Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2017:5045

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-10-2017
Datum publicatie
23-10-2017
Zaaknummer
C/16/431052 / HA ZA 17-100 en C/16/431109 / HA ZA 17-103
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Stellingen onvoldoende voor toewijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

Vonnis van 11 oktober 2017

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/16/431052 / HA ZA 17-100 van

[eiser in de zaak met zaaknummer 431052] ,

wonend in [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. H. den Besten in Almere,

tegen

de stichting

[gedaagde] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] en kantoorhoudend in [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. B.R. Kleij in Rotterdam,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/16/431109 / HA ZA 17-103 van

[eiser in de zaak met zaaknummer 431109] ,

wonend in [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. H. den Besten in Almere,

tegen

de stichting

[gedaagde] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] en kantoorhoudend in [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. B.R. Kleij in Rotterdam.

Eisers zullen hierna [eiser in de zaak met zaaknummer 431052] en [eiser in de zaak met zaaknummer 431109] genoemd worden. Gedaagde zal [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure in de zaak van [eiser in de zaak met zaaknummer 431052] (zaaknummer 431052) blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Het verloop van de procedure in de zaak van [eiser in de zaak met zaaknummer 431109] (zaaknummer 431109) blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.3.

Ten slotte is in beide zaken vonnis bepaald. Omdat de zaken vrijwel gelijkluidend zijn, zal daarin één vonnis gewezen worden.

2 De beoordeling

2.1.

[gedaagde] is actief in de gezondheidszorg. Zij werd bestuurd door [eiser in de zaak met zaaknummer 431052] , [eiser in de zaak met zaaknummer 431109] en een derde persoon. [eiser in de zaak met zaaknummer 431052] en de derde persoon waren ook (indirect) aandeelhouder van [bedrijfsnaam 1] ( [bedrijfsnaam 1] ), aan wie [gedaagde] werkzaamheden uitbesteedde. Eind 2010 of begin 2011 is [A] in hun plaats bestuurder van [gedaagde] geworden, en heeft zijn vennootschap [bedrijfsnaam 2] B.V. de aandelen van [bedrijfsnaam 1] gekocht. [eiser in de zaak met zaaknummer 431052] en [eiser in de zaak met zaaknummer 431109] bleven bepaalde werkzaamheden voor [gedaagde] verrichten. [bedrijfsnaam 1] heeft sindsdien haar naam gewijzigd. Zij voert als handelsnaam [handelsnaam] ( […...] ).

2.2.

[eiser in de zaak met zaaknummer 431052] vordert nu betaling door [gedaagde] van € 28.700, met € 2.696,94 aan buitengerechtelijke incassokosten, rente en verdere kosten, waaronder beslagkosten.

[eiser in de zaak met zaaknummer 431109] vordert betaling door [gedaagde] van € 32.018 met € 2.787,74 aan buitengerechtelijke incassokosten, rente en verdere kosten, waaronder opnieuw beslagkosten.

Beiden beroepen zich daarvoor op een overeenkomst, die samenhangt met de aandelenoverdracht. In het bij repliek overgelegde stuk is een betaling van [gedaagde] aan zowel [eiser in de zaak met zaaknummer 431052] als [eiser in de zaak met zaaknummer 431109] van ieder € 1.735 per maand overeengekomen.

2.3.

De overgelegde overeenkomst is echter niet ondertekend. Eronder staat, schuingedrukt:

Het aanblijven van de heer [eiser in de zaak met zaaknummer 431052] als bestuurder van [gedaagde] staat op grond van op artikel 3 lid 5 van de statuten van de stichting (bestuurders zijn onbezoldigd) op gespannen voet met deze overeenkomst! Ik kan hiervan de consequenties niet overzien. Wellicht verstandig de overeenkomst een maand later te laten gaan?

Die opmerking wijst erop dat dit een concept is, dat ook inhoudelijk mogelijk nog niet helemaal was afgekaart.

2.4.

De vordering van [eiser in de zaak met zaaknummer 431052] is gespecificeerd met totalen per kwartaal:

2013 kw2 € 5.600

2013 kw3 4.800

2013 kw4 5.200

[...] 10.000

2014 kw1 1.500

2014 kw2 1.600

totaal € 28.700

2.5.

