Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:507

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
5512357/ME VERZ 16-298
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beschikking vernietiging ontslag op staande voet. Het aan verzoeker als dringende reden voor het ontslag genoemde feitencomplex dient, voor zover door verzoeker betwist, in beginsel in zijn geheel in rechte te komen vast te staan. Dit is slechts anders indien a) het bedoelde gedeelte op zichzelf beschouwd kan worden als een dringende reden voor ontslag op staande voet, b) de werkgever heeft gesteld, en ook aannemelijk is, dat hij de werknemer ook op staande voet zou hebben ontslagen indien hij — anders dan hij blijkens de ontslagaanzegging meende — daarvoor niet meer grond zou hebben gehad dan in rechte is komen vast te staan en c) dit laatste voor de werknemer in het licht van de gehele inhoud van die aanzegging en de overige omstandigheden van het geval ook duidelijk moet zijn geweest. Verweerder heeft niet, althans daarvoor onvoldoende, gesteld dat zij verzoeker ook zou hebben ontslagen op basis van slechts een deel van het in de ontslagbrief vermelde feitencomplex en dat valt overigens ook niet uit de ontslagbrief te herleiden. Reeds op die grond kan het gegeven ontslag op staande voet niet in stand blijven. Tegenverzoek tot ontbinding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0181
AR 2017/872
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Zaak- en rekestnummer: 5512357 / ME VERZ 16-298

Datum beslissing: 2 februari 2017

Toevoeging verzoeker: 4MC5261

Beschikking

in de zaak van

[verzoeker, tevens verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker, tevens verweerder,

hierna ook te noemen: [verzoeker, tevens verweerder] ,

gemachtigde mr. Y. van der Horst,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster, tevens verzoekster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster, tevens verzoekster,

hierna ook te noemen: [verweerster, tevens verzoekster] ,
gemachtigde mr. J.G. Wiebes.

1 De procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift van 14 november 2016, met producties 1 tot en met 17;

- het verweerschrift en het tegenverzoek van 19 december 2016, met producties

1 tot en met 25;

- een door [verzoeker, tevens verweerder] nagezonden productie 18;

- de pleitnotitie van mr. Van der Horst;

- de mondelinge behandeling van 5 januari 2017, waarvan door de griffier aantekeningen zijn bijgehouden.

1.2.

Partijen hebben op 19 januari 2017 zich uitgelaten over voortzetting van de procedure. [verzoeker, tevens verweerder] heeft daarbij een voorlopige voorziening verzocht indien de kantonrechter een tussenbeschikking wijst. De voorlopige voorziening en hetgeen partijen daar over en weer over hebben opgemerkt, zal buiten beschouwing worden gelaten, omdat de kantonrechter thans zal overgaan tot het wijzen van een eindbeschikking en het gevorderde – vanwege de stand de procedure - bovendien in strijd is met de beginselen van de goede procesorde.

1.3.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist (mede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de overgelegde producties) het volgende vast:

2.1.

[verzoeker, tevens verweerder] , geboren op [1961] , is op 18 februari 2016 in dienst getreden bij [verweerster, tevens verzoekster] en was laatstelijk werkzaam als Business Controller tegen een salaris van € 4.400,= (bruto) per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en overige emolumenten, waaronder een eindejaarsuitkering van 7,050%. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van één jaar en eindigt derhalve van rechtswege op 17 februari 2017.

2.2.

[verweerster, tevens verzoekster] houdt zich bezig met het ondersteunen en begeleiden van gehandicapten, het verlenen van thuiszorg, ambulante begeleiding en 24-uurszorg. Onder de doelgroep van [verweerster, tevens verzoekster] vallen tevens personen met een verstandelijke beperking met geregeld ernstige strafrechtelijke antecedenten.

2.3.

[verzoeker, tevens verweerder] is bij besluit van 14 april 2016 benoemd tot gevolmachtigde om de zaken van [verweerster, tevens verzoekster] te beheren, haar belangen waar te nemen, voor haar rechten op te komen en haar zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen alsmede datgene te doen wat de gevolmachtigde in het belang van [verweerster, tevens verzoekster] gewenst, nuttig of noodzakelijk zal achten.

2.4.

In zijn functie hield [verzoeker, tevens verweerder] zich met name bezig met het uitvoeren van het financiële beleid.

2.5.

[verzoeker, tevens verweerder] heeft vanwege onderbezetting op zaterdag 23 juli 2016 vanaf 9:30 uur tot zondagochtend 24 juli 2016 10:00 uur en tussen 15:00 uur en 17:00 uur een dienst gedraaid op een locatie van [verweerster, tevens verzoekster] te [vestigingsplaats] . Dit zonder medeweten van de (middellijk) bestuurder van [verweerster, tevens verzoekster] .

2.6.

Op 4 augustus 2016 stuurt [verweerster, tevens verzoekster] een officiële waarschuwing aan [verzoeker, tevens verweerder] , waarin zij – samengevat – weergeeft dat [verzoeker, tevens verweerder] als niet zijnde gediplomeerd zorgprofessional een groep van ex TBS-ers op 23 en 24 juli 2016 heeft begeleid die gevaarlijk en onvoorspelbaar gedrag kunnen vertonen. Zij verwijt [verzoeker, tevens verweerder] dat hij de procedures niet heeft gevolgd ten aanzien van de inroostering en daarnaast roekeloos heeft gehandeld door zelf de dienst te draaien. [verweerster, tevens verzoekster] vermeldt voorts in haar brief de volmacht van [verzoeker, tevens verweerder] per direct te hebben ingetrokken.

2.7.

Op 3 oktober 2016 is [verzoeker, tevens verweerder] op het werk verschenen om de maandelijkse facturatie en declaratie te verzorgen. [verzoeker, tevens verweerder] had echter geen toegang meer tot onder meer zijn e-mail en de zakelijke bankrekening van [verweerster, tevens verzoekster] .

2.8.

Op 4 oktober 2016 is [verzoeker, tevens verweerder] tijdens een gesprek met de Algemeen directeur en de Raad van Commissarissen op staande voet ontslagen. In haar brief van 4 oktober 2016 deelt [verweerster, tevens verzoekster] het volgende aan [verzoeker, tevens verweerder] mee:

(…) Onderbouwing voor je ontslag:

- Officiële waarschuwing 04-08-16, waarin is aangegeven dat jij je niet meer met zorginhoudelijke zaken bezig mag houden in de functie van Business Controller. Ondanks deze waarschuwing is geconstateerd dat jij je nog steeds bezig houdt met zorginhoudelijke taken zonder wetenschap van de directie.

- Vanuit exit verslagen zijn er door verschillende medewerkers klachten geuit wegens bejegening door en handelswijze van jou.

- Rapportages vanuit verschillende locaties laten zien dat cliënten zich zorgen maken door uitingen van jou (o.a. dreigend faillissement [verweerster, tevens verzoekster] ).

- Er is geconstateerd dat er diverse e-mails met bedrijf en bedrijfseconomische informatie die vanuit de werkmail naar het e-mailadres [naam verzoeker, tevens verweerder] @ [...] .nl zijn verstuurd.

- Begroting en financiële overzichten (welke feitelijk onjuist zijn) zijn door jou verspreid onder medewerkers zonder voorbespreking en/of toestemming van de directie.

- Je hebt opgetreden als gemachtigde van een cliënt bij [verweerster, tevens verzoekster] BV bij de [...] .

- Uit controle van de administratie is gebleken dat er een deel van de te declareren PGB omzet niet is gefactureerd bij de [...] . De directie heeft daarover van jou, bij specifieke navraag geen duidelijke verklaring mogen ontvangen.

3. Het verzoek van [verzoeker, tevens verweerder] , het verweer van [verweerster, tevens verzoekster] en het tegenverzoek van [verweerster, tevens verzoekster]

3.1.

[verzoeker, tevens verweerder] verzoekt de kantonrechter om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

I. Het ontslag op staande voet van 4 oktober 2016 te vernietigen.

II. [verweerster, tevens verzoekster] te verplichten binnen 24 uur na betekening van de in deze te wijzen beschikking toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,= per dag dat [verweerster, tevens verzoekster] in gebreke blijft.

