Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5097

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
UTR 17/1126
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking jachtakte ogv Ffw en intrekking wapenverlof ogv Wwm. Gelet op het overgangsrecht is de rechtbank bevoegd inzake de intrekking jachtakte, omdat het administratief beroep op 1 januari 2017 nog niet was afgehandeld. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in het geval van eiser geringe twijfel gerechtvaardigd was over het verantwoord voorhanden hebben van wapens en minutie gelet op zijn psychische gesteldheid vanwege een arbeidsconflict. Op basis van die twijfel heeft verweerder tot intrekking van de jachtakte en verlof kunnen besluiten. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/1126

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 september 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. T. van der Weijde),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. J.P. Niestern).

Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2016 (het primaire besluit 1) heeft de korpschef van politie (de korpschef) de aan eiser verleende jachtakte ingetrokken.

Bij het tweede besluit van gelijke datum (het primaire besluit 2) heeft de korpschef het aan eiser verleende verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie ingetrokken.

Bij afzonderlijke besluiten van 6 februari 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder het administratief beroep van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft een

verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld van zijn echtgenote [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank staat allereerst ambtshalve voor de vraag of zij bevoegd is van het beroep kennis te nemen, voor zover het ziet op de intrekking van de jachtakte. De rechtbank overweegt daarover het volgende. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. In artikel 9.10 van de Wnb is het overgangsrecht voor de op het moment van in werking treden lopende procedures geregeld. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat beroepszaken gericht tegen onder meer besluiten krachtens de Flora- en Faunawet (Ffw) die voor 1 januari 2017 bekend zijn gemaakt, worden behandeld en beslist overeenkomstig de Ffw. Op grond van artikel 1:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet onder beroep worden verstaan: het instellen van administratief beroep, dan wel van beroep bij een bestuursrechter. Omdat het administratief beroep tegen het primaire besluit 1, waarbij de jachtakte is ingetrokken, op 1 januari 2017 nog niet was afgehandeld, is op deze zaak daarom nog de Ffw van toepassing. Hoewel verweerder bij de beoordeling van het administratieve beroep tegen de intrekking van de jachtakte verwijst naar artikel 5.4, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wnb moet het bestreden besluit gelet op het toepasselijke overgangsrecht worden geacht te zijn genomen op grond van - het inhoudelijk gelijkluidende - artikel 41, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw. Dit wetsartikel is niet opgenomen in de lijst van beroep uitgezonderde besluiten in artikel 1 van de in bijlage 2 van de Awb vastgelegde Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. Tegen het bestreden besluit dat ziet op de intrekking van de jachtakte kan daarom beroep bij de rechtbank worden ingesteld.

2.1.

De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten.

Aan eiser is op 9 februari 2012 een jachtakte verleend. Deze jachtakte is nadien steeds jaarlijks verlengd. De ingetrokken jachtakte is op 31 maart 2016 verleend en was geldig tot en met

31 maart 2017. Verder is aan eiser op 20 februari 2014 verlof verleend tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie.

2.2.

Uit een mutatierapport van 19 mei 2016 blijkt dat de politie naar aanleiding van een melding over een verward persoon eiser op 17 mei 2016 in een park emotioneel en verward heeft aangetroffen. De politieagenten roken bij eiser een alcoholgeur, maar eiser heeft ontkend alcohol te hebben genuttigd. Eiser heeft de agenten meerdere keren te kennen gegeven dat hij gek werd van zichzelf en dat hij zich geen raad meer wist. Op 18 mei 2016 heeft bij eiser thuis een gesprek met de politie plaatsgevonden, waarvan een verslag is opgemaakt. Tijdens dit gesprek heeft eiser aangegeven dat hij sinds een half jaar problemen op zijn werk heeft, wat veel spanning veroorzaakt. Eiser heeft zich 9 april 2016 ziek gemeld en heeft sindsdien om de twee weken een gesprek met de psycholoog. Hij krijgt medicatie om in slaap te komen en om rustig te worden. Verder heeft eiser aangegeven dat hij op dat moment geen deel nam aan de jacht, omdat hij zich daartoe (geestelijk en lichamelijk) nog niet 100% fit voelde. Na het gesprek heeft eiser de munitie, jachtakte en het wapenverlof vrijwillig afgegeven.

2.3.

Vervolgens heeft de korpschef aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om de aan hem verleende jachtakte en het wapenverlof in te trekken. Eiser heeft hiertegen zijn zienswijze naar voren gebracht. De korpschef en verweerder hebben daarna de besluiten genomen die zijn genoemd onder ‘Procesverloop’.

3. Verweerder heeft aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat uit het mutatierapport van 19 mei 2016 - al dan niet in combinatie met het mutatierapport van

13 februari 2014 van een eerder incident - voldoende is gebleken dat er sprake is van een gespannen werksituatie en mogelijk ook alcoholmisbruik. Tijdens de hoorzitting in het administratieve beroep heeft eiser zelf aangegeven dat deze gespannen situatie nog niet geheel voorbij is, maar dat eraan wordt gewerkt de situatie te verbeteren en dat hij nog steeds het re-integratietraject doorloopt. Ook de bedrijfsarts geeft in zijn verslag van 20 september 2016 aan dat het onderliggende conflict nog niet is opgelost en dat er nog sprake is van gezondheidsklachten, mogelijk ten gevolge van onzekerheid over het einddoel van de re-integratie. De bedrijfsarts geeft ook aan dat werkhervatting op de oude werkplek zonder oplossing van het onderliggende probleem waarschijnlijk opnieuw zal leiden tot spanningen en mogelijk uitval door ziekte. Nu gesteld noch gebleken is dat deze situatie inmiddels is beëindigd, is er volgens verweerder aanmerkelijke twijfel ontstaan of het voorhanden hebben van wapens en munitie aan eiser kan worden toevertrouwd. Er is dan ook sprake van vrees voor misbruik.

4. Eiser betwist in beroep dat er aanwijzingen bestaan dat het onder zich hebben van wapens en munitie niet langer aan hem kan worden toevertrouwd. Het enkele feit dat hij een coachende behandeling onderging bij een psycholoog zegt niet dat hij niet met wapens kan omgaan. De behandeling moet vooral worden gezien als een coachende rol om te leren omgaan met bepaalde werkgerelateerde spanningen. Met de overgelegde medische verklaringen van zijn bedrijfsarts heeft hij aangetoond dat het weer goed met hem gaat en dat hij weer aan het re-integreren is. Inmiddels is de behandeling per 13 september 2016 gestopt en werkt hij drie dagen van vier uur. Daarnaast is zijn echtgenote onjuist geciteerd in het mutatierapport van de politie van 19 mei 2016. Zij heeft niet gezegd dat eiser een alcoholprobleem heeft, maar dat hij mogelijk gedronken heeft.

Verder heeft verweerder ten onrechte een eerder incident uit 2014, waarbij hij in zijn auto werd aangetroffen terwijl hij alcohol aan het nuttigen was en waarbij hem een rijverbod is opgelegd, bij de beeldvorming betrokken. Hij is niet veroordeeld voor rijden onder invloed. Dit incident kan derhalve geen aanleiding zijn om de jachtakte in te trekken.

5.1.

Op grond van artikel 41, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw wordt, voor zover hier van belang, een jachtakte in ieder geval ingetrokken indien de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie dan wel van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of indien er anderszins aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd.

Op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet wapens en munitie (Wwm) kunnen, voor zover hier van belang, de in deze wet genoemde verloven door het bestuursorgaan dat deze heeft verleend worden gewijzigd of ingetrokken indien er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd.

6.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder beleid heeft omtrent redenen om te vrezen dat van het wapenverlof misbruik zal worden gemaakt. Dat beleid is neergelegd in de Circulaire wapens en munitie 2016 (Cwm 2016). In de Cwm 2016, onderdeel Bijzonder deel (B) staat dat ‘vrees voor misbruik’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ twee verschillende omschrijvingen voor in feite dezelfde situatie zijn. Hetgeen in de Cwm 2016 wordt opgemerkt met betrekking tot de invulling van het ‘vrees voor misbruik-criterium’ kan daarom analoog worden toegepast indien het de intrekking of weigering van een vergunning betreft om reden dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet (langer) kan worden toevertrouwd. De termen ‘vrees voor misbruik’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ in de Wwm vallen inhoudelijk samen met de termen ‘misbruik maken van wapens of munitie dan wel van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ in de Ffw. Hetgeen omtrent ‘vrees voor misbruik’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ is aangegeven, geldt derhalve ook bij de toepassing van de Ffw.

6.2.

Voor de beoordeling van de vraag of in een bepaald geval vrees voor misbruik bestaat worden in paragraaf B/1.2 een aantal concrete criteria gegeven. De korpschef zal aan de hand van deze criteria in elk geval afzonderlijk moeten bezien of er sprake is van ‘vrees voor misbruik’. Bij het onderzoek in verband met de vraag of er vrees voor misbruik bestaat kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen.

6.3.

Ten aanzien van de psychische gesteldheid is in de Cwm 2016 het volgende opgenomen.

