Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5464

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
23-11-2017
Zaaknummer
C/16/431272 / HL ZA 17-34
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art 5:79 BW: rechtbank heft erfdienstbaarheid (van overpad: uitweg vanuit achtertuin naar openbare weg) op, n.a.v. ontstaan redelijk alternatief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C16/431272 /HL ZA 17-34

Vonnis van 15 november 2017

in de zaak van

1 [eiser sub 1]

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. A.G.P. van der Baan te Almere,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. O.F.X. Roozemond te Hilversum.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 26 april 2017

  • -

    het proces-verbaal van de descente en de comparitie van 2 oktober 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[eiser sub 1] c.s. is eigenaar en bewoner van een perceel grond met woning aan de [adres] te [woonplaats] . Dit perceel wordt hierna aangeduid als perceel- [eiser sub 1] . [gedaagde] is eigenaar en bewoner van een perceel grond met woning aan de [adres] te [woonplaats] . Dat perceel wordt hierna aangeduid als perceel- [gedaagde] . Deze beide percelen en woningen maken deel uit van een rij van zes aaneengesloten percelen en woningen en worden van elkaar gescheiden door één tussenliggend perceel met woning, van de heer [A] , die aan de [adres] te [woonplaats] woont. Zijn perceel wordt hierna aangeduid als perceel- [A] . Perceel- [eiser sub 1] ligt, vanaf de [straatnaam] gezien, aan de rechterzijde van het huizenblok, links daarvan ligt perceel- [A] en links daarvan ligt perceel- [gedaagde] . Perceel- [A] en perceel- [gedaagde] bestaan uit een over de volle breedte van die percelen gebouwd woonhuis, waarvoor (vanaf de [straatnaam] gezien) een kleine voortuin en waarachter een ruime achtertuin is gelegen. Perceel- [eiser sub 1] is op gelijke wijze ingericht, maar de woning op dat perceel beslaat niet de volle breedte van het perceel. Vanaf de [straatnaam] gezien omvat het perceel een rechts naast de woning gelegen strook grond waarover [eiser sub 1] c.s. zijn achtertuin kan bereiken.

2.2

In 1921 is ten dienste van perceel- [gedaagde] en ten laste van perceel- [A] en perceel- [eiser sub 1] een erfdienstbaarheid gevestigd, in de woorden van de toenmalige notariële akte “een erfdienstbaarheid van weg om te komen en te gaan naar den [straatnaam] op den bestaanden voet”. Deze erfdienstbaarheid is, wat de voor dit geding relevante periode betreft, steeds aldus (door [gedaagde] en zijn rechtsvoorgangers) uitgeoefend, dat er direct van de achterzijde van zijn woning een haaks op de lengterichting van die woning gelegen pad naar het perceel- [A] loopt, dat in dezelfde richting doorloopt over perceel- [eiser sub 1] , tot aan de strook grond naast de woning van [eiser sub 1] c.s.. [gedaagde] en zijn rechtsvoorgangers konden en kunnen aldus over dat pad en die strook grond lopend de [straatnaam] bereiken. Dat pad loopt, behalve direct langs de achterzijde van de woning van [gedaagde] zelf, ook direct langs de achterzijde van de woningen van [eiser sub 1] c.s. en [A] . Wat de woning van [eiser sub 1] c.s. betreft, gaat het daarbij om zijn keuken en het eetgedeelte van zijn naastgelegen woonkamer. Vanaf het pad bestaat er vrij zicht in de keuken en dat eetgedeelte, door de daar aanwezige ramen. Ten behoeve van het pad is in de erfafscheiding tussen perceel- [gedaagde] en perceel- [A] , alsook in die tussen perceel- [A] en perceel- [eiser sub 1] een doorgang gemaakt.

2.3

Ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid en nadien was het niet mogelijk voor de eigenaren van perceel- [A] en perceel- [gedaagde] om op andere wijze vanuit hun achtertuin naar de openbare weg te lopen. Het achter die percelen gelegen terrein was in eigendom van de gemeente Hilversum en niet toegankelijk, omdat daarop door de gemeente Hilversum loodsen waren geplaatst.

2.4

In 2015 heeft de gemeente Hilversum het bedoelde achterliggende terrein heringericht. De loodsen zijn afgebroken en de vrijgekomen grond is aan de eigenaren van de omliggende percelen verkocht. Daarbij heeft zij aan elk van de eigenaren van de percelen aan de [straatnaam] , waaronder de percelen van het huizenblok van [gedaagde] , [A] en [eiser sub 1] c.s., een stuk grond te koop aangeboden, telkens ter breedte van hun perceel en aangrenzend gelegen aan de achterzijde van dat perceel. Van dat aanbod is gebruik gemaakt, waardoor de achtertuinen van [gedaagde] , [A] en [eiser sub 1] c.s. zijn verdiept. Het aan [eiser sub 1] c.s. verkochte extra stuk grond heeft een omvang van 50 m2. De aan [gedaagde] en [A] verkochte extra stukken grond zijn (omdat hun percelen iets smaller zijn dan dat van [eiser sub 1] c.s.) iets kleiner van omvang. De mate van verdieping van elk van de bedoelde achtertuinen is wel gelijk. Behalve aan de eigenaren van de percelen aan de [straatnaam] zijn op gelijke wijze ook stukken extra grond aangeboden aan de eigenaren van de percelen die daarachter liggen, aan de ‘overzijde’ van het terrein waarop de loodsen stonden.

2.5

Tot de verkoop van de stukken extra grond behoorde de door de gemeente Hilversum bedongen voorwaarde dat aan de achterzijde van elk stuk extra grond een strook grond (zo breed als het desbetreffende perceel en 75 centimeter diep) vrij bleef, opdat het samenstel van die stroken kon dienen als uitwegmogelijkheid (‘brandgang’) voor de desbetreffende rechthebbenden, te verzekeren doordat ten dienste en ten laste van de desbetreffende percelen erfdienstbaarheden van overpad werden gevestigd, “om te komen en te gaan naar de openbare weg, te weten de [straatnaam] te Hilversum”. Die voorwaarde is vervuld doordat alle desbetreffende dienstbaarheden eind 2015 zijn gevestigd. De brandgang is 1,5 meter breed. De [straatnaam] is een straat die haaks op de [straatnaam] loopt.

2.6

De hiervoor bedoelde ‘brandgang’ loopt aldus achter de percelen van onder meer [gedaagde] , [A] en [eiser sub 1] c.s. langs (en dus deels over hun vrijgebleven stroken grond) en loopt achter nog andere aldaar gelegen percelen grond naar de [straatnaam] te Hilversum. Alvorens de brandgang het trottoir van de [straatnaam] bereikt, bevindt zich daarop een poortvormige bebouwing. Tussen die poort en dat trottoir verbreedt zich de brandgang aanmerkelijk, tot een nagenoeg vierkant terrein, gelegen tussen de aan de [straatnaam] gelegen woningen. Dat verbrede stuk grond is voor de gebruikers van de brandgang toegankelijk en ruim genoeg voor een personenauto, om daar iets in of uit te laden. Ook is op dat stuk terrein ruimte om langs de muren van de bedoelde woningen kliko’s te plaatsen. Die kliko’s kunnen, waar de brandgang het trottoir van de [straatnaam] bereikt, op de vuilophaaldagen aldaar worden neergezet en worden op die plaats geleegd. Doordat de brandgang over nagenoeg de hele lengte ervan aan weerszijden wordt begrensd door (in of na 2015 gebouwde) schuren van de eigenaren van de desbetreffende percelen, bestaat er vanuit die brandgang niet of nauwelijks zicht op de tuinen van die percelen of op de aan die tuinen grenzende woningen. De woning van [eiser sub 1] c.s. en de plek waar de brandgang op de [straatnaam] uitmondt, bevinden zich enkele tientallen meters van de kruising waar de [straatnaam] en de [straatnaam] elkaar raken.

