Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:530

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-02-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
5624083 UV EXPL 17-3
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afgifte hond; eigendom betwist

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2017/136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 5624083 UV EXPL 17-3 YT/1301

Kort geding vonnis van 1 februari 2017

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. K.G.O. Afriyieh,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. C.M. Sent.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding van 9 januari 2017 met producties 1 tot en met 5,

– akte houdende voorwaardelijke eis in reconventie, tevens overlegging producties, van [gedaagde] , met producties 1 tot en met 9,

– de mondelinge behandeling op 17 januari 2017,

– de pleitaantekeningen van [eiseres] ,

– de pleitnotitie van [gedaagde] ,

– de ter zitting overgelegde verklaring van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

[eiseres] heeft enige jaren een relatie gehad met de zoon van [gedaagde] , [A] (hierna: [A] ). Zij woonden toen samen.

2.2.

Tijdens deze relatie heeft [eiseres] dan wel [A] een hond gekocht van het ras Chihuahua, geboren op [2013] , met de naam [naam hond] .

2.3.

In juni 2016 heeft [eiseres] de relatie met [A] verbroken en heeft zij de woning verlaten. [naam hond] is bij [A] gebleven.

2.4.

[A] zit thans als verdachte in een strafzaak in voorlopige hechtenis. [naam hond] is in huis bij [gedaagde] , waar hij door haar wordt verzorgd. [gedaagde] heeft ook in de afgelopen jaren regelmatig voor kortere of langere tijd voor [naam hond] gezorgd. [naam hond] was toen ook bij [gedaagde] in huis.

2.5.

[eiseres] is getuige in de genoemde strafzaak van [A] en wordt daarin bijgestaan door een andere advocaat dan haar advocaat in dit kort geding. Bij brief van 26 september 2016 aan [gedaagde] heeft de eerstgenoemde advocaat namens [eiseres] meegedeeld – kort weergegeven – dat [eiseres] als eigenaresse van [naam hond] aanspraak maakt op afgifte van [naam hond] en zij heeft [gedaagde] daarbij gesommeerd om daarvoor een afspraak te maken.

2.6.

[gedaagde] heeft op deze sommatie niet gereageerd.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat –:

primair [gedaagde] te veroordelen om binnen een bepaalde termijn de levende hond [naam hond] af te geven en mee te werken aan overdracht van de levende hond [naam hond] op het kantoor van de raadsman van [eiseres] in [woonplaats] , op straffe van verbeurte van een dwangsom;

subsidiair de hond [naam hond] voorlopig aan haar, [eiseres] , toe te wijzen;

met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding in conventie.

3.2.

[gedaagde] voert verweer, waarover verder hierna.

4 Het geschil in (voorwaardelijke) reconventie

4.1.

Voorwaardelijk, te weten voor het geval dat volgens het oordeel in conventie [eiseres] de rechtmatige eigenaar van de hond [naam hond] is, vordert [gedaagde] dat [eiseres] , voordat de hond [naam hond] wordt overgedragen, een bedrag van € 207,44 zal betalen voor zorgkosten die zij, [gedaagde] , voor [naam hond] heeft gemaakt.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

[gedaagde] voert allereerst als formeel verweer aan dat het spoedeisende belang van [eiseres] bij haar vordering onvoldoende duidelijk is. Naar zij stelt, is er in de gegeven situatie voldoende tijd voor een bodemprocedure, en dat is volgens haar te meer van belang omdat het door [eiseres] gestelde eigendomsrecht niet evident is.

5.2.

Dit verweer kan niet worden aanvaard. Anders dan [gedaagde] stelt, kan niet op voorhand reeds worden aangenomen dat het door [eiseres] gestelde eigendomsrecht niet evident is, nu dit immers het inhoudelijke geschil van partijen betreft. Duidelijk is dat ook niet op voorhand kan worden aangenomen dat het door [eiseres] gestelde eigendomsrecht wél evident is, maar nu dat de grond is waarop [eiseres] haar vordering instelt, heeft zij haar spoedeisende belang daarbij voldoende onderbouwd, aangezien geen eigenaar behoeft te dulden dat hem of haar de beschikking over het voorwerp van de eigendom wordt onthouden. In geval van bijzondere omstandigheden kan dit anders zijn, maar ook hiervoor geldt dat een dergelijke bijzondere situatie niet op voorhand kan worden aangenomen, omdat dit afhangt van een inhoudelijke beoordeling.

