Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5063

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
6205482
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

ontbinding op grond van artikel 7:669 lid 3 sub d, disfunctioneren werknemer. Geen sprake van opzegverbod van ziekte houdt geen verband met ontslag reden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1390
AR 2017/6084
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 6205482 UE VERZ 17-322 AP/1183

Beschikking van 11 oktober 2017

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [verzoekster] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. N. Mauer,

tegen:

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verweerster] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. A.P. van Geffen.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties van [verzoekster] , ter griffie ingekomen op 31 juli 2017;

  • -

    het verweerschrift met producties van [verweerster] van 3 september 2017;

  • -

    de brief van 13 september 2017 van [verzoekster] met producties 21 t/m 23.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 september 2017. De advocaten hebben pleitnotities overgelegd en van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

1.3.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] , geboren op [1968] , is sinds 18 mei 2009 in dienst van [verzoekster] als Medewerker Crediteurenadministratie. De arbeidsovereenkomst geldt als te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor Railinfrastructuur (RIS) van toepassing.

2.2.

[verweerster] is bij [verzoekster] werkzaam op de afdeling financiële administratie, meer in het bijzonder het onderdeel crediteurenadministratie. Uit hoofde van haar functie is [verweerster] verantwoordelijk voor de correcte en tijdige verwerking van de crediteurenadministratie. Op basis van deze administratie vinden o.a. betalingen aan crediteuren plaats. Voor deze functie is accuratesse en nauwkeurigheid van groot belang.

2.3.

In de eerste jaren hebben zich geen noemenswaardige problemen voorgedaan omtrent het functioneren van [verweerster] , maar sedert 2014 maakte [verweerster] vaker fouten dan voorheen.

2.4.

[verweerster] is daar aanvankelijk wel op aangesproken maar op dat moment (nog) niet “officieel”. De fouten die werden gemaakt konden in zijn algemeenheid worden teruggevoerd op onvoldoende alertheid en onvoldoende nauwkeurigheid.

2.5.

Op 23 september 2014 heeft [verweerster] van [verzoekster] een officiële waarschuwing ontvangen voor het onbeheerd achterlaten van de kas, waarvoor [verweerster] twee maal verantwoordelijk was. De eerste keer door het daadwerkelijk open laten staan van de kas, de tweede keer door de sleutel en de toegangscode te toegankelijk in haar bureau te laten liggen.

2.6.

In het functioneringsgesprek over 2014 werden meerdere zwakke punten in het functioneren van [verweerster] besproken. In de beoordeling werd ook gesproken over de deelname van [verweerster] aan de OR, die haar veel tijd kostte. Aangegeven werd dat planning essentieel was en dat haar gebruikelijke werkzaamheden niet mochten lijden onder deze deelname.

2.7.

Op 12 mei 2015 werden door [verweerster] ten behoeve van de jaarafsluiting documenten opgeleverd die onjuist waren. Daarnaast zaten er afstemmingverschillen in de cijfers waarvoor geen deugdelijke verklaring was gegeven, en die tot vragen bij de accountant zouden gaan leiden. Ook waren onjuiste namen vermeld op de standaard bankverklaringen, ondanks het verzoek deze nog te checken. [verweerster] is daarop aangesproken en heeft per e-mail haar excuses aangeboden.

2.8.

Er bleven zich echter fouten voordoen en over het jaar 2015 werd het functioneren van [verweerster] beoordeeld als “onvoldoende”. [verweerster] heeft geen opmerkingen toegevoegd en het beoordelingsformulier ondertekend.

2.9.

[verweerster] zond in juni 2016 niet tijdig gegevens naar het CBS, bij gebreke waarvan het mogelijk is dat een boete wordt opgelegd, ondanks dat zij opdracht had gekregen dit wel tijdig te doen.

2.10.