2.7

[gedaagde] heeft op de achterzijde van zijn extra stuk grond (met vrijlating van de bedoelde strook voor de brandgang) over de volle breedte van zijn perceel een schuur gebouwd, waarin hij twee deuren heeft aangebracht: één aan de tuinzijde en één aan de brandgangzijde. De afstand van perceel [gedaagde] naar de [straatnaam] (met gebruikmaking van de in 2015 gevestigde erfdienstbaarheden) is circa 1,5 maal zo lang als de afstand van perceel [gedaagde] naar de [straatnaam] (met gebruikmaking van de in 1921 gevestigde erfdienstbaarheid).

2.8

[A] heeft afstand gedaan van zijn recht van overpad over perceel- [eiser sub 1] , om uit te wegen naar de [straatnaam] . [eiser sub 1] c.s. heeft [gedaagde] gevraagd om ook zijnerzijds van zijn desbetreffende recht van overpad afstand te doen, maar dat heeft hij geweigerd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser sub 1] c.s. vordert - samengevat - dat de rechtbank, voor zoveel nodig uitvoerbaar bij voorraad:

1. de erfdienstbaarheid van overpad die in 1921 is gevestigd ten dienste van perceel- [gedaagde] en ten laste van perceel- [eiser sub 1] opheft,

2. voor recht verklaart dat [eiser sub 1] c.s. gerechtigd is om een erfscheiding te plaatsen over de gehele lengte van zijn perceel en aldus de bestaande doorgang vanaf het perceel- [gedaagde] af te sluiten,

3. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover na de vonnisdatum en met nakosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

[eiser sub 1] c.s. baseert zijn vorderingen op de stelling dat [gedaagde] , sedert hij door de brandgang vanaf zijn perceel naar de [straatnaam] kan lopen, geen redelijk belang meer heeft bij de uitoefening van zijn erfdienstbaarheid om over het perceel- [eiser sub 1] naar de [straatnaam] te lopen, terwijl het niet aannemelijk is dat dat belang zal terugkeren, een en ander zoals omschreven in artikel 5:79 BW. Het bereiken van de openbare weg door [gedaagde] vanuit zijn achtertuin kan hij veel beter door de brandgang dan op grond van de in geding zijnde erfdienstbaarheid. Ook aan de [straatnaam] worden kliko’s geleegd, aldus [eiser sub 1] c.s., en [gedaagde] kan ook andere goederen zeer wel door de ruime brandgang vervoeren, zoals vrijwel alle omwonenden thans doen. Bovendien zal bij opheffing van de uitwegmogelijkheid naar de [straatnaam] [eiser sub 1] c.s. niet langer inbreuken op zijn privacy hebben te dulden, doordat het onder 2.2 omschreven pad pal langs zijn keuken en het eetgedeeelte van zijn woonkamer voert.

4.2

[gedaagde] verweert zich met de stelling dat de vestiging in 2015 van de erfdienstbaarheden waarmee hij naar de [straatnaam] kan lopen, zijn redelijk belang bij de erfdienstbaarheid om naar de [straatnaam] te kunnen lopen onverlet heeft gelaten. Dat belang is naar zijn zeggen gelegen in de mogelijkheid om over het onder 2.2 omschreven pad (op frequente basis) zijn kliko en (op incidentele basis) grote goederen vanuit zijn tuin van en naar de openbare weg te brengen. De nieuw gevestigde erfdienstbaarheden bieden weliswaar diezelfde mogelijkheid, maar daarbij betreft het een langere route en gaat het niet om de ‘eigen’ woonstraat van [gedaagde] . Hij is niet gehouden van dat alternatief gebruik te maken. Hij heeft het recht zijn eigendom te gebruiken zoals hem belieft en heeft er daarom voor mogen kiezen om op zijn stuk extra grond over de volle breedte een schuur te bouwen. Hij behoudt zich het recht voor om die schuur als studio of atelier in te richten en de achterwand ervan (door verwijdering van de daarin aanwezige deur) te dichten, waardoor de brandgang vanuit de schuur niet meer bereikt kan worden, aldus - telkens - [gedaagde] .

4.3

De rechtbank overweegt als volgt. Art. 5:79 BW bepaalt dat de rechter op vordering van de eigenaar van het dienende erf een erfdienstbaarheid kan opheffen indien de eigenaar van het heersende erf geen redelijk belang bij de uitoefening meer heeft en niet aannemelijk is dat het redelijk belang daarbij zal terugkeren. De daarbij geldende beoordelingsmaatstaf gaat uit van alleen het belang van de gerechtigde bij de uitoefening van zijn recht, wat betekent dat de belangen van de eigenaar van het dienende erf bij opheffing geen rol spelen, behoudens in het geval van misbruik van bevoegdheid (vergelijk HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736). Dat laat onverlet dat de vraag of [gedaagde] nog een redelijk belang heeft bij de uitoefening van de in geding zijnde erfdienstbaarheid, beantwoord moet worden tegen de achtergrond van de situatie zoals deze was ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid, het daaruit af te leiden doel ervan, de huidige situatie en de eventuele verschillen tussen de toenmalige en de huidige situatie, zoals bijvoorbeeld de tussentijds ontstane aanwezigheid van een redelijk alternatief voor het heersende erf.

4.4.

De situatie zoals die was ten tijde van de vestiging van de in geding zijnde erfdienstbaarheid, rechtvaardigt het uitgangspunt dat die erfdienstbaarheid weliswaar ten doel had de eigenaar van het (thans) aan [gedaagde] toebehorende perceel vanuit de achtertuin van dat perceel te kunnen laten lopen naar de openbare weg, maar dat er destijds geen keuzemogelijkheid bestond voor het daarbij te bepalen tracé, omdat de mogelijkheid om over de percelen die (thans) toebehoren aan [A] en [eiser sub 1] c.s. naar de [straatnaam] te lopen, de enige feitelijke mogelijkheid was. Het zwaartepunt bij de bepaling van het doel van die erfdienstbaarheid ligt daarom bij de omstandigheid dat het gaat om een uitwegmogelijkheid naar de openbare weg. Dat die openbare weg in feite de [straatnaam] betreft, is daarbij van ondergeschikt belang.

4.5

Dat doel kan thans op ten minste even adequate wijze worden bereikt door vanuit de achterzijde van [gedaagde] ’ perceel te lopen naar de openbare weg de [straatnaam] . Het pad van de brandgang is, naar de rechtbank tijdens de descente heeft waargenomen, zodanig breed dat daarover probleemloos kliko’s en andere (ook omvangrijke) goederen kunnen worden vervoerd naar de [straatnaam] . Bovendien biedt het verbrede gedeelte ervan (na de poortvormige bebouwing) extra mogelijkheden voor het in- en uitladen van goederen, welke mogelijkheden aan de [straatnaam] niet in die vorm bestaan. Ook is het mogelijk om op vuilophaaldagen kliko’s aan de [straatnaam] te plaatsen en daar te doen legen.

4.6

Dat [gedaagde] , zoals hij aanvoert, over de volle breedte van zijn perceel zijn nieuwe schuur heeft gebouwd en de daarin aanwezige deur naar de brandgang overweegt dicht te maken, telt hier niet in zijn voordeel. Bij de beantwoording van de vraag of er voor het heersende erf een redelijk alternatief bestaat, komt het immers aan op de mogelijkheden die dat erf ten dienste staan. De uitwegmogelijkheid naar de [straatnaam] is voor [gedaagde] gelegen in het feit dat zijn perceel aan de achterzijde over de volle breedte aan de brandgang grenst. Dat hij ervoor heeft gekozen die mogelijkheid feitelijk te beperken en dat hij die in de toekomst mogelijk nog verder wil beperken door de wijze waarop hij zijn schuur heeft gebouwd en gebruikt, doet aan de aanwezigheid van het redelijke alternatief niet af.

4.7

Voorts telt hier dat het voortbestaan van de brandgang en de daarmee samenhangende gebruiksmogelijkheden zijn verzekerd door de in 2015 gevestigde erfdienstbaarheden. De juridische status van dat gebruik doet daarom niet onder voor die van de uitwegmogelijkheid naar de [straatnaam] .

