Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5176

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
UTR 17/62
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft in het jaar 2013 een pgb ontvangen. Verweerder heeft bij besluit van 4 maart 2015 het pgb ingetrokken en teruggevorderd omdat eiseres zich niet aan de administratieve verplichtingen heeft gehouden.

Eiseres stelt dat haar dochter fraude heeft gepleegd door namens haar een pgb aan te vragen waar eiseres niets vanaf wist. Zij heeft nooit een pgb willen aanvragen en de handtekening op de aanvraag is niet van haar. Het geld is op een rekening gestort waar eiseres niets vanaf wist en zij heeft dan ook nooit enig voordeel gehad. Verweerder had, volgens eiseres, de aanvraag beter moeten beoordelen en moeten afwijzen omdat er signalen van fraude waren.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de handtekening op de aanvraag niet significant afwijkt van die op het rijbewijs. Het komt vaker voor dat budgethouders worden vertegenwoordigd door een gemachtigde en gebruik wordt gemaakt van een postadres. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om op voorhand aan te nemen dat de dochter van eiseres fraude pleegde. Het pgb is aangevraagd op naam van eiseres, zij was budgethouder. De budgethouder blijft te allen tijde verantwoordelijk voor de besteding van het pgb. Dat haar dochter fraude heeft gepleegd doet niet af aan het feit dat eiseres geld heeft ontvangen waarop zij geen recht op had. Op geen enkele wijze is gebleken dat dit te wijten is aan handelen van verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/62

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Rotgans),

en

Zilveren Kruis Zorgkantoor, verweerder

(gemachtigde: mr. O.E. Emerenciana).

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het persoonsgebonden budget (pgb) van eiseres over de periode van 31 januari 2013 tot en met 9 oktober 2013 vastgesteld op € 0,00 en een bedrag van € 6.624,92 teruggevorderd.

Bij besluit van 25 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2017. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Het onderzoek ter zitting is geschorst. Verweerder heeft aanvullende stukken toegestuurd op 13 juni 2017. Eiseres heeft op 30 juni 2017 inhoudelijk gereageerd op de aanvullende stukken.

Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven om de zaken zonder nadere zitting af te doen. De rechtbank sluit het onderzoek.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiseres is geboren op [1928] . Zij ontving in de periode van 31 januari 2013 tot
9 oktober 2013 een pgb voor begeleiding individueel (klasse 1) en persoonlijke verzorging (klasse 3) op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

De dochter van eiseres, mevrouw [dochter] (hierna: de dochter) heeft namens eiseres een pgb aangevraagd. Het aanvraagformulier is ondertekend op 20 maart 2013. Bij besluit van 3 juli 2013 is door verweerder een pgb verleend aan eiseres. Per 9 oktober 2013 is het pgb beëindigd en omgezet in Zorg in Natura (ZIN).

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanvraag voor een pgb terecht is ingewilligd. Er was een indicatiebesluit en een aanvraag, ondertekend door eiseres, met een kopie van haar identiteitsbewijs. De aanvraag voldoet aan de gestelde eisen en er was geen afwijzingsgrond van toepassing, zoals in artikel 2.4.6 lid 1 sub o van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa). Er is echter geen AWBZ-verzekerde zorg ingekocht door eiseres, er is enkel mantelzorg verleend door twee andere dochters van eiseres. Daarnaast stelt verweerder dat eiseres zich niet heeft gehouden aan de administratieve verplichtingen die horen bij een pgb, zoals opgenomen in artikel 2.6.9 van de Rsa. Er zijn geen zorgovereenkomsten, facturen, urenbriefjes en bankafschriften, waarop betalingen aan de zorgverlener staan, overgelegd. Dat eiseres alle administratie uit handen heeft gegeven aan haar dochter maakt dit niet anders, zij blijft immers zelf verantwoordelijk. Tot slot overweegt verweerder dat er na de belangenafweging geen aanleiding is om af te zien van terugvordering.

Ontvankelijkheid bezwaar

3. Ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden, omdat eiseres te laat bezwaar heeft gemaakt. In het bestreden besluit staat dat het bezwaarschrift niet binnen de gestelde termijn is ontvangen, maar dat dit verschoonbaar is omdat het primaire besluit niet op het juiste adres is bezorgd. Ter zitting heeft verweerder dit standpunt gewijzigd omdat volgens verweerder uit de verzendadministratie blijkt dat het besluit op 4 maart 2015 wel is verzonden naar het juiste adres. Bij schrijven van 13 juni 2017 heeft verweerder de verzendadministratie overgelegd.

4. Het is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat indien de geadresseerde stelt dat hij een niet-aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, het in beginsel aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Verder dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de geadresseerde aannemelijk maakt dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen; voldoende is dat op grond van hetgeen hij aanvoert ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. De rechtbank wijst op de uitspraak van de CRvB van 14 september 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BT1759).