Er werden onregelmatigheden geconstateerd in de financiële verslaglegging. [verweerster] was verzocht bepaalde gegevens te controleren. Zij gaf aan dit te hebben gedaan, maar vervolgens bleken de gegevens niet te kloppen. [verweerster] werd daarop aangesproken.

2.11.

Op 28 september 2016 werd door [verweerster] een intercompany betaling gedaan van € 700.000,= aan de verkeerde firma. Deze firma heeft [verweerster] zelf benaderd en voornoemd bedrag terugbetaald. [verweerster] heeft deze foute boeking niet direct bij haar leidinggevende gemeld. [verweerster] is hierop aangesproken en heeft haar excuses gemaakt. Opnieuw is met [verweerster] , tijdens een gesprek op 11 oktober 2016, gesproken over het grote aantal fouten van haar en is haar te kennen gegeven dat hierin echt verbetering moest komen. Zij heeft bij die gelegenheid een tweede officiële waarschuwing gehad. Tevens werd afgesproken dat [verweersters] leidinggevende, [A] , cc zou worden opgenomen in alle te versturen e-mails, dat er wekelijks bila’s gehouden zouden worden, dat [verweerster] het eigen werk zou controleren en dat tijdens de bila’s evaluaties zouden plaatsvinden.

2.12.

Begin november 2016 gaf [verweerster] aan [A] een verkeerd bankrekeningnummer door. Ook hier is zij per e-mail op aangesproken.

2.13.

Op 23 maart 2017 is [verweerster] in overleg met [verzoekster] bij de bedrijfsarts geweest. Onderzocht is of het maken van fouten te maken zou kunnen hebben met problemen aan de ogen van [verweerster] . Op 15 juni 2017 is gerapporteerd dat [verweerster] medisch gezien geschikt was voor haar werkzaamheden.

2.14.

Op 24 maart 2017 is door [verweerster] het bedrag van de salarissen en de loonbelasting omgedraaid in een door haar opgestelde liquidatiestaat. Ook de valutadata waren omgedraaid. Indien de fout niet was opgemerkt door haar leidinggevende was er een onjuist bedrag aan loonbelasting en salarissen afgeschreven. [verweerster] is hierop aangesproken.

2.15.

Op 12 april 2017 heeft [verweerster] het bedrag loonbelasting en het grootboekrekeningnummer omgedraaid. Ook daarop is zij aangesproken. Op diezelfde datum vergat [verweerster] ook een firmastempel toe te voegen aan een document, dat van belang was voor de accountant. Daarvoor heeft zij haar excuses aangeboden.

2.16.

Op 13 april 2017 is [verweerster] aangesproken op een fout in een door haar gemaakte berekening. Op dezelfde dag heeft [verweerster] de kosten van een bepaald transport onjuist verwerkt. Op 30 mei 2017 werd geconstateerd dat door [verweerster] bij de betaling van motorrijtuigenbelasting een verkeerd aanslagnummer is opgegeven. Op 20 juni 2017 boekte zij bedragen exclusief BTW terwijl dit inclusief had gemoeten. [verweerster] is op deze fouten aangesproken.

2.17.

Op 26 juni 2017 heeft [verzoekster] geconstateerd dat [verweerster] op eigen initiatief en zonder goedkeuring van haar leidinggevende, vertrouwelijke bedrijfsinformatie heeft verzonden aan een van de aandeelhouders van [verzoekster] . [verweerster] had een besluit van de aandeelhoudersvergadering aan de betreffende aandeelhouder moeten toezenden, maar in plaats daarvan heeft [verweerster] documenten toegezonden met daarin de bruto marges, omzet per maand, EBIT per maand, bankstanden, balans etc. [verweerster] is daarop een dag later aangesproken.

2.18.