III. [verweerster, tevens verzoekster] te veroordelen tot betaling van het salaris van [verzoeker, tevens verweerder] van € 4.400,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke emolumenten, waaronder vakantietoeslag vanaf 5 oktober 2016 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW.

subsidiair:

I. [verweerster, tevens verzoekster] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding aan [verzoeker, tevens verweerder] van € 20.249,= althans een in goede justitie te bepalen billijke vergoeding.

II. [verweerster, tevens verzoekster] te veroordelen tot betaling van de eindafrekening van de verlof en PBL uren aan [verzoeker, tevens verweerder] voor een bedrag van € 1.743,94 bruto onder de verplichting binnen zeven dagen na betekening van de beschikking aan [verzoeker, tevens verweerder] de daarbij behorende specificatie te verstrekken onder verbeurte van een dwangsom van € 100,= per dag dat [verweerster, tevens verzoekster] hiermee in gebreke blijft.

III. [verweerster, tevens verzoekster] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, zijnde het bedrag van € 4.752,= bruto, althans een in goede justitie te bepalen vergoeding.

primair en subsidiair:

[verweerster, tevens verzoekster] te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de gebruikelijke nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf zeven dagen na betekening van de in deze te wijzen beschikking tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

[verzoeker, tevens verweerder] legt primair aan zijn verzoek ten grondslag dat er geen sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. Hij stelt – verkort weergegeven - dat van een of meerdere dringende redenen die het ontslag op staande voet rechtvaardigen, geen sprake is en betwist alle in de ontslagbrief genoemde verwijten. Ten aanzien van de op 4 augustus 2016 gegeven waarschuwing, stelt [verzoeker, tevens verweerder] dat er sprake was een noodsituatie vanwege onderbezetting van de locatie [vestigingsplaats] in het weekend van 23 en 24 juli 2016. Het lukte hem niet om contact te krijgen met de (middellijk) bestuurder van [verweerster, tevens verzoekster] en de verantwoordelijke voor personeelszaken om over deze situatie vooraf overleg te voeren. Door uiteindelijk zelf de dienst te draaien, heeft [verzoeker, tevens verweerder] nu juist een gevaarlijke situatie voorkomen, zo voert hij aan. [verzoeker, tevens verweerder] stelt dat de officiële waarschuwing om voornoemde redenen onterecht was en dat hij nadien zich heeft beperkt tot de uitvoering van de financiële taken die horen bij zijn functie van Business Controller. [verzoeker, tevens verweerder] betwist voorts de door [verweerster, tevens verzoekster] gestelde geuite klachten van medewerkers. Hij stelt nimmer signalen te hebben ontvangen over onvrede van het personeel. [verzoeker, tevens verweerder] betwist eveneens het verwijt dat hij zich jegens cliënten over een dreigend faillissement zou hebben uitgesproken. Ten aanzien van het doorsturen van bedrijfsinformatie naar zijn privé e-mailadres merkt [verzoeker, tevens verweerder] op dat hij uitsluitend de e-mailcorrespondentie en daarbij behorende gegevens die betrekking hebben gehad op een conflict tussen hem en de (middellijk) bestuurder van [verweerster, tevens verzoekster] , heeft doorgezonden naar zijn privé e-mailadres. Dit om deze gegevens veilig te stellen indien hij op enig moment geen toegang meer zou hebben tot zijn zakelijke account. [verzoeker, tevens verweerder] bestrijdt ook het verwijt van [verweerster, tevens verzoekster] dat hij de begroting en financiële overzichten zonder voorbespreking en/of toestemming van de directie zou hebben verspreid. Hij heeft uitsluitend binnen de directie en het MT transparantie willen betrachten ten behoeve van een gezonde exploitatie van [verweerster, tevens verzoekster] . Over het verweten optreden als gemachtigde van een cliënt van [verweerster, tevens verzoekster] merkt [verzoeker, tevens verweerder] op dat hij eenmalig en in onwetendheid een cliënt heeft gevraagd om hem te machtigen diens PGB-zaken te kunnen regelen. Hij handelde daarbij ter goeder trouw. Tot slot ontkent [verzoeker, tevens verweerder] dat een deel van de te declareren PGB omzet niet is gefactureerd bij de [...] . Kortom, de verwijten als genoemd in de ontslagbrief kunnen het ontslag op staande voet niet rechtvaardigen. Daarnaast is niet voldaan aan de onverwijldheidseis, omdat het grootste deel van de verwijten al veel langer bij [verweerster, tevens verzoekster] bekend waren, zonder dat dat aanleiding is geweest om [verzoeker, tevens verweerder] op staande voet te ontslaan. [verzoeker, tevens verweerder] verzoekt dan ook primair vernietiging van het op 4 oktober 2016 gegeven ontslag op staande voet.

3.3.

[verweerster, tevens verzoekster] heeft verweer gevoerd en verzoekt de kantonrechter op haar beurt om (samengevat):

primair:

  • -

    De vorderingen van [verzoeker, tevens verweerder] zoals geformuleerd onder primair I, II, III en subsidiair I, II en III niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

  • -

    Het verzoek om [verweerster, tevens verzoekster] te veroordelen in de kosten van deze procedure af te wijzen.

  • -

    Voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst door de opzegging daarvan op 4 oktober 2016 rechtsgeldig is geëindigd.

  • -

    Voor recht te verklaren dat [verzoeker, tevens verweerder] zijn geheimhoudingsbeding heeft geschonden en te veroordelen tot teruggave van alle bedrijfs- of cliëntgegevens waarover hij beschikt en te verbieden deze gegevens te verveelvoudigen of anderszins te gebruiken.

  • -

    [verzoeker, tevens verweerder] te veroordelen tot vergoeding van de daadwerkelijke nog nader te begroten proceskosten welke [verweerster, tevens verzoekster] in verband met deze procedure heeft moeten maken, te vermeerderen met de gebruikelijke nakosten en de wettelijke rente daarover vanaf zeven dagen na betekenen van de in deze te wijzen beschikking tot aan de dag der algehele voldoening.

subsidiair, onder de voorwaarde dat het gegeven ontslag op staande voet geen stand houdt c.q. wordt vernietigd:

  • -

    De tussen [verweerster, tevens verzoekster] en [verzoeker, tevens verweerder] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden per eerst mogelijke datum wegens verwijtbaar handelen en nalaten, een ernstig verstoorde arbeidsverhouding alsmede andere hierboven beschreven bijzondere omstandigheden.

  • -

    Voor recht te verklaren dat [verzoeker, tevens verweerder] zijn geheimhoudingsbeding heeft geschonden en te veroordelen tot teruggave van alle bedrijfs- of cliëntgegevens waarover hij beschikt en te verbieden deze gegevens te verveelvoudigen of anderszins te gebruiken.

  • -

    [verzoeker, tevens verweerder] te veroordelen tot vergoeding van de daadwerkelijke nog nader te begroten proceskosten welke [verweerster, tevens verzoekster] in verband met deze procedure heeft moeten maken, te vermeerderen met de gebruikelijke nakosten en de wettelijke rente daarover vanaf zeven dagen na betekenen van de in deze te wijzen beschikking tot aan de dag der algehele voldoening.

3.4.

[verweerster, tevens verzoekster] meent dat de verzochte vernietiging van het ontslag op staande voet moet worden afgewezen. Er is volgens [verweerster, tevens verzoekster] – samengevat - sprake van een terecht en onverwijld gegeven ontslag op staande voet. Ter nadere toelichting op de in de ontslagbrief gegeven redenen voert [verweerster, tevens verzoekster] aan dat [verzoeker, tevens verweerder] is aangenomen voor de functie van Business Controller, wiens taken duidelijk zijn vermeld in de functiebeschrijving. Echter, [verzoeker, tevens verweerder] hield zich herhaaldelijk bezig met taken die buiten zijn functiebeschrijving vielen, zoals het draaien van een dienst op de locatie [vestigingsplaats] . Er was volgens [verweerster, tevens verzoekster] geen noodsituatie en er waren goede alternatieven beschikbaar om de bezetting alsnog op orde te krijgen. [verzoeker, tevens verweerder] stelde zich op als Algemeen directeur en deed naar medewerkers voorkomen of hij beschikte over alle bevoegdheden. Volgens [verweerster, tevens verzoekster] kwam dit doordat [verzoeker, tevens verweerder] [verweerster, tevens verzoekster] wilde kopen. Nadat hem in eerste instantie een eerste recht van overname werd gegund, is de (middellijk) bestuurder van [verweerster, tevens verzoekster] hierop terug gekomen. Op het moment dat de overname van [verweerster, tevens verzoekster] door [verzoeker, tevens verweerder] niet doorging, bracht [verzoeker, tevens verweerder] plotseling financiële problemen van [verweerster, tevens verzoekster] aan het licht (waaronder aan medewerkers), welke naar de mening van [verweerster, tevens verzoekster] niet juist zijn. Hierdoor heeft [verzoeker, tevens verweerder] onrust gecreëerd onder de medewerkers en de cliënten van [verweerster, tevens verzoekster] . Ten aanzien van het optreden van [verzoeker, tevens verweerder] als gemachtigde van een cliënt met betrekking tot diens PGB, merkt [verweerster, tevens verzoekster] op dat zij dan wel aangesloten medewerkers in geen geval een PGB beheren van een cliënt. Dit kan namelijk leiden tot belangenverstrengeling en fraude. [verzoeker, tevens verweerder] heeft door zijn handelen het belang van de cognitief beperkte cliënt in het geding gebracht, en heeft daarnaast de licentie van [verweerster, tevens verzoekster] direct op het spel gezet.

3.5.

[verweerster, tevens verzoekster] is van mening dat op grond van het voorgaande het ontslag op staande voet op rechtsgeldige wijze is gegeven wegens het bestaan van meerdere dringende redenen die zowel in onderlinge samenhang als op zichzelf bezien een dringende reden opleveren. Het verzoek van [verzoeker, tevens verweerder] dient dan ook te worden afgewezen. Indien het verzoek evenwel wordt toegewezen, verzoekt [verweerster, tevens verzoekster] de arbeidsovereenkomst te ontbinden, omdat de onderlinge arbeidsverhouding door toedoen van verwijtbaar handelen van [verzoeker, tevens verweerder] dermate is verstoord dat voortzetting van het dienstverband niet langer mogelijk is. Zij beroept zich hierbij op artikel 7:671b lid 1, aanhef en onder a BW jo. 7:669 lid 3, aanhef en onder e, g en h BW.

3.6.

Op de nadere stellingen van partijen zal – voor zover relevant – in het navolgende worden ingegaan.

4 De beoordeling

Het verzoek van [verzoeker, tevens verweerder]

4.1.

De kantonrechter stelt vast dat [verzoeker, tevens verweerder] zijn verzoekschrift, gelet op de in artikel 7:686a lid 4 BW genoemde vervaltermijnen, tijdig heeft ingediend.

4.2.

Het gaat in deze zaak om de vraag of het aan [verzoeker, tevens verweerder] gegeven ontslag op staande voet moet worden vernietigd.

4.3.

Ten aanzien van het ontslag op staande voet overweegt de kantonrechter het volgende. Uit artikel 7:681 lid 1 sub a BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Het eerste lid van het laatstgenoemde artikel bepaalt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig kan opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij sprake is van een van de in dat artikellid onder a) tot en met h) genoemde uitzonderingen. Tussen partijen staat vast dat de bedoelde schriftelijke instemming ontbreekt. [verweerster, tevens verzoekster] beroept zich op de in het genoemde artikellid onder c) genoemde grond, namelijk dat zij de arbeidsovereenkomst onverwijld heeft opgezegd om een dringende reden, onder mededeling van die reden aan de wederpartij, als genoemd in artikel 7:677 lid 1 BW (het zogeheten ontslag op staande voet).

4.4.

Voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet is vereist dat er sprake is van een onverwijlde opzegging om een dringende reden. Het gesprek met [verzoeker, tevens verweerder] heeft op 4 oktober 2016 plaatsgevonden, waarna [verzoeker, tevens verweerder] per diezelfde datum op staande voet is ontslagen. Het ontslag is daarmee naar het oordeel van de kantonrechter onverwijld gegeven. Vervolgens staat ter beantwoording de vraag of sprake is van een dringende reden.

De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.

4.5.

Vooropgesteld wordt dat voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden die een beëindiging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt, alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking dienen te worden genomen, waaronder de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur ervan en de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem zouden hebben. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen in dit geval bij de werkgever.

4.6.

[verweerster, tevens verzoekster] heeft in haar brief van 4 oktober 2016 zeven redenen aangevoerd waarop zij het ontslag op staande voet heeft gebaseerd, zoals genoemd onder 2.8. Het aan [verzoeker, tevens verweerder] als dringende reden voor het ontslag genoemde feitencomplex dient, voor zover door [verzoeker, tevens verweerder] betwist, in beginsel in zijn geheel in rechte te komen vast te staan. Dit is slechts anders indien a) het bedoelde gedeelte op zichzelf beschouwd kan worden als een dringende reden voor ontslag op staande voet, b) de werkgever heeft gesteld, en ook aannemelijk is, dat hij de werknemer ook op staande voet zou hebben ontslagen indien hij — anders dan hij blijkens de ontslagaanzegging meende — daarvoor niet meer grond zou hebben gehad dan in rechte is komen vast te staan en c) dit laatste voor de werknemer in het licht van de gehele inhoud van die aanzegging en de overige omstandigheden van het geval ook duidelijk moet zijn geweest. [verweerster, tevens verzoekster] heeft niet, althans daarvoor onvoldoende, gesteld dat zij [verzoeker, tevens verweerder] ook zou hebben ontslagen op basis van slechts een deel van het in de ontslagbrief vermelde feitencomplex en dat valt overigens ook niet uit de ontslagbrief te herleiden. Reeds op die grond kan het gegeven ontslag op staande voet niet in stand blijven.

4.7.

De kantonrechter overweegt verder het volgende. Ten aanzien van het verwijt dat [verzoeker, tevens verweerder] zich bezighield met zorginhoudelijke taken zonder wetenschap van de directie, oordeelt de kantonrechter als volgt. Enerzijds kan het [verzoeker, tevens verweerder] worden aangerekend dat hij op de locatie [vestigingsplaats] - zonder daartoe bevoegd en geschoold te zijn - zich met het verlenen van zorg aan (potentieel) gevaarlijke cliënten heeft beziggehouden. Anderzijds heeft [verzoeker, tevens verweerder] aangevoerd op dat moment een noodsituatie te hebben ervaren vanwege de onderbezetting en het feit dat hij niemand kon bereiken die het probleem kon oplossen. [verzoeker, tevens verweerder] heeft op dat moment gedacht dat hij juist in het belang van [verweerster, tevens verzoekster] handelde door zelf de betreffende dienst te draaien. Nadat [verzoeker, tevens verweerder] daarvoor op 4 augustus 2016 een waarschuwing had gekregen, heeft hij geen diensten meer gedraaid. Het voorgaande afwegende en in onderlinge samenhang beschouwd, oordeelt de kantonrechter dat de verweten gedraging sowieso geen zelfstandige grond oplevert voor het ontslag op staande voet. Van andere door [verzoeker, tevens verweerder] uitgevoerde zorginhoudelijke taken is de kantonrechter overigens onvoldoende gebleken.

4.8.

Ten aanzien van het optreden als gemachtigde van een cliënt van [verweerster, tevens verzoekster] overweegt de kantonrechter dat [verzoeker, tevens verweerder] niet op eigen titel c.q. die van [verweerster, tevens verzoekster] , de machtiging voor vertegenwoordiger van PGB-zaken van een cliënt had mogen invullen. [verzoeker, tevens verweerder] heeft daarmee (mogelijk) het voortbestaan en de reputatie van [verweerster, tevens verzoekster] in gevaar gebracht. [verzoeker, tevens verweerder] heeft hierover aangevoerd dat het een misverstand betrof door onwetendheid aan zijn zijde. Hij heeft te goeder trouw willen handelen en heeft ter zitting zijn fout erkend. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker, tevens verweerder] weliswaar een verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het optreden als gemachtigde, maar dat zijn handelen nog niet kwalificeert als een dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt.