5. Vast staat dat het primaire besluit, dat is gedateerd op 4 maart 2015, niet per aangetekende post aan eiseres is verzonden. Nu eiseres de ontvangst van dit besluit heeft ontkend en het risico van een niet-aangetekende verzending volgens vaste rechtspraak van de CRvB bij de verzender ligt, moet worden bezien of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat het primaire besluit daadwerkelijk aan eiseres is verzonden. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hier niet in geslaagd. Op de uitdraai van het postregistratiesysteem is te zien dat het besluit is aangemaakt op 4 maart 2015 en dat het de status afgesloten heeft. Er is echter niet te zien dat het besluit daadwerkelijk is aangeboden aan de post en verzonden is. Eiseres was daarom wel ontvankelijk in haar bezwaar.

Het bestreden besluit

6. Eiseres heeft aangevoerd dat er geen aanvraag voor een pgb tot stand gekomen omdat eiseres nooit de wil heeft gehad om een pgb aan te vragen. Zij stelt zich primair op het standpunt dat de aanvraag buiten haar medeweten is gedaan en dat zij deze nooit heeft ondertekend. De handtekening op het aanvraag formulier is niet van haar. Voor zover wel moet worden aangenomen dat het haar handtekening is stelt eiseres zich op het standpunt dat zij in goede vertrouwen het formulier heeft ondertekend toen haar dochter dit aan haar heeft voorgelegd, zij wist niet wat ze ondertekende. Gelet op haar medische situatie kon eiseres niet weten dat er namens haar een aanvraag voor een pgb werd gedaan en had verweerder de aanvraag af moeten wijzen op grond van artikel 2.4.6, eerste lid, onder o, van de Rsa.

7. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de handtekening op het aanvraagformulier niet significant afwijkt van de handtekening op het rijbewijs van eiseres. Het is daarom niet aannemelijk geworden dat eiseres de aanvraag niet heeft ondertekend. De rechtbank is verder van oordeel dat de medische stukken die eiseres heeft overgelegd onvoldoende onderbouwing vormen voor de stelling dat eiseres ten tijde van belang niets heeft geweten van het aan haar verleende en uitgekeerde pgb. Weliswaar volgt uit de verklaring van de huisarts van eiseres dat sprake is van een depressie, overspannenheid en een achteruitgang van het geheugen van eiseres, maar dit biedt onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling van eiseres dat zij in het geheel niet meer wist wat zij deed.

8. Eiseres heeft vervolgens aangevoerd dat, voor zover er wel een aanvraag tot stand is gekomen, verweerder deze aanvraag kritischer had moeten bekijken omdat er voldoende signalen waren dat er fraude werd gepleegd door de dochter van eiseres. De aanvraagprocedure is fraudegevoelig en bovendien was de dochter overal bij betrokken. Zo stond de bankrekening mede op haar naam, heeft zij ook het aanvraagformulier ingevuld en is haar adres als postadres opgegeven. De dochter van eiseres komt in alle relevante stukken van het dossier terug.

9. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. Dat het adres van haar dochter op de aanvraag is vermeld als postadres en dat zij voorkomt als gemachtigde op andere stukken die zijn overgelegd in het kader van het pgb, hoefde naar het oordeel van de rechtbank voor verweerder geen signaal te zijn dat sprake zou kunnen zijn van fraude. In de dagelijkse praktijk rondom pgb’s komt het immers vaker voor dat budgethouders worden vertegenwoordigd door een gemachtigde en dat gebruik wordt gemaakt van een postadres.

10. Eiseres voert voorts aan dat verweerder een uitzondering moet maken op de hoofdregel. Daar waar de hoofdregel is dat de budgethouder altijd verantwoordelijk blijft voor de besteding en verantwoording van het pgb, zelfs als dit is uitbesteed aan een derde, zou hier een uitzondering gemaakt moeten worden. De reden hiervoor is volgens eiseres dat zij niet op de hoogte was van de situatie en dus ook niet kon ingrijpen. Zij wilde geen aanvraag doen en er is geen geldige zorgovereenkomst.

11. De rechtbank volgt ook hierin eiseres niet. Er zijn immers onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling van eiseres dat zij in het geheel niet meer wist wat zij deed. Er was voor verweerder geen aanleiding om op voorhand aan te nemen dat de dochter van eiseres fraude pleegde.

12. Tot slot doet eiseres een beroep op de belangenafweging. Eiseres kan geen verwijt worden gemaakt en bovendien moet er rekening worden gehouden met haar medische situatie. Eiseres heeft het geld van het pgb ook nooit ontvangen omdat dit op een rekening is gestort die weliswaar op haar naam stond, maar waarvan zij niet wist dat deze bestond.

13. Dat sprake is van een gebrek aan verwijtbaarheid van eiseres is, zoals hiervoor is overwogen, onvoldoende aannemelijk geworden. Zelfs indien eiseres gevolgd zou worden in de stelling dat wegens haar medische situatie misbruik heeft plaatsgevonden door haar dochter, hoefde de belangenafweging naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet anders uit te vallen. Deze omstandigheid doet immers niet af aan het feit dat eiseres geld heeft ontvangen waarop zij geen recht had en dat dit op geen enkele wijze is te wijten aan handelen van verweerder.

14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Koot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.