Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5550

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-08-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
C/16/422695 / HA ZA 16-665
Formele relaties
Hersteluitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2017:5551
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid, Beklamel-norm, berekening financiering bedrijf vóór aangaan verplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2017-0355
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/422695 / HA ZA 16-665

Vonnis van 9 augustus 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. P.V. Kleijn te Utrecht,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. W.J.M. Sprangers te Amersfoort.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde sub 1] c.s. genoemd worden. Laatgenoemden worden hierna afzonderlijk ook [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 9 november 2016;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 februari 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn zelfstandig bestuurders en aandeelhouders van de op 5 augustus 2015 opgerichte vennootschap [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ). [bedrijfsnaam 1] is opgericht om een ‘foodhall’ in de winkelpanden aan de [staatnaam] [nummeraanduiding] – [nummeraanduiding] in [vestigingsplaats] te exploiteren. Een ‘foodhall’ is een grote ruimte waarin verschillende restauranthouders hun producten aanbieden.

2.2.

[bedrijfsnaam 1] heeft voornoemde winkelpanden gehuurd van [bedrijfsnaam 2] B.V. (bestuurd door de heer [A] ), hierna: [A] . [bedrijfsnaam 1] heeft de units in de ‘foodhall’ onderverhuurd aan restauranthouders (hierna: de unithouders).

2.3.

Voor de bouw van de ‘foodhall’ is [bedrijfsnaam 1] op 16 oktober 2015 een overeenkomst tot aanneming van werk met bouwonderneming [eiseres] aangegaan (hierna: de aanneemovereenkomst). In de aanneemovereenkomst is een aanneemsom van € 462.725,= exclusief 21% BTW opgenomen (hierna: de aanneemsom).

2.4.

Op 20 november 2015 heeft [eiseres] aan [gedaagde sub 1] een financieel meer- en minderwerkoverzicht gestuurd, waarin een extra te betalen bedrag van € 140.436,66 exclusief BTW is opgenomen.

2.5.

Op 30 november 2015 stuurde [gedaagde sub 1] aan [eiseres] een e-mail waarin zij schrijft:

‘(..) Onze totale aanneemsom was dus 462.000 euro en per 10 november bleek het ineens 622.00 euro waarvan ik geen een keer van op de hoogte was gesteld door jou en ook niet door de architecten. (..) Uiteindelijk komt alles op mijn rekening en het is gek dat ik als opdrachtgever nergens van op de hoogte was, terwijl wij diverse bouwoverleg hebben gehad en financiën steeds op de agenda was.

Mijn idee was om de 462.000 te betalen op de volgende manier:
- 160.000 zelf betaald
- 150.000 extra aanvulling van [A]
- 120.000 de kosten van de unithouders direct te laten versleutelen.
- Daarna zou er een post overblijven en die zou ik dan betalen met de btw- teruggave
Nu is dus mijn hele oplossing onderuit gehaald.
Ik heb 160.000 betaald

120.000 wat naar de standhouders zou worden doorbelast werd uiteindelijk 150.000 euro en dit bleek ineens een extra werk te zijn.
Ik kan dus met dit verhaal niet bij [A] komen vanwege eerder voorval over de deurpost en hun argwaan de offerte van 7.000 euro naar 1.900 euro. Zo lijkt het alsof je met de vork schrijft.(..)

In ieder geval blijft na betalen straks van de hele post door mij en unithouders een verschil over van:
160.000 + 150.000 = 310.000
622.000 – 310.000 = 312.000 euro als credit over ipv 150.000 euro wat ik verwacht had dus.

Ik wil mij niet onttrekken aan mijn verantwoordelijkheid en betalen zal ik zeker. En ik ben super blij met het resultaat, alleen ik had graag dus van te voren willen weten wat het geintje ons zou kosten.(..)

Mijn planning en verwachting is dat ik in de maand december in ieder geval 150.000 tot 250.000 kan betalen en ik focus op 250.000 euro. Je weet dat ik tot nu toe alles wat ik heb toegezegd waar heb gemaakt. En dit ga ik ook waarmaken. Mijn verwachting is dat ik in de maand januari het restant bedrag kan betalen. Pin mijn niet op exacte dagen maar verwachting is voor 10 januari.(..)’