4.9.

De overige verweten gedragingen, zijnde de geuite klachten van medewerkers en de cliënten die zich zorg maken over een dreigend faillissement, het doorsturen van e-mails met bedrijf en bedrijfseconomische informatie naar zijn privé e-mail, het verspreiden van de begroting en financiële overzichten onder medewerkers alsmede het deel van de PGB omzet dat nog niet gefactureerd zou zijn, zijn naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoende feitelijk onderbouwd. Het had op de weg van [verweerster, tevens verzoekster] gelegen, gelet op de gemotiveerde betwisting door [verzoeker, tevens verweerder] , gedocumenteerd aan te tonen, dat de aan [verzoeker, tevens verweerder] verweten gedragingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.

4.10.

Gelet op het hiervoor overwogene vormen de genoemde redenen voor het ontslag op staande voet van [verzoeker, tevens verweerder] ieder voor zich noch in onderling verband beschouwd een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW. De slotsom luidt dan ook dat de door [verzoeker, tevens verweerder] verzochte vernietiging van de gedane opzegging toewijsbaar is.

4.11.

Het verzoek tot wedertewerkstelling wijst de kantonrechter af. [verzoeker, tevens verweerder] heeft daarbij een onvoldoende belang, omdat de arbeidsovereenkomst van rechtswege zou eindigen per 17 februari 2017. Wel dient [verweerster, tevens verzoekster] aan [verzoeker, tevens verweerder] het overeengekomen loon met emolumenten door te betalen vanaf het moment dat zij daarmee is gestopt. De kantonrechter zal het verzoek tot doorbetaling van het salaris derhalve toewijzen tot het moment dat de dienstbetrekking is beëindigd. De wettelijke verhoging is eveneens toewijsbaar, met dien verstande dat de kantonrechter aanleiding ziet om deze te beperken tot 20%.

4.12.

De subsidiaire verzoeken behoeven geen behandeling nu het primaire verzoek wordt toegewezen.

Het tegenverzoek van [verweerster, tevens verzoekster]

4.13.

Door de vernietiging van het ontslag op staande voet, is de grondslag voor het primaire verzoek dat de arbeidsovereenkomst op 4 oktober 2016 rechtsgeldig is beëindigd komen te vervallen, zodat de kantonrechter dit primaire tegenverzoek afwijst.

4.14.

Subsidiair verzoekt [verweerster, tevens verzoekster] om ontbinding van de arbeidsovereenkomst per eerst mogelijke datum op grond van verwijtbaar handelen en nalaten (e-grond), een ernstig verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) alsmede andere hierboven beschreven bijzondere omstandigheden (h-grond).

4.15.

Uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Die eisen gelden volgens artikel 7:671b lid 2, eerste volzin, BW ook voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter. In artikel 7:669 lid 3 BW is (limitatief) omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. De door [verweerster, tevens verzoekster] aangevoerde gronden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst moeten ieder afzonderlijk worden beoordeeld. Daarbij geldt dat verschillende gronden die elk op zichzelf onvoldoende zijn voor ontbinding in het stelsel van de wet niet bij elkaar kunnen worden “opgeteld” om de ontbinding van de arbeidsovereenkomst te rechtvaardigen. Van de door [verweerster, tevens verzoekster] aangevoerde gronden moet ten minste één volledig voldragen zijn om het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te kunnen toewijzen.

Verwijtbaar handelen en nalaten (e-grond)

4.16.

