Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5546

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
07-11-2017
Zaaknummer
C/16/439845 / JL RK 17-367
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Geschil met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

Verzoek moeder om zorg- en contactregeling uit te breiden en verzoek tot benoeming onafhankelijke deskundige voor het uitvoeren van een perspectiefonderzoek.

Verzoek uitbreiding zorg- en contactregeling ten aanzien van één kind is toegewezen en het meer of anders gevraagde is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

Zittingsplaats: Lelystad

zaakgegevens : C/16/439845 / JL RK 17-367

datum uitspraak:

beschikking geschillenregeling

in de zaak van

[A] , hierna te noemen de moeder,

wonende op een geheim adres,

betreffende

[minderjarige 1] , geboren op [2004] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [2005] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] ,

[minderjarige 3] , geboren op [2010] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 3] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI), gevestigd te [vestigingsplaats] ,

[B] , hierna te noemen vader,

wonende te [woonplaats] .

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van mr. J.F. van Drenth, advocaat van moeder, van

1 juni 2017, ingekomen bij de griffie op 2 juni 2017;

- het verweerschrift met bijlagen van de GI van 4 juli 2017, ingekomen bij de griffie op

6 juli 2017.

Op 22 augustus 2017 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de minderjarige [minderjarige 1] , die apart is gehoord,

- de moeder, bijgestaan door mr. J.F. van Drenth,

- de vader, bijgestaan door mr. J.B. van Faassen,

- mevrouw [C] en mevrouw [D] , namens de GI.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt uitgeoefend door de ouders. De kinderen wonen allen afzonderlijk in een pleeggezin. Bij beschikking van 18 juli 2017 is de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 23 juli 2018. Tevens is bij voormelde beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Het verzoek


De moeder heeft een geschil voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Moeder heeft de GI verzocht om een zorg- en contactregeling tussen de moeder en de kinderen te bepalen, inhoudende een uitbreiding van de huidige regeling, in die zin dat de moeder en de kinderen gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar elke twee weken twee uur aaneengesloten en vervolgens – als deze regeling goed verloopt – elke week drie uur aaneengesloten, daarna vier uur per week aaneengesloten en vervolgens een dag per week, althans een zodanige regeling en een zodanig opbouw als de kinderrechter juist acht. Daarnaast verzoekt moeder om een onafhankelijke deskundige te benoemen met de opdracht een perspectiefonderzoek uit te voeren en daarbij verschillende punten te onderzoeken, zoals gesteld in het verzoekschrift op pagina dertien onder punt II. De verzoeken worden in het verzoekschrift nader onderbouwd.

Het standpunt van belanghebbenden

De advocaat van moeder heeft ter zitting verklaard dat ten aanzien van het vormgeven van de zorg- en contactregeling tussen moeder en de kinderen maatwerk noodzakelijk is. Moeder heeft elke twee weken één uur omgang met de kinderen. Dit doet geen recht aan de behoefte van moeder en de kinderen. Met name [minderjarige 1] heeft herhaaldelijk aangegeven open te staan voor meer omgang met zijn moeder. Gezien de leeftijd van [minderjarige 1] is de omgang met moeder beter te faciliteren dan bij de twee jongere kinderen. Het contact tussen de pleegouders van [minderjarige 1] en moeder verloopt goed en is het niet noodzakelijk dat de jeugdhulpverlener bij de omgang aanwezig moet zijn. Daarnaast is het van belang dat er een onafhankelijke deskundige wordt benoemd met de opdracht een perspectiefonderzoek uit te voeren. De GI heeft twee jaar geleden bepaald dat het perspectief van de kinderen niet bij ouders ligt. Daarentegen heeft moeder de afgelopen periode een positieve ontwikkeling doorgemaakt. De moeder zet zich in om zelf een stabiele en positieve leefomgeving te bieden voor de kinderen. Derhalve is het niet langer noodzakelijk dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] binnen de pleeggezinnen geplaatst blijven. Daarbij is bij beschikking van 19 juli 2016 door de kinderrechter geoordeeld dat er geen gedegen perspectiefonderzoek is gedaan door de GI. Bij voormelde beschikking heeft de kinderrechter de uithuisplaatsing verlengd voor de duur van zes maanden, zodat in die periode onderzoek gedaan kan worden naar het perspectief van de kinderen. De GI heeft daarentegen geweigerd om gehoor te geven aan de opdracht van de kinderrechter. Dit is een kwalijke zaak. Op dit moment wordt door de GI aangegeven dat een perspectiefonderzoek niet langer noodzakelijk is, omdat de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) momenteel bezig is met een onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel. Dit onderzoek is niet objectief. Door de Raad is zowel aan vader als aan moeder medegedeeld dat de conclusie van het onderzoek al vast staat. Daarentegen kunnen er altijd nieuwe ontwikkelingen ontstaan en is het van belang dat er een gedegen objectief onderzoek plaatsvindt. Daarbij komt dat er de afgelopen jaren verschillende wisselingen van jeugdhulpverleners hebben plaatsgevonden. Elke jeugdhulpverlener baseert zich op informatie die in het verleden is opgeschreven.

De advocaat van vader heeft ter zitting verklaard dat vader het eens is met het verzoekschrift van moeder. Er is door de GI herhaaldelijk aangegeven dat het perspectief van de kinderen niet bij de ouders ligt. Het perspectief van de kinderen kan daarentegen veranderen. Het is in het belang van de kinderen dat de verzoeken van moeder toegewezen worden.