2.6.

Op 27 januari 2016 heeft de advocaat van [eiseres] [bedrijfsnaam 1] gesommeerd om het op dat moment openstaande bedrag van de aanneemsom van € 494.039,97 inclusief BTW te voldoen. [bedrijfsnaam 1] heeft op deze sommatie gereageerd bij e-mail van 28 januari 2016, waarin zij voorstelt om vanaf maart 2016 maandelijkse aflossingen van € 20.000,= te verrichten.

2.7.

[eiseres] heeft, na daartoe verkregen verlof, op 9 februari 2016 conservatoir derdenbeslag gelegd ten laste van [bedrijfsnaam 1] . Vervolgens heeft [eiseres] op 22 februari 2016 haar vordering in de hoofdzaak ingesteld door het indienen van een memorie van eis bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw.

2.8.

Op 26 april 2016 heeft [eiseres] [bedrijfsnaam 1] , als ook [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in persoon, aansprakelijk gesteld voor de schade omdat [bedrijfsnaam 1] in samenwerking met [A] de unithouders ‘min of meer dwingt om de huurovereenkomst met [bedrijfsnaam 1] te beëindigen en een nieuwe huurovereenkomst met [A] aan te gaan’.

2.9.

[eiseres] heeft een e-mail van 12 juni 2016 van [gedaagde sub 1] in het geding gebracht, met als onderwerp ‘mededeling’, waarin staat:

‘Beste allen,

Hierbij deel ik jullie mede dat per 30 mei jongstleden alle activa van [bedrijfsnaam 1] BV zijn overgenomen door [bedrijfsnaam 3] BV.

Zoals:
A (naar de rechtbank begrijpt: alle) roerende zaken
Huurovereenkomsten
De naam van [bedrijfsnaam 1]

Deze overname zal voor jullie geen nadelige gevolgen hebben. (..)’

2.10.

Op 10 juni 2016 heeft de Raad van Arbitrage voor de Bouw geoordeeld dat de door [bedrijfsnaam 1] verschuldigde hoofdaanneemsom € 462.725,00 beloopt en dat de door haar verschuldigde meerwerkaanneemsom € 28.331,76 beloopt voor het algemene gedeelte en € 113.234,49 voor de units waarvan op verzoek van [bedrijfsnaam 1] € 60.451,11 door de unithouders aan [eiseres] is voldaan, zodat daarvan € 52.783,38 resteert als door [bedrijfsnaam 1] te voldoen. Voorts is [bedrijfsnaam 1] daarbij veroordeeld om, uitvoerbaar bij voorraad, aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 328.670,72, exclusief btw, welk bedrag bestaat uit (a) € 275.887,34 aan nog openstaande hoofdaanneemsom én meerwerkaanneemsom voor het algemene gedeelte en (b) € 52.783,38 aan openstaande meerwerkaanneemsom voor de units. Ook is [bedrijfsnaam 1] daarbij veroordeeld om aan [eiseres] een bedrag van € 30.135,38 te betalen aan proceskosten. Deze uitspraak wordt hierna aangeduid als het arbitrale vonnis. [eiseres] heeft het arbitrale vonnis op 21 juni 2016 aan [bedrijfsnaam 1] betekend en op 24 juni 2016 aan de derden onder wie conservatoir derdenbeslag was gelegd.

2.11.

[bedrijfsnaam 1] is op 29 juni 2016 op eigen verzoek failliet verklaard.

2.12.

[eiseres] heeft, na daartoe verkregen verlof, op 5 juli 2016 conservatoire beslagen gelegd ten laste van [gedaagde sub 1] c.s.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert een verklaring voor recht dat van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onrechtmatig jegens [eiseres] hebben gehandeld als zelfstandige bestuurders van [bedrijfsnaam 1] .