De vordering van [eiser in de zaak met zaaknummer 431109] is als volgt samengesteld:

2013 factuur [gedaagde] - [...] -2013-02 € 6.110

factuur [gedaagde] - [...] -2013-03 5.980

factuur [gedaagde] - [...] -2013-04 3.510

factuur [gedaagde] - [...] -2013-05 10.000

2014 factuur [gedaagde] - [...] -2014-01 1.560

factuur [gedaagde] - [...] -2014-02 2.535

factuur [gedaagde] - [...] -2014-03 585

onkostenvergoeding 2013 gecorrigeerd 1.738

totaal € 32.018

2.6.

[eiser in de zaak met zaaknummer 431052] en [eiser in de zaak met zaaknummer 431109] hebben geen van beiden toegelicht wat de werkzaamheden inhielden. Belangrijker is nog dat zij ook niet hebben uitgelegd hoe zij aan deze bedragen komen. Zij beroepen zich op het maandbedrag van € 1.735 in de overeenkomst, maar het verband daarmee is voor de rechtbank volkomen onduidelijk. Driemaal € 1.735 zou leiden tot een kwartaalbedrag van € 5.205. Het overzicht met betalingen aan [eiser in de zaak met zaaknummer 431052] , dat zij als bewijs overleggen, roept nog meer vragen op. Het vermeldt drie betalingen van € 1.735 op 22 augustus 2011, eveneens drie op 5 september 2011, twee op 22 februari 2013 en één op 28 mei 2013. Dat wijst niet echt op maandelijkse betalingen.

2.7.

De conclusie luidt dat de stellingen niet voldoende zijn voor toewijzing. Met name het verband tussen de stelling dat partijen betalingen van € 1.735 per maand zijn overeengekomen en de gevorderde bedragen is niet toegelicht. Omdat de stellingen dit hiaat vertonen, komt de rechtbank aan bewijs niet toe. Als alle door [eiser in de zaak met zaaknummer 431052] en [eiser in de zaak met zaaknummer 431109] gestelde feiten zouden vaststaan, kan de rechtbank daaruit nog steeds niet afleiden dat [gedaagde] hun deze bedragen zou moeten betalen.

2.8.

[eiser in de zaak met zaaknummer 431052] en [eiser in de zaak met zaaknummer 431109] vragen bij repliek beiden om een comparitie van partijen na dupliek, om eventueel een schikking te bespreken. Daarvoor ziet de rechtbank geen aanleiding. Die comparitie zou primair moeten dienen om uit te leggen wat er in deze zaak eigenlijk aan de hand is. Dat had in de dagvaarding moeten gebeuren. Het gebrek had in de conclusie van repliek hersteld kunnen worden, maar ook dat is niet gebeurd. Dat komt voor risico van [eiser in de zaak met zaaknummer 431052] en [eiser in de zaak met zaaknummer 431109] . Hun vordering zal daarom zonder meer worden afgewezen, evenals de (daarvan afhankelijke) vorderingen tot vergoeding van rente, buitengerechtelijke incassokosten en andere kosten.

2.9.

In zaak 431052 zal [eiser in de zaak met zaaknummer 431052] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, en in zaak 431109 [eiser in de zaak met zaaknummer 431109] . In elk van beide zaken worden de kosten aan de zijde van [gedaagde] begroot op:

- griffierecht € 1.924,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 3.082,00

De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

2.10.

[gedaagde] vordert de wettelijke handelsrente over proceskosten en nakosten, met verwijzing naar artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze betalingsverplichtingen vloeien echter niet voort uit een handelsovereenkomst. Daarom zal alleen de gewone wettelijke rente worden toegewezen.

3 De beslissing in zaak 431052 / HA ZA 17-100

De rechtbank

3.1.

wijst de vorderingen af;

3.2.

veroordeelt [eiser in de zaak met zaaknummer 431052] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 3.082,00, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.3.

veroordeelt [eiser in de zaak met zaaknummer 431052] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, als hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis voldoet en het vonnis vervolgens betekend wordt, met € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening, en te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na betekening tot aan de voldoening;

3.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

4 De beslissing in zaak 431109 / HA ZA 17-103

De rechtbank

4.1.

wijst de vorderingen af;

4.2.

veroordeelt [eiser in de zaak met zaaknummer 431109] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 3.082,00, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

4.3.

veroordeelt [eiser in de zaak met zaaknummer 431109] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, als hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis voldoet en het vonnis vervolgens betekend wordt, met € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening, en te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na betekening tot aan de voldoening;

4.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2017.1

1 type: nig (4123) coll: IP (4217)