[verweerster] heeft zich op 30 juni 2017 ziek gemeld. Op 10 juli 2017 heeft zij het spreekuur van de bedrijfsarts bezocht. De arts heeft vastgesteld dat [verweerster] is uitgevallen vanwege fysieke klachten en vermoeidheid. Ze was beperkt in energie en concentratie. Het advies van de arts was om enkele weken rust te houden en om na de vakantie met twee keer twee uur passende werkzaamheden te beginnen. [verzoekster] heeft [verweerster] op non-actief gesteld, in afwachting van de uitkomst van deze procedure.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekster] verzoekt op grond van het bepaalde in artikel 7:671b lid 1 onder a en artikel 7:669 lid 3 sub d Burgerlijk Wetboek (BW) om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen op de kortst mogelijke termijn.

3.2.

[verzoekster] heeft daartoe aangevoerd dat zij een redelijke grond tot opzeggen heeft op grond van artikel 7:669 lid 3 sub d BW, te weten dat er sprake is van ongeschiktheid van [verweerster] tot het verrichten van de bedongen arbeid, anders dan ten gevolge van ziekte of gebreken van [verweerster] , dat [verzoekster] haar hiervan tijdig in kennis heeft gesteld en haar in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld haar functioneren te verbeteren en dat de ongeschiktheid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van [verzoekster] voor scholing van [verweerster] of voor haar arbeidsomstandigheden.

3.3.

Meer in het bijzonder stelt [verzoekster] dat zij het vertrouwen in [verweerster] is verloren. [verweerster] maakt reeds sinds 2014 veelvuldig fouten in haar werk, terwijl zij een positie bekleedt binnen [verzoekster] , te weten de crediteurenadministratie, waarin accuratesse en nauwkeurigheid van cruciaal belang zijn. Al vanaf eind 2014 vinden regelmatig gesprekken met [verweerster] plaats waarbij zij op haar tekortkomingen in haar functioneren wordt gewezen en in staat is gesteld daarin verbeteringen aan te brengen. [verweerster] belooft telkens beterschap, maar blijkt niet in staat die verbeteringen ook daadwerkelijk door te voeren. [verzoekster] meent dat zij voldoende maatregelen heeft genomen om [verweerster] te ondersteunen. Er hebben (wekelijkse) gesprekken plaatsgevonden en de leidinggevende van [verweerster] heeft veelvuldig controles uitgevoerd, om eventuele fouten tijdig te corrigeren. Daarbij heeft [verzoekster] aangegeven dat tijdens de gesprekken nauwelijks enige input kwam van [verweerster] , terwijl dat van haar wel verwacht mocht worden. Meer dan het creëren van bewustwording dat het van groot belang is dat de financiële rapportage correct is en de werkzaamheden van [verweerster] controleren, kan [verzoekster] volgens haar ook niet doen. Voor de leidinggevende is het ondoenlijk om alle werkzaamheden van [verweerster] continu te blijven controleren. De (financiële) risico’s op de afdelingen waar [verweerster] werkt zijn aanzienlijk. Van [verzoekster] kan gelet op al het voorgaande niet worden verwacht dat zij [verweerster] in dienst houdt.

4 Het verweer

4.1.

[verweerster] voert verweer. Zij stelt zich primair op het standpunt dat er geen redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst bestaat. Voor het geval de arbeidsovereenkomst zou worden ontbonden, verzoekt zij om toekenning van de transitievergoeding en inachtneming van de opzegtermijn.

4.2.

[verweerster] heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat sprake is van een opzegverbod bij ziekte. Zij stelt dat het ontbindingsverzoek niet wordt ingegeven door disfunctioneren, maar door haar ziekmelding in juni 2017. [verzoekster] heeft niet eerder aangekondigd dat zij voornemens was de arbeidsovereenkomst te gaan ontbinden, ook niet na het incident van 26 juni 2017. Pas ná de ziekmelding is zij daartoe overgegaan.

4.3.

Voorts stelt [verweerster] dat (nog) geen sprake is van een voltooide ontslaggrond. In de eerste plaats stelt zij dat er geen sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van haar werkzaamheden. [verweerster] betwist enkele van de gestelde incidenten, maar erkent dat zij regelmatig fouten maakte. Om die reden was zij ook bij de bedrijfsarts in maart 2017. Echter, de fouten zijn niet zo groot als [verzoekster] doet vermoeden. [verweerster] heeft daarbij aangegeven dat zij zich vanaf het moment dat zij deelnam aan de OR tegengewerkt heeft gevoeld door haar leidinggevende. Zij verwijst daarvoor onder meer naar hetgeen daaromtrent op één van haar beoordelingen is vermeld: de leidinggevende zou niet enthousiast zijn omdat de OR tijd kostte en dit volgens hem ten koste ging van haar werk. Er was in die periode echter sprake van een reorganisatie, zodat zij eerder meer dan minder tijd kwijt was aan OR werk. [verweerster] wijst er voorts op dat in het verzoekschrift wordt gesteld dat zij drie maal de kluis heeft opengelaten, maar dat dit slechts één maal was. De andere keer had haar leidinggevende in haar la gekeken en de code daar gevonden. Volgens [verweerster] had hij daarvoor goed moeten zoeken, tussen haar privé spullen. [verweerster] stelt dat er onevenredig veel op haar wordt gelet. Voor wat betreft de cijfers die dienden te worden aangeleverd aan het CBS, stelt zij dat zij uit ervaring wist dat de door hen gestelde termijn niet keihard was. Andere jaren werd het ook wel eens later ingediend. Vanwege de tijdsdruk had zij ervoor gekozen de betreffende cijfers later in te dienen. Er was dus geen sprake van een risico maar [verzoekster] greep dit incident aan om een dossier op te bouwen. Over de foute intercompany betaling stelt [verweerster] dat ook dit groter wordt gemaakt dan het was: het betreffende bedrag was binnen een half uur teruggeboekt en [verweerster] heeft het later wel op een spreadsheet vermeld. Zij stelt aldus niets “onder de pet” te hebben gehouden, zoals [verzoekster] stelt. De verwisseling van salarissen en loonbelasting op 24 maart 2017 was het gevolg van drukte. Het betrof een beperkte fout terwijl de rest van haar werkzaamheden foutloos was. Voor zover [verweerster] heeft kunnen nagaan heeft de fout geen financiële gevolgen gehad voor [verzoekster] . Hetzelfde geldt voor het vergeten bedrijfsstempel. De fout van 13 april 2017 werd veroorzaakt doordat dit een nieuwe taak was voor [verweerster] . Wat betreft de “onjuist” geboekte transportkosten stelt [verweerster] dat zij dit juist deed conform afspraken met de afdeling inkoop, maar dat zij van haar leidinggevende niet de gelegenheid kreeg dit uit te leggen. Ook het incident dat volgens [verzoekster] de spreekwoordelijke “druppel” vormde, is volgens [verweerster] groter gemaakt dan het is. [verweerster] ging ervan uit dat zij de, achteraf gezien vertrouwelijke, stukken wel door mocht sturen, omdat dit het jaar daarvoor ook was gebeurd, al was het niet door haar zelf verzonden toen. Zij betreurt de fout maar was zich van geen kwaad bewust. Er was eerder sprake van een misverstand dan van een fout van haar.

[verweerster] meent dat [verzoekster] onvoldoende gedaan heeft om haar te begeleiden. Zij heeft nooit een cursus (welke dan ook) mogen doen gedurende haar dienstverband bij [verzoekster] , terwijl dit wellicht wel had geholpen. Verder was afgesproken dat er wekelijkse gesprekken zouden plaatsvinden, maar daarvan was geen sprake. Hooguit maandelijks. De toon van de gesprekken was volgens [verweerster] zodanig dat zij daar eerder zenuwachtig door werd, dan dat zij zich ondersteund voelde. Er is nooit gesteld dat haar dienstverband op het spel stond, dat kwam voor haar als een volslagen verassing.

5 De beoordeling

5.1.