Voorts vordert [eiseres] , na een vermindering van haar eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] (des dat de één betalende de andere in zoverre zal zijn bevrijd) om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te voldoen:

- € 209.638,72 te vermeerderen met wettelijke handelsrente over de termijnbedragen vanaf de vervaldag van de verscheidene facturen, tot aan de dag der algehele voldoening;

- € 39.471,97 aan proceskosten, buitengerechtelijke kosten, (conservatoire) beslagkosten en nakosten, zoals omschreven in het dictum van het arbitrale vonnis;

- € 123,00 aan griffierecht voor het verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis;

- € 1.994,09 inclusief btw aan kosten deurwaarder voor de betekening van het arbitraal vonnis en de beslaglegging op de onroerende zaken;

- € 3.625,00 exclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten;

- de kosten van de procedure, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en te vermeerderen met wettelijke rente over de proceskosten, inclusief de nakosten.

3.2.

Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt [eiseres] (samengevat) primair dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als bestuurders van [bedrijfsnaam 1] een ernstig verwijt kan worden gemaakt, waardoor zij jegens [eiseres] in persoon aansprakelijk zijn voor de door [eiseres] geleden schade. Volgens [eiseres] hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet voor voldoende financiering gezorgd en zijn zij daardoor verplichtingen van [bedrijfsnaam 1] aangegaan, wetend dat [bedrijfsnaam 1] die niet (volledig) kon nakomen en daarvoor geen verhaal bood.

3.3.

[gedaagde sub 1] c.s. voert verweer en concludeert dat de vorderingen niet ontvankelijk, althans ongegrond en onbewezen dienen te worden verklaard, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure. [bedrijfsnaam 1] is bij het aangaan van de aanneemovereenkomst zeer duidelijk geweest over het beschikbare budget van € 410.000,=. Naast dit budget was er nog een ‘potje’ van € 40.000,= voor onvoorziene kosten. Samen biedt dit voldoende zekerheid dat [bedrijfsnaam 1] aan haar verplichtingen jegens [eiseres] kon voldoen. [eiseres] heeft het beschikbare budget ruimschoots overschreden. De e-mail van 30 november 2015 is een verzoek om gemaakte afspraken te respecteren en om te komen tot een gezamenlijke oplossing. Voorts geldt dat [bedrijfsnaam 1] de gemaakte afspraken kon nakomen, wanneer [eiseres] dit eveneens had gedaan. Per 9 februari 2016 verkeerde [bedrijfsnaam 1] in de toestand dat zij noodgedwongen was opgehouden te betalen, doordat [eiseres] conservatoir derdenbeslag had gelegd op haar primaire bron van inkomsten. In de periode tot het arbitrale vonnis hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gehandeld als een redelijk denkend bestuurder. [bedrijfsnaam 1] zag geen andere oplossing dan met [A] te overleggen hoe de exploitatie van de ‘foodhall’ te redden. Met [A] is feitelijk noodgedwongen de afspraak gemaakt dat het oude verschil tussen in- en verhuur van de unithouders aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ter beschikking werd gesteld. Om de lonen over de maand juni 2016 te kunnen voldoen, zag [bedrijfsnaam 1] zich daarnaast genoodzaakt haar vermogen liquide te maken door de activa te verkopen aan [A] . Ten slotte betwisten [gedaagde sub 1] c.s. dat haar handelen tot schade heeft geleid; de vordering van [eiseres] zoals deze volgt uit het arbitrale vonnis is niet de schade die door [gedaagde sub 1] c.s. is veroorzaakt.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De hoofdvraag die voorligt is of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als zelfstandige bestuurders van [bedrijfsnaam 1] persoonlijk aansprakelijk zijn jegens [eiseres] , omdat [bedrijfsnaam 1] de overeengekomen aanneemsom als ook de kosten voor meerwerk (gedeeltelijk) niet aan [eiseres] heeft voldaan én, zo ja, voor welk bedrag zij dan aansprakelijk zijn. De rechtbank stelt voorop dat wanneer een vennootschap tekort schiet in de nakoming van een verbintenis, tot uitgangspunt heeft te gelden dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade (ECLI:NL:HR:2014:2626, r.o. 3.5.2 en ECLI:NL:HR:2014:2627, r.o. 4.2-4.3).

4.2.

Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW van een bestuurder van die vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid van een bestuurder is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling van de betrokken derde(n) persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag óf de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering geldt, dat afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond kan zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder namens de vennootschap heeft gehandeld. Hiervoor geldt als maatstaf of de betrokken bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden (HR 6 oktober 1989, nr. 13618, Beklamel).

Beklamel-norm – aanneemovereenkomst en meerwerk

4.3.

Om te kunnen beoordelen of [gedaagde sub 1] c.s. in de genoemde zin aansprakelijk is, dient te worden vastgesteld tot welk (uiteindelijk terecht in rekening gebracht) bedrag [bedrijfsnaam 1] heeft gecontracteerd en of toentertijd voor hen voorzienbaar was dat [bedrijfsnaam 1] die betalingsverplichtingen niet kon nakomen. Daartoe geldt allereerst wat er aan hoofdaanneemsom is overeengekomen tussen [bedrijfsnaam 1] en [eiseres] . Tussen partijen staat vast dat de daarmee gemoeide som € 462.725,= exclusief btw bedroeg, oftewel € 559.897,26 inclusief btw. [gedaagde sub 1] c.s. heeft nog aangevoerd dat [eiseres] had toegezegd deze som met € 50.000,= te verlagen, maar die stelling (welke ook in arbitrage door [bedrijfsnaam 1] is ingenomen) hebben de arbiters verworpen. Weliswaar is het arbitrale vonnis niet gewezen tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] c.s., maar tegenover het beroep op dat vonnis door [eiseres] hebben [gedaagde sub 1] c.s. niet voldoende aangevoerd om te rechtvaardigen dat in dit geding tot een andersluidend oordeel wordt gekomen.

4.4.

[eiseres] heeft ter onderbouwing van haar stelling dát [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, gewezen op de e-mail van 30 november 2015. [eiseres] heeft ter comparitie over deze e-mail verklaard dat daaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde sub 1] c.s. bij het aangaan van de aanneemovereenkomst haar financiën niet op orde had. Door [gedaagde sub 1] c.s. wordt niet, dan wel onvoldoende, betwist dat [bedrijfsnaam 1] bij het aangaan van de aanneemovereenkomst over geen andere financieringselementen beschikte dan in de voornoemde e-mail beschreven.

4.5.

In de bewuste e-mail wordt een weergave gegeven van verschillende bedragen die – uiteindelijk – gezamenlijk dienen ter voldoening van de aanneemsom van € 462.725,= exclusief btw. Ter comparitie heeft [gedaagde sub 1] c.s. nog een kopie van een geldleningsovereenkomst overgelegd, waaruit volgt dat een bedrag van € 600.000,= door [A] aan [bedrijfsnaam 4] is geleend. Of voornoemd bedrag is doorgeleend aan [bedrijfsnaam 1] – hetgeen gezien de stellingen van partijen niet is komen vast te staan – kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven. [gedaagde sub 1] c.s. heeft immers ter comparitie óók verklaard dat deze lening van € 600.000,= mede diende ter voldoening van andere kosten van [bedrijfsnaam 1] , zoals de luchttechniek (€ 132.000,=) en inventaris. Uit deze stelling van [gedaagde sub 1] c.s. leidt de rechtbank af dat de som van € 600.000,= (voor zover deze vanuit [bedrijfsnaam 4] is doorgeleend aan [bedrijfsnaam 1] ) niet volledig diende ter voldoening van de aanneemsom. Ook in het geval de € 600.000,= is doorgeleend aan [bedrijfsnaam 1] , is sprake van de gestelde aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] c.s., naar volgt uit hetgeen hierna wordt overwogen. Óf van dat doorlenen sprake is, kan daarom in het midden blijven.

4.6.

In het geval de bedoelde € 600.000,= aan [bedrijfsnaam 1] is doorgeleend, is die kennelijk (met een andere interpretatie is de inhoud van de e-mail van 30 november 2015 en het daarop gebaseerde standpunt van [gedaagde sub 1] c.s. niet te rijmen) voor een deel ad € 160.000,= (‘zelf betaald’) door [gedaagde sub 1] c.s. voor [eiseres] bestemd en is die € 600.000,= voor het overige kennelijk door hen aan andere voorziene investeringen uitgegeven. De post ad € 120.000,= ‘de kosten van de unithouders direct te laten versleutelen’, kon voor [gedaagde sub 1] bij het zich verplichten tot de hoofdaanneemsom geen voorziene financieringspost voor die hoofdaanneemsom vormen, omdat - naar de arbiters als tussen [bedrijfsnaam 1] en [eiseres] vaststaand feit hebben benoemd en door [gedaagde sub 1] c.s. in dit geding niet is ontzenuwd - het de bedoeling van [bedrijfsnaam 1] ( [gedaagde sub 1] c.s) was om dat bedrag rechtstreeks door [eiseres] bij de unithouders te doen innen als vergoeding van het meerwerk aan de units. Voor de dekking van de hoofdaanneemsom had die versleuteling daarom geen betekenis, ook omdat van dat meerwerk toen nog geen sprake was.

4.7.

Ten aanzien van de post ad € 150.000,= ‘extra aanvulling [A]’ en de post ‘daarna zou er een post overblijven en die zou ik dan betalen met de btw-teruggave’, geldt het volgende. Naar [gedaagde sub 1] c.s. zelf ter zitting heeft verklaard verwachtte zij bij het aangaan van de aanneemovereenkomst een spoedige btw-teruggave, welke verwachting nadien onterecht bleek, hetgeen vervolgens aanleiding vormde om (ná de ontdekking dat [bedrijfsnaam 1] een tekort had) de bedoelde ‘extra aanvulling’ aan [A] te vragen en zijn toezegging daartoe te verkrijgen. Dit betekent dat bij het sluiten van de aanneemovereenkomst nog geen sprake was van die toezegging, nog daargelaten dat die toezegging en de verwachte btw-teruggave elkaar uitsluitende dekkingsvormen van het desbetreffende bedrag van (circa) € 150.000,= vormen, die niet naast elkaar kunnen bestaan.

4.8.

Dit betekent dat – gezien het debat van partijen – van de posten uit de e-mail van 30 november 2015 ten hoogste de posten ad € 160.000,= (‘zelf betaald’) en ‘daarna zou er een post overblijven en die zou ik dan betalen met de btw-teruggave’ ad circa € 150.000, (samen circa € 310.000,=) kunnen gelden als reële posten ter dekking van de hoofdaanneemsom waartoe [bedrijfsnaam 1] zich bond. Om die reden had [gedaagde sub 1] c.s. bij het aangaan van die som (van € 559.897,26 inclusief btw) zich moeten realiseren dat zich nadien een financieringstekort van (afgerond) circa € 240.000 voor zou doen, dat krachtens de door [gedaagde sub 1] c.s. voorgenomen betalingsstromen geheel voor risico van [eiseres] zou komen. [gedaagde sub 1] c.s. heeft op geen enkele wijze verklaard, dan wel onderbouwd, op welke alternatieve wijze [bedrijfsnaam 1] dat tekort had kunnen voldoen. Dit betekent dat [gedaagde sub 1] c.s. bij het aangaan van de aanneemovereenkomst wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat [bedrijfsnaam 1] niet aan haar volledige verplichting tot betaling van € 559.897,25 (inclusief btw) kon voldoen en - na uitvoering van de voorgenomen betalingen - daarvoor geen, dan wel onvoldoende, verhaal bood.

4.9.

Indien zou vaststaan dat de gestelde lening van € 600.000,= niet aan [bedrijfsnaam 1] is doorgeleend, leidt dat niet tot een ander oordeel, omdat de totale financieringsmogelijkheden van [bedrijfsnaam 1] dan nog beduidend slechter waren dan in het geval die lening wel aan haar ten goede is gekomen. In dat geval zou temeer van het bedoelde ernstige persoonlijke verwijt sprake zijn.