4.8

Daarnaast telt hier dat de brandgang geen andere gebruiksbestemming of gebruiksmogelijkheid heeft dan die van uitweg, terwijl het perceel van [eiser sub 1] c.s., ter plaatse van het onder 2.2 omschreven pad de functie van achtertuin heeft, met de daarin normaliter (door [eiser sub 1] c.s.) te ontplooien buitenactiviteiten. Omdat dat pad direct achter de woning van [eiser sub 1] c.s. loopt, doorkruist het noodgedwongen de looproutes van [eiser sub 1] c.s. bij diens buitenactiviteiten. Hoewel het hier aankomt op de weging van het belang van [gedaagde] bij de handhaving van de in geding zijnde erfdienstbaarheid en niet zozeer op de weging van het belang van [eiser sub 1] c.s. bij opheffing ervan, is de genoemde feitelijke situatie, binnen de context van het als buren samenleven in een dichtbebouwd stedelijk gebied, wel een element waaraan bij de toets van de redelijkheid van [gedaagde] ’ belang betekenis toekomt.

4.9

Niet relevant is [gedaagde] ’ stelling dat hij door de in geding zijnde erfdienstbaarheid de mogelijkheid heeft om grote goederen (zoals meubels of een brancard) via de achterdeur in zijn woning te brengen. Die erfdienstbaarheid strekt immers niet tot bescherming van dat belang en bovendien valt niet in te zien waarom dat belang niet kan worden gediend door gebruik te maken van de brandgang of door die goederen via de voordeur in de woning te brengen. De toegangsdeur aan de achterzijde van de woning is immers, naar tijdens de descente is gebleken, niet breder dan de voordeur van de woning.

4.10

Aan [gedaagde] moet worden toegegeven dat de route van zijn perceel, door de brandgang, naar de [straatnaam] langer is dan de route van zijn perceel naar de [straatnaam] met gebruikmaking van de in geding zijnde erfdienstbaarheid, maar dat is hier van beperkt gewicht. De eerstgenoemde route is immers slechts circa 15 meter langer dan de laatstgenoemde route.

4.11

Dit alles bijeen genomen leidt de rechtbank tot de slotsom dat [gedaagde] sedert 2015 geen redelijk belang meer heeft bij de in geding zijnde erfdienstbaarheid, dat niet aannemelijk is dat dat belang zal terugkeren en dat het verzoek tot opheffing van de erfdienstbaarheid moet worden toegewezen. De rechtbank ziet geen grond om (ambtshalve) aan de opheffing voorwaarden, zoals een schadeloosstelling, te verbinden. Uit de opheffing van de erfdienstbaarheid volgt reeds dat [eiser sub 1] c.s. gerechtigd is om de doorgang in zijn erfafscheiding, daar aangebracht ten behoeve van [gedaagde] ’ erfdienstbaarheid, te dichten.

4.12

[gedaagde] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de gedingkosten te worden veroordeeld, aan de zijde van [eiser sub 1] c.s. tot op heden begroot op:

- vast recht € 287,00

- explootkosten € 99,19

- salaris advocaat € 904,00 (2 punten ad € 452,00 per punt)

€ 1.290,19.

De gevorderde nakosten en de wettelijke rente over de gedingkosten worden toegewezen als na te melden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1

heft op de erfdienstbaarheid van weg, ten dienste van perceel- [gedaagde] (kadastraal bekend [woonplaats] [letter- en nummeraanduiding] ) en ten laste van perceel- [eiser sub 1] (kadastraal bekend [woonplaats] [letter- en nummeraanduiding] ) om te komen en te gaan naar de [straatnaam] op de bestaande voet,

5.2

verklaart voor recht dat [eiser sub 1] c.s. gerechtigd is om een erfafscheiding te plaatsen over de gehele lengte van zijn perceel en aldus de bestaande doorgang vanaf perceel- [gedaagde] af te sluiten,

5.3

veroordeelt [gedaagde] in de gedingskosten, tot op heden aan de zijde van [eiser sub 1] c.s. begroot op € 1.290,19, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis,

5.4

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser sub 1] c.s. volledig aan de kostenveroordeling sub 5.3 voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente daar over met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening,

5.4.

verklaart het onder 5.1, 5.3 en 5.4 gegeven oordeel uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2017.1

1 type: RS coll: JvdB