Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5515

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
15-11-2017
Zaaknummer
C/16/447365 / JE RK 17-2077
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit van de GI waarbij het contact tussen de ouder met gezag en een uithuisgeplaatst kind wordt beperkt is een schriftelijke aanwijzing, ook zonder dat de GI dit als zodanig benoemt. Verschoonbare termijnoverschrijding. Besluit onvoldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2018/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Zittingsplaats: Utrecht

zaakgegevens : C/16/447365 / JE RK 17-2077

datum uitspraak: 2 november 2017

beschikking beperking contact ouder met gezag en minderjarige

in de zaak van

[vader] , hierna te noemen de vader,

blijkens de BRP wonende te [woonplaats] ,

feitelijk verblijvende te [woonplaats] (Frankrijk)

advocaat, mr. B.R. van der Maarl-Cohen te Vleuten,

tegen

de gecertificeerde instelling

Samen Veilig Midden-Nederland, hierna te noemen de GI,

gevestigd te Utrecht,

betreffende

[minderjarige 1] , geboren op [2003] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [2010] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] .

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de vader van 3 oktober 2017, ingekomen bij de griffie op 3 oktober 2017;

  • -

    een rapportgage van de GI van 22 september 2017, ingekomen op 10 oktober 2017.

Op 12 oktober 2017 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de minderjarige [minderjarige 1] , die apart is gehoord,

- de moeder,

- de vader met zijn advocaat,

- de heer [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] namens de GI.

De feiten


Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de ouders.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij verschillende pleegouders.

Bij beschikking van 27 juli 2015 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 6 juli 2017 tot 27 juli 2018.

Bij beschikking van 28 december 2016 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verleend. Deze machtiging is op 6 juli 2017 verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Gedurende de uithuisplaatsing verbleven de kinderen iedere week van donderdagmiddag uit school tot zaterdag na het avondeten bij de ouders, afwisselend bij de vader en de moeder.

Op 12 juli 2017 is de vader vanwege een huurschuld uit zijn woning gezet en is hij naar zijn nieuwe partner in Frankrijk verhuisd. Op 23 augustus 2017 is ook de moeder haar woning uit gezet. Zij verblijft in de nachtopvang van de Tussenvoorziening . Als gevolg van deze verhuizingen heeft het 2thepoint traject, dat zou worden ingezet om aan de doelen uit de beoordelingsboog te werken, niet kunnen starten.

In de zomervakantie hebben de kinderen twee losse weken bij de vader in Frankrijk doorgebracht. Op 31 juli 2017 heeft de GI de vader verzocht een voorstel te doen voor de invulling van de omgangsregeling. Op 2 augustus heeft de vader dit voorstel per mail aan de GI toegezonden, voor zover relevant inhoudende:

  • -

    De schoolvakanties brengen de jongens bij mij (en [partner] ) door in Frankrijk .

  • -

    In de periode tussen de vakanties (meestal 6 á 8 weken) kom ik in elk geval één keer naar Nederland om met hen een weekend door te brengen.

Op 29 augustus 2017 heeft de vader de GI verzocht om op zijn voorstel te reageren. De GI heeft toen laten weten in week 39 uitsluitsel te kunnen geven. Op 11 september 2017 heeft de GI aan de vader in reactie op zijn voorstel laten weten dat de kinderen een lang weekend per maand met de vader kunnen doorbrengen in Nederland en dat zij in de herfst- en de kerstvakantie niet naar Frankrijk zullen gaan. De vader heeft diezelfde dag laten weten hiermee niet in te stemmen omdat de afgesproken omgangsregeling niet gerespecteerd wordt. Op 29 september 2017 heeft de vader de GI verzocht om de kinderen in Frankrijk te mogen ontvangen in de herfstvakantie van zaterdag 14 oktober 2017 tot en met zaterdag 21 oktober 2017.

De GI heeft op 2 oktober 2017 een schriftelijke aanwijzing gegeven, inhoudende:

“- De kinderen kunnen 1x per maand een lang weekend (3 dagen) met u doorbrengen in Nederland. U dient de data uiterlijk 2 weken van te voren te melden bij SAVE.

- De kinderen zullen in de herfst- en in de kerstvakantie niet naar Frankrijk gaan. In de kerstvakantie kan er in overleg een extra bezoekmoment in Nederland gepland worden, mits dit niet aansluit op een gepland weekend.”

Het verzoek


De vader heeft verzocht de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel vervallen te verklaren en een nieuwe contactregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen, inhoudende dat:

- de kinderen omgang met vader in Frankrijk hebben van zaterdag 14 oktober 2017 tot en met zaterdag 21 oktober 2017

- en tevens toe te staan dat de omgang tussen vader en zijn kinderen van minimaal één weekend per maand en de schoolvakanties plaatsvindt in Frankrijk .

Ter zitting heeft de vader zijn verzoek toegelicht in die zin dat zijn bedoeling is dat de contactmomenten gedurende één weekend per maand in Nederland plaatsvinden en alleen de vakanties in Frankrijk .

De vader is van mening dat niet, althans onvoldoende door de GI is gemotiveerd welke feiten de grondslag vormen voor een vermindering van de contactfrequentie. De vader begrijpt niet waarom hij de kinderen niet mag zien. Hij zou geen woning meer hebben maar dit is onjuist. De vader heeft samen met zijn nieuwe partner een huis in Frankrijk . De vader heeft ook een manier gevonden om zijn kinderen in Nederland te zien: via familie of door het huren van een “Airbnb”. De vader ontkent niet dat de zomerperiode onrustig was voor de kinderen. Echter, de kinderen waren niet aanwezig bij de huisuitzettingen van de respectievelijke ouders. Zij waren bovendien slechts beperkt aanwezig bij de woordenwisseling tussen de ouders. De kinderen voelen zich thuis bij de vader en hebben bij hem verder een ontspannen verblijf gehad zonder incidenten. De GI lijkt ervan uit te gaan dat het perspectief van de kinderen is veranderd nu de vader naar Frankrijk is verhuisd. De vader heeft van de GI echter nooit duidelijkheid gekregen over het perspectief van de kinderen en aan welke doelen hij moest werken. Het doel van een machtiging uithuisplaatsing is dat er aan terugplaatsing wordt gewerkt. Hoe kan de vader dat doen als hij de kinderen niet ziet?

De vader is van mening dat de eerdere contactregeling zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden, zoals ook de GI heeft betoogd in haar verzoekschrift van 6 juni 2017. Omdat vanwege de gewijzigde situatie de kinderen niet meer om de week van de donderdag tot zaterdag bij de vader kunnen zijn, moet ter compensatie een regeling worden vastgesteld waarbij de kinderen één weekend in de maand en alle vakanties met de vader doorbrengen.

De standpunten van belanghebbenden

Namens de GI is ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek tot vervallen verklaring van de vader. Als de kinderen op meer dan 900 km van de GI in het buitenland verblijven is er geen zicht op de kinderen en loopt hun veiligheid gevaar. Uit informatie van Intermetzo blijkt dat de vader de problemen van de kinderen niet erkent en vanwege zijn eigen problematiek alleen gedurende korte periodes volledig beschikbaar is voor de kinderen. Een hele week is te lang. De vader heeft zelf het besluit genomen om in Frankrijk te gaan wonen, hij heeft dit niet in overleg gedaan. Daardoor heeft de beslissing zo lang op zich laten wachten. Bovendien heeft [minderjarige 2] een ernstige terugval laten zien na de zomervakantie, hij laat heel vervelend gedrag zien. Daarop is door de GI besloten dat er voorlopig geen contact zou zijn. De kinderen hebben een sterke behoefte aan duidelijkheid.

Door de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader. Zij is van mening dat het niet goed voor de kinderen is als zij naar de vader gaan en zij heeft daarvoor dan ook geen toestemming gegeven. De moeder houdt de vader verantwoordelijk voor de situatie en ze wil geen contact met hem.

De beoordeling

ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:265f, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) kan de GI, voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing, voor de duur daarvan de contacten tussen de minderjarigen en de ouders met gezag beperken. Deze beslissing geldt als een schriftelijke aanwijzing. Inhoudelijk heeft de GI op 11 september 2017 een besluit genomen en dit aan de vader medegedeeld. Uit de wet volgt dat een dergelijk besluit moet worden beschouwd als een schriftelijke aanwijzing, ook zonder dat de GI dit als zodanig benoemt. In beginsel had de vader binnen veertien dagen na 11 september 2017 zijn verzoek moeten indienen. De GI heeft echter verzuimd aan te geven dat dit besluit moet worden beschouwd als een schriftelijke aanwijzing waarvan vervallenverklaring kan worden gevraagd. Dat is wel vermeld in de als schriftelijke aanwijzing aangeduide bevestiging van dit besluit van 2 oktober 2017. Omdat in het besluit van 11 september 2017 de vader ten onrechte niet op de mogelijkheid van vervallenverklaring door de kinderrechter is gewezen, kan de vader niet worden verweten dat hij zich pas na ontvangst van de bevestiging van dat besluit op 2 oktober 2017, tot de kinderrechter heeft gewend. De kinderrechter is daarom van oordeel dat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek.

algemene beoordeling schriftelijke aanwijzing

Nu dit is vastgesteld, ligt de vraag voor of de door de GI gegeven schriftelijke aanwijzing geheel dan wel gedeeltelijk vervallen dient te worden verklaard. De aanwijzing moet in elk geval het doel van de ondertoezichtstelling dienen en mag niet in strijd komen met het recht. Een schriftelijke aanwijzing is een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb en moet voldoen aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Zo dient een schriftelijke aanwijzing te berusten op een deugdelijke motivering (artikel 3:46 Awb) en dient deze motivering te worden vermeld in de schriftelijke aanwijzing (artikel 3:47 Awb). De kinderrechter is met de vader van oordeel dat de aanwijzing niet aan deze vereisten voldoet en overweegt daartoe het volgende.

In de aanwijzing wordt vermeld dat het voor de kinderen belangrijk is dat zij in hun dagelijks leven nu zoveel mogelijk rust, stabiliteit, voorspelbaarheid en eenduidigheid in boodschappen ontvangen, maar er is door de GI in haar besluit niet onderbouwd waarom een verblijf van de kinderen bij hun vader in Frankrijk niet in het belang van de kinderen zou zijn. Het enkele feit dat de kinderen na de zomervakantie meer probleemgedrag lieten zien, is daartoe onvoldoende. De zomervakantie is door de huisuitzettingen en de verhuizing van de vader naar Frankrijk voor de kinderen een hectische periode geweest. Dat zij na die vakantie een verergering van het probleemgedrag hebben laten zien, wil niet zonder meer zeggen dat het niet in hun belang zou zijn (een deel van) de vakanties bij de vader in Frankrijk door te brengen. Omdat de schriftelijke aanwijzing onvoldoende is onderbouwd. zal de kinderechter die aanwijzing vervallen verklaren.

inhoudelijke beoordeling

Ingevolge het tweede lid van artikel 1:265f BW kan de kinderrechter een zodanige regeling vaststellen als hem in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt.

Ten aanzien van de herfstvakantie overweegt de kinderrechter als volgt. Deze zaak is in een heel laat stadium aan de kinderrechter ter beoordeling voorgelegd. Bij de beoordeling weegt niet mee wat daarvan de oorzaak is geweest, maar stelt de kinderrechter het belang van de kinderen voorop. Inmiddels heeft [minderjarige 2] zich erop ingesteld dat hij met zijn pleeggezin een midweek naar een pretpark gaat. [minderjarige 1] heeft aan de kinderrechter verteld dat hij weet hoe de herfstvakantie ingevuld gaat worden als hij in Nederland blijft. Hij heeft verteld dat hij is staat is zich aan te passen als dit anders zal zijn, maar geen voorkeur te willen uitspreken over waar hij de herfstvakantie zal doorbrengen. De GI geeft aan dat de kinderen behoefte hebben aan rust, stabiliteit, voorspelbaarheid en eenduidigheid in boodschappen. Het is daarom niet in hun belang als de plannen op het laatste moment weer wijzigen. Hieruit kan op dit moment alleen volgen dat de plannen ongewijzigd moeten blijven. Deze beslissing is op 12 oktober 2017 na een korte schorsing van de zitting al mondeling aan alle belanghebbenden medegedeeld. [minderjarige 1] was toen al weg. Zoals met hem afgesproken heeft hij de beslissing later die dag via zijn pleegmoeder gehoord.

Ten aanzien van de weekenden is ter zitting gebleken dat er geen verschil van mening is tussen de GI en de vader dat de vader een weekend per maand met de kinderen in Nederland zal doorbrengen. Ook [minderjarige 1] heeft gezegd dit een prettige regeling te vinden, zodat de kinderrechter deze regeling zal vaststellen.

Ten aanzien van de kerstvakantie (en de daarop volgende vakanties) beschikt de kinderrechter over onvoldoende informatie om een regeling vast te stellen. Op dit punt zal de beslissing worden aangehouden. De kinderrechter verwacht dan zowel van de GI als van de ouders een duidelijk onderbouwd standpunt waarin met de belangen van alle betrokkenen rekening wordt gehouden. Hieronder nadrukkelijk het belang van de kinderen, enerzijds hun belang bij onbelemmerd contact met hun beide ouders en met elkaar, maar anderzijds hun belang om zich verbonden te voelen met de pleeggezinnen waarin zij verblijven.

De Raad voor de Kinderbescherming zal worden opgeroepen om de kinderrechter van advies te dienen (artikel 810 Rv).

De beslissing


De kinderrechter:

verklaart de schriftelijke aanwijzing van 11 september 2017, bevestigd op 2 oktober 2017, vervallen;

stelt een contactregeling vast voor de duur van de uithuisplaatsing en bepaalt:

- dat de omgang tussen de vader en zijn kinderen minimaal één weekend per maand in Nederland plaatsvindt;

- dat de kinderen in de herfstvakantie niet naar Frankrijk zullen gaan;

houdt de beslissing voor het overige aan;

bepaalt dat de behandeling zal worden voortgezet op de zitting van 23 november 2017 om 12.00 uur;

verzoekt de griffier alle betrokkenen en de Raad voor de Kinderbescherming op te roepen voor die zitting.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.L. Rijnbout, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.J.C. Hermans als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2017.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden