Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5467

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-10-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
6167505 UE VERZ 17-305
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst bestuurder zorginstelling op de g-grond; ernstig verwijtbaar handelen werkgever; bij bepalen hoogte billijke vergoeding weegt mee dat de WNT (Wet normering topinkomens) op de arbeidsrelatie van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1345
GZR-Updates.nl 2017-0407
AR 2017/5843
RAR 2018/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 6167505 UE VERZ 17-305 aw/1370

Beschikking van 20 oktober 2017

inzake

de stichting

Stichting Warande,

gevestigd te Zeist,

verder ook te noemen Warande,

verzoekende partij, tevens verwerende partij,

gemachtigde: mr. A.G.M. Lieshout,

tegen:

[verwerende partij, tevens verzoekende partij] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verwerende partij, tevens verzoekende partij] ,

verwerende partij, tevens verzoekende partij,

gemachtigde: mr. J.R. Berculo.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van Warande met 51 producties, ter griffie ingekomen op 19 juli 2017;

  • -

    het verweerschrift van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] met 65 producties, ter griffie ingekomen op 11 september 2017;

  • -

    de producties 51 t/m 56 van Warande;

  • -

    productie 66 van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] ;

  • -

    de brief van mr. Lieshout van 15 september 2017, waarin hij verzoekt om extra spreektijd.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 september 2017. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden. Partijen hebben ieder een pleitnota overgelegd.

1.3.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

Warande is een zorginstelling en biedt aan hoofdzakelijk ouderen in Houten en op de Utrechtse Heuvelrug woon-, service- en zorgarrangementen. Warande heeft zeven vestigingen voor wonen en zorg in Zeist, Houten en Bilthoven. Daarnaast zijn er nevenvestigingen voor revalidatie, kinderopvang, dagsociëiteiten en een hospice. Het huidige Warande is ontstaan uit een juridische fusie op 31 december 2015 tussen Antroz en Warande, nadat er eerder in 2014 een bestuurlijke fusie had plaatsgevonden.

2.2.

De bestuursstructuur van Warande bestaat uit een eenhoofdige Raad van Bestuur en een Raad van Toezicht van zeven leden. De zeven vestigingen van Warande worden aangestuurd door vijf vestigingsmanagers, die verantwoording afleggen aan de Raad van Bestuur. Aan het managementoverleg van Warande nemen de bestuurder, de vestigingsmanagers en stafleden (HRM, Kwaliteit, Vastgoed en Financieel) deel.

2.3.

Bij Warande zijn ruim 1100 mensen in dienst. Warande heeft een Ondernemingsraad (OR), per vestiging een Cliëntenraad en voor de gehele organisatie een Centrale Cliëntenraad (CCR).

2.4.

[verwerende partij, tevens verzoekende partij] , geboren op [1954] , is op 15 maart 2006 door de Raad van Toezicht benoemd tot enig lid van de Raad van Bestuur. Per 1 juli 2006 is zij in dienst van (de rechtsvoorgangster van) Warande getreden. De arbeidsovereenkomst geldt als te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. Het huidige salaris bedraagt € 12.399,08 bruto per maand exclusief emolumenten.

2.5.

De arbeidsovereenkomst is schriftelijk vastgelegd. Daarin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Artikel 11

Non-actiefstelling

  1. De raad van toezicht kan, onverlet de statutaire bepalingen, de bestuurder voor een periode van ten hoogste één maand op non-actief stellen, indien naar het oordeel van de raad van toezicht de voortgang van de werkzaamheden – door welke oorzaak dan ook – ernstig wordt belemmerd.

  2. De in lid 1 genoemde periode kan door de raad van toezicht met maximaal één maand worden verlengd. Met toestemming van de bestuurder of diens vertegenwoordiger kan nogmaals een verlenging van maximaal één maand worden overeengekomen.

(…)

Artikel 13

Opzegging door de stichting

1. De stichting kan deze overeenkomst op grond van artikel 12 lid 2 slechts opzeggen om ernstige redenen die onder meer aanwezig worden geacht:

(…)

c wanneer ten gevolge van een duurzame verstoring van de vertrouwensrelatie tussen de raad van toezicht en de bestuurder of ten gevolge van onverenigbaarheid van karakters van raad van toezicht en bestuurder of de leden van de raad van bestuur onderling, de samenwerking met de bestuurder zodanig bemoeilijkt wordt dat de handhaving van de bestuurder redelijkerwijs niet langer kan worden gevergd, met inachtneming van het in artikel 14 lid 4 gestelde.

2. De stichting zal in geval van opzegging een termijn van ten minste zes maanden in acht nemen.

Artikel 14

1. Alvorens opzegging op grond van artikel 13 lid 1 sub c plaatsvindt, zal bij ernstige verschillen van opvatting tussen stichting en de betrokken bestuurder, waarvan sprake is als één der partijen zulks schriftelijk binnen twee weken verklaart, een Commissie van Advies en Bemiddeling ingesteld worden.

Teneinde het werk van de Commissie niet te frustreren zijn partijen verplicht de resultaten van het onderzoek van de Commissie af te wachten alvorens eventueel uitvoering te geven aan het in artikel 17 gestelde.

2. De Commissie van Advies en Bemiddeling heeft tot taak op grond van vaststelling van feiten en mogelijkheden tussen partijen te bemiddelen met als doel de mogelijkheid te onderzoeken of in de toekomst van een werkbare situatie sprake kan zijn.

3. De Commissie van Advies en Bemiddeling bestaat uit drie leden, waarvan elk der partijen binnen twee weken één lid benoemt. Deze twee leden wijzen zelf een derde lid aan, die als voorzitter zal fungeren.

4. De Commissie van Advies en Bemiddeling brengt binnen twee maanden schriftelijk verslag uit over haar bevindingen aan raad van toezicht en raad van bestuur.

Artikel 17

Geschillen

Alle geschillen naar aanleiding van deze overeenkomst die niet tussen partijen in der minne kunnen worden geregeld, zullen bij wege van bindend advies worden beslecht door het Scheidsgerecht voor het Nederlandse Ziekenhuiswezen.”

2.6.

In de statuten van Warande is omtrent benoeming, ontslag en schorsing van een bestuurder – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“Artikel 5

(…)

4. Een bestuurder kan te allen tijde worden geschorst en ontslagen door de Raad van Toezicht. Ingeval van schorsing of ontslag volgt de Raad van Toezicht de schorsings- of ontslagprocedure zoals vastgelegd in een overeenkomst waarin de arbeidsrelatie tussen de bestuurder en de stichting is vastgelegd.

5. De Raad van Toezicht stelt de ondernemingsraad en de centrale cliëntenraad in kennis van een voorgenomen benoeming of ontslag van een bestuurder en stelt deze (…) overeenkomstig het bepaalde in de Wet op de Ondernemingsraden en de Wet Medezeggenschap Cliënten Zorginstellingen in de gelegenheid dienaangaande advies uit te brengen.