5.3.

De inhoudelijke beoordeling van het geschil kan dus aan de orde komen.

5.4.

De kantonrechter stelt daarbij voorop dat het in dit geding gaat om een voorlopige voorziening die er, primair, toe strekt dat [naam hond] door [gedaagde] wordt afgestaan en aan [eiseres] wordt overgedragen. [eiseres] legt daaraan ten grondslag dat zij de eigenaar van [naam hond] is, maar [gedaagde] stelt daartegenover dat de eigendom van [naam hond] toekomt aan haar zoon, [A] , voor wie zij de hond thans verzorgt nu [A] in voorlopige hechtenis zit. Het gaat hier dus om een ver strekkend recht: volgens artikel 5:1 Burgerlijk Wetboek (BW) is eigendom het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben. Volgens artikel 3:2a BW zijn dieren weliswaar geen zaken, maar zijn de bepalingen betreffende zaken wel op hen van toepassing, met inachtneming van nader omschreven beperkingen, die hier buiten beschouwing kunnen blijven. Daarbij komt dat het in dit geval gaat om een hond, een levend gezelschapsdier, waarvan beide partijen – en [gedaagde] mede voor haar zoon [A] – zeggen dat zij zeer op hem gesteld zijn en dat hij veel voor hen betekent. Onder deze omstandigheden is toewijzing van de primair gevorderde overdracht van de hond zodanig vér strekkend dat het dan in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat volgens het eventuele oordeel van de bodemrechter [eiseres] als eigenaar van de hond moet gelden en dat op die grond de hond aan haar moet worden overgedragen. Voor het antwoord op de vraag of aan deze eis is voldaan, is het volgende van belang.

5.5.

[eiseres] stelt dat zij de eigenaar is van [naam hond] en zij stelt daartoe dat zij zelf de hond destijds heeft gekocht. Haar eigendom blijkt volgens haar ook uit de door haar overgelegde stukken, met name (i) een registratie op de website [website] waar [naam hond] op haar naam staat geregistreerd, (ii) e-mailberichten van [A] , waarin hij onder meer schrijft dat [naam hond] “haar hondje” is, (iii) een foto van haar, [eiseres] , met [naam hond] , en (iv) de onder 2.5 genoemde brief van haar raadsvrouwe, waarin deze vermeldt dat zij, [eiseres] , [naam hond] destijds via Marktplaats voor € 800,00 heeft gekocht van een met naam genoemde persoon.

5.6.

[gedaagde] betwist allereerst dat de door [eiseres] genoemde registratie op de website als bewijs van eigendom kan gelden. Verder stelt zij dat naar Nederlands recht een bezitter van een zaak geacht wordt de rechthebbende ofwel de eigenaar te zijn, hetgeen ook van toepassing is op dieren. In dit geval moet volgens haar [A] als bezitter en daarmee als rechthebbende ofwel eigenaar gelden. Zij stelt daartoe nader dat het [A] was die destijds [naam hond] voor [eiseres] heeft gekocht en zij wijst erop dat hij dat ook vermeldt in één van de door [eiseres] overgelegde e-mailberichten. Zij wijst verder op enige door haar, [gedaagde] , overgelegde stukken waaruit volgens haar de eigendom, althans het bezit, van [A] blijkt, met name (i) een 'Europees Paspoort voor Gezelschapsdieren' op naam van [A] , (ii) een overzicht van behandelingen van [naam hond] bij de [dierenkliniek], ook op naam van [A] , en (iii) een e-mailbericht van 12 september 2016 van [eiseres] aan haar, [gedaagde] , waarin [eiseres] vraagt naar spullen van haar die na haar vertrek zijn achtergebleven in het huis van [gedaagde] en die zij stelt zelf met haar eigen geld te hebben gekocht, maar waarin zij over [naam hond] niets vermeldt.

5.7.

De kantonrechter overweegt het volgende.

5.8.

