedaagde in de zaak 16-520] afkomstig was, zoals [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] suggereert, heeft [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] niet onderbouwd en [gedaagde in de zaak 16-520] heeft dit gemotiveerd betwist. Hij heeft in dit verband gewezen op de hiervoor genoemde gespreksnotitie van de bespreking van 23 augustus 2005, waarin staat vermeld dat de fiscalist van de vennootschap opmerkte dat het voorbehoud ten aanzien van de stille reserves ten onrechte in de overeenkomst was opgenomen en op de e-mail van de (voormalige) accountant, die hierin verklaart dat de fiscalist en hijzelf dit punt zelf hadden aangekaart. Dat [gedaagde in de zaak 16-520] de akte aan [het echtpaar A en B] heeft voorgelegd, zoals [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft gesteld, is ook niet komen vast te staan. Niet alleen heeft [gedaagde in de zaak 16-520] dit betwist, ook heeft [B] , zoals vermeld, tijdens het pleidooi verklaard dat [A] en zij de akte volgens haar via de post of per fax hadden ontvangen (maar dat zij het niet meer zeker wist) en dat [gedaagde in de zaak 16-520] er niet bij was toen zij de akte ondertekenden. Tot slot geldt dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] ook heeft betwist dat [gedaagde in de zaak 16-520] aan [het echtpaar A en B] had laten weten dat de inhoud van de akte zag op de oprekking van de leeftijdsgrens. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft ook deze (blote) stelling niet onderbouwd, zodat ook dit niet is komen vast te staan.

6.37.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering in reconventie om voor recht te verklaren dat de door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] ingebrachte en stille reserves en goodwill op 31 december 2002 nog steeds zijn voorbehouden en dat de akte niet rechtsgeldig tot stand is gekomen (primair onder 3 primair) dan wel om voor recht te verklaren dat de akte is vernietigd wegens dwaling/bedrog/misbruik van omstandigheden (primair onder 3 subsidiair) zullen worden afgewezen.

Uitleg akte (en overeenkomst)

6.38.

Volgens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] brengt het bestaan van de akte niet mee dat zij helemaal geen recht meer heeft op betaling ter zake van de voorbehouden stille reserves en goodwill. Zij heeft, in een ander verband, aangevoerd dat de glijdende winstverdeling was overeengekomen om (toen nog) [gedaagde in de zaak 16-520] in staat te stellen om bij uittreding van [het echtpaar A en B] een vergoeding voor (onder meer) de voorbehouden goodwill te betalen. Als nu moet worden aangenomen dat de te betalen vergoeding op grond van de akte middels de glijdende winstverdeling (doordat [gedaagde in de zaak 16-520] een lager winstaandeel had) zou worden verrekend, geldt dat er slechts gedeeltelijk is verrekend. De verrekening kon alleen plaatsvinden in de periode dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] een lager winstdeel dan de andere vennoten had. In die periode zou zij (een deel van) de stille reserves en goodwill inverdienen. Volgens [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] volgt dit uit de considerans van de akte, waarin is vermeld dat partijen niet de bedoeling hebben gehad om de stille reserves en goodwill geheel voor te behouden aan [het echtpaar A en B] Uit productie 25 blijkt dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] slechts een bedrag van € 18.603,- heeft inverdiend en dat is wat er in mindering kan worden gebracht op bedrag van € 304.907,- aan voorbehouden stille reserve en goodwill. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] moet dus nog een bedrag van € 322.304,- aan [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] voldoen. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft daarom meer subsidiair gevorderd om voor recht te verklaren dat de akte aldus moet worden uitgelegd dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] via de glijdende winstverdeling zoals neergelegd in artikel 11 van de overeenkomst (de akte) een bedrag van € 18.603,- heeft inverdiend, welk bedrag in mindering kan worden gebracht op de totaal voorbehouden stille reserves en goodwill uit 2003. Als de akte anders moet worden geïnterpreteerd, geldt volgens haar dat de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat de voorbehouden stille reserve en goodwill volledig zijn verrekend. Het is immers niet redelijk dat [gedaagde in de zaak 16-520] zich zonder enige geldelijke inleg in ruil voor een lager winstaandeel (30% in plaats van 33%) voor de duur van slechts vier jaar zich volledig zou hebben ingekocht in een zeer goedlopende onderneming.