6. De schorsing van een bestuurder vervalt, indien de Raad van Toezicht niet binnen drie maanden na de datum van ingang van de schorsing besluit tot ontslag of tot opheffing of handhaving van de schorsing.”

2.7.

In september 2013 heeft Warande in haar meerjarenstrategie expliciet gekozen voor het bieden van intramurale zorg, met als gevolg dat het zorgzwaarteprofiel van de cliënten van Warande sterk is verzwaard, waardoor zowel hogere eisen aan de kwaliteit van de zorg als aan de kwaliteit van de huisvesting en voorzieningen worden gesteld.

2.8.

Van juli 2014 tot medio 2015 heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) verscherpt toezicht gehouden op de voormalige Antroz vestigingen van Warande, te weten [naam 1] en [naam 2] .

2.9.

Begin 2015 heeft één van de vestigingsmanagers, mevrouw [A] , haar ontslag ingediend. Zij heeft in haar ontslagbrief als reden opgegeven de houding van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] . [A] is van mening dat [verwerende partij, tevens verzoekende partij] weinig tot geen inhoudelijke kennis heeft als het gaat om zorg en geen voorbeeldgedrag vertoont daar waar het gaat om de meest basale omgangsvormen met haar managers. Het grillige, repressieve en onberekenbare gedrag van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] maakt Warande volgens [A] tot een onveilige organisatie voor medewerkers. Zij wijst erop dat zij de derde vestigingsmanager is die binnen een jaar de organisatie verlaat.

2.10.

Naar aanleiding van voornoemde brief van [A] heeft de Raad van Toezicht met [A] gesproken. In mei 2015 is de Raad van Toezicht voor het eerst – buiten de jaarlijkse zelfevaluaties – zonder [verwerende partij, tevens verzoekende partij] bijeengekomen. Tijdens die bijeenkomst kwam voor het eerst duidelijk naar voren dat alle leden van de Raad van Toezicht aarzelingen hadden bij de wijze van opereren van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] en worstelden met de samenwerking met haar. Vervolgens heeft de Raad van Toezicht aan [verwerende partij, tevens verzoekende partij] voorgesteld om onder begeleiding van een derde aan de communicatie te werken om zo de onderlinge samenwerking te verbeteren.

2.11.

De leden van de Raad van Toezicht en [verwerende partij, tevens verzoekende partij] hebben in de periode juli tot oktober 2015 een aantal gesprekken gevoerd onder begeleiding van de heer [H] . Deze heeft een verslag opgesteld waarin onder meer het volgende is vermeld:

“De check verloopt in eerste instantie stroef en levert niet het gewenste resultaat op. Maar na een nieuwe uitleg door de RvT geeft de bestuurder aan de kritiekpunten te begrijpen. De wenselijkheid van een 360 graden onderzoek wordt kort aangestipt. De RvT besluit om het punt mee te nemen naar de RvT bijeenkomst op 21 oktober. De bestuurder vindt een objectiverend onderzoek zeker bespreekbaar als daar bij de RvT behoeft aan zou blijken te zijn. (…) Bestuurder en RvT-leden spreken uit verheugd te zijn met dit resultaat en het gevoel te hebben gekregen nader tot elkaar te zijn gekomen.”

2.12.

Vervolgens is door de Raad van Toezicht een 360 graden evaluatie gehouden onder de leden van het management overleg, de CCR en de OR, ter voorbereiding van het functioneringsgesprek met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] over 2015. De uitkomst van het onderzoek was overwegend positief. [verwerende partij, tevens verzoekende partij] heeft op de uitkomst gereageerd in een memo d.d. 2 maart 2016. Op basis hiervan zijn afspraken/actiepunten geformuleerd in het functioneringsgesprek met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] van 25 maart 2016, te weten:

“operationalisering van de visie naar de werkvloer” “dmv gedeeld leiderschap”

“instellen van een Verpleegkundige Adviesraad”

“zorgen voor verbetering in het functioneren van het management overleg (sfeer, afspraken uitvoeren en omgangsvormen)”

“zorgen voor verbetering van verhouding tussen lijn en staf”

“zorgen voor verbetering van de efficiëntie en doelmatigheid van de organisatie”

“Aandacht blijven houden voor risicoanalyses”

Op de tijdens het functioneringsgesprek geuite wens van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] om nog vier tot vijf jaar te blijven, tot aan haar pensionering, heeft de Raad van Toezicht aangegeven positief te zijn over dit voornemen en op dat moment geen aanleiding te zien om er anders over te denken.

2.13.

In de zomer van 2016 heeft opnieuw een vestigingsmanager, mevrouw [B] , ontslag genomen. In het exitgesprek gehouden tussen [B] en twee leden van de Raad van Toezicht heeft [B] zich kritisch uitgelaten over [verwerende partij, tevens verzoekende partij] en de cultuur binnen de organisatie. Volgens [B] is er onvoldoende kennis van de feitelijke kwaliteit van de zorg op bestuurdersniveau en leidt de wijze waarop [verwerende partij, tevens verzoekende partij] het MO-team leidt tot een onveilig gevoel bij de leden en soms onderlinge machtsstrijd. De Raad van Toezicht heeft die kritiek met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] besproken.

2.14.

In de periode medio augustus tot medio oktober 2016 heeft de IGZ Warande bezocht. Op 23 september 2016 heeft Warande vernomen dat zij door de IGZ is ingedeeld in categorie 1 en op de lijst is geplaatst van instellingen waar intensief toezicht wordt gehouden. De tekortkomingen die IGZ heeft geconstateerd bestaan erin dat op meerdere locaties de cliëntdossiers niet op orde zijn en dat op de locaties [locatie 1] en [locatie 2] de medicatieveiligheid niet aan de normen voldoet.

2.15.

Daarop heeft de Raad van Toezicht, in samenspraak met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] , besloten tot het aanstellen van een interim bestuurder, die als belangrijkste taken zorg en kwaliteit zou krijgen. De OR heeft op 20 oktober 2016 positief geadviseerd over dit voornemen. Per 1 november 2016 is de heer [G] als interim bestuurder bij Warande begonnen.

2.16.

Op vragen van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] naar een mogelijk door de voorzitter van de Raad van Toezicht (mevrouw [C] ) gesuggereerd verband tussen het functioneren van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] en het besluit om een interim bestuurder aan te stellen schrijft [C] , mede namens de Raad van Toezicht, op 16 oktober 2016 aan [verwerende partij, tevens verzoekende partij] :

“De Raad van Toezicht meent dat zij door, samen met jou, tot het besluit te komen om naast jou een interim bestuurder aan te stellen en tevens te besluiten dat jij de voorzitter van het gezamenlijk bestuur bent, voldoende blijk geeft van het vertrouwen dat zij nu in jou heeft.”

2.17.

Op 23 november 2016 heeft Warande van de IGZ een aanwijzing gekregen (artikel 27 Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg). De IGZ schrijft:

“De inspectie heeft op het gebied van medicatieveiligheid Warande eerst (op 5 september 2016) in de gelegenheid gesteld alsnog binnen vier weken aan de normen te voldoen. Dit is op de locaties [locatie 1] en [locatie 2] niet gelukt.

Warande is voorts niet in staat gebleken de noodzakelijke verbeteringen op het gebied van het thema cliëntendossier organisatiebreed voldoende, tijdig en blijvend, door te voeren. Dit terwijl de inspectie, sinds haar toezicht vanaf 2014, op verschillende locaties van Warande bij herhaling dezelfde tekortkomingen heeft geconstateerd op het thema cliëntdossier. (…) De inspectie is van mening dat Warande de geconstateerde tekortkomingen redelijkerwijs moet kunnen wegnemen binnen een periode van 3 (drie) maanden voor het thema cliëntdossier en een periode van 2 (twee) weken voor het thema medicatieveiligheid, gerekend vanaf de dag na dagtekening van de aanwijzing.”

2.18.

Op 22 december 2016 heeft de Raad van Toezicht het jaarlijkse functioneringsgesprek met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] gevoerd. In het gespreksverslag, dat is opgesteld door de Raad van Toezicht, is onder meer opgenomen: “De bestuurder is blij met de steun van de RvT in de afgelopen periode en spreekt haar vertrouwen uit in de huidige samenwerking” (…) “RvT geeft aan dat er in januari, zoals eerder besproken, een onderzoek zal worden gedaan naar de gewenste topstructuur. Vandaag en morgen zal de selectie van een persoon/bureau plaatsvinden. De opdracht zal zijn te onderzoeken op welke wijze de topstructuur van Warande optimaal kan worden ingericht.”

2.19.

In januari 2017 heeft Warande opdracht gegeven aan [naam adviesbureau] om een onderzoek in te stellen naar de optimale topstructuur van Warande in de toekomst.

2.20.

De commissie […] heeft namens de Raad van Toezicht met zowel [verwerende partij, tevens verzoekende partij] (op 27 januari 2017) als [G] (31 januari 2017) een zogenaamd 100-dagen gesprek gevoerd, om zowel terug als vooruit te kijken. De commissie heeft daarvan aan de Raad van Toezicht verslag gedaan op 31 januari 2017. [verwerende partij, tevens verzoekende partij] heeft in dat gesprek te kennen gegeven dat zij niet echt behoefte heeft aan een tussenevaluatie en dat zij verwacht dat de zaken eind februari weer op orde zijn. Op de vraag welke eyeopeners zij heeft ervaren in de afgelopen drie maanden heeft zij gezegd dat ze eigenlijk geen eyeopeners is tegengekomen, behalve dan dat ze het als prettig heeft ervaren om een collega te hebben (dat is [G] , toevoeging kantonrechter), iemand om lastige dossiers op te pakken. [G] heeft in dat gesprek een aantal zorgpunten genoemd die hij ook met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] zegt te hebben besproken, samengevat: verouderde organisatie; dominante staf; vastgoed niet strategisch ingebed en risicovol; overall te laag deskundigheidsniveau en een niet-zelflerende organisatie. Hij heeft ook gemeld dat binnen het MT drie personen hebben gezegd dat de situatie onhoudbaar is, dat een aantal mensen inclusief hijzelf vindt dat een stevige herstructurering nodig is en dat hij vindt dat de huidige bestuurder niet in staat is die omslag mee te maken.

2.21.

Het project “Waardigheid en Trots” is een initiatief van het ministerie van VWS, waarbij aan organisaties als Warande ondersteuning en coaching wordt aangeboden bij het structureel op orde krijgen van de kwaliteit van zorg. Op voorstel van [G] heeft de Raad van Bestuur Waardigheid en Trots gevraagd een plan van aanpak op te stellen met betrekking tot de problemen bij het duurzaam verbeteren van kwaliteit en veiligheid van zorg. De heer [F] was vanaf dat moment vanuit Waardigheid en Trots nauw bij Warande betrokken. Hij heeft met een groot aantal medewerkers van Warande gesproken en een analyse gemaakt op basis van diverse documenten waaronder jaarverslagen, kwaliteitskaarten en medewerkers- en cliënttevredenheidsonderzoeken.

2.22.

In een gesprek op 28 februari 2017 tussen [F] en twee leden van de Raad van Toezicht heeft [F] zich kritisch uitgelaten over de situatie van Warande en over [verwerende partij, tevens verzoekende partij] . Hij omschrijft haar volgens het gespreksverslag als “een bestuurder die zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de noodzakelijke ontwikkeling van de organisatie in relatie tot de toegenomen zorgzwaarte.” (…) “er is sprake van een organisatie als een eilandenrijk, waar de doelmatigheidswinst bij fusies niet is gerealiseerd, de bedrijfsvoering niet is geoptimaliseerd, er liggen risicovolle huisvestingsplannen, op alle niveaus is er te weinig zorginhoudelijke kwaliteit aanwezig voor de transitie naar zwaardere zorg.” Volgens het gespreksverslag is de inschatting van [F] dat verandering van de huidige cultuur/gebrek aan eigenaarschap voor kwaliteit, voor de huidige bestuurder en (een deel van) de vestigingsmanagers een zware opgave is.

2.23.

Begin maart 2017 hebben twee vestigingsmanagers (de heer [D] en mevrouw [E] ) zich bij de Raad van Toezicht gemeld met klachten over [verwerende partij, tevens verzoekende partij] . De Raad van Toezicht heeft met [D] gesproken en hem geadviseerd met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] in gesprek te gaan. [D] heeft vervolgens met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] en [G] gesproken.

2.24.

Op 23 maart 2017 heeft de Raad van Toezicht aan [verwerende partij, tevens verzoekende partij] mondeling te kennen gegeven dat de Raad van Toezicht unaniem van oordeel was dat haar positie niet langer houdbaar was en dat de Raad graag in goed overleg afscheid van haar wilde nemen. Dit is op 29 maart 2017 per e-mail aan [verwerende partij, tevens verzoekende partij] bevestigd.

2.25.

[verwerende partij, tevens verzoekende partij] heeft daarop te kennen gegeven wel te willen praten met de Raad van Toezicht, maar geen noodzaak te zien om haar werk neer te leggen. Daarop heeft de Raad van Toezicht haar bij brief van 30 maart 2017 met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld voor de duur van één maand, onverminderd de mogelijkheid van verlenging. De Raad van Toezicht schrijft onder meer:

“Zonder in deze brief volledig te zijn, constateert de Raad van Toezicht de volgende zwaarwegende problemen: een structureel defensieve houding van u in het contact met de Raad; een voortdurend tekortschieten van Warande op de primaire terreinen zorg, kwaliteit en veiligheid; een ongewenste versnippering van de organisatie; een wantrouwende stijl van leidinggeven en een verre van optimale bedrijfsvoering.

Deze bezwaren spelen al geruime tijd, het een langer dan het ander, en de Raad van Toezicht ziet geen mogelijkheden meer om deze samen met u op te lossen; het benodigde vertrouwen daartoe ontbreekt ten enenmale.

(…)”

2.26.

Op 4 april 2017 heeft de Raad van Toezicht op het Intranet van Warande een bericht laten plaatsen met de volgende inhoud:

“Hiermee willen we jullie informeren over het feit dat wij als Raad van Toezicht het voornemen hebben afscheid te nemen van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] als bestuursvoorzitter van Warande. [G] neemt als interimbestuurder per direct de taken van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] over. [G] is, zoals jullie weten, al sinds november 2016 – op interimbasis – actief binnen de Raad van Bestuur.

Zodra er nieuwe ontwikkelingen zijn zullen we jullie vanzelfsprekend weer informeren. Als je nog vragen hebt, dan kun je altijd contact opnemen met [G] .”

2.27.

Ook op 4 april 2017 heeft de Raad van Toezicht de OR en de CCR om advies gevraagd ten aanzien van het voorgenomen ontslag van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] .

2.28.

Het rapport van [naam adviesbureau] over de optimale topstructuur binnen Warande is in maart 2017 verschenen. Het rapport van Waardigheid en Trots is in april 2017 verschenen.

2.29.

Op de vergadering van 7 april 2017 is het voornemen van de Raad van Toezicht besproken om [verwerende partij, tevens verzoekende partij] te ontslaan. [verwerende partij, tevens verzoekende partij] was bij die vergadering aanwezig en heeft van haar adviesrecht gebruik gemaakt. Blijkens het verslag van de vergadering is het voornemen om de arbeidsovereenkomst met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] te beëindigen door de Raad toegelicht als volgt:

  1. Er zijn grote problemen met de kwaliteit van zorg binnen Warande. De voortdurende (door de jaren heen) tekortkomingen op het gebied van de kwaliteit van zorg hebben eind 2016 geleid tot een aanwijzing door de IGZ. Recent is gebleken dat Warande niet voldoet aan de voorwaarden om de aanwijzing op te heffen, op basis hiervan heeft de IGZ aangegeven voornemens te zijn een last onder dwangsom op te leggen, om naleving af te dwingen.

  2. Er is bij mevrouw [verwerende partij, tevens verzoekende partij] duidelijk sprake van onderschatting van de ernst en hardnekkigheid van de situatie. Tijdens een gesprek met de IGZ heeft zij aangegeven dat het een vergissing van de IGZ was dat Warande in categorie 1 ipv in categorie 3 op de lijst staat. Ze is in januari op vakantie gegaan terwijl het spannend was of de inspectiebezoeken naar aanleiding van de aanwijzing positief zouden uitvallen voor Warande. Tijdens het 100 dagen gesprek heeft ze aangegeven dat het haar inschatting is dat eind februari de kwaliteit weer volledig op orde is. Bovendien gaf ze te kennen dat ze het 100 dagen gesprek niet nodig vond. Dit in schril contrast tot de her [G] die in het 100 dagen gesprek zijn grote zorgen m.b.t. de Warande in brede zin heeft geuit die hij ook had gedeeld met mw. [verwerende partij, tevens verzoekende partij] .

  3. De Raad van toezicht heeft bemerkt dat de communicatie met mevrouw [verwerende partij, tevens verzoekende partij] stroef blijft ondanks de door de RvT geïnitieerde gesprekken met een moderator. Haar houding is verder defensief gebleven zoals ook weer bleek in het 100 dagen gesprek.

  4. De Raad van Toezicht heeft meerdere signalen ontvangen die duiden op een wantrouwende stijl van leidinggeven. Enkele voorbeelden van deze signalen: de twee exitgesprekken met vestigingsmanagers, de brief van de ondernemingsraad van 20 oktober 2016 waarin de moeizame samenwerking en communicatie in het Management Overleg is genoemd en recente gesprekken met vestigingsmanagers die aangaven dat er geen gehoor was voor hun zorgen over de personele formatie.

  5. De Raad van Toezicht maakt zich grote zorgen over de bedrijfsvoering die na de fusie niet geoptimaliseerd en geüniformeerd is. In de reeds aangehaalde brief van de OR wordt gesproken over een eilandjescultuur en gebrek aan uniformiteit. De aangetrokken interim bestuurder constateert dat er een relatie ligt tussen de problemen met de kwaliteit en de bedrijfsvoering in brede zin. Tot slot heeft een recent gesprek met de strategische coach van het project Waardigheid en Trots de zorgen van de Raad van Toezicht onderstreept. Door deze strategische coach is zelfs aangegeven dat sturing van de organisatie ontbreekt.

De heer [I] voegt hier nog aan toe dat in de auditcommissie op het gevaar is gewezen dat de bezuinigingen op de zorg die nodig zijn om de vastgoedplannen te financieren niet realiseerbaar zijn gegeven het feit dat de kwaliteit van zorg nu al onder de maat is. Nu we de uitkomsten van de analyse van Waardigheid en Trots kennen, weten we dat de twijfels van de AC over de betaalbaarheid van de genomen bestuursbesluiten juist zijn.”

2.30.

Bij brief van 14 april 2017 heeft de IGZ aan Warande een last onder dwangsom opgelegd, omdat bij inspectie was gebleken dat op één van de vijf locaties, de locatie [locatie 1] , de cliëntdossiers nog niet op orde waren.

2.31.

Op verzoek van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] heeft de Raad van Toezicht vervolgens een Commissie van Advies en Bemiddeling (hierna: de Commissie) ingesteld, volgens artikel 14 van de arbeidsovereenkomst. Deze heeft gesprekken gevoerd met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] , een aantal vestigingsmanagers, twee managers, leden van de OR en van de CCR en vier leden van de Raad van Toezicht. De Commissie rapporteert op 11 juni 2017 onder meer:

“1. De Commissie ziet geen reële mogelijkheid voor een toekomstig werkbare situatie tussen [verwerende partij, tevens verzoekende partij] en de Raad van Toezicht.

2. De Commissie acht de Raad van Toezicht hiervoor in belangrijke mate zelf verantwoordelijk.”

“De commissie stelt vast dat er na het laatste functioneringsgesprek op 22 december 2016 en voor 23 maart 2017 geen inhoudelijk overleg meer heeft plaatsgevonden tussen de RvT en [verwerende partij, tevens verzoekende partij] over bovengenoemde (nieuwe) informatie. Hierdoor heeft [verwerende partij, tevens verzoekende partij] niet de gelegenheid gehad deze informatie te nuanceren, te weerleggen of in een ander perspectief te plaatsen. De commissie acht deze gang van zaken niet zorgvuldig jegens [verwerende partij, tevens verzoekende partij] en in potentie ook schadelijk voor de Warande, in het bijzonder omdat, zoals gezegd, verschillende andere stakeholders binnen de Warande aan de informatie andere conclusies verbinden.

Inmiddels is het voornemen van de RvT om de arbeidsovereenkomst met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] te beëindigen en de daarop volgende non-actiefstelling van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] openbaar bekend gemaakt door de RvT. De Commissie concludeert dat er als gevolg hiervan sprake is van een duurzame verstoring van de vertrouwensrelatie tussen de RvT en [verwerende partij, tevens verzoekende partij] . De Commissie acht de positie van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] als bestuurder van de Warande daardoor onhoudbaar. Ook tijdens de gesprekken is gebleken dat het draagvlak bij andere organen voor de terugkeer van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] , in de gegeven omstandigheden, minimaal is.

De Commissie acht evenwel ook de openbare communicatie over de voorgenomen beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de non-actiefstelling van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] door de RvT onzorgvuldig, omdat het hier door gecreëerde fait accompli het werk van de Commissie – namelijk het bemiddelen bij het onderzoek naar de mogelijkheden van een toekomstig werkbare situatie – in feite onmogelijk heeft gemaakt. Deze gang van zaken heeft tevens de rol van de medezeggenschap gefrustreerd, hetgeen aan die zijde het vertrouwen in de RvT heeft beschadigd.”

2.32.

Op 16 juni 2017 heeft de CCR negatief geadviseerd met betrekking tot het voornemen tot ontslag van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] en heeft zij verzocht [verwerende partij, tevens verzoekende partij] weer toe te laten tot het werk.

2.33.

Op 29 juni 2017 heeft de OR positief geadviseerd over het voorgenomen ontslag. De OR schrijft onder meer:

“De Ondernemingsraad onderschrijft de gehele conclusie van de commissie Arbeid en Bemiddeling namelijk de Raad van Toezicht niet de juiste procedure heeft gevolgd om over te kunnen gaan tot het ontslag van de huidige RvB, [verwerende partij, tevens verzoekende partij] ;

De Ondernemingsraad heeft geconstateerd op basis van de rapportages van Waardigheid en Trots en de rapportages van IGZ dat de bestuurlijke verantwoordelijkheid door de RvB [verwerende partij, tevens verzoekende partij] onvoldoende heeft genomen;

De Ondernemingsraad is van mening dat de Raad van Toezicht verantwoordelijkheid moet nemen voor hun eigen handelen in deze situatie. Als de Raad van Toezicht in gesprek met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] adequaat had gehandeld, dan had [verwerende partij, tevens verzoekende partij] de kans kunnen krijgen om te reflecteren op haar eigen handelen.

De Ondernemingsraad constateert dat de arbeidsverhoudingen inmiddels zo verstoord zijn dat een terugkomst van de RvB, [verwerende partij, tevens verzoekende partij] , niet meer mogelijk is.

Advies

De Ondernemingsraad adviseert om de ontslagprocedure voor de RvB, [verwerende partij, tevens verzoekende partij] , in te gaan zetten en om op korte termijn een sollicitatie procedure op te starten voor een nieuwe RvB (…)”

2.34.

Op 6 juli 2017 heeft de Raad van Toezicht nog een overleg met de CCR en de OR gevoerd, waarna zij heeft besloten over te gaan tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] .

3 Het verzoek van Warande

3.1.

Warande verzoekt op grond van het bepaalde in artikel 7:671b lid 1 onder a en artikel 7:669 lid 3 sub g (verstoorde verhouding) subsidiair sub h (andere omstandigheden) Burgerlijk Wetboek (BW) om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen op de kortst mogelijke termijn.

3.2.

Warande heeft daartoe – kort samengevat – primair aangevoerd dat de arbeidsrelatie met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] ernstig is verstoord, zodanig dat een vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk is. Van Warande kan in redelijkheid niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De Commissie van Advies en Bemiddeling en de OR zijn eveneens van oordeel dat terugkeer van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] niet meer mogelijk is.

Subsidiair voert Warande aan dat tussen de Raad van Toezicht en [verwerende partij, tevens verzoekende partij] grote verschillen van inzicht bestaan over het te voeren beleid. Het besef van urgentie ontbreekt bij [verwerende partij, tevens verzoekende partij] terwijl er van diverse kanten zeer duidelijke signalen zijn dat zaken niet op orde zijn. Met de komst van de interim bestuurder en de strategisch coach van Waardigheid en Trots, de situatie met de IGZ en de signalen vanuit de organisatie werd begin 2017 duidelijk dat Warande feitelijk al sinds 2014 onvoldoende heeft ingespeeld op de veranderende eisen die gesteld worden aan de intramurale langdurige zorg. Door het gebrek aan zelfreflectie, het gebrek aan inzicht in de noodzaak tot verandering en de ernstig verstoorde verhouding met de Raad van Toezicht, is er wat betreft de Raad van Toezicht geen weg meer terug.

Gelet op de grondslag van dit verzoek en de positie die [verwerende partij, tevens verzoekende partij] bekleedt, is herplaatsing niet aan de orde.

4 Het verweer en het tegenverzoek van [verwerende partij, tevens verzoekende partij]

4.1.

[verwerende partij, tevens verzoekende partij] voert verweer. Zij stelt zich primair op het standpunt dat geen redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst bestaat. Zij verzoekt daarom primair het ontbindingsverzoek af te wijzen en Warande te veroordelen om haar terstond na de betekening van de beschikking toe te laten tot het verrichten van de overeengekomen arbeid, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, en om aan haar te betalen een bijdrage in de kosten van rechtsbijstand van € 7.000,00 te vermeerderen met BTW en de kosten van de procedure.

Subsidiair, voor het geval het ontbindingsverzoek wordt toegewezen, verzoekt [verwerende partij, tevens verzoekende partij] de kantonrechter om Warande te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 153.996,00 bruto en een billijke vergoeding van € 150.000,00 bruto, alsmede een bijdrage in de kosten van rechtsbijstand van € 7.000,00 te vermeerderen met BTW en de kosten van de procedure. Tevens verzoekt zij de kantonrechter in geval het ontbindingsverzoek wordt toegewezen de duur van de procedure niet in mindering te brengen op de opzegtermijn van 6 maanden die bij de bepaling van het tijdstip van de ontbinding in acht moet worden genomen.

4.2.

[verwerende partij, tevens verzoekende partij] heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat geen redelijke grond bestaat voor de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Warande heeft haar volkomen overvallen met een non-actiefstelling en de wens om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Eind december 2016 heeft een functioneringsgesprek plaatsgevonden dat positief was van toon. [verwerende partij, tevens verzoekende partij] is niet bekend met de signalen die Warande stelt te hebben ontvangen tussen december 2016 en 23 maart 2017, de dag dat de Raad van Toezicht het vertrouwen in haar heeft opgezegd. Van een onherstelbaar verstoorde verhouding is geen sprake, reeds omdat Warande geen enkele poging heeft gedaan om met haar in gesprek te gaan over herstel van de arbeidsrelatie. Warande heeft enkel willen praten over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. [verwerende partij, tevens verzoekende partij] heeft mediation voorgesteld. Warande heeft dat voorstel afgewezen. Warande heeft bovendien nagelaten tijdig de Commissie van Advies en Bemiddeling in te schakelen (artikel 14 van de arbeidsovereenkomst), met als gevolg dat zij deze het werk onmogelijk heeft gemaakt. Warande heeft ten opzichte van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] onzorgvuldig gehandeld door al op 4 april 2017 op Intranet kenbaar te maken dat zij voornemens is de arbeidsovereenkomst met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] te beëindigen. Feitelijk legt Warande aan haar ontbindingsverzoek onvoldoende functioneren ten grondslag. Warande heeft [verwerende partij, tevens verzoekende partij] echter nooit te kennen gegeven dat zij ontevreden was over haar functioneren. [verwerende partij, tevens verzoekende partij] heeft steeds in samenspraak met de Raad van Toezicht gehandeld, zowel wat betreft het dossier IGZ als het dossier nieuwbouw. De Raad van Toezicht heeft de afgelopen jaren herhaaldelijk het vertrouwen in haar uitgesproken en de uitslag van het 360 graden onderzoek was positief. Van een verschil van inzicht over het te voeren beleid is geen sprake. De negatieve conclusies van [F] (Waardigheid en Trots) en [G] worden door [verwerende partij, tevens verzoekende partij] gemotiveerd weersproken.

[verwerende partij, tevens verzoekende partij] wijst erop dat er bij de CCR voldoende draagvlak bestaat voor haar terugkeer. Als het ontbindingsverzoek wordt afgewezen en de toelating tot het werk toegewezen, dan wordt haar positie hersteld. Zowel in als buiten de organisatie zal het duidelijk zijn dat de poging van de Raad van Toezicht om haar aan de kant te zetten niet is geslaagd. Van de in juni 2017 in totaal zeven leden van de Raad van Toezicht verdwijnen er op korte termijn vijf, omdat hun termijn is verstreken en/of zij niet langer beschikbaar zijn voor een volgende termijn. De termijn van mevrouw [C] , voorzitter van de Raad, loopt af in maart 2018 en het is maar zeer de vraag of zij herbenoemd kan worden, na alles wat er gebeurd is. Warande krijgt derhalve te maken met een grotendeels nieuwe Raad van Toezicht, hetgeen partijen ruim de kans geeft om een herstart te maken.

Warande heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door niet de juiste procedure te volgen bij haar wens om afscheid te nemen van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] . Zij heeft [verwerende partij, tevens verzoekende partij] zonder goede gronden op non-actief gesteld en geweigerd met haar te spreken over herstel van de arbeidsrelatie. Als de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden maakt zij aanspraak op een billijke vergoeding van € 150.000,00 bruto. Juist omdat de Raad van Toezicht de afgelopen jaren herhaaldelijk te kennen heeft gegeven dat zij het dienstverband langdurig zou willen continueren en zij zelf een situatie heeft gecreëerd waarin dat in de visie van de kantonrechter niet mogelijk zou zijn, kan ook de inkomensderving van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding worden betrokken. Haar totale inkomensderving tot aan de pensioendatum (44 maanden) bedraagt € 578.136,00 bruto, waarbij nog geen rekening is gehouden met de abrupte onderbreking van haar pensioenopbouw. [verwerende partij, tevens verzoekende partij] doet op grond van het overgangsrecht afstand van de wachtgeldregeling die is opgenomen in de arbeidsovereenkomst en maakt in plaats daarvan aanspraak op de wettelijke transitievergoeding van € 153.996,00 bruto.

5 De beoordeling

5.1.

Partijen hebben te kennen gegeven geen beroep te willen doen op het bepaalde in artikel 17 van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter acht zich dan ook bevoegd van de wederzijdse verzoeken kennis te nemen.

5.2.

Uitgangspunt bij de beoordeling van het verzoek van Warande is dat de werkgever op grond van het bepaalde in artikel 7:671b BW de kantonrechter kan verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een redelijke grond. Warande heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van een onherstelbaar verstoorde verhouding of van andere omstandigheden in de zin van artikel 7:671b lid 1, aanhef en onder a BW juncto artikel 669 lid 3, aanhef en onder g en h BW. Op grond van artikel 7:671b lid 2 BW dient de kantonrechter te onderzoeken of aan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst is voldaan, en – daarmee – of deze redelijke grond de verzochte ontbinding kan dragen.

5.3.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:671b lid 2 BW is onderzocht of een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW of enig ander opzegverbod geldt. Dit is niet het geval.

5.4.

Over de vraag of de arbeidsovereenkomst op grond van een onherstelbaar verstoorde verhouding moet worden ontbonden, wordt het volgende overwogen.

5.5.

De Raad van Toezicht heeft het vertrouwen in [verwerende partij, tevens verzoekende partij] als voorzitter en lid van de Raad van Bestuur opgezegd. Daarmee staat vast dat een onwerkbare situatie is ontstaan, geheel afgezien van de vraag of de Raad van Toezicht dat op goede gronden heeft kunnen doen. Bij de beantwoording van de vraag of herstel van de arbeidsrelatie op dit moment nog mogelijk is, moet naar het oordeel van de kantonrechter niet alleen worden gekeken naar de relatie tussen [verwerende partij, tevens verzoekende partij] en de personen die momenteel deel uitmaken (of in de toekomst deel zullen uitmaken) van de Raad van Toezicht. Het positieve advies van de OR om tot ontslag van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] over te gaan (zie hiervoor onder 2.33.) weegt in dit verband zwaar, evenals de conclusie van de Commissie van Advies en Bemiddeling dat zij geen reële mogelijkheid ziet voor een toekomstig werkbare situatie tussen [verwerende partij, tevens verzoekende partij] en de Raad van Toezicht (zie hiervoor onder 2.31.). Ook de tijd die is verstreken sinds de non-actiefstelling op 30 maart 2017 maakt dat terugkeer niet langer in de rede ligt. De wens van de CCR om [verwerende partij, tevens verzoekende partij] in haar functie te behouden, doet daaraan onvoldoende af.

5.6.

Gelet op de functie die [verwerende partij, tevens verzoekende partij] bekleedt ligt herplaatsing binnen Warande niet in de rede. De arbeidsovereenkomst zal daarom worden ontbonden op de g-grond. De tevens door Warande aangevoerde h-grond behoeft geen bespreking meer.

5.7.

Uit het voorgaande volgt dat het tegenverzoek van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] strekkende tot wedertewerkstelling dient te worden afgewezen.

5.8.

Warande heeft niet betwist dat [verwerende partij, tevens verzoekende partij] recht heeft op de wettelijke transitievergoeding en dat die vergoeding € 153.996,00 bruto bedraagt. Warande zal worden veroordeeld om die vergoeding bij het einde van het dienstverband aan [verwerende partij, tevens verzoekende partij] te betalen.

5.9.

Daarnaast maakt [verwerende partij, tevens verzoekende partij] aanspraak op een billijke vergoeding van € 150.000,00 bruto en verzoekt zij de kantonrechter de duur van de procedure niet in mindering te brengen op de geldende opzegtermijn van 6 maanden, omdat Warande jegens haar ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door – samengevat – niet de juiste procedure voor ontslag te volgen en te weigeren met haar in gesprek te gaan om te bezien of de arbeidsrelatie kan worden hersteld.

5.10.

Warande wijst voor wat betreft de billijke vergoeding allereerst op de Wet normering topinkomens (WNT). Zij meent dat van die wet een zekere reflexwerking zou moeten uitgaan. Het gaat uiteindelijk om gemeenschapsgeld. Daarnaast betwist zij dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De kantonrechter overweegt daarover als volgt.

5.11.

Nadat Warande aan [verwerende partij, tevens verzoekende partij] op 23 maart 2017 mondeling had meegedeeld dat zij de arbeidsovereenkomst wenste te beëindigen heeft zij [verwerende partij, tevens verzoekende partij] , omdat deze weigerde het werk vrijwillig neer te leggen, op 30 maart 2017 met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld. Kort daarop, namelijk op 4 april 2017, heeft Warande binnen haar organisatie kenbaar gemaakt dat de arbeidsovereenkomst met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] zal worden beëindigd. Die gang van zaken wekt sterk de indruk van een ontslag op staande voet en is onnodig beschadigend voor [verwerende partij, tevens verzoekende partij] . Gesteld noch gebleken is immers dat sprake is van een dringende reden voor ontslag. In de gegeven omstandigheden valt niet in te zien waarom het noodzakelijk was dat [verwerende partij, tevens verzoekende partij] per direct het werk zou neerleggen. De noodzaak om al op 4 april 2017 binnen de organisatie kenbaar te maken dat [verwerende partij, tevens verzoekende partij] op non-actief is gesteld en dat de arbeidsovereenkomst zal worden beëindigd is geen gevolg geweest van het handelen van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] , zoals Warande suggereert. Uiteraard heeft [verwerende partij, tevens verzoekende partij] als goed werknemer haar secretaresse en haar belangrijkste contactpersonen binnen de organisatie direct op de hoogte moeten brengen van de reden van haar plotselinge afwezigheid. Warande had de verstrekkende consequenties van een non-actiefstelling onder ogen moeten zien, alvorens daartoe over te gaan. Daarnaast moet Warande worden aangerekend dat zij de Commissie van Advies en Bemiddeling in een zeer laat stadium heeft ingeschakeld, namelijk nadat zij haar besluit om afscheid te nemen van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] had genomen, zij [verwerende partij, tevens verzoekende partij] op non-actief had gesteld, zij de OR en de CCR om advies had gevraagd over het voorgenomen afscheid van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] en zij het aanstaande vertrek van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] kenbaar had gemaakt binnen de organisatie. Feitelijk was er op dat moment al geen weg meer terug. De bescherming die artikel 14 van de arbeidsovereenkomst [verwerende partij, tevens verzoekende partij] zou moeten bieden heeft Warande haar ontnomen. Warande heeft overhaast en onvoldoende doordacht gehandeld en heeft zich de belangen van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] onvoldoende aangetrokken.

5.12.

[verwerende partij, tevens verzoekende partij] verwijt Warande ook dat zij niet met haar in gesprek heeft willen gaan over de gestelde vertrouwensbreuk. Warande heeft in dit verband aangevoerd dat zij [verwerende partij, tevens verzoekende partij] niet bij machte heeft geacht om de noodzakelijke veranderingen bij Warande door te voeren. Er stonden grote projecten op stapel (vastgoed en organisatorische veranderingen). Diverse malen was de Raad van Toezicht gebleken dat [verwerende partij, tevens verzoekende partij] geen reëel beeld van de werkelijkheid had. Binnen de Raad van Toezicht was er geen vertrouwen in dat een gesprek met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] nog nut zou hebben. Als er onvoldoende herkenning is van de problematiek en van de urgentie daarvan, dan staat iemand ook niet open voor de wezenlijke veranderingen die wel noodzakelijk werden geacht. Daarbij gaat het niet om “zomaar” een werknemer, maar om de werknemer met de hoogste positie binnen een organisatie, zo stelt Warande.

5.13.

De kantonrechter is van oordeel dat Warande, als goed werkgever, in elk geval tijdig met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] in gesprek had moeten gaan over de twijfels die kennelijk al langere tijd bij haar leefden over het functioneren van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] . Warande heeft kunnen begrijpen en had ook behoren te begrijpen dat [verwerende partij, tevens verzoekende partij] door het voornemen tot ontslag volledig werd overvallen. Eind december 2016 had nog een functioneringsgesprek plaatsgevonden, waarin de Raad van Toezicht de twijfels die zij toen blijkbaar al had over de geschiktheid van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] , niet heeft uitgesproken. [verwerende partij, tevens verzoekende partij] was niet op de hoogte van de verontrustende signalen die Warande nadien hebben bereikt en die volgens Warande aanleiding waren om te besluiten tot ontslag. Het betrof namelijk een gesprek tussen de Raad van Toezicht en [F] (Waardigheid en Trots), een gesprek tussen de Raad van Toezicht en [G] (de 100-dagen gesprekken) en een gesprek tussen de Raad van Toezicht en een vestigingsmanager ( [D] ). Tezamen met de aankondiging van IGZ dat een dwangsom zal worden opgelegd (hetgeen op 14 april 2017 ook is gebeurd) hebben deze gebeurtenissen volgens Warande geleid tot het voornemen de arbeidsovereenkomst met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] te beëindigen. Ten onrechte meent Warande dus dat zij niet verplicht was om met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] in gesprek te gaan, omdat zij het vertrouwen in [verwerende partij, tevens verzoekende partij] was verloren, zij herstel niet mogelijk achtte en een verbetertraject gelet op de positie van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] niet in de rede lag. Het aangaan van het gesprek in een dergelijke situatie is een kwestie van fatsoen en goed werkgeverschap. Warande had [verwerende partij, tevens verzoekende partij] niet alleen veel eerder op de hoogte moeten brengen van de onvrede over haar functioneren en de twijfels over haar geschiktheid, maar zij had [verwerende partij, tevens verzoekende partij] ook eerder, namelijk vóór zij tot ontslag en non-actiefstelling besloot, de gelegenheid moeten geven om te reageren op de betreffende “verontrustende signalen” die volgens Warande tot de vertrouwensbreuk hebben geleid. Het heeft er in elk geval de schijn van dat Warande, zoals [verwerende partij, tevens verzoekende partij] heeft aangevoerd, op een gegeven moment niet meer “met haar”, maar vooral “om haar heen” heeft gepraat.