Anders dan [eiseres] stelt, kan uit de door haar overgelegde stukken niet haar eigendom van [naam hond] worden afgeleid. De registratie op de genoemde website is daartoe onvoldoende nu [gedaagde] daartegenover onweersproken heeft gesteld dat een ieder op die website ongecontroleerd een dergelijke registratie van een dier kan plaatsen. Voor de genoemde e-mailberichten van [A] geldt dat hij daarin ook schrijft dat hijzelf [naam hond] heeft gekocht. Voor zover [eiseres] daartegenover stelt dat [A] van haar, [eiseres] 's, geld [naam hond] heeft gekocht omdat hij zelf geen geld had, kan dit zonder nader onderzoek – waarvoor in dit kort geding geen plaats is – niet worden nagegaan. Hetzelfde geldt voor de genoemde vermelding van de koop via Marktplaats, nu daaruit immers niet blijkt van wiens geld [naam hond] is gekocht. Duidelijk is dat enkel de foto niets zegt over het bezit of de eigendom van [naam hond] .

5.9.

Anderzijds geldt ook voor [A] dat de stukken die [gedaagde] ten behoeve van hem heeft overgelegd, onvoldoende zijn om daaruit zijn bezit dan wel eigendom van [naam hond] te kunnen afleiden. Voor het genoemde Paspoort voor Gezelschapsdieren geldt dat [eiseres] daartegenover onweersproken heeft gesteld dat bij het verlenen van een dergelijk Paspoort niet wordt gecontroleerd of de aanvrager daadwerkelijk de bezitter of eigenaar is. Bovendien blijkt uit de vermelde data van vaccinaties dat dit paspoort dateert uit 2013, toen [A] en [eiseres] nog samenwoonden en zij dus samen [naam hond] in bezit hadden. Ook de genoemde lijst van behandelingen bij de Dierenkliniek betreft voor een groot deel de tijd dat [A] en [eiseres] nog samenwoonden, zodat in het enkele feit dat dit dossier op naam van [A] staat, geen aanwijzing kan liggen dat hij, met uitsluiting van [eiseres] , de bezitter of eigenaar van [naam hond] was en is. Het genoemde e-mailbericht van [eiseres] vormt wel een aanwijzing dat zij in die tijd geen aanspraak maakte op [naam hond] , maar deze enkele aanwijzing is onvoldoende om aan te nemen dat het bezit of de eigendom van [naam hond] alleen bij [A] lag of naar hem is overgegaan.

5.10.

Uit het voorgaande volgt dat in de overgelegde stukken geen grond ligt om in deze procedure aan te nemen dat het bezit of de eigendom van [naam hond] aan [eiseres] of aan [A] toekomt.

5.11.

Er zijn ook geen andere feiten of omstandigheden die aannemelijk maken dat dit bezit of die eigendom aan de een of aan de ander toekomt. Voor zover [eiseres] nog heeft gesteld dat uit ervaring is gebleken dat verdachten zoals [A] wel vaker maatregelen nemen, zoals het wegnemen van een huisdier, om op die wijze hun slachtoffer, in dit geval [eiseres] , te dwingen met hen in contact te blijven, kan dit op zich zelf niet worden uitgesloten, maar [eiseres] gaat er daarbij van uit dat zij de eigenaar van [naam hond] is en dat is volgens het hiervoor gegeven oordeel niet of onvoldoende aannemelijk geworden. Bovendien is onvoldoende aannemelijk dat [A] , zoals [eiseres] stelt, de hond bij haar heeft weggehaald, nu (i) [A] in zijn e-mailberichten herhaaldelijk spreekt over de “spullen en [naam hond] ” die [eiseres] bij haar vertrek uit de woning heeft achtergelaten en (ii) [eiseres] niets heeft gesteld of overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat [naam hond] later alsnog bij haar is gekomen en daar dan door [A] bij haar zou zijn weggehaald. Voor zover, anderzijds, [gedaagde] in het kader van bezit/eigendom heeft gewezen op het feit dat [A] zowel na het vertrek van [eiseres] in juni 2016 als in de jaren daarvoor, sinds de geboorte van [naam hond] , een groot deel van de tijd voor [naam hond] heeft gezorgd en hem bij zich had, ligt ook daarin geen omstandigheid waaruit het bezit van [A] , met uitsluiting van [eiseres] , kan worden afgeleid. [A] en [eiseres] woonden tot aan het vertrek van [eiseres] in juni 2016 immers nog samen en desgevraagd heeft [gedaagde] ter zitting verklaard dat [A] toen geen werk had.