Op grond van artikel 7:669 aanhef en lid 3 sub e BW kan een arbeidsovereenkomst worden ontbonden in geval van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Zoals onder 4.8. reeds opgemerkt, kwalificeert het handelen van [verzoeker, tevens verweerder] door op te treden als gemachtigde van een cliënt van [verweerster, tevens verzoekster] naar het oordeel van de kantonrechter als verwijtbaar. Evenwel is de gedraging niet ernstig verwijtbaar om de redenen dat [verzoeker, tevens verweerder] heeft aangevoerd dat het een misverstand betrof door onwetendheid aan zijn zijde (hij was ten tijde van de machtiging nog geen twee maanden in dienst en nog niet vertrouwd met de PGB-materie), hij te goeder trouw heeft willen handelen, ter zitting zijn fout heeft erkend en vooralsnog van een eenmalige actie kan worden uitgegaan. De verzochte ontbinding op de e-grond zal zodoende worden afgewezen. De overige aangevoerde gronden zijn gelet op hetgeen onder 4.7. en 4.9. reeds is overwogen onvoldoende aangetoond.

Verstoorde arbeidsverhouding (g-grond)

4.17.

Uit artikel 7:669 aanhef en lid 3 sub g BW volgt dat de arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden als sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Beoordeeld dient te worden of er sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, die van dien aard is dat van de werkgever in redelijkheid niet langer te vergen is dat hij het dienstverband continueert (Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 46). Hierbij moet de kantonrechter aan de hand van gesubstantieerde feiten en omstandigheden kunnen vaststellen dat sprake is van een zodanig zware en duurzame verstoring van de arbeidsverhouding dat geen objectiveerbare termen aanwezig zijn om aan te nemen dat deze arbeidsverhouding kan worden voortgezet.

4.18.

Uit het hiervoor overwogene kan uit de door [verweerster, tevens verzoekster] gestelde, maar door [verzoeker, tevens verweerder] betwiste, gedragingen van [verzoeker, tevens verweerder] in een periode van minder dan acht maanden dienstverband - waarvan de kantonrechter slechts één gedraging aantoonbaar verwijtbaar acht - naar het oordeel van de kantonrechter niet een verstoorde arbeidsverhouding worden aangenomen. Weliswaar leidt de kantonrechter uit het door partijen over en weer gestelde af dat sprake is geweest van tussen partijen ‘groeiende’ spanningen echter zonder dat partijen over en weer voldoende inspanningen hebben verricht om die spanningen weg te nemen. De grond van een verstoorde arbeidsrelatie is onvoldoende voldragen. De kantonrechter zal de verzochte ontbinding derhalve op de g-grond eveneens afwijzen.

4.19.

De voorts door [verweerster, tevens verzoekster] primair en subsidiair verzochte verklaring voor recht ter zake de vordering verband houdende met overtreding van het geheimhoudingsbeding zal worden afgewezen, omdat niet althans niet in voldoende mate is komen te staan dat [verzoeker, tevens verweerder] zijn geheimhoudingsbeding heeft geschonden en bedrijfs- of cliëntgegevens van [verweerster, tevens verzoekster] onder zich heeft.

Proceskosten

4.20.

[verweerster, tevens verzoekster] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

In het verzoek van [verzoeker, tevens verweerder]

5.1.

vernietigt het ontslag op staande voet van 4 oktober 2016;

5.2.

veroordeelt [verweerster, tevens verzoekster] tot betaling van het aan [verzoeker, tevens verweerder] toekomende loon ten bedrage van € 4.400,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke emolumenten en vakantietoeslag vanaf 5 oktober 2016 tot einde dienstverband;

5.3.

veroordeelt [verweerster, tevens verzoekster] om tegen kwijting aan [verzoeker, tevens verweerder] te betalen de tot 20% gematigde wettelijke verhoging over het salaris van € 4.400,= per maand voor zover [verweerster, tevens verzoekster] met de tijdige betaling in gebreke is, telkens vanaf de datum van opeisbaarheid tot de datum der voldoening;

5.4.

wijst het meer of anders verzochte af;

In het tegenverzoek van [verweerster, tevens verzoekster]

5.5.

wijst het verzochte af;

In zowel het verzoek van [verzoeker, tevens verweerder] als in het tegenverzoek van [verweerster, tevens verzoekster]

5.6.

veroordeelt [verweerster, tevens verzoekster] in de proceskosten van dit geding, begroot op € 679,=, waarvan € 600,= salaris gemachtigde;

5.7.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2017.