6.39.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft betwist dat de akte zó moet worden uitgelegd dat zij nog steeds voor de in 2003 voorbehouden goodwill moet betalen. Zij heeft (onder 2) primair gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] geen aanspraak kan maken op vergoeding van de (stille reserve in) de goodwill en subsidiair dat de rechtbank de hoogte van de vergoeding naar redelijkheid en billijkheid vaststelt. Zij heeft aangevoerd dat zij de vergoeding door middel van de glijdende winstverdeling heeft betaald. Volgens haar eigen berekening heeft zij in de jaren 2003-2006 een bedrag van € 222.546,- aan goodwill “inverdiend”. Daarnaast blijkt uit een berekening van [F] van 11 november 2008 dat de goodwill die [het echtpaar A en B] op 1 januari 2003 had ingebracht een waarde vertegenwoordigde van € 121.549,-. Volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] kan aan het rapport van [bedrijfsnaam 2] dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft overgelegd en waarin de waarde van de goodwill op 1 januari 2013 is becijferd op € 340.907,- geen belang worden gehecht. Het is een partijdig rapport, er worden onjuiste aannames gedaan en er worden onjuiste methodieken gehanteerd.

6.40.

De rechtbank overweegt dat zij [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] in haar stelling dat partijen de glijdende winstverdeling aanvankelijk waren overeengekomen omdat [gedaagde in de zaak 16-520] op die manier gedurende de jaren voldoende vermogen kon opbouwen om [het echtpaar A en B] bij uittreding te kunnen betalen, niet kan volgen. Dat [gedaagde in de zaak 16-520] aan [het echtpaar A en B] bij diens uittreden een vergoeding zou kunnen betalen doordat hij vanaf het begin deelde in de winst en zijn aandeel hierin bovendien steeds groter werd, is begrijpelijk. Maar het is niet logisch dat zijn aandeel in het begin lager was dan dat van [het echtpaar A en B] omdat hij bij uittreding een vergoeding zou moeten betalen (en dat is wat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] feitelijk zegt). Uit de feiten volgt eerder dat de glijdende winstverdeling (in ieder geval: mede) was overeengekomen omdat [gedaagde in de zaak 16-520] op die manier (door het aanvankelijk lagere winstaandeel) voor de stille reserves en goodwill zou betalen. In de gespreksnotitie van de bespreking van 23 augustus 2005 (zie 4.7) staat, zoals in 6.35 vermeld, namelijk geschreven dat besproken was dat het voorbehoud van stille reserves ten onrechte in de overeenkomst was opgenomen. In de e-mail van [F] (zie 4.9) wordt gemeld dat [gedaagde in de zaak 16-520] op grond van de overeenkomst twee keer de goodwill moest vergoeden, namelijk één keer door het inverdienen (een lager winstaandeel) en één keer bij het uitkopen van [het echtpaar A en B] en dat [gedaagde in de zaak 16-520] en [het echtpaar A en B] het er unaniem over eens waren dat dit niet gewenst was. In de akte die vervolgens is gesloten, staat in de considerans (zie 4.8), kort gezegd, vermeld dat de glijdende winstverdeling is opgenomen mede ter verrekening van de door [het echtpaar A en B] ingebrachte stille reserves en goodwill en dat partijen er kennelijk voor hebben gekozen om [gedaagde in de zaak 16-520] daarvoor betalingen te laten doen via de glijdende winstverdeling. Artikel 4 van de overeenkomst, waarin is vastgelegd dat [het echtpaar A en B] bepaalde activa en passiva hebben ingebracht, is bij die akte ook gewijzigd, in die zin dat van een voorbehoud ten aanzien van de genoemde stille reserves en goodwill niet langer werd gesproken. In plaats daarvan was bepaald dat de verrekening van de stille reserves en goodwill (de rechtbank begrijpt: de daarvoor door [gedaagde in de zaak 16-520] te betalen vergoeding) via de glijdende winstverdeling zou plaatsvinden.

6.41.