5.14.

De kantonrechter concludeert uit het hiervoor onder 5.11 t/m 5.13 overwogene dat Warande ten opzichte van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Bij het bepalen van de datum waartegen de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wordt de duur van deze procedure daarom niet in mindering gebracht, conform het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 sub a BW. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden per 1 mei 2018, dat is de datum waartegen de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, met inachtneming van de geldende opzegtermijn van 6 maanden.

5.15.

De kantonrechter ziet in de gegeven omstandigheden aanleiding om aan [verwerende partij, tevens verzoekende partij] een billijke vergoeding toe te kennen (artikel 7:671b lid 9 aanhef en onder sub b BW). Bij de bepaling van de hoogte daarvan moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Naast de ernst van het verwijt dat Warande treft moet naar het oordeel van de kantonrechter ook meewegen dat de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) op de arbeidsrelatie van toepassing is. Die wet maximeert de salarissen en ontslagvergoedingen die werkgevers en topfunctionarissen van instellingen met een publieke taak kunnen overeenkomen, omdat het publiek geld betreft dat primair aangewend dient te worden voor de publieke taak, in dit geval de zorg. De kantonrechter is weliswaar niet gebonden aan de in de WNT opgenomen maximering, maar dat neemt niet weg dat het doel en de strekking van die wet wel als relevante omstandigheid in de overwegingen wordt betrokken.

Voorts overweegt de kantonrechter dat weinig aannemelijk is dat [verwerende partij, tevens verzoekende partij] – zoals zij heeft aangevoerd – tot aan haar pensionering zou zijn aangebleven als Warande zich jegens haar wel als goed werkgever had opgesteld. Vast staat immers dat Warande al sinds 2014 onder verscherpt toezicht van de IGZ stond en dat Warande onder leiding van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] niet in staat is gebleken de door de IGZ geconstateerde tekortkomingen tijdig te verhelpen en de kwaliteit van de zorg vervolgens, op alle locaties, op peil te houden. Daarnaast zijn met grote regelmaat vestigingsmanagers bij Warande vertrokken, uit onvrede over het bestuur. [verwerende partij, tevens verzoekende partij] kan dit alles in redelijkheid niet afschuiven op [G] , die pas in een laat stadium is aangetreden, op het moment dat Warande voor de tweede maal onder verscherpt toezicht van de IGZ kwam. Het standpunt van Warande dat [verwerende partij, tevens verzoekende partij] de omvang, aard en ernst van de problemen binnen Warande onvoldoende heeft onderkend en dat zij in januari 2017 nog steeds geen reëel beeld van de situatie had acht de kantonrechter niet ongegrond, met name gelet op de overgelegde verslagen van de 100-dagen gesprekken die de Raad van Toezicht met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] en [G] afzonderlijk heeft gevoerd. Feit is dat er sinds 2014 serieuze problemen waren binnen Warande, die [verwerende partij, tevens verzoekende partij] niet althans onvoldoende heeft weten op te lossen.

[verwerende partij, tevens verzoekende partij] heeft tegen de non-actiefstelling geprotesteerd en zij heeft aangeboden de overeengekomen werkzaamheden te hervatten. Het loon dat is doorbetaald gedurende de periode vanaf de non-actiefstelling tot de datum van deze uitspraak, dat is een periode van (ruim) 6 maanden, kan geen rol spelen bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding. Wel wordt in aanmerking genomen dat tussen partijen een lange opzegtermijn geldt van 6 maanden. Nu sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Warande kan de duur van deze procedure niet in mindering strekken op die opzegtermijn, met als gevolg dat de arbeidsovereenkomst niet eerder dan per 1 mei 2018 kan worden ontbonden (artikel 7:671b lid 8 BW). Dit komt neer op een periode van nog eens (ruim) 6 maanden, waarin [verwerende partij, tevens verzoekende partij] recht behoudt op het overeengekomen loon, zonder dat daar nog werkzaamheden tegenover staan.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen zal de billijke vergoeding worden bepaald op € 50.000,00 bruto. Warande krijgt tot uiterlijk 31 oktober 2017 de gelegenheid om het ontbindingsverzoek in te trekken (artikel 7:686a lid 6 BW).

5.16.

[verwerende partij, tevens verzoekende partij] vraagt vergoeding van gemaakte kosten van rechtsbijstand (in en buiten rechte), ten bedrage van € 7.000,00. [verwerende partij, tevens verzoekende partij] heeft dit bedrag niet onderbouwd en Warande voert daartegen verweer. Dit deel van het verzoek zal daarom worden afgewezen.

De proceskosten worden, gelet op de aard van de rechtsverhouding, gecompenseerd in die zin, dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

Als Warande het ontbindingsverzoek tijdig intrekt, wordt zij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] , tot de datum van deze uitspraak begroot op € 78,00 vastrecht en € 800,00 salaris gemachtigde. De kantonrechter ziet geen aanleiding bij de bepaling van het salaris gemachtigde af te wijken van het gebruikelijke liquidatietarief.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

stelt Warande in de gelegenheid uiterlijk 31 oktober 2017 het verzoek in te trekken;

en voor het geval het verzoek niet tijdig wordt ingetrokken:

6.2.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 mei 2018;

6.3.

veroordeelt Warande om aan [verwerende partij, tevens verzoekende partij] bij het einde van het dienstverband een transitievergoeding van € 153.996,00 bruto te betalen;

6.4.

veroordeelt Warande om aan [verwerende partij, tevens verzoekende partij] bij het einde van het dienstverband een billijke vergoeding van € 50.000,00 bruto te betalen;

6.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.6.

wijst af het meer of anders verzochte;

6.7.

compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen;

en voor het geval het verzoek tijdig wordt ingetrokken:

6.8.

veroordeelt Warande in de proceskosten aan de zijde van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] , tot deze beschikking begroot op € 878,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Wallis, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2017.