5.12.

Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat niet in de vereiste hoge mate waarschijnlijk is dat volgens het eventuele oordeel van de bodemrechter [eiseres] als eigenaar van [naam hond] moet gelden, zodat niet is voldaan aan de onder 5.4 genoemde eis en de primair gevorderde overdracht van [naam hond] dan niet toewijsbaar is.

5.13.

Aan de orde komt dan de subsidiaire vordering, die inhoudt – zoals hiervoor onder 3.1 vermeld – dat [naam hond] voorlopig aan haar, [eiseres] , wordt overgedragen. Naar zij stelt, zal [A] mogelijk jaren in de gevangenis moeten verblijven en dan dus niet voor [naam hond] kunnen zorgen. Aan [gedaagde] komt in elk geval het eigendomsrecht niet toe. Het is dan volgens haar van belang dat [naam hond] voorlopig bij haar, [eiseres] , blijft. In een eventuele bodemprocedure kan dan beoordeeld worden of het eigendomsrecht aan haar of aan [A] toekomt, aldus [eiseres] .

5.14.

[gedaagde] voert daartegen aan dat het niet in het belang van [naam hond] is om het dier nu ergens anders onder te brengen. Naar zij stelt, wordt hij nu goed verzorgd en dat zal mogelijk niet het geval zijn als [naam hond] bij [eiseres] verblijft, gelet op wat zij, [gedaagde] , de afgelopen jaren van de verzorging door [eiseres] gezien heeft. [eiseres] betwist dat zij niet goed voor de hond kan zorgen.

5.15.

De kantonrechter overweegt op dit punt dat in het kader van een belangenafweging ook het belang van [naam hond] , een levend huisdier dat van verzorging afhankelijk is, moet meewegen. Naar [gedaagde] stelt, wordt [naam hond] bij haar goed verzorgd en heeft hij het daar naar zijn zin, en [eiseres] heeft dit niet weersproken. Bij een voorlopige toewijzing aan [eiseres] bestaat het risico dat [naam hond] later weer terug moet verhuizen, als de bodemrechter zal oordelen dat het bezit/de eigendom aan [A] toekomt. Dit kan niet in het belang van [naam hond] worden geacht. Daarbij komt dat [eiseres] zelf ter zitting heeft verklaard dat zij niet voor [naam hond] kan zorgen wanneer zij moet werken, en zij heeft niets gesteld waaruit zou kunnen blijken dat zij voor die situatie een goede oplossing heeft.

5.16.

Onder deze omstandigheden moet het belang van [naam hond] om, in afwachting van het oordeel van de bodemrechter, rustig en goed verzorgd te blijven waar hij is, zwaarder wegen dan het belang van [eiseres] om nu reeds, vooruitlopend op dat oordeel van de bodemrechter, [naam hond] tot haar beschikking te krijgen.

5.17.

De gevorderde voorlopige toewijzing van [naam hond] aan [eiseres] zal om die reden worden afgewezen.

5.18.

Nu uit het voorgaande volgt dat de gehele vordering van [eiseres] zal worden afgewezen, zal zij als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding in conventie. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 600,00 voor salaris gemachtigde.

6 De beoordeling in (voorwaardelijke) reconventie

6.1.

De vordering is ingesteld voor het geval dat [eiseres] volgens het oordeel in conventie de rechtmatige eigenaar van [naam hond] is. Nu uit het oordeel in conventie blijkt dat dit geval zich niet voordoet, behoeft de reconventionele vordering geen bespreking meer.

7 De beslissing

De kantonrechter

in conventie:

7.1.

wijst de vorderingen af;

7.2.

veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding in conventie, tot aan de datum van dit vonnis aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 600,00;

7.3.

veroordeelt [eiseres] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [gedaagde] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;

7.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. van Binsbergen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2017.