De vertegenwoordigster van de GI heeft ter zitting verklaard dat de omgang tussen moeder en de kinderen half september geëvalueerd zal worden. Bij de evaluatie zal bekeken worden of het mogelijk is om de omgang individueel per kind aan te passen. Zowel de gedragsdeskundige als de pleegouders van [minderjarige 1] zijn van mening dat meer omgang tussen moeder en [minderjarige 1] van belang is.

De beoordeling


In artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen, die omtrent gedragingen als bedoeld in artikel 4.2.1 van de Jeugdwet uitgezonderd, aan de kinderrechter kunnen worden voorgelegd. De kinderrechter neemt op het verzoek van een met het gezag belaste ouder, de minderjarige van twaalf jaar of ouder, de GI, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt of opvoedt, of de zorgaanbieder of de aanbieder van de jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. De kinderrechter beproeft alvorens te beslissen een vergelijk tussen de betrokkenen.

Nu moeder het gezag uitoefent over de kinderen komt de kinderrechter tot het oordeel dat moeder ontvankelijk is in de verzoeken.


Gelet op het verhandelde ter zitting stelt de kinderrechter vast dat overeenstemming tussen betrokkenen niet mogelijk is en acht de volgende beslissing in het belang van de kinderen wenselijk.

Omgang

De huidige omgangsregeling tussen moeder en de kinderen is door de GI vastgelegd in een schriftelijke aanwijzing van 4 juli 2017. Uit deze schriftelijke aanwijzing volgt dat de omgangsregeling is teruggebracht van eens per vier weken anderhalf uur naar eens per vier weken één uur omgang. Daarnaast heeft moeder wekelijks belcontacten met de kinderen. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben laten merken dat omgang van anderhalf uur te lang is. Daarnaast is het voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van belang dat hun pleegouders actief deelnemen aan de omgang. Dit draagt bij aan het gevoel van de kinderen dat hun veiligheid gewaarborgd wordt en dat de kwaliteit van de omgang gewaarborgd wordt. Het is de vraag of een langere omgang voor de pleegouders haalbaar is. De kinderrechter is van oordeel dat het op dit moment niet in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is om de omgang uit te breiden.

[minderjarige 1] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven meer omgang met zijn moeder te willen hebben en omgang van een uur erg kort te vinden. De GI heeft in de schriftelijke aanwijzing ten aanzien van [minderjarige 1] niet gemotiveerd, waarom de omgangsregeling in duur verder dient te worden beperkt. Ter zitting is gebleken dat uitbreiding van de omgangsregeling met moeder in het belang van [minderjarige 1] wordt geacht. Gelet hierop zal de kinderrechter bepalen dat de omgang tussen [minderjarige 1] en moeder uitgebreid wordt naar twee uur per maand. Na evaluatie kan de omgangsregeling zo mogelijk verder uitgebreid worden.

De kinderrechter zal, gelet op het voorgaande, het verzoek van moeder ten aanzien van de uitbreiding van de zorg- en contactregeling ten aanzien van [minderjarige 1] toewijzen en voor het overige afwijzen.

Deskundigenonderzoek

Bij beschikking van deze rechtbank van 19 juli 2016 is bepaald dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd wordt voor de duur van zes maanden, omdat er helderheid over het perspectief van de kinderen moet komen. Daarentegen heeft de rechtbank bij beschikking van 17 januari 2017 het volgende geoordeeld: ‘de GI heeft in de afgelopen periode weloverwogen besloten geen perspectief onderzoek te starten. De complexe en ernstige problematiek van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , de omgangsmomenten, de mogelijkheden en de situatie van ouders heeft de GI hierin meegewogen. Het perspectief van de kinderen is bepaald in de pleeggezinnen’.

Moeder is niet tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan. Gezien de ernstige problematiek van de kinderen is het niet in hun belang om een perspectiefonderzoek te laten uitvoeren, nu voor een perspectief onderzoek verdere uitbreiding van de zorgregeling noodzakelijk is. Gezien de hechtingsproblematiek is het voor de kinderen van belang dat er duidelijkheid bestaat over de plek waar zij wonen. Daarnaast is in het verleden gebleken dat moeder onvoldoende in staat was om de kinderen een veilige thuissituatie te bieden en de opvoeding vorm te geven. Daarbij komt dat alle drie de kinderen ernstig getraumatiseerd zijn door de eerdere thuissituatie. De kinderen behoeven extra zorg en individuele behandeling. Bij moeder in de thuissituatie kan dit onvoldoende geboden worden. De positieve ontwikkeling van moeder maakt dit niet anders. De Raad als onafhankelijke instantie zal in zijn onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel het standpunt van de GI dat het perspectief van de kinderen in de pleeggezinnen ligt toetsen. Verder onderzoek acht de kinderrechter gelet op het hiervoor overwogene te belastend en niet noodzakelijk. De kinderrechter zal daarom het verzoek van moeder ten aanzien van het deskundigenonderzoek afwijzen.

De beslissing


De kinderrechter:

bepaalt dat de moeder eens per 4 weken twee uur (begeleid) omgang heeft met [minderjarige 1] ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevraagde.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.P. de Haas, kinderrechter, in tegenwoordigheid van M.D. Lodewijk als griffier en uitgesproken op

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden