Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5135

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
13-10-2017
Zaaknummer
C/16/446830 / KL ZA 17-347
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige perspublicatie; tv-uitzending; preventief verbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/446830 / KL ZA 17-347

Vonnis in kort geding van 27 september 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Zwitserland,

eiser,

advocaten mr. M.C.S. de Boer en mr. O.M.B.J. Volgenant te Amsterdam,

tegen

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

OMROEPVERENIGING BNN-VARA,

gevestigd te Hilversum,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde sub 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaten mr. E.W. Jurjens en mr. J.P. van den Brink te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en BNN-Vara c.s. genoemd worden. Gedaagden afzonderlijk zullen hierna BNN-Vara, [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 t/m 8

- de door BNN-Vara bij faxbericht van 26 september 2017 ingediende incidentele vordering tot zekerheidstelling

- het door [eiser] bij faxbericht van 26 september 2017 ingediende antwoord op het incident

- de door BNN-Vara c.s. bij faxbericht van 26 september 2017 ingediende producties 1 t/m 15

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van BNN-Vara c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 27 september 2017 vonnis uitgesproken. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking en is op 11 oktober 2017 opgemaakt.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft de Kazachstaanse nationaliteit en is woonachtig in Zwitserland. [eiser] is de zoon van [A] , oud-minister en voormalig burgemeester van de Kazachstaanse stad [woonplaats] , en getrouwd met de dochter van [B] , eveneens oud-minister en voormalig bestuursvoorzitter van de Kazachstaanse [bank] . [eiser] staat op verzoek van Kazachstan op de internationale opsporingslijst van Interpol en wordt gezocht voor witwassen en het oprichten, leiden en deelnemen aan een criminele organisatie.

2.2.

BNN-Vara is een publieke omroep die onder meer het tv-programma Zembla uitzendt. [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] zijn werkzaam voor het programma Zembla.

2.3.

Zembla is voornemens om op 27 september 2017 een aflevering uit te zenden met als titel “ [titel] : Deel 3 [aflevering] ”. In deze aflevering zal onder meer aandacht worden besteed aan [eiser] . De betreffende aflevering is een vervolg op de op 3 mei 2017 uitgezonden documentaire waarin verdenkingen zijn geuit aan het adres van [A] , de vader van [eiser] , die als strekking hebben dat hij verantwoordelijk zou zijn voor een wereldwijde witwasconstructie.

2.4.

[gedaagde sub 2] heeft daartoe namens Zembla op 23 augustus 2017 contact opgenomen met mr. [E] , de PR-adviseur van [eiser] met het verzoek een interview te mogen houden met [eiser] over de volgende vragen:

“1. The [familie 1] family has been the target of a number of legal actions – we would like to know more about how these lawsuits are impacting the family.

2. We have seen that Mr. [eiser] made a number of real estate investments in de US through SDG. Allegedly these investments were money landering operations. We are interested in hearing more about that and how he divested himself of that company.

3. Mr. [eiser] has worked with [C] and [D] on several occasions in the past. We’d like to know more about the relationship [eiser] had with [C] and [D] .

4. We also would like to he[a]r more about his role in managing the assets of his father in law, Mr [B] .

5. We’ve heard about some Dutch companies allegedly used to funnel money out of [bank] . Would Mr. [eiser] be able to comment on that?”

2.5.

Het antwoord van Mr [E] op 24 augustus 2017, luidt als volgt:

“To answer your questions I would like to make the following statement:

The allegations against the [eiser] family coming from Kazakh authorities are all about politics. This is about a dictator trying to silence his political opponents. Kazakhstan is using the legal systems of Western countries to harass, wear down and destroy political opponents. Kazakhstan operates a well-funded army of PR spin-doctors all over the world, who spin tales of criminal fraud involving [B] and the [eiser] family. Journalists unfamiliar wit Kazakshstan must not view allegations from Kazakh authorities with the same legitimacy or credibility that they would view allegations from Western law evforcement authorities. Kazakhstan has a long and consistent track record of politically-motivated and fabricated allegations levelled against its political opponents. The Kazakh authorities have spent enormous resources hiring detectives and others to find out as much as they can about my clients’ private business activities. The fact is, all of their business activities have been conducted in full accordance with Swiss laws, a fact which is not contested by any Swiss authorities. Yet the Kazakh authorities persist in making details of their business dealings public, and in parallel they make false allegations about criminal activity back in Kazakhstan. Their goal is to draw in Western law enforcement agencies in order to give a veneer of legitimacy to what is in reality a political witch-hunt.”

2.6.

Op 15 september 2017 schrijft [gedaagde sub 4] namens Zembla aan Mr. [E] dat Zembla op 27 september 2017 een vervolg zal uitzenden op de documentaire die op 3 mei 2017 is uitgezonden en verzoekt zij [eiser] om een laatste reactie. In de e-mail staat voorts geschreven:

“In the new episode we will further investigate the alleged money laundering schem[e] deployed by the [eiser] and [familie 2] family. (…) Futhermore we will cover the connections of the [familie 1] family to the alleged money laundering schem[e] of the [familie 2] family.

(…)

In the documentary the following statements will be made:

  • -

    The [eiser] and [familie 2] family are entangled in a PR and court war with the Kazakh government.

  • -

    The Kazakh government accures [A] to have stolen $ 300 million from Kazakhstan. The [familie 1] family has allegely laundered the money through the use of shell companies in various jurisdictions.

  • -

    According to court documents, [eiser] allegely plays a pivotal role in the laundering of funds throughout the world. According tot he Kazakh government, [eiser] also plays a role in the management of Mr. [B] ’s assets.

  • -

    According to court documents there are alleged connections between the assets and companies of the [B] and [familie 1] family. Records show that the company [bedrijf 1] is affiliated with a shell company [bedrijf 2] used by [B] to hide $ 150 million.

  • -

    According tot he Kazakh government the company [bedrijf 3] and [bedrijf 4] has been used by the [familie 1] family to invest in US real estate in a money laundering operation. The Kazakh government states that these companies were sources with money stolen in Kazakhstan by Mr. [B] and Mr. [eiser] .

  • -

    As records show Mr. [C] played an important role in the US real estate investments of the [familie 1] family. Accourding to experts it is impossible that Mr. [C] was not aware that the [eiser] investments were sourced by alleged shady funds.”

2.7.

Bij brief van 20 september 2017 verzoekt de advocaat van [eiser] om uitstel van de reactietermijn alsmede van de uitzending. Voorts wordt Zembla verzocht om alle relevante documenten met betrekking tot de beschuldiging van [eiser] aan [eiser] te overhandigen.

2.8.

Zembla heeft aan beide verzoeken geen gehoor gegeven.

3 Het geschil

3.1.

Het incidentele verzoek tot zekerheidsstelling is door BNN-Vara c.s. ingetrokken na de borgverklaring door de (mede) door de advocaten van [eiser] gedreven vennootschap om een bedrag van € 2.000,-, zo [eiser] daartoe veroordeeld wordt, aan BNN-Vara te voldoen in het geval [eiser] daarmee in gebreke mocht blijven.

3.2.

[eiser] vordert in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad en na wijziging van haar eis tijdens de zitting:

I. BNN-Vara c.s. te bevelen zich te onthouden van het uiten van een lichtvaardige beschuldiging aan het adres van [eiser] van betrokkenheid bij enig strafbaar feit dat verband houdt met witwassen, voor zover deze beschuldiging niet aantoonbaar steun in de thans bekende feiten en omstandigheden heeft;

II. BNN-Vara c.s. te bevelen om – indien BNN-Vara c.s. voornemens in om publiekelijk aandacht te besteden aan [eiser] en hem te beschuldigen van betrokkenheid bij enig strafbaar feit dat verband houdt met witwassen of andere strafbare feiten – zorgvuldig invulling te geven aan het principe van wederhoor en daartoe [eiser] te voorzien van (a) alle documenten waarop BNN-Vara c.s. eventuele beschuldigingen aan het adres van [eiser] baseert, (b) de verklaringen van bronnen die [eiser] beschuldigen, en [eiser] tenminste drie werkdagen te geven om hierop te reageren, althans een in goede justitie vast te stellen termijn;

III. BNN-Vara c.s. te bevelen zich te onthouden van het uitzenden van een tv-programma en het openbaar maken van andere publicaties waarin [eiser] herkenbaar in beeld is en/of waarin zijn naam wordt genoemd en/of waarin [eiser] wordt aangeduid op een manier waardoor hij door het publiek kan worden geïdentificeerd voor zover [eiser] daarbij wordt beschuldigd van witwassen of andere strafbare feiten, voor zover deze beschuldiging niet aantoonbaar steun in de thans bekende feiten en omstandigheden heeft;

IV.één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,-, althans een in goede justitie vast te stellen dwangsom, voor iedere keer of iedere dag, dit ter keuze van [eiser] , dat BNN-Vara c.s. zich niet houdt aan het hiervoor gevorderde;

V. BNN-Vara c.s. hoofdelijk te veroordelen in de (na)kosten van de procedure.

3.3.