In beginsel is het niet verantwoord om aan iemand het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie toe te vertrouwen die - door interne of externe oorzaken - onder sterke psychische druk staat, wat tot uitdrukking komt in een onvoorspelbaar gedragspatroon of (bijvoorbeeld) alcohol- en drugsmisbruik en waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft. In het bezit van een vuurwapen zou de vergunninghouder een gevaar zijn voor zichzelf en voor de openbare orde en veiligheid. Indien de aanvrager of vergunninghouder - in tegenstelling tot de korpschef - van mening is dat het voorhanden hebben van wapens en munitie wel aan hem kan worden toevertrouwd dan dient hij dit aan te tonen middels een schriftelijke verklaring van een arts/psychiater. Uit deze verklaring moet duidelijk blijken dat de arts/psychiater bekend is met de problemen van betrokkene en dat deze niet (langer) een belemmering vormen om aan betrokkene een vergunning te verlenen voor het voorhanden hebben van (vuur)wapens. Een dergelijke verklaring wordt dan in de beoordeling betrokken, maar daaraan hoeft niet altijd doorslaggevende betekenis te worden toegekend. Dat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zo mag van iemand die recent nog onder behandeling was in verband met zijn psychische gesteldheid, worden verwacht dat hij over een langere periode aantoont dat zijn psychische gesteldheid niet meer aan het bezit van wapens en munitie in de weg staat.

6.4.

Risicofactoren betreffende de psychische gesteldheid van aanvragers of houders van een wapenverlof met het oog op potentieel misbruik van een (legaal) vuurwapen zijn onder meer:

stressvolle omstandigheden (problemen in relationele sfeer, problemen in de arbeidssfeer of opleiding, gebrekkig sociaal steunsysteem en stressvolle levensomstandigheden).

7. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in meerdere uitspraken geoordeeld dat degene aan wie een jachtakte is verleend zich in een uitzonderingspositie bevindt ten opzichte van de overige burgers, voor wie het algemene verbod op het voorhanden hebben en dragen van wapens en munitie geldt. Deze uitzonderingspositie brengt mee dat in de houder van een jachtakte het vertrouwen moet kunnen worden gesteld dat hij zich strikt aan de toepasselijke regels zal houden en dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de gemaakte uitzondering is reeds voldoende grond om daaraan een einde te maken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ74447).

8. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. Verweerder heeft zijn standpunt dat er aanwijzingen zijn dat aan eiser het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd (en dat derhalve te vrezen valt voor misbruik) gebaseerd op de uitlatingen en gedragingen van eiser blijkend uit het mutatierapport van 19 mei 2016 en het verslag van het gesprek op 18 mei 2016. De rechtbank is van oordeel dat op basis van deze informatie voldoende feiten en omstandigheden voorhanden zijn om te concluderen dat eiser onder psychische druk stond en dat hij zichzelf niet in de hand had vanwege een arbeidsconflict waarvoor hij onder behandeling was bij een psycholoog. Uit de politiële informatie blijkt dat eiser erg emotioneel was en dat hij in eerste instantie weinig kon uitbrengen. Verder heeft hij tegenover de politie verklaard dat hij gek van zichzelf werd, zich geen raad meer wist en dat hij zich geestelijk en lichamelijk niet 100% fit voelde om deel te nemen aan de jacht. Daarnaast gebruikt hij medicatie om rustig te blijven (Oxazepam) en om in slaap te komen (Temezapam). Eiser heeft deze verklaringen op zichzelf niet weersproken. Of eiser wel of niet, zoals hij zelf stelt, een alcoholprobleem heeft, maakt dit niet anders. De hiervoor beschreven feiten en omstandigheden zijn in samenhang bezien al voldoende grondslag voor verweerders oordeel dat het voorhanden hebben van wapens en munitie eiser niet langer kan worden toevertrouwd.

9. De rechtbank ziet in de door eiser overgelegde verklaringen van de bedrijfsarts en de journaalregels van de huisarts geen aanleiding voor een ander oordeel. De bedrijfsarts schrijft in het advies van 2 augustus 2016 weliswaar dat de spanningen op het werk duidelijk zijn verminderd en dat eiser weer stapsgewijs werkzaamheden kan gaan opbouwen, maar daaruit kan naar het oordeel van de rechtbank nog niet worden geconcludeerd dat eiser niet meer onder psychische druk staat of stond. Uit het advies van 21 januari 2017 blijkt verder dat de bedrijfsarts geen medische beperkingen meer ziet voor volledige werkhervatting, maar dat eiser nog wel spanningen ervaart binnen zijn eigen team. De bedrijfsarts heeft daarbij vooral een oordeel gegeven over de mogelijkheden van eiser in het kader van zijn re-integratie. In deze verklaringen is door de bedrijfsarts echter niet specifiek ingegaan op de vraag of de problemen van eiser in de arbeidssfeer niet langer een belemmering vormen om de intrekking van de jachtakte en het wapenverlof ongedaan te maken. Ook uit de journaalregels van eisers huisarts valt niet op te maken dat eisers psychische gemoedstoestand zodanig is verbeterd dat hem het voorhanden hebben van vuurwapens weer kan worden toevertrouwd. De rechtbank concludeert dat de verklaringen van beide artsen niet voldoen aan de strenge eisen die de Cwm 2016 stelt. Eiser heeft bovendien geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid die hem in administratief beroep is geboden, om een wel toereikende verklaring van een psychiater in te dienen. Aan de ter zitting naar voren gebrachte omstandigheid dat eiser inmiddels goed is hersteld en hij vanaf 1 september 2017 met vervroegd pensioen is gegaan, kan tenslotte niet de betekenis worden toegekend die eiser wil. Voor het antwoord op de vraag of de handhaving van de primaire besluiten tot intrekking van de verleende jachtakte en het verlof in rechte stand kunnen houden, is namelijk uitsluitend de situatie ten tijde van de bestreden besluiten van belang. De beroepsgrond slaagt niet.