Vastgesteld kan worden dat partijen nooit samen hebben bepaald wat de waarde was van de goodwill (en van de stille reserves in de inventaris en de vervoermiddelen), die [het echtpaar A en B] zich in 2003 heeft voorbehouden. Niet voordat zij de overeenkomst ondertekenden en ook niet twee jaar later, toen de akte werd getekend. In de akte werd weliswaar niet langer van een voorbehoud gesproken, maar, zoals vermeld, wel van een verrekening van de vergoeding die [gedaagde in de zaak 16-520] hiervoor diende te voldoen. Indien de hoogte van de voorbehouden goodwill van belang was geweest, had het voor de hand gelegen dat partijen deze in 2003, en in ieder geval in 2005, hadden vastgesteld. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft in paragraaf 78 van (kort gezegd) de conclusie van dupliek in conventie tevens van repliek in reconventie gesteld dat een concrete berekening van de voorbehouden stille reserves en goodwill in 2003 niet is gemaakt “vanwege belastingtechnische argumenten”. Zij heeft met deze korte opmerking echter volstaan en hierop in de vele pagina’s van haar conclusies verder geen enkele toelichting gegeven, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat. Uit het feit dat de hoogte van de stille reserves en goodwill in 2003 en in 2005 niet is berekend en in de overeenkomst noch in de akte is bepaald dat deze berekening nog wel zou moeten plaatsvinden, leidt de rechtbank af dat partijen hebben vastgesteld dat er goodwill aanwezig was en dat zij hebben afgesproken dat [gedaagde in de zaak 16-520] hiervoor moest betalen, dat dit zou gebeuren doordat hij de eerste vier jaar voor dertig procent zou delen in de winst en het verlies en dat de exacte hoogte van de goodwill niet relevant was. Dit laatste volgt ook uit het feit dat het woord “voorbehoud” in het bij de akte gewijzigde artikel 4 van de overeenkomst niet meer voorkomt. [het echtpaar A en B] behield zich ten aanzien van de stille reserves en de goodwill niets voor, omdat [gedaagde in de zaak 16-520] hiervoor middels de glijdende winstverdeling (beter gezegd: door het aanvaarden van een lager aandeel in de winst) zou betalen. Als niets wordt voorbehouden, hoeft ook niet te worden vastgesteld welke waarde de goodwill in 2003 vertegenwoordigde. Dat partijen niet hebben afgesproken dat de goodwill middels de glijdende winstverdeling (het lagere aandeel in de winst) geheel zou worden verrekend omdat in de considerans van de akte staat vermeld dat partijen niet de bedoeling hebben gehad om de stille reserves en de goodwill geheel aan [het echtpaar A en B] voor te behouden, kan niet worden gevolgd. De rechtbank begrijpt deze passage aldus dat [het echtpaar A en B] de in 2003 aanwezige goodwill met [gedaagde in de zaak 16-520] zou delen. Omdat [het echtpaar A en B] zelf bij de vennootschap betrokken bleef, heeft zij haar gerechtigdheid tot (een deel van) die goodwill namelijk niet opgegeven. De rechtbank zal hierop in het slot van 6.44 terugkomen.

6.42.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft ten aanzien van het aandeel van dertig procent aangevoerd dat [gedaagde in de zaak 16-520] anders een aandeel van drieëndertig procent zou hebben gehad, omdat er drie vennoten waren, en dat het verschil dus relatief klein is. Voor zover zij hiermee heeft bedoeld dat partijen in 2003 met de glijdende winstverdeling geen verrekening kunnen hebben beoogd (en in 2005 geen gehele verrekening) omdat er nauwelijks zou worden verrekend, kan zij hierin niet worden gevolgd. Weliswaar is het niet logisch dat [gedaagde in de zaak 16-520] bij aanvang meteen voor zeventig procent zou delen in de winst, zoals [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] heeft gesteld, maar omdat [A] en [B] feitelijk als één vennoot moet worden beschouwd (per slot van rekening hebben zij later ook [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] opgericht, waarin zij hun belangen in de vennootschap hebben ingebracht), lag het wel voor de hand dat [gedaagde in de zaak 16-520] op termijn een belang van vijftig procent zou krijgen. Dat is in 2007 ook gebeurd en van belang is dat dit ook meteen de tweede “trede” was. De tweede trede was niet drieëndertig procent, hetgeen in de rede zou hebben gelegen indien [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] in haar stelling zou moeten worden gevolgd. Juist omdat het niet logisch is dat [gedaagde in de zaak 16-520] bij toetreding meteen een belang van vijftig procent zou krijgen (omdat hij dan niets voor de opgebouwde goodwill zou hoeven te betalen), is zijn belang voor de duur van vier jaar op een lager percentage vastgesteld.

6.43.

Het is dus niet zo dat [het echtpaar A en B] de in 2003 aanwezige stille reserves en goodwill aan [gedaagde in de zaak 16-520] hebben weggegeven en dat [gedaagde in de zaak 16-520] zonder dat hij daarvoor enige vergoeding heeft betaald, in een goed lopende onderneming was terechtgekomen, zoals [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft gesteld. Dat een onderneming goed loopt, komt in grote mate door de daarin aanwezige goodwill. [gedaagde in de zaak 16-520] heeft hiervoor, zoals overwogen, betaald doordat hij vier jaar lang niet voor vijftig procent in de winst meedeelde, maar voor dertig procent. Van belang is daarbij dat het hier niet gaat om een besloten vennootschap maar om een vennootschap onder firma. Het aandeel van [gedaagde in de zaak 16-520] van (aanvankelijk) dertig procent was een aandeel in de winst en het verlies van de vennootschap. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] en [gedaagde in de zaak 16-520] hadden beiden een kapitaalrekening waarop zij voor het kapitaal dat zij hadden ingebracht werden gecrediteerd. [gedaagde in de zaak 16-520] is bij zijn toetreding niet gerechtigd geworden tot het kapitaal dat [het echtpaar A en B] had ingebracht. Ook in die zin heeft [het echtpaar A en B] dus niets “weggegeven”.