Aan zijn vorderingen legt [eiser] onrechtmatig handelen van BNN-Vara c.s. ten grondslag, waarbij zijn recht op eerbiediging van zijn eer en goede naam ex artikel 8 EVRM dient te worden afgewogen tegen het recht van meningsuiting ex artikel 10 EVRM. Volgens [eiser] is de centrale beschuldiging van Zembla dat [eiser] een cruciale rol speelt in een wereldwijde witwasoperatie op geen enkele manier met documenten of bronnen onderbouwd. Aangezien het gaat om een ernstige misstand waarbij bovendien president [naam] betrokken zou zijn, mag van Zembla extra zorgvuldigheid worden verwacht bij het doen van onderzoek, het plegen van wederhoor en dient rekening te worden gehouden met de privacy van betrokkenen. Dit is door Zembla onvoldoende gedaan. Een en ander zal een vergaande impact hebben op zowel het professionele leven als de persoonlijke levenssfeer van [eiser] . [eiser] is geen publiek figuur en is bij het Nederlands publiek totaal onbekend. [eiser] is bovendien niet veroordeeld voor enig strafbaar feit en heeft zelf op geen enkele wijze publiciteit gezocht.

3.4.

BNN-Vara c.s. voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.

Nu [eiser] in het buitenland woonachtig is en de vordering uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 van de in deze zaak toepasselijke (herschikte) Verordening (EG) nr. 1215/2012 bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen nu de gedaagden gevestigd zijn, althans woonachtig zijn in Nederland.

Toepasselijk recht

4.3.

Voor zover toepasselijkheid van het Nederlands recht niet reeds uit de EEX-verordening voortvloeit, moeten partijen geacht worden voor toepasselijkheid van het Nederlands recht te hebben gekozen aangezien beide partijen hun stellingen baseren op het Nederlands recht. Partijen hebben zich daarnaast ook niet uitgelaten over het toepasselijk recht.

Spoedeisend belang

4.4.

Het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vorderingen is de voorzieningenrechter voldoende gebleken, nu BNN-Vara voornemens is de betreffende Zembla documentaire op 27 september 2017 uit te zenden. Dat de ingestelde vorderingen tegen BNN-Vara c.s. ruimer zijn geformuleerd dan een verbod op de voorgenomen uitzending, maakt dat niet anders.

Vorderingen I en III

4.5.

Aangezien de vorderingen I en III in elkaars verlengde liggen, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld. De voorzieningenrechter begrijpt de vordering van [eiser] als een vordering tot het verbieden van BNN-Vara c.s. om in haar publicaties, waaronder de uitzending van Zembla op 27 september 2017, de naam van [eiser] te noemen en hem herkenbaar in beeld te brengen voor zover hij lichtvaardig wordt beschuldigd van witwassen.

4.6.

Een dergelijk algemeen verbod kan niet worden toegewezen. Of voor een dergelijk verbod aanleiding is, zal steeds afhangen van de concrete omstandigheden en zal per geval beoordeeld dienen te worden. De vorderingen zullen in zoverre worden afgewezen. Aangezien het altijd tot de mogelijkheden behoort om het mindere toe te wijzen, zal de voorzieningenrechter de vorderingen beoordelen in het licht van de voorgenomen uitzending van Zembla op 27 september 2017.

4.7.

In deze zaak gaat het om een botsing van fundamentele rechten. Dit betreft enerzijds het door artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermde recht van [eiser] op eerbiediging van zijn eer en goede naam door niet lichtvaardig te worden neergezet als een persoon die betrokken is bij een strafbaar feit als witwassen. Anderzijds betreft dit het door artikel 7 Grondwet (Gw) en artikel 10 EVRM gewaarborgde recht van BNN-Vara c.s. om met haar programma Zembla publieke aandacht te kunnen vragen voor een mogelijke internationale witwasaffaire en de mogelijke banden van President [naam] met miljardairs uit de voormalige Sovjet republieken die worden beschuldigd van strafbare feiten.

4.8.

Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Bij deze afweging geldt niet als uitgangspunt dat voorrang toekomt aan het door artikel 10 Gw en artikel 8 EVRM gewaarborgde recht. Voor de door artikel 7 Gw en artikel 10 EVRM beschermde rechten geldt hetzelfde.

4.9.

Dit brengt met zich dat het hier niet gaat om een in twee fasen te verrichten toetsing (aldus dat eerst aan de hand van de omstandigheden moet worden bepaald welk van beide rechten zwaarder weegt, waarna vervolgens nog moet worden beoordeeld of de noodzakelijkheidstoets als neergelegd in artikel 8 lid 2 respectievelijk 10 lid 2 EVRM zich verzet tegen het resultaat van die afweging), maar dat deze toetsing in één keer dient te geschieden, waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het desbetreffende lid 2 (zie HR 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3210 [naam] / [naam] ; HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230, Endemol en SBS/A). Welk belang - het recht op vrije meningsuiting of het recht op bescherming van de eer en goede naam - in het concrete geval zwaarder weegt, hangt zoals gezegd af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij is onder meer relevant (i) de aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben, (ii) de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand die aan de kaak wordt gesteld, (iii) in hoeverre er sprake is van een discussie die in de publieke belangstelling staat, (iv) de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal ten tijde van de publicatie, (v) de totstandkoming en inkleding van de uitlatingen, (vi) het gezag dat het medium waarop de uitlatingen zijn gepubliceerd geniet en (vii) de maatschappelijke positie van de betrokken persoon. Genoemde omstandigheden wegen niet allen even zwaar. Welke omstandigheden van toepassing zijn en welk gewicht daaraan moet worden gehecht, hangt af van het concrete geval.

4.10.

BNN-Vara c.s. heeft in deze zaak voorts aangevoerd dat het verbod dat [eiser] vordert om zijn naam te noemen en zijn portret af te beelden in het kader van (de beschuldiging van) witwassen in een voorgenomen tv-uitzending, neerkomt op een censuurverbod. Dit acht BNN-Vara c.s. strijdig met het in artikel 7 Gw en artikel 10 EVRM neergelegde verbod van censuur (het voorafgaand overheidstoezicht op een voorgenomen uiting). De voorzieningenrechter is hierover echter van oordeel dat artikel 7 Gw en artikel 10 EVRM niet beletten dat een publicatie door een rechter van te voren kan worden verboden. Als voldoende bekend is over een voorgenomen publicatie om de onrechtmatigheid hiervan te kunnen vaststellen, kan een verbod vooraf worden uitgesproken (HR 2 februari 2003, NJ 2004, 80). De zaak Mosley (EHRM 10 mei 2011, EHRC 2011/108) waar BNN-Vara c.s. naar verwijst, maakt dit niet anders. Daarin benadrukt het EVRM het belang van het recht van individuen om een voorlopige voorziening te kunnen vragen teneinde een voorgenomen publicatie te voorkomen. Voorts acht de voorzieningenrechter het niet correct (anders dan het Hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2015:1648)), uit de zaak Mosley af te leiden dat bij een vordering tot een preventief verbod terughoudendheid vereist is omdat het EHRM van belang acht dat toetsing van de eventuele onrechtmatigheid van een publicatie en/of uitzending, met het oog op het gewicht dat aan de in artikel 10 EVRM gewaarborgde vrijheden wordt toegekend, pas plaatsvindt nadat de betreffende publicatie en/of uitzending ter kennis van het publiek is gebracht. In de zaak Mosley ging het immers om de vraag of een wettelijke verplichting aan journalisten moet worden opgelegd om personen wier privacy geschonden dreigen te worden door een voorgenomen publicatie, te waarschuwen (“prenotification”). Mosley had derhalve niet betrekking op een rechterlijk preventief verbod, maar op een andere juridische vraag en een enkele overweging uit de zaak Mosley is dan ook niet zondermeer van toepassing op het rechterlijk preventief verbod.

4.11.

BNN-Vara c.s. stelt dat zij met de uitzending een bijdrage wil leveren aan een discussie die wereldwijd in de publieke belangstelling staat en een enorme weerslag kan hebben in de wereldpolitiek. De uitzending gaat in op een grote internationale witwasaffaire en de mogelijke banden tussen [naam] en miljardairs uit de voormalige Sovjet republieken, die worden beschuldigd van strafbare feiten en die ook gebruik hebben gemaakt van Nederlandse brievenbusfirma’s. In de uitzending zal [eiser] genoemd worden in verband met het wereldwijd witwassen van geld van zijn familie en schoonfamilie. Onder verwijzing naar diverse door haar overgelegde artikelen van onder andere de Financial Times en Forbes waarin de naam van [eiser] veelvuldig wordt genoemd in verband met het witwassen van geld, is BNN-Vara c.s. van mening dat er een ruime feitelijke onderbouwing bestaat voor deze beschuldiging. Daarbij komt dat de beschuldigingen niet door Zembla zelf worden geuit, maar dat derden aan het woord worden gelaten. Ook zal in de uitzending aan bod komen dat de door de Kazachstaanse overheid geuite beschuldigingen volgens [eiser] voortkomen uit een politieke heksenjacht op zijn familie.

4.12.

Volgens [eiser] is de centrale beschuldiging van Zembla dat hij een cruciale rol speelt in een wereldwijde witwasoperatie, op geen enkele manier met documenten of bronnen onderbouwd. Aangezien het gaat om een ernstige misstand waarbij bovendien president [naam] betrokken zou zijn, mag van Zembla extra zorgvuldigheid worden verwacht bij het doen van onderzoek, het plegen van wederhoor en dient rekening te worden gehouden met de privacy van betrokkenen. Dit is door Zembla onvoldoende gedaan. Een en ander zal een vergaande impact hebben op zowel het professionele leven als de persoonlijke levenssfeer van [eiser] . [eiser] is geen publiek figuur en is bij het Nederlands publiek totaal onbekend. Hij is bovendien niet veroordeeld voor enig strafbaar feit en heeft zelf op geen enkele wijze publiciteit gezocht, aldus [eiser] .

4.13.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het onderhavige geval op dit moment onvoldoende aannemelijk is geworden dat in de voorgenomen uitzending zodanige lichtvaardige verdachtmakingen over [eiser] worden geuit dat dit in het licht van voornoemde belangenafweging onrechtmatig is jegens [eiser] . De voorzieningenrechter acht daartoe het volgende van belang.

4.14.

Bij de belangenafweging is de voorzieningenrechter uitgegaan van de weergave van de documentaire zoals door BNN-Vara c.s. is verwoord. Zembla kan worden beschouwd als een serieus onderzoeksjournalistiek programma waarin misstanden aan de kaak worden gesteld. Dit betekent dat het publiek veel waarde zal hechten aan de in de documentaire getrokken conclusies. Van Zembla mag dan ook worden verwacht dat in het programma niet zomaar beschuldigingen worden geuit, maar dat daaraan een gedegen feitelijke onderbouwing ten grondslag ligt. Des te meer omdat het in het onderhavige geval een documentaire betreft over een onderwerp dat op dit moment in een grote publieke belangstelling staat. Er is wereldwijd veel te doen over mogelijke banden tussen president [naam] en Rusland. Volgens BNN-Vara c.s. wordt [eiser] in de documentaire genoemd, omdat hij door de Kazachstaanse overheid wordt beschuldigd geld van zijn familie te hebben witgewassen. Deze beschuldiging aan het adres van [eiser] wordt volgens BNN-Vara c.s. in de documentaire niet als een vaststaand feit gepresenteerd en evenmin door haar zelf geuit. Volgens BNN-Vara c.s. fungeert zij wat deze informatie betreft feitelijk als doorgeefluik. Hoewel aan BNN-Vara c.s. kan worden toegegeven dat haar in beginsel grote vrijheid toekomt bij het weergeven van uitingen van derden, betekent dit niet dat deze vrijheid oneindig is. Er rust op BNN-Vara c.s. wel degelijk een eigen verantwoordelijkheid bij het al dan niet weergeven van uitingen van derden.

4.15.