Uitgangspunt bij de beoordeling van het verzoek van [verzoekster] is dat de werkgever op grond van het bepaalde in artikel 7:671b BW de kantonrechter kan verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een redelijke grond. [verzoekster] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van disfunctioneren in de zin van artikel 7:671b lid 1, aanhef en onder a BW juncto artikel 669 lid 3, aanhef en onder d BW. Op grond van artikel 7:671b lid 2 BW dient de kantonrechter te onderzoeken of aan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst is voldaan, en – daarmee – of deze redelijke grond de verzochte ontbinding kan dragen.

5.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:671b lid 2 BW is onderzocht of een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW of enig ander opzegverbod geldt.

[verweerster] heeft een beroep gedaan op het opzegverbod van artikel 7:670 lid 1 BW. De kantonrechter is van oordeel dat dit opzegverbod niet aan ontbinding in de weg staat, omdat het verzoek van [verzoekster] geen verband houdt met omstandigheden waarop dat opzegverbod betrekking heeft, gelet op het overgelegde dossier, waarin al sedert 2014 melding wordt gemaakt van fouten en waarbij sprake is van twee officiële waarschuwingen. Ook is geen sprake van een opzegverbod wegens het lidmaatschap van de OR, omdat [verweerster] sinds 1 juni 2017 geen lid meer is van de OR.

5.3.

Over de vraag of de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden, wordt het volgende overwogen. Uit de feiten en omstandigheden die partijen hebben gesteld komt een beeld naar voren van een werknemer die sinds ongeveer 2014 tot juni 2017 eigenlijk te vaak fouten maakt. Soms kleine fouten, maar soms ook grote fouten, zoals het overboeken van een (aanzienlijk) bedrag naar het verkeerde bedrijf of het ten onrechte toezenden van vertrouwelijke informatie. [verweerster] betwist niet dat zij fouten maakt, maar stelt wel dat [verzoekster] deze ten behoeve van haar ontbindingsverzoek groter maakt dan zij zijn. Deze reactie van [verweerster] , dat het allemaal wel meevalt, valt soms ook te lezen in de overgelegde e-mails, waarin over de door [verweerster] gemaakte fouten wordt gecommuniceerd tussen [verzoekster] en haarzelf. [verweerster] stelt dat haar functioneren onder een vergrootglas ligt en dat [verzoekster] vaak onredelijk reageert op fouten, door deze alleen te gebruiken voor dossieropbouw, terwijl zij [verweerster] daarnaast onvoldoende ondersteuning biedt om tot verbetering te komen, bijvoorbeeld door het laten volgen van een cursus. Ook klaagt [verweerster] erover dat de wekelijkse gesprekken, zoals [verzoekster] stelt met haar te hebben gevoerd, helemaal niet wekelijks plaatsvonden, maar hooguit maandelijks. En dat deze gesprekken niet opbouwend waren, maar vooral een opsomming waren van de door haar in de voorliggende periode gemaakte fouten.