6.44.

De rechtbank zal gezien het voorgaande voor recht verklaren dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] zich de in 2003 aanwezige stille reserves en goodwill niet heeft voorbehouden en de vordering van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] onder 2 primair, die iets anders is verwoord, in die zin toewijzen. De primaire vordering van [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] onder 3 meer subsidiair zal worden afgewezen. Ten overvloede wordt overwogen dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] wél recht heeft op haar aandeel in de op dit moment aanwezige stille reserves en goodwill van de vennootschap, waarvoor zij, naar de rechtbank aanneemt, op haar kapitaalrekening zal zijn gecrediteerd. Dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] hiervoor niets hoeft te vergoeden, zoals zij ook heeft betoogd, kan dus niet worden gevolgd.

De termijn voor vergoeding

6.45.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] heeft ook gevorderd dat de rechtbank artikel 15 lid 5 van de overeenkomst uit hoofde van redelijkheid en billijkheid niet van toepassing verklaart (primaire vordering onder 4). Volgens haar zou het positieve saldo op de kapitaalrekening en het ingebrachte vermogen direct (binnen zes weken) bij ontbinding aan de uittredende vennoot moeten worden uitgekeerd. Het is volgens haar “gezien het volledige feitencomplex en de verhoudingen tussen partijen” niet redelijk dat de vennoot die de onderneming niet voortzet tien jaar op haar geld moet wachten. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] is het hiermee niet eens.

6.46.

De rechtbank overweegt dat toepassing van de in genoemd artikel bepaalde betalingstermijn van tien jaar gezien de feiten en de verhouding tussen partijen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Daarbij komt dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] , zoals zij naar voren heeft gebracht, betaling van de vergoeding vanwege het in de overeenkomst genoemde rentepercentage van 5,5 procent waarschijnlijk niet langer zal uitstellen dan nodig. De rechtbank zal ook deze vordering daarom afwijzen.

Proceskosten

6.47.

[gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] in conventie begroot op:

  • -

    explootkosten € 94,18

  • -

    vast recht € 613,-

  • -

    salaris advocaat € 1.808,- (4 punten ad € 452,- per punt)

totaal € 2.515,18

6.48.

In reconventie worden deze kosten begroot op € 678,- (1,5 punt ad € 452,- per punt).

6.49.

De nakosten, waarvan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] ook betaling heeft gevorderd, zullen op de in het dictum te vermelden wijze worden begroot.

in de zaak C/16/419216 / HA ZA 16-520

6.50.

De vorderingen in deze zaak zijn door [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] voorwaardelijk ingesteld, namelijk voor het geval de uitkomst van de procedure in de zaak 15-1042 is dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] de vennootschap mag voorzetten. Nu aan deze voorwaarde niet is voldaan, hoeven deze vorderingen niet te worden beoordeeld.

6.51.

Wel zal er over de proceskosten worden beslist, omdat [gedaagde in de zaak 16-520] kosten heeft gemaakt en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] ook in deze procedure als de in het ongelijk gestelde partij moet worden beschouwd. In dit verband wordt verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad van 21 januari 1977 (LJN AC5876, NJ 1977, 487), die ziet op proceskosten in verband met een voorwaardelijke eis in reconventie, waarop geen beslissing meer hoeft te worden genomen.

6.52.

De kosten aan de zijde van [gedaagde in de zaak 16-520] worden begroot op:

  • -

    vast recht € 288,-

  • -

    salaris advocaat € 904,- (2 punten ad € 452,- per punt)

totaal € 1.192,-

6.53.

De gevorderde nakosten zullen op de hierna te vermelden wijze worden begroot.

7 De beslissing

De rechtbank

in de zaak 15-1042

in conventie

7.1.

ontbindt de vennootschap onder firma;

7.2.

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] begroot op € 2.515,18;

7.3.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.4.

verklaart voor recht dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] zich de in 2003 aanwezige stille reserves en goodwill niet heeft voorbehouden;

7.5.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

7.6.

wijst de vorderingen af;

7.7.

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak 15-1042] begroot op € 678,-;

7.8.

verklaart dit vonnis in reconventie voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in conventie en in reconventie voorts

7.9.

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

in de zaak 16-520

7.10.

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [gedaagde in de zaak 16-520] begroot op € 1.192,-;

7.11.

veroordeelt [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de zaak 15-1042 / eiseres in de zaak 16-520] (voorwaardelijk, namelijk voor het geval deze in de zaak 15-1042 niet verschuldigd zijn geworden) in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

7.12.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2017.1

1 Type:AFH/4105 Coll: RS/4234