BNN-Vara c.s. heeft ter onderbouwing van de beschuldiging van witwassen door [eiser] onder meer verwezen naar de ‘wanted persons’ lijst van Interpol, alsmede diverse artikelen die de afgelopen jaren op internet zijn verschenen en documenten uit twee afzonderlijke gerechtelijke procedures waarin [eiser] wordt genoemd. De voorzieningenrechter constateert dat uit het overlegde ‘red notice’ bericht blijkt dat [eiser] sinds 2014 op verzoek van de Kazachstaanse overheid internationaal wordt gezocht voor onder meer witwassen. De beschuldiging van [eiser] van witwassen komt dan ook niet zomaar uit de lucht vallen. Hoewel het voorkomen van zijn naam op de ‘wanted’ lijst niet uitsluit dat het opsporingsbericht politiek georiënteerd is, zoals door [eiser] is betoogd, betekent dit niet dat [eiser] door BNN-Vara c.s. daarom in zijn geheel niet in verband zou mogen worden gebracht met witwassen. Feit blijft immers dat hij daarvoor internationaal wordt gezocht. Ook in de diverse artikelen wordt [eiser] in verband gebracht met witwassen. Uit de overgelegde gerechtelijke documenten volgt misschien niet een directe link tussen [eiser] en witwassen, maar uit de documenten, blijkt in ieder geval dat [eiser] een grote rol speelt bij het beheer van het geld van zijn (schoon)familie. Aangezien zijn schoonvader in ieder geval al is veroordeeld voor diefstal van een zeer groot bedrag, en de rol die [eiser] bij het beheer van het vermogen van zijn schoonvader speelde, lijkt de link tussen [eiser] en witwassen niet vergezocht. Overigens heeft BNN-Vara c.s. in deze concrete zaak gesteld dat in de documentaire zal worden aangegeven dat de beschuldiging van witwassen vanuit de Kazachstaanse overheid afkomstig is en er daarom kritisch naar moet worden gekeken, omdat er sprake kan zijn van een politieke heksenjacht, zoals ook door [eiser] wordt betoogd. Daarmee schetst BNN-Vara c.s. naar het oordeel van de voorzieningenrechter een voldoende evenwichtig beeld van de situatie.

4.16.

Daarnaast speelt ook een rol dat [eiser] , hoewel hij in Nederland tot nu toe misschien minder bekend is, reeds diverse malen met naam en toenaam in de publiciteit is geweest en daarbij ook al meerdere malen een foto van zijn portret is getoond. Hij kan derhalve als een publiek figuur worden beschouwd, die meer media-aandacht kan verwachten dan een privépersoon. Ook heeft [eiser] in het verleden zelf actief de publiciteit gezocht door zich te laten filmen en interviews te geven, waarbij hij ook inzage heeft gegeven in zijn privéleven.

4.17.

Tot slot is de voorzieningenrechter van oordeel dat BNN-Vara c.s. [eiser] voldoende gelegenheid heeft gegeven om voorafgaand aan de uitzending te reageren op de bevindingen van Zembla. Zembla heeft hem in ieder geval twee keer benaderd voor commentaar. De eerste keer zelfs al een maand voor de daadwerkelijke uitzending. Dat [eiser] er voor heeft gekozen om in eerste instantie via zijn woordvoerder een (standaard) schriftelijke verklaring te geven en daarbij heeft aangegeven er verder niet op in te willen gaan, komt voor zijn rekening en risico.

4.18.

De voorzieningenrechter is gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden van oordeel dat het recht op vrije meningsuiting van BNN-Vara c.s. zwaarder weegt dan het recht van [eiser] op de bescherming van zijn eer en goede naam. De vorderingen onder I. en III. zullen derhalve worden afgewezen voor zover het gaat om de voorgenomen uitzending van Zembla op 27 september 2017.

Vordering II

4.19.

De vordering onder II. komt er op neer dat [eiser] van BNN-Vara c.s. voortaan verlangt dat hij, voorafgaand aan enige publicatie over hem waarin hij in verband wordt gebracht met strafbare feiten, de beschikking krijgt over alle documenten en bronnen waarop BNN-Vara c.s. haar beschuldiging baseert. Deze vordering kan evenmin worden toegewezen. Een dergelijk absoluut recht op wederhoor bestaat niet in het Nederlandse recht. Of er is voldaan aan de vereisten van wederhoor en of dit, zo dit niet het geval is, al dan niet tot gevolg heeft dat publicatie daardoor onrechtmatig wordt, zal steeds beoordeeld dienen te worden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Zoals hiervoor onder 4.17 reeds is overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat BNN-Vara c.s. ten aanzien van de voorgenomen uitzending aan [eiser] voldoende gelegenheid heeft gegeven tot wederhoor. Van enig (dreigend) onrechtmatig handelen van BNN-Vara c.s., die het opleggen van een dergelijk gebod rechtvaardigt, is dan ook geen sprake.

4.20.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van BNN-Vara c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.434,00

4.21.

De nakosten waarvan BNN-Vara c.s. betaling vordert, worden toegewezen als hierna gevorderd.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst alle vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van BNN-Vara c.s. tot op heden begroot op € 1.434,-,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2017.