10. Ten aanzien van het eerdere incident uit 2014 heeft verweerder gesteld dat dit incident geen zelfstandige grondslag heeft gevormd voor de intrekkingen, maar dat het wel bijdraagt aan de beeldvorming. De rechtbank ziet niet in waarom verweerder dit incident niet heeft mogen betrekken in de besluitvorming. Hierbij is van belang dat de tijd die tussen het eerste en het tweede incident ligt niet dusdanig lang is dat er geen enkel verband meer aannemelijk is en bovendien blijkt ook niet dat de beoordeling in het kader van de Cwm 2016 het meewegen van eerdere voorvallen uitsluit. Alhoewel eiser de juistheid van het betreffende mutatierapport op een aantal punten bestrijdt, is van belang dat hij wel heeft erkend dat hij zich in een stilstaande auto op de openbare weg bevond, in het bezit van een wodkafles en dat zijn vrouw hem heeft moeten ophalen, omdat hem een rijverbod van acht uur is opgelegd.

11. Eiser stelt zich ook op het standpunt dat met het tijdelijk in bewaring nemen van de wapens/munitie de veiligheid afdoende was gewaarborgd, omdat er ten tijde van de inname al zicht bestond op verbetering van zijn situatie. Intrekking van de jachtakte en het verlof was dan ook niet meer nodig en is in strijd met het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel. Daarnaast zijn de bestreden besluiten onevenredig in strijd met zijn belangen genomen, nu hij zowel de schietsport als de schadebestrijding niet langer kan uitoefenen. Hij moet nu anderen inhuren om schadebestrijding te verrichten op zijn jachtveld. Verder zorgt de intrekking voor reputatieschade.

12. Ten aanzien van de intrekking van de jachtakte overweegt de rechtbank dat de korpschef, gelet op het dwingende karakter van artikel 41, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw, de jachtakte dient in te trekken indien er aanwijzingen zijn dat aan de houder het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Voor een belangenafweging of een minder vergaande maatregel is daarom in dat geval geen plaats. De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BK0114).

Bij de intrekking van het wapenverlof geldt dat de in artikel 7, tweede lid, van de Wwm neergelegde bevoegdheid strekt tot bescherming van de veiligheid van de samenleving. Het besluit is geen sanctie. Bij geringe twijfel aan het verantwoord voorhanden hebben van wapens en munitie is er een zwaarwegend algemeen veiligheidsbelang in de samenleving. De stelling van eiser dat ten tijde van de inname al zicht bestond op verbetering van zijn situatie, maakt niet dat verweerder aanleiding had moeten zien voor een ander oordeel dan wel dat hij had moeten volstaan met het tijdelijk in bewaring nemen van de wapens. Daarbij is van belang dat het in bewaring nemen van de wapens op vrijwillige basis gebeurt en dat eiser op elk moment terug had kunnen komen van het geven van zijn medewerking daaraan. Dat eiser door de intrekking van het verlof de schietsport en schadebestrijding niet meer kan uitoefenen en dat zijn lidmaatschap bij zijn schietvereniging is opgezegd, is daarbij van ondergeschikt belang en een onvermijdelijk gevolg van de intrekking van het verlof. Verweerder hoefde de gevolgen voor eiser niet onevenredig te achten in verhouding tot de aan de zijde van de maatschappij betrokken belangen.

13. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder tot de conclusie heeft kunnen komen dat in het geval van eiser geringe twijfel gerechtvaardigd was over het verantwoord voorhanden hebben van wapens en munitie. Op basis van die twijfel heeft verweerder dan ook tot intrekking van de jachtakte en het verlof kunnen besluiten.

14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. R. in 't Veld, voorzitter, en mr. K. de Meulder en

mr. G.C.W. van der Feltz, leden, in aanwezigheid van mr. A. Azmi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 september 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.