4.10.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft in punt 9 van haar conclusie van antwoord gesteld dat er géén budget (naar de rechtbank begrijpt: financiering) was voor meerwerk, waaruit in haar visie volgt dat zij namens [bedrijfsnaam 1] geen opdracht heeft gegeven voor meerwerk. Dát aan [eiseres] opdracht is gegeven voor het uitvoeren van algemene meerwerk en het unitmeerwerk ten bedrage van (€ 28.331,76 + € 113.234,49 =) € 141.566,25, waarvan na de betalingen door de unithouders in totaal (€ 28.331,76 + € 52.783,38 =) € 81.115,14 onbetaald is gebleven, blijkt uit het oordeel van de arbiters. Ook hier heeft [gedaagde sub 1] c.s. de juistheid van dat oordeel niet of onvoldoende ontzenuwd, zodat dat ook in dit geding geldt. Nu vast staat dat [bedrijfsnaam 1] géén financiering had voor het voldoen van de kosten van het meewerk, betekent dit voorts dat [gedaagde sub 1] c.s. op ieder afzonderlijk moment van het verstrekken van de opdrachten voor meerwerk wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat [bedrijfsnaam 1] niet aan haar verplichting tot betaling van de kosten van dat meerwerk kon voldoen en geen, dan wel onvoldoende, verhaal bood.

4.11.

De conclusie is dat de rechtbank de door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht dat zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] onrechtmatig jegens [eiseres] hebben gehandeld als zelfstandige bestuurders van [bedrijfsnaam 1] toewijst. Voor zover [gedaagde sub 1] c.s. nog heeft gesteld dat niet één persoon volledige zeggenschap had over [bedrijfsnaam 1] , heeft zij deze stelling namelijk onvoldoende onderbouwd en wordt dit gepasseerd.

Schade

4.12.

[eiseres] vordert een bedrag van € 209.638,72 aan schade ten gevolge van het onrechtmatige handelen van [gedaagde sub 1] c.s., zijnde het bedrag dat tot heden van haar facturen (zoals door arbiters vastgesteld) onbetaald is gebleven. Nu dit bedrag (ruim) het mindere is van de bedragen die [gedaagde sub 1] c.s. bij de totstandkoming van de hoofdaanneemovereenkomst en de meerwerkovereenkomst(en) als tekort voor [eiseres] heeft voorzien of moeten voorzien, is dat bedrag in beginsel toewijsbaar.

4.13.

De stelling van [gedaagde sub 1] c.s. dat aan de schadevordering in de weg staat dat [eiseres] ten laste van [bedrijfsnaam 1] beslag heeft gelegd en dat [bedrijfsnaam 1] failliet is gegaan, leidt niet tot een ander oordeel. Vast staat immers dat [bedrijfsnaam 1] met de voldoening van de onbetaald gebleven nota’s in verzuim was en dat het [eiseres] vrij stond die voldoening door beslaglegging (te proberen) te verzekeren. Dat (zoals [gedaagde sub 1] c.s. kennelijk beoogt te stellen) [bedrijfsnaam 1] meer had kunnen voldoen aan [eiseres] dan zij in feite heeft gedaan wanneer die beslaglegging en dat faillissement achterwege waren gebleven, kan daarom niet aan [eiseres] worden tegengeworpen. Nu door [gedaagde sub 1] c.s. geen verweer is gevoerd tegen de gevorderde hoofdelijkheid, worden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeeld om voornoemd bedrag aan [eiseres] te voldoen.

Wettelijke handelsrente

4.14.

[eiseres] heeft over het door haar gevorderde bedrag aan schade wettelijke handelsrente gevorderd over de termijnen vanaf de vervaldag van de verschillende facturen, op grond van artikel 11.1 van de AVA 2013. Naar [gedaagde sub 1] c.s. daar terecht tegenin heeft gebracht is zij geen partij is bij de overeenkomst (naar de rechtbank begrijpt: de aanneemovereenkomst) én is zij als natuurlijk persoon slechts gehouden de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW te voldoen. Bij gebreke van een verdere onderbouwing van deze deelvordering, wijst de rechtbank die vordering dan ook af.