De kantonrechter overweegt dat voorop staat dat van een werknemer op de crediteurenadministratie een bovengemiddelde mate van accuratesse en nauwkeurigheid mag worden verwacht. Een fout kan immers tot grote (financiële) gevolgen leiden. Voor het goed functioneren van een afdeling crediteurenadministratie is het noodzakelijk dat de werkgever erop kan vertrouwen dat er door de bank genomen slechts sporadisch fouten worden gemaakt. Dat [verweerster] geregeld slechts “kleine” fouten maakt kan zo zijn, maar ook deze fouten dragen bij aan het algemene gevoel van [verzoekster] dat er te vaak zaken fout gaan in het werk van [verweerster] . Zeker nu zij ook al een aantal grote fouten heeft gemaakt. Ook de geregelde reactie van [verweerster] , dat het wel meeviel en dat er geen financiële gevolgen zijn geweest, draagt begrijpelijkerwijze niet bij tot het gevoel van vertrouwen bij [verzoekster] . Hoewel het begrijpelijk is dat [verweerster] zich ongemakkelijk voelde bij de “dossieropbouw” van [verzoekster] , moet dit geacht worden wel een passende manier te zijn om het probleem waartegen partijen aanliepen in kaart te brengen. [verweerster] legt de verantwoordelijkheid voor de verbetering van haar functioneren vooral bij [verzoekster] , terwijl sprake is van een gezamenlijke verantwoordelijkheid. [verweerster] geeft aan dat de wekelijkse gesprekken, zoals in het verbetertraject gepland stonden, niet wekelijks maar maandelijks plaatsvonden. [verweerster] heeft daar echter nooit over geklaagd, althans dat is gesteld noch gebleken. Noch heeft [verweerster] inzichtelijk gemaakt wat voor soort cursus [verzoekster] haar had moeten laten volgen om tot verbetering te komen, of wat zij zelf heeft gedaan of voorgesteld om tot verbetering te komen. Uit de gestelde feiten en omstandigheden komt duidelijk naar voren dat [verweerster] wellicht wel van goede wil is, maar onvoldoende in staat blijkt om nauwkeurig genoeg te werk te gaan, met te regelmatig fouten tot gevolg. [verzoekster] heeft [verweerster] geruime tijd geboden om tot verbetering te komen, maar van een duidelijke verbetering is geen sprake. Van [verzoekster] kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden verwacht dat zij deze situatie nog langer laat voortduren.

5.4.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een redelijke grond voor opzegging, en daarmee voor ontbinding, van de arbeidsovereenkomst van partijen. Herplaatsing van [verweerster] binnen een redelijke termijn behoort niet tot de mogelijkheden en ligt niet in de rede, omdat [verzoekster] voldoende heeft aangetoond dat deze werkzaamheden niet voorhanden zijn. Het verzoek wordt daarom ingewilligd.

5.5.

Nu het verzoek tot ontbinding wordt ingewilligd, dient het einde van de arbeidsovereenkomst te worden bepaald. De kantonrechter bepaalt dit einde op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd (volgens partijen bedraagt de opzegtermijn 2 maanden), waarbij – nu de ontbinding niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] – de duur van de periode die aanvangt op de datum van ontvangst van het verzoek (31 juli 2017) en eindigt op de datum van dagtekening van de ontbindingsbeslissing (11 oktober 2017) in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat een termijn van minstens een maand resteert. Dit betekent concreet dat de arbeidsovereenkomst per 1 december 2017 zal eindigen.

5.6.

[verweerster] heeft verzocht om, in het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, te bepalen dat [verzoekster] aan haar een transitievergoeding verschuldigd is. De kantonrechter overweegt dat de transitievergoeding voor [verweerster] neerkomt op een bedrag van € 9.988,00 bruto, uitgaande van 17 halve dienstjaren en een salaris van € 3.525,03 per maand.

5.7.

In artikel 7:686a lid 6 BW is bepaald dat, alvorens een ontbinding waaraan een vergoeding wordt verbonden, wordt uitgesproken, de rechter partijen van zijn voornemen in kennis stelt en een termijn stelt waarbinnen de verzoeker de bevoegdheid heeft zijn verzoek in te trekken. [verzoekster] krijgt daartoe de gelegenheid op de hieronder genoemde termijn.

5.8.

De proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

- stelt [verzoekster] in de gelegenheid uiterlijk 18 oktober 2017 het verzoek in te trekken;

en voor het geval het verzoek niet tijdig wordt ingetrokken:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen;

- bepaalt het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 december 2017;

- veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerster] een transitievergoeding van € 9.988,00 bruto te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de voldoening;

- wijst af het meer of anders verzochte;

- compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen;

en voor het geval het verzoek tijdig wordt ingetrokken:

- veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten aan de zijde van [verweerster] , tot deze beschikking begroot op € 500,00;

Deze beschikking is gegeven door mr. G.J. van Binsbergen, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2017.