Proceskosten, buitengerechtelijke kosten, conservatoire beslagkosten, nakosten, betekening arbitraal vonnis en griffierecht

4.15.

[eiseres] vordert voorts € 30.135,38 aan proceskosten bij de Raad van Arbitrage, € 3.545,85 aan buitengerechtelijke kosten in de procedure bij de Raad van Arbitrage, € 5.591,74 aan (conservatoire) beslagkosten en € 199,= aan nakosten. Ter onderbouwing van deze vorderingen verwijst [eiseres] slechts naar het dictum van het arbitrale vonnis. Daar komt bij dat [eiseres] € 1.328,87 aan betekeningskosten van het arbitrale vonnis aan [bedrijfsnaam 1] en derden vordert alsook € 123,= aan griffierecht voor het verkrijgen van verlof voor de tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis. [gedaagde sub 1] c.s. betwist dat zij kan worden aangesproken voor deze kosten, nu de kosten zien op een procedure gevoerd tussen [eiseres] en [bedrijfsnaam 1] en haar in dezen geen verwijt treft.

4.16.

Deze vorderingen heeft [eiseres] slechts onderbouwd met het standpunt dat er sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] c.s., zoals hiervoor toegelicht. Niet valt in te zien dat [gedaagde sub 1] c.s. aansprakelijk is op grond van bestuurdersaansprakelijkheid voor het ontstaan van kosten die [eiseres] (kortweg) heeft moeten maken om haar vorderingen op [bedrijfsnaam 1] in rechte voldaan te krijgen. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, wijst de rechtbank deze vorderingen eveneens af.

Buitengerechtelijke kosten

4.17.

[eiseres] vordert ook € 3.625,= exclusief btw voor de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde sub 1] c.s. heeft betwist dat de kosten die worden aangevoerd zijn gemaakt in verband met de onderhavige procedure.

4.18.

Bij de beoordeling van deze vordering hanteert de rechtbank het uitgangspunt dat buitengerechtelijke incassokosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen, indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde, dan wel min of meer gelijkluidende) aanmaning. Daar komt bij dat [eiseres] dient te stellen dát zij buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt, als ook dat de kosten die worden gevorderd dienen te worden beschouwd als buitengerechtelijke kosten.

4.19.

[eiseres] heeft in deze procedure echter niet gesteld dat zij voor deze procedure buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt. Voorts ziet de overgelegde correspondentie op aanmaningen c.q. sommaties voorafgaande aan het geschil met [bedrijfsnaam 1] dat uiteindelijk is beslecht met het arbitrale vonnis. Nu niet is gesteld en ook niet is gebleken, dat [eiseres] voor de onderhavige procedure buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt, wordt ook deze vordering afgewezen.

Beslag- en proceskosten

4.20.

[eiseres] vordert [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de kosten van het beslag dat te hunnen laste is gelegd. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 665,22 voor verschotten en € 2.580,00 voor het salaris advocaat (1 punt x tarief VII vordering tot € 1.000.000,=).

4.21.

[gedaagde sub 1] c.s. wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 94,08

- griffierecht hoofdzaak 0,00 (€ 3.903,00 minus griffierecht beslagrekest)

- griffierecht beslagrekest 3.903,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 9.157,08.

4.22.

[eiseres] heeft verzocht een bedrag aan nakosten toe te wijzen. Voorop staat dat nakosten vooraf mogen worden begroot en toegewezen (HR 19 maart 2010; LJN BL1116). Deze vordering is daarom toewijsbaar, waarbij de rechtbank deze nakosten zal begroten op de wijze die hieronder is vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onrechtmatig jegens [eiseres] hebben gehandeld;

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 209.638,72 (tweehonderdnegenduizendzeshonderdachtendertig euro en tweeënzeventig eurocent);

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 3.245,22;

5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 9.157,08, waaronder een bedrag van € 5.160,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.5.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis is voldaan, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, en te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2017.

type: BA/4761

